Markante personen

In deze sectie worden een aantal personen belicht die in mei 1940 in Nederland werden ingezet, die na deze inzet nog een opmerkelijke carriere doormaakten. Personen als Student, Bräuer, Götzel, etc.

Kurt Student

Kurt Student is de naam die onlosmakelijk verbonden is met de meidagen van 1940 en het Duitse parachutistenwapen. Een zeer markante persoon, en een bijzonder getalenteerd generaal.

Periode tot 1918

Generalleutnant Kurt Student

Kurt Arthur Benno Student werd op 12 mei 1890 geboren in Birkholz [Kreis Züllichau-Schwiebus]. Zijn vader was grootgrondbezitter, en hij had drie broers. Spoedig na Student’s geboorte gaan de zaken niet goed voor vader Student, en uiteindelijk zou na de jonge dood van zijn moeder, het geld voor studie niet aanwezig blijken te zijn. Uit die overweging wordt de net elfjarige Kurt naar een militaire kostschool gestuurd. Een weg en een motivatie die voor vele later bekende Duitse opperofficieren een geëigend pad zal blijken te zijn.

Zodoende werd de zeer jonge Kurt in 1901 cadet in Potsdam. Hij werd opgevoed, geschoold en gedrild volgens de Spartaans wijze die de Pruisische doctrine eigen was. Geestelijke en fysieke gezondheid waren hoofdzaak in deze leerschool, maar evenzo militaire en politieke kaders. In 1905 werd de inmiddels vijftienjarige Kurt overgeplaatst naar de Hauptkadettenanstalt Gross-Lichterfelde. Daar slaagt hij in 1910, op 19-jarige leeftijd.

In maart 1910 werd hij als Fähnrich [onderofficier, kandidaat officier] ingedeeld bij het 1e Jager Bataljon ’Graf York von Wartenburg’ in Oost-Pruisen. Korte tijd later – na bewezen geschiktheid – wordt hij op de Kriegsschule Danzig geplaatst. Hier volgt hij zijn laatste opleidingsdeel om tot officier te worden bevorderd. Hij wordt in maart 1911 – met terugwerkende kracht tot juni 1909 – tot Leutnant bevorderd en in zijn jagerbataljon ingedeeld.

In het voorjaar van 1913 werd hij – na een open sollicitatie – uitgenodigd een opleiding tot piloot te volgen in Johannistal, en behaalde zijn brevet in augustus 1913. Enkele weken later werd hij aangesteld als vlieger in de Feldfliegerabteilung, 1e Kompanie Fliegerbatallion No.2, in Posen.

Student behoorde in de 'peuterjaren' van de militaire luchtvaart tot een illustere elite. Hij kreeg samen met (later) beroemde vliegers als Immelmann, Boelke en Buddeke in 1915 een belangrijke taak in het testen van Fokker vliegtuigen die met gesynchroniseerde mitrailleurs frontaal door de propbladen schoten. Immelmann en Boelke aan het westfront, Buddeke aan het Turkse front en Student aan het (dan nog bestaande) oostfront.

In een jaar tijd werd hem zowel het IJzeren kruis I [1914] als het IJzeren kruis II [1915] uitgereikt.

Hierna werd Student ingedeeld als bommenwerperpiloot [KG.4] om na korte tijd als Oberleutnant Staffelkapitän te worden van Jagdstaffel 9. Dit commando behield hij tot hij op 2 mei 1917 gewond raakt tijdens een luchtgevecht en in een ziekenhuis belandt. Twee maanden later, na zijn genezing, neemt hij het commando over van de Jagdgruppe der 3. Armee. In februari 1918 werd Student ingedeeld bij de reserve-vliegers – vermoedelijk om bij te komen van ruim 3 jaar actie.

In juni 1918 werd Student bevorderd tot Hauptmann, en aangesteld aan de vliegeropleiding in de Adlerhorst. Hier bleef hij tot het moment dat de luchtmacht moet worden opgeheven vanwege het Verdrag van Versailles, in september 1919. Hierna werd hij aangesteld als adviseur voor vliegtuigtechnologie in de Abwicklungsstelle im Inspektorat für Bewaffnung und Ausrüstung, een onderdeel van het ministerie van defensie.

Het interbellum

In 1921 wordt Student commandant van de militaire opleidingen in het kanton Arys en tegelijk aangesteld als lid van de Armee-Friedens-Kommission. Vlak na zijn aanstelling raakt hij gewond bij een zweefvliegtuigongeluk en moet een half jaar herstellen. Hij werd hierna wederom aangesteld als adviseur voor vliegtuigontwikkeling.

Student raakte in zijn functie [onder ‘Inspektion 1 – Fliegerei’] betrokken bij Duits-Russische samenwerking ten aanzien van experimentele luchtmachtzaken en clandestiene Duitse luchtmachttraining. Hij reisde in 1926 en 1927 meermaals voor langere tijd naar Rusland, waar het vliegveld Lipezk [aan de Woronesh rivier] 350 km zuidoost van Moskou, aan de Duitsers ter beschikking was gesteld.

In 1928 kreeg hij weer positie in het veld, toen hij stafofficier werd in het 2e Infanterie Regiment. Deze aanstelling was noodzakelijk om voor bevordering in aanmerking te komen, omdat een grondeis was dat een troepenfunctie voor langere tijd moest worden verricht. Nadat hij twee jaar later werd bevorderd tot Major, werd hij bataljonscommandant bij IR.3. In 1931 kreeg hij een bijscholingscursus als vlieger op de vliegschool in Wurzburg.

In februari 1933, enkele dagen na het aantreden van het [dan nog] kabinet Hitler, wordt Student aangesteld aan het hoofdkwartier in Berlijn. In september van dat jaar wordt hij overgeplaatst van de landmacht naar de net opgerichte Luftwaffe, en wordt daar commandant van de Technischen-Ausbildungsschule der Luftwaffe in Jüterbog. Hier wordt hij op 1 januari 1934 bevorderd tot Oberstleutnant, en een jaar later tot Oberst. Na deze laatste bevordering werd Student betrokken bij de testen en proeven van nieuwe Luftwaffe vliegtuigtypes en daarna nam hij enige tijd het commando over de 3e Fliegerdivision op zich, tot hij op 4 juli 1938 het commando kreeg over de Valscherm- en luchtlandingstroepen. Iets later volgde zijn bevordering tot Generalmajor.

Tweede wereldoorlog

Van september 1939 tot september 1940 had hij het commando over de 7e FD, waarbij tijdens de acties in Nederland het opperbevel over alle ingevlogen troepen op hem ruste. Hij was inmiddels bevorderd tot Generalleutnant. Tegelijkertijd is hij inspecteur der valscherm- en luchtlandingstroepen.

De plannen voor operatie Seelöwe – de aanval op Engeland – werden deels door Student ontwikkeld. Er zou een belangrijke rol voor de parachutisten en luchtlandingstroepen zijn weggelegd. Ook was hij verantwoordelijk voor plannen om Gibraltar aan te vallen met parachutisten nadat Franco [Spanje] geweigerd had Duitse troepen door Spanje te laten trekken. Ook deze plannen werden niet uitgevoerd.

Op 12 mei 1940 werd hem het Ridderkruis toegekend voor de prestaties van zijn eenheden in Nederland.

Op 14 mei – na de capitulatie van Nederland – raakte hij in Rotterdam gewond door een kogel in het hoofd die vermoedelijk door eigen troepen [SS Leibstandarte] werd afgevuurd tijdens een chaotische situatie buiten het gebouw waar Student bij onderhandelingen betrokken is. Een Nederlandse chirurg moest zijn leven redden. Student lag tot januari 1941 in het ziekenhuis.

Na zijn herstel werd hij weer commandant van het XI.Fliegerkorps, de opvolger van de 7.FD en tegelijkertijd commandant van alle valschermtroepen. De landing op Kreta in mei 1941 monde uit in een catastrofaal verlopen operatie. Weliswaar werd het relatief zwak verdedigde eiland veroverd, maar de kosten aan materieel en manschappen waren enorm. De Duitsers verloren een veelvoud meer mannen en materieel dan hun verslagen tegenstanders. Het zou de laatste Duitse luchtlanding van formaat zijn.

De al geplande invasie van Malta – Brits bolwerk in het Middellandse Zeegebied – werd door de ervaringen in Kreta afgelast. Students troepen participeerden hierna in enkele heroïsche veldslagen [o.a. Monte Casino] in Italië, en in september 1943 kreeg Student als erkenning hiervoor het Eikenloof bij het Ridderkruis uitgereikt. Ook in Frankrijk onderscheidden de Fallschirmjäger [ingedeeld bij Heeres Gruppe B en D] zich tijdens de gevechten in Normandië en de omgeving van Cain en Falaise, maar leden wederom zware verliezen. Op 13 juli 1944 werd Student bevorderd tot Generalloberst en even daarvoor was hij commandant van de nieuw opgerichte 1.Fallschirm Armee geworden. Bij de operatie Market-Garden – en de nasleep hiervan – werden de Fallschirmjäger prominent ingezet tegen de gelande Geallieerden.

De Sovjet offensieven in het oosten, en de Geallieerde opmars in het westen – alsmede de aanslag op Adolf Hitler in juli 1944 – zorgden voor een blijvende desorganisatie in de Wehrmacht. Commando’s wijzigden vaak, en onderdelen werden telkens opnieuw geformeerd. In oktober 1944 werd Student’s rol die van commandant van de Armee-gruppe Student, vlak hierna werd dit de Armee-Gruppe H. In januari 1945 werd Student heraangesteld als Befehlshaber der Fallschirmtruppen – dan nog slechts een gewone landmacht eenheid. Kort hierop volgde de aanstelling in de Führerreserve om vervolgens weer het commando te krijgen van de Armee-Gruppe Student. Op 10 april wijzigde dit weer in het commando over de 1.Fallschirm Armee, een dan zeer weidse naam voor een gedecimeerd onderdeel. Eind van die maand werd hij aangesteld als commandant van de Heeresgruppe Weichsel. Dit commando kon hij echter niet op zich nemen vanwege ziekte. Pas op 1 mei kon hij richting nieuw commando vertrekken, maar de volgende dag werd zijn reisgebied door de Amerikanen volkomen onder de voet gelopen. Student kon maar net aan gevangenschap ontsnappen, zij het dat het uitstel van executie was.

Epiloog

Op 8 mei met de capitulatie van de Duitse troepen raakte Kurt student in Brits krijgsgevangenschap. In 1948 lieten de Britten hem vrij. Hij werd echter tot 5 jaar gevangenschap veroordeeld tijdens de Neurenbergse processen vanwege indirecte betrokkenheid bij oorlogsmisdaden op Kreta. Na twee jaar stond Student echter weer buiten.

Op 1 juli 1978 overleed hij in Lemgo-Lippe.

Bruno Bräuer

Bruno Oswald Bräuer was niet alleen een hoofdrolspeler in de strijd om het zuidfront Vesting Holland in mei 1940, maar hij was ook een omstreden persoon. Hij zou in 1947 in Griekenland, na een kort proces, ter dood worden veroordeeld wegens misdaden tegen de mensheid en het schenden van het oorlogsrecht en worden geëxecuteerd. Hij was vermoedelijk de enige Fallschirmjäger die ooit veroordeeld werd voor dergelijke misdaden, hoewel hij ten tijde van zijn commando op Kreta geen Fallschirmjäger meer was.

Vroege jaren

Bruno Bräuer

Op 4 februari 1893 werd in het Silezisch-Pruisische Willmannsdorf Bruno Bräuer geboren. Al als twaalfjarige werd hij militair aan de Militär-Knabenerziehungs-Anstalt in Annaburg, om vervolgens in 1908 – vijftien jaar oud – zijn opleiding voort te zetten aan de Unteroffiziers-Vorschule in Greifenberg/Pommern. In 1910 kreeg hij een vervolgopleiding – nu als vol militair – aan de Pruisische school voor onderofficieren in Greifenberg/Pommern. In 1912 werd hij als Gefreiter ingedeeld bij het 7e Infanterie Regiment. Hij werd ingedeeld bij de stormtroepen, en maakte aan het west- en oostfront de strijd van WOI aan den lijve mee. In 1914 werd hem het IJzeren Kruis I, en in 1917 het IJzeren Kruis II toegekend.

Interbellum

Als Feldwebel verliet Bräuer in 1919 het leger en trad toe tot de Schutzpolizei. Dit was tijdens het interbellum een soort paramilitaire organisatie binnen het politieapparaat. Hij kwam terecht in de speciale politie-eenheid Landespolizeigruppe Hermann Göring waarvan hij al snel commandant werd. Hier kwam hij ook voor het eerst in aanraking met de parachute. Binnen deze eenheid werd namelijk een parachutistenpeloton opgezet voor speciale politionele missies.

Nadat zijn eenheid was omgedoopt tot Regiment Hermann Göring, werd Bräuer in 1936 commandant van het IV. Fallschirmschützen Bataillons des Regiments "Hermann Göring".

Major Bräuer werd de eerste gebrevetteerde Duitse Fallschirmjäger, nadat hij als eerste op 11 mei 1936 als Fallschirmjäger een sprong aan de parachute waagde tijdens zijn opleiding aan de net nieuw opgerichte opleidingschool in Stendal-Borstel. In april 1938 zou hij ook de eerste commandant worden van het eerste officieel opgerichte bataljon parachutisten, I./FJR1.

Tweede Wereldoorlog

Op 1 januari 1939 werd Bräuer als Oberstleutnant commandant van 1./FJR1 en na zijn bevordering tot Oberst (1) tevens plaatsvervangend commandant van de 7.FD. In deze functie sprong Brauer af boven het Eiland van Dordt op 10 mei, en richtte zijn hoofdkwartier in bij Tweede Tol.

(1) Opvallend vaak wordt Bruno Bräuer door publicisten als Oberstleutnant beschreven tijdens de strijd in Vesting Holland. Dat kan alleen maar een kwestie van 'slecht copiëren' zijn van die publicisten, want Bräuer was ruimschoots voor de inzet in Nederland tot Oberst bevorderd.

Op 24 mei 1940 ontving Bräuer – uit handen van de Führer zelf – het Ridderkruis. Dit kreeg hij voor zijn buitengewone verdiensten voor de succesvolle aanval en opvolgende verdediging van het bruggenhoofd Moerdijk.

Bräuer - Schuller - Prager

In mei en juni 1941 was hij als commandant van de aanvalsgroep Oost – nog steeds als Oberst – betrokken bij de landingen op Kreta. Bräuer deelde nadrukkelijk in de rampzalig verlopen actie. Hij had het bevel over FJR1 dat met een bataljon van FJR2 versterkt was. Zijn taak was het innemen van het vliegveld Heraklion. De actie mislukte aanvankelijk en pas nadat de Geallieerden zich hadden teruggetrokken kon Bräuer het vliegveld bezetten. Zijn eenheid, met name het bataljon van FJR2, had zware verliezen geleden. Zijn leidende rol bij de desastreus verlopen operatie deed zijn militaire carrière geen goed.

Na de catastrofaal verlopen onderneming in Kreta werd Bräuer opgenomen in de Führerreserve en aangesteld als bijzonder adjudant in de rang van Generalmajor bij Hermann Göring. Hij werd in februari 1943 commandant van de Vesting Kreta, na korte tijd ervoor chef-staf aldaar te zijn geweest onder General Andrae. Zijn voorgangers hadden op Kreta – waar het verzet erg actief was – hardhandig huisgehouden. Hoewel Bräuer – inmiddels bevorderd tot Generalleutnant – in eerste instantie de teugels wat liet vieren, raakte hij betrokken bij een gruwelijke affaire met een groot Joods transport, waarbij honderden slachtoffers vielen. Bovendien had Bräuer zijn troepen voorafgaande aan dat transport hardhandige razzia’s laten houden, waarbij veel slachtoffers onder de burgerbevolking vielen. In het voorjaar van 1944 werd Bräuer van zijn commando ontheven.

In juni 1944 volgde een bevordering tot General der Flieger, en werd Bräuer teruggehaald naar Duitsland om weer in de Führerreserve te worden opgenomen. In januari 1945 werd hij als commandant van 9.FD aangesteld – een eenheid van slechts 5 bataljons met enkele Fallschirmjäger maar vooral gewone Luftwaffe troepen - en ingeschakeld bij de verdediging van Breslow. Zijn eenheid werd bijna gehalveerd, waarna de restanten zich terugtrokken en tenslotte aan de oostkant van Berlijn vrijwel vernietigd werden. Bräuer kreeg tijdens deze actie een zenuwinzinking en werd van zijn commando ontheven. Na enigszins te zijn opgeknapt werd hij wederom naar de Führerreserve teruggehaald. Het zou niet meer tot inzet komen.

Epiloog

Bruno Bräuer werd op 10 mei 1945 – exact vijf jaar na zijn inzet tegen Nederland – door de Britten gevangen genomen.

De Britten leveren Bräuer uit aan de Griekse autoriteiten die hem van oorlogsmisdaden verdachten. Bräuer werd samen met General Friedrich-Wilhelm Müller schuldig bevonden aan de dood van 3,000 Griekse inwoners van Kreta, waaronder enkele honderden Joden. Voornaamste aanklachten tegen Bräuer waren de slachtpartij die Duitse troepen op 14 september 1943 aanrichtten in het dorp Viannos waarbij ca. 500 burgers [w.o. veel vrouwen en kinderen] werden gedood, en de acties rond de stad Chania waarbij de stad werd omsingeld en alle Joodse inwoners werden gearresteerd en gedeporteerd. Het schip met Joden zou onderweg tot zinken worden gebracht, waarbij slechts vier mensen overleefden.

Bräuer werd schuldig bevonden aan misdaden tegen de mensheid en oorlogsmisdaden. Op 20 mei 1947 werd hij geëxecuteerd in Griekenland, samen met General Müller. 

Lang na de oorlog zette de Bund Deutsche Fallschirmjäger zich in om het graf van Bräuer te verplaatsen naar de Heuvel 107, die de graven van de gesneuvelden van de strijd in 1941 bevat. Dat verzoek werd ingewilligd en zodoende is het graf van Bräuer tenslotte, voor deze pionier van het Fallschirmjägerwaffen, op een waardige plaats te vinden.

Wolfgang Graf von Blücher

Leutnant [d. Res.] Wolfgang Graf von Blücher was op 10 mei 1940 als Zugführer ingedeeld bij 2./FJR1. Op 24 mei 1940 ontving hij het Ridderkruis bij het IJzeren Kruis voor zijn moed betoond tijdens de acties in en om Dordrecht. Volgens de mutatie om de inname van de 'Bunkerstellung' bij Amstelwijk.

Leutnant Graf von Blücher

Wolfgang von Blücher [31 januari 1917] was een graaf [Graf] en directe nazaat van de wereldberoemde Pruisische generaal Graf Gebhard Leberecht von Blücher die als bevelhebber van het Pruisische leger bij onder andere Leipzig en Waterloo in de 19de eeuw tegen de Fransen vocht. De beide broers van Wolfgang, de jongere Oberjäger Leberecht [13 april 1922] en de piepjonge Jäger Hans-Joachim [23 oktober 1923] werden ook Fallschirmjäger, en allen dienden in I./FJR1 tijdens de strijd om Kreta.

De tragiek van de gebeurtenissen aldaar is tegelijkertijd de reden voor uitlichting alhier. Toen het peloton van – inmiddels Oberleutnant – Wolfgang von Blücher in de strijd rond Heraklion was geïsoleerd geraakt in een gevecht met de beroepssoldaten van de beroemde Schotse ‘Black Watch’ [Royal Highland Regiment], en Leberecht von Blücher lucht kreeg hiervan, was het Leberecht die een paard pakte, dit bepakte met munitie en in galop dwars door de Schotse linie reed om enkele meters voor de positie van zijn broer door een Britse kogel – voor de ogen van Wolfgang – te sneuvelen. De volgende dag was de beurt aan Wolfgang zelf, toen zijn peloton vrijwel werd uitgeroeid door de hen overlopende Schotten en Wolfgang daarbij omkwam. De jongste telg, Hans-Joachim, zou enkele dagen later sneuvelen. Zo stierven drie broers van een illustere Pruisische familie binnen enkele dagen binnen hetzelfde verband tijdens dezelfde slag …

Op het Griekse eiland is tot op de dag van vandaag een lokale sage te horen van een militair te paard die rondwaart over het eiland. Hoewel deze sage vrijwel zeker ontleend is aan het heroïsche verhaal van Leberecht von Blücher, is de ruiter in de overlevering een Britse militair. In ieder geval ondersteunt de sage de dramatische lading die het verhaal in zijn authentieke oorsprong al heeft. De broer die zijn in nood verkerende oudere broer te hulp schiet en voor diens ogen het leven laat. De dramatiek van oorlog in optima forma, onwillekeurig de kwestie van ‘vriend en vijand’…

►Hauptmann Hermann Götzel

Tijdens de meidagen van 1940 was Hauptmann Hermann Götzel de commandant van de Panzer Abwehr Kompanie (1) van 7.FD.

(1) In de zomer van 1940 werd bij das Heer en de Fallschirmjäger de Panzer Abwehr Kompagnie opgedoopt tot Panzer Jäger Kompanie. Dit was vrijwel altijd de 14e compagnie in een regiment.

Götzel werd veel later, vanaf 1980, veel beter bekend als ‘kroniker’ van Generaloberst Kurt Student. Dat jaar verscheen namelijk de biografie van Student met de titel ‘Generaloberst Kurt Student und seine Fallschirmjäger’. Götzel was een trouwe vriend van Student geworden, en toen Student in de late herfst van zijn leven zijn memoires wilde schrijven, maar door diverse handicaps daartoe niet meer in staat was, verzocht hij Hermann Götzel dat namens hem te doen. Götzel nam die uitdaging aan, maar wist het manuscript niet af te krijgen voordat Student in 1978 overleed. Uit vele gesprekken tussen de twee veteranen werd hoe dan ook een boek samengesteld dat de moeite van het lezen waard is.

Hoewel het werkstuk van Götzel als bron met gepaste reserve dient te worden aangewend, biedt het zeker over de opbouwtijd van de Fallschrimjäger boeiende informatie. De beschreven periode in de meidagen van 1940 bevat echter opmerkelijk veel onzuiverheden. Onzuiverheden waarover men zou kunnen zeggen dat deze voorkomen hadden kunnen worden omdat over die kwesties ook anno 1940, en de jaren daarna, voldoende bekend geweest moet zijn.

Hermann Götzel zelf was ook Fallschirmjäger van (vrijwel) het eerste uur. Hij werd al in 1938 commandant van de voorloper van de Fallschirmjäger Panzer Abwehr Kompanie, de Panzerabwehr Versuchskompanie. In mei 1940 neemt hij als Hauptmann en commandant van die compagnie deel aan de strijd aan het zuidfront. Later vallen hem diverse troepencommando’s en staffuncties ten deel, waarbij hij in 1945 als Oberquartiermeister – in de rang van Oberst – in het Oberkommando der Fallschirm Armee dienst doet onder Student.

►Generalleutnant Hans Graf von Sponeck

De commandant van 22.LL.ID was Generalleutnant Hans Emil Otto Graf von Sponeck, een Duitse oorlogsheld, die tijdens WOI de hoogste Duitse onderscheiding had gekregen voor zijn verdiensten op het slagveld. Een aristocraat en officier die wegens zijn verdiensten en kwaliteiten in het 'honderdduizend leger' werd opgenomen.

Hans Graf von Sponeck

Hans von Sponeck was in 1888 geboren in Düsseldorf. Zijn familie behoorde tot de oude aristocratie in Duitsland. Het was dan ook vrijwel vaststaand dat hij - als enige zoon van zijn ouders - kadet werd om ter zijner tijd een militaire carriere te maken. Reeds in zijn elfde levensjaar kwam hij aan de kadettenschool [Karsruhe] en volgde een zesjarige kadetten vooropleiding. In 1905 werd hij als 17-jarige volwaardig kadet [Kadettenkorps Gross-Lichterfelde] om op zijn 20ste als Leutnant te worden beëdigd.

In 1910 trouwde Hans von Sponeck met Anneliese Honrichs en uit dat huwelijk werden twee zonen geboren, Hans Curt en Hans Wilhelm Otto. De laatste zou als Rittmeister in de Sovjet Unie omkomen tijdens WOII.

Als Leutnant maakte hij het begin van de Eerste Wereldoorlog mee, dienende als Zugführer in het Garderegiment 5. Nadien werd hij regimentsadjudant [Oberleutnant] bij IR.262, waarna hij compagniescommandant bij dat regiment werd. In 1916 werd hij opgenomen in de Generalstab beim Oberkommando des Heeresgruppe von Württemburg.In september 1917 volgde bevordering tot Hauptmann. In die rang beleefde hij het einde van WOI. Hij was tweemaal gewond geraakt en had het IJzeren Kruis I en II alsmede het Ridderkruis I en II ontvangen tijdens de oorlog.

Hauptmann Hans von Sponeck bleef bij het honderdduizend leger en diende als compagniescommandant bij twee regimenten voordat hij in 1924 bij de Generalstab des Artillerieführers III en in 1927 bij de Heeresorganisationsabteilung RWM te Berlijn terecht kwam. Deze laatste organisatie was een voorname gecamoufleerde alternatieve organisatie voor de middels Versailles verboden Generalstab. In deze strategische denktank werd de nieuwe Reichswehr vormgegeven en zouden vele latere Duitse generaals tijdens het interbellum hun steentje bijdragen aan de plannen voor heropbouw. 

In 1928 werd von Sponeck tot Major bevorderd en kort daarna aangesteld als 1a [chef operaties] bij de 3e ID in Berlijn. In 1932 volgde de bevordering tot Oberstleutnant en twee jaar later tot Oberst, waarbij het commando over IR.48 in Neustrelitz werd aanvaard. 

Het jaar 1937 werd een veelbewogen jaar voor Von Sponeck. Hij scheidde van zijn vrouw - een ongewone zaak in die tijd - en hij verruilde de landmacht voor de luchtmacht. Hij was namelijk benaderd om een rol te dragen in de opbouw van tactische luchtlandingseenheden. Eind 1937 werd hij aangesteld bij de Kommandeur Luftgau 3 [Albert Kesselring] in Berlijn. Het jaar daarop volgde promotie tot Generalmajor. Datzelfde jaar hertrouwde hij met Gertrud Konitzer, uit welk huwelijk een jaar later nog een zoon [Hans-Christof] werd geboren. 

Begin 1938 werd Generalmajor Hans von Sponeck aangesteld als de commandant van 22.ID, dat zou worden omgevormd naar een luchtlandingsdivisie. De divisie zou echter slechts met IR.16 tot werkelijke luchtlandingsvorming komen, maar desondanks diverse malen worden ingezet bij de Duitse landmacht operaties. Pas na september 1939 werden de beide andere regiment IR.47 en IR.65 ook omgeschoold tot luchtlandingseenheden. Maar van werkelijke vorming kwam nauwelijks iets terecht. 

Vlak na zijn promotie tot generaal raakte Von Sponeck betrokken bij een buitengewoon smerig machtspel. Zijn voormalige superieur General Baron Werner von Fritsch was in onmin geraakt bij Hitler en zijn entourage. Hitler wilde af van de conservatieve legertop en zodoende werd Von Fritsch valselijk beschuldigd van homofilie. Daarop volgde een officiële aanklacht tegen Von Fritsch en wilde men hem zodanig op een zijspoor zetten. Toen Von Sponeck hiervan hoorde wilde hij direct als karaktergetuige ten faveure van Von Fritsch optreden. Von Sponeck respecteerde de generaal buitengewoon, en aangezien beide heren aristocratische wortels hadden, was de band des te sterker. Voorzitter van het tegen Von Fritsch georganiseerde tribunaal was echter niemand minder dan Hermann Göring, tweede man van het regiem en bovendien Von Sponeck zijn directe superieur. Hoewel Von Sponeck een vurig pleidooi voor Von Fritsch en tegen de verwerpelijke gang van zaken voor ogen had, werd hij tamelijk bruusk door voorzitter Göring geregisseerd en kwam er niets van zijn voornemens terecht. Het gebeuren versterkte slechts de natuurlijke weerzin die Von Sponeck toen al voelde tegen het regiem, dat hij vooral verfoeide door haar gebrek aan respect voor de Duitse aristocratie en de omissie van beschaafdheid en gematigdheid.

In februari 1940 werd Von Sponeck gepromoveerd tot Generalleutnant. In die rang zou hij deelnemen aan de strijd in Nederland, en het operatiedeel 'Fall Festung Nord' leiden. Die operatie - rond Den Haag - zou een mislukking worden. Desondanks ontving Generalleutnant von Sponeck nog in mei 1940 het Ridderkruis van Hitler.      

Tijdens de veldtocht in de Sovjet Unie kreeg Generalleutnant von Sponeck in oktober 1941 het bevel over XXXXII.AK dat in de Krim vocht. Nadat hij spoedig na zijn aanstelling een terugtocht aanvaardde zonder toestemming van het OKH, werd hij direct van zijn functie ontheven en begin 1942 voor de krijgsraad gebracht. De krijgsraad werd voorgezeten door niemand minder dan Hermann Göring, Von Sponecks kwelgeest. Men kwam tot een doodvonnis dat echter door tussenkomst van Generaloberst Haase tot zes jaar tuchthuis werd omgezet.

De kern rond Hitler was Von Sponeck echter niet vergeten. Toen de aanslag op Hitler in juli 1944 aanleiding gaf tot een Stalinistische zuivering van het Duitse officierenkorps, zorgde Himmler persoonlijk voor de executie van de generaal. Volgens bronnen trad Generalleutnant Graf von Sponeck het executiepeloton op 23 juli 1944 toe met opgeheven hoofd. Hij zou de volgende woorden tot zijn beulen hebben gesproken: 'Vierzig Jahre habe ich dem Vaterland, das ich von ganzem Herzen geliebt habe, als Soldat und Offizier gedient. Wenn ich heute mein Leben lassen muss, so sterbe ich in der Hoffnung auf ein besseres Deutschland.' 

Generalleutnant Hans Graf von Sponeck was een buitengewoon geliefde officier onder zijn minderen. Een officier uit de oude Pruisische traditie gegroeid en met een warm gevoel voor vaderland en leger. Zoals zo veel Duitse officieren, die de regiemwisseling meemaakten, kwam hij op de tweesprong van aversie tegen de nazi's en liefde voor leger en vaderland. En zoals zo velen koos hij voor een blijvend dienstverband voor zijn land. Von Sponeck werd door meerdere officieren in zijn entourage aangeduid als een generaal die wars was van de nazi taferelen, de Heil-groot nooit bracht of liet brengen en die zich ongeremd negatief uitliet over het nazi regiem. Het was typerend voor deze officier dat zijn terugtrekkingsbevel in november 1941 ingegeven werd door de militaire rede en dat door dit bevel vermoedelijk duizenden mensenlevens van zijn legerkorps werden gered. Dat deze handeling in combinatie met zijn bekende aversie tegen de nazi's hem uiteindelijk het leven zou kosten, was in de dagen van Adolf Hitler geen unicum.