Geneeskundige formaties en het oorlogsrecht

Inleiding

Oorlogsvoerende groeperingen en naties hebben al sinds mensenheugenis de neiging om [rationeel gezien heel tegenstrijdig] de anarchie van oorlogvoeren te beteugelen door middels vooral mondelinge codificatie – later door middel van geschreven en geratificeerde verdragen – oorlogsregels aan te brengen die de totale anarchie van oorlog (met name op humanitair vlak) beteugelden. Het vooral sinds de 19e eeuw geschreven ‘oorlogsrecht’ was vrijwel geheel gericht op de humanitaire kant van de oorlog, of eigenlijk beter gezegd, het beteugelen van het onhumane gedrag door belligerenten tijdens oorlog en strijd. Een van de meest tastbare voortvloeiselen daarvan was het Rode Kruis, dat inmiddels niet alleen symbool staat voor de humanitaire behandelingen van slachtoffers van de krijg maar ook een prominente civiele functie heeft gekregen.

Het Rode Kruis [als diapositieve afspiegeling van de Zwitserse vlag] kreeg vooroorlogs wereldwijd betekenis als symbool van het verdrag van Geneve uit 1864 (en navolgende herzieningen in 1906 en 1929). Zoals de naam van het Verdrag van 1864 reeds impliceert, zag het op het verbeteren van het lot der gewonde militairen van de legers te velde. Het Verdrag van 1864 werd in 1906 vervangen door het Tweede Verdrag van Geneve, terwijl het Derde Verdrag van 1929 het Tweede Verdrag op zijn beurt verving. Voor de strijd in mei 1940 waren de Haagse en Geneefse verdragen van 1907 respectievelijk 1929 onverminderd van kracht omdat alle belligerenten het hadden geratificeerd. Iets wat bijvoorbeeld uitdrukkelijk niet gold voor de bij WOII (op enig moment) prominent betrokken belligerenten als de Sovjet-Unie en Japan. Het werd die partijen echter eenzijdig opgelegd, althans, met name Japan werd op onder meer de regelen der verdragen van Geneve en Den Haag afgerekend tijdens de processen die tegen Japanse militairen werden gevoerd na de Tweede Wereldoorlog.

De regelen van het Verdrag van Geneve van 1929 [officieel resultaat van de Derde Conventie van Geneve] en de Haagse Conventie [4e Conventie van Den Haag, 1907] waren voor geneeskundige formaties sterk regulerend. Het Geneefse Verdrag bepaalde uitdrukkelijk hoe een geneeskundige formatie zich diende te gedragen, uitdossen en identificeren. Het regelde eveneens hoe de tegenpartij met de geneeskundige formatie van de overige belligerenten – met name die welke als tegenstander werd(en) beschouwd – diende om te gaan. Kort en goed gezegd: het verdrag bepaalde op hoofdlijnen wat wel en niet mocht en wat wel en niet moest. Daarin waren de verdragen van Den Haag en Geneve echter verre van uitputtend. Het collectief aan stipulaties regelde hoofdlijnen, bepaalde kaders, maar het liet nadrukkelijk aanzienlijke ruimte over voor interpretatie. Een ruimte die belligerenten, vooral hen met offensieve doelstellingen, gaarne zouden gebruiken. Dat dit tot veel verwarring zou leiden tijdens WOII – en daarna – zou niemand moeten verbazen.

Veel misverstanden bestaan er rondom de werkelijke betekenis van de bescherming van het Rode Kruis teken bij geneeskundige formatie tijdens de strijd. Een wijd verbreid misverstand is dat het Rode Kruis een vrijwel onbeperkte bescherming vanuit de Verdragen bood, hetgeen apert onjuist is. Een ander bekend misverstand is dat een militair die het Rode Kruis teken draagt zich op geen voorwaarde actief met de krijg zou mogen bemoeien. Misverstanden die niet alleen onderzoekers en auteurs bezig houden, maar ook door militairen zelf – ongetwijfeld ook vandaag de dag nog – aanleiding zijn voor veel misverstanden.

Hoofdzaak bespreking

Hoofdzaak in deze bespreking is de curieuze rol die de Duitse geneeskundige formaties kregen tijdens de oorlog, met name bij de luchtlandingstroepen en parachutisten in mei 1940. Een curieuze rol – wordt gezegd – omdat zij op de rand van het toelaatbare (wellicht erover) balanceerden bij de praktische toepassing van de regelen die zagen op de gedragingen der geneeskundige formaties en individuen binnen hun legereenheden in combinatie met het uitdragen van het Rode Kruis.

Hoe verwarrend de Duitse methodiek was en tot hoeveel verwarring dat vandaag de dag nog leidt bij onderzoekers, bleek wel uit het spraakmakende en veel te kritiekloos ontvangen auteursrechtelijke werk ‘Ik had mijn Roode-Kruis band afgedaan’ dat onder de noemer van het NIMH door Herman Amersfoort werd gepubliceerd in 2005 [83]. Daarin werden een groot aantal onjuiste en tendentieuze conclusies getrokken, die overigens niet alleen verband hielden met onzuivere conclusies die de auteur trok uit door hemzelf geselecteerde gebeurtenissen tijdens de strijd in Nederland in mei 1940, maar ook duidden op onvoldoende kennis bij de betreffende auteur t.a.v. de praktische gebruiken bij de Duitse geneeskundige formaties in kwestie. Dit laatste verwijt is Amersfoort door auteur dezes al eens eerder middels een brochure voor de voeten geworpen. Overigens zonder dat hij daarop in wenste te gaan. Een auteur die zich echter profileert als wetenschapper, dient zijn achtergronden deugdelijk te onderzoeken voordat hij tot conclusies reikt.

Veel boeiender dan Amersfoort zijn bevindingen is een bredere beschouwing te bieden van de in de basis curieuze Duitse toepassing van het oorlogsrecht ten aanzien van geneeskundige formaties te velde. Dat zal dan ook de rode draad zijn door deze thematische bespreking.

In de verslagen van de Fallschirm Santitätskompanie 7 [470, 471] wordt duidelijk gesteld dat men een dubbelrol had. Men sprong af als ‘Jäger’ en zou zich pas tot het geneeskundige werk wenden wanneer daartoe noodzaak was. Een deel der compagnie zou gedurende de eerste vier dagen echter ononderbroken als regulier parachutist en strijder aan de slag om het zuidfront deelnemen.

Ontstaan humanitair oorlogsrecht

Op 24 juni 1859 vond in Noord-Italië de slag bij Solferino plaats tussen een Frans-Sardinische verbond enerzijds en Oostenrijkse troepen anderzijds. De slag betrok circa 250.000 militairen [cijfers variëren in de bronnen tussen 180.000 en zelfs bijna 400.000]. Aan doden, gewonden en vermisten bleek uiteindelijk een getal van 37.000 [sommige bronnen melden 38.000] man te koppelen. Veel van de aanvankelijk gewonde strijders overleden later alsnog aan hun verwondingen door het totaal ontbreken van medische hulp tijdens en na de slag.

Henri Dunant [officieel Jean Henri, 1828-1910] was een Zwitserse zakenman die bij toeval in de buurt van Solferino verkeerde en de nasleep van de slag waarnam. Hij was geshockeerd door de wreedheid die hij zag in de nasleep, waarbij talloze gewonden overal in de omgeving lagen te kermen en te versterven doordat zij door niemand werden verzorgd. Toen hij constateerde dat er niets werd georganiseerd door de belligerenten zelf, nam Dunant plaatselijk de leiding door gewondenzorg te organiseren en zelf daartoe lokaal middelen aan te schaffen. Typerend – voor de latere internationale afspraken – waren zijn instructies aan de lokale burgers om gewonden zonder selectie op nationaliteit te behandelen en door te onderhandelen met de Fransen om Oostenrijkse legerartsen los te krijgen uit Frans gevangenschap. Dunant schreef zijn ervaringen op in zijn later beroemde boek “Un souvenir de Solderino” [“Een herinnering aan Solferino”], dat hij geheel op eigen kosten uitgaf en distribueerde. In het boek appelleerde Dunant richting lezers dat het in zijn ogen om humanitaire redenen onontkoombaar was dat een onafhankelijke organisatie voortaan tijdens oorlogen de gewonden kon verzorgen. Door zijn boek bij veel invloedrijke lieden in binnen- en buitenland onder de aandacht te brengen, verkreeg Dunant politieke én militaire steun. Die ging overigens ten koste van zijn eigen rol, want als persoon werd Dunant spoedig krachtig in de kantlijn geplaatst door invloedrijke 'kapers' van zijn humanitaire oorlogsrecht suggesties.

In oktober 1863 kwamen 14 staten bijeen in een vergadering in Geneve waarbij het onderwerp ter tafel werd gebracht van de verbetering en institutionalisering van de gewondenzorg op toekomstige slagvelden. Het werd tevens de oprichtingsdatum van het internationale Rode Kruis, hoewel de statutaire oprichting pas een jaar later plaatsvond bij ondertekening van het Verdrag van Geneve. In 1864 werd door 12 staten het in 1863 geconcipieerde verdrag getekend. In retrospect zou dat verdrag als het Eerste Verdrag van Geneve de boeken in gaan. 

Het is belangrijk te weten dat de Geneefse Conventies zuiver humanitaire doelstellingen kenden. Voor veel in deze materie onbekende lezers staan de Geneefse Verdragen [algemeen aangeduid als ‘Het Verdrag van Geneve’, wegens het feit dat ieder nieuw verdrag het voorgaande ongeldig maakt] model voor het oorlogsrecht, maar dat is onterecht. De Geneefse Verdragen zagen in eerste aanleg slechts op de – kort gezegd – verzorging der gewonden tijdens een oorlog en in latere herzieningen ook op de regelingen rond krijgsgevangenschap. De Verdragen waren allen zuiver humanitair van aard, terwijl de Haagse conventies meer zagen op internationaal privaatrechtelijke zaken in geval van oorlog aangevuld met de 4e Conventie van Den Haag die algemeen gezien worden als basis voor het militaire oorlogsrecht.

Het Verdrag van 1864 had als (vertaalde) officiële titel “Verdrag van Geneve voor de verbetering van het lot der gewonden en zieken, zich bevindende bij de strijdkrachten te velde”. De considerans [=de overweging; juridisch jargon voor de motivatie om tot een regeling c.q. codificatie te komen] voor het verdrag kan men kort en goed gezegd omschrijven als de wens om zorg te dragen voor de humanitaire en gelijke medische behandeling van tijdens de strijd gewond geraakte alsmede onverhoopt ziek geworden militairen, onwillekeurig de afloop van een slag en onwillekeurig tot welke partij zij behoren. De regeling moest ervoor zorgen dat medische zorg te allen tijde verleend zou worden, dat die zorg goed c.q. zo goed mogelijk plaats zou vinden en dat belligerenten medisch personeel – ook tijdens de strijd – ongemoeid zouden laten. Met andere woorden, de medische formaties zouden zich als min of meer onzijdige partij in en buiten het strijdgewoel moeten kunnen bewegen. Die medische formaties zouden op hun beurt onzijdig blijven en zich dus niet actief met de krijg bemoeien.

In wezen is die considerans nooit werkelijk gewijzigd, maar zijn de verdragsteksten in de loop der tijd aangepast doordat daartoe in de praktijk noodzaak bleek te zijn en omdat de aard (en omvang) van oorlogen veranderde.

Het is verder niet zinvol op deze plaats nader en dieper in te gaan op het Rode Kruis en de conventies, anders dan de voor de onderstaande bespreking relevante artikelen op te nemen. De vermelding van de considerans - door auteur dezes voor de gelegenheid kort en bondig geformuleerd – lijkt echter zinvol voor begrip van de alhier besproken – complexe kwestie. Die considerans kennende ontstaat namelijk een beter begrip voor de curieuze kwestie van de Duitse dualiteit in de functietoekenning van hun geneeskundige formatie binnen het luchtlandingsleger in mei 1940.

Geneeskundige formaties

Voor het algemene begrip is het zinvol om stil te staan bij de kaderstelling en regelgeving die het in mei 1940 geldende oorlogsrecht bood aan geneeskundige formaties.

De 4e Haagse Conventie

De ten aanzien van geneeskundige formatie in mei 1940 van toepassing zijnde bepalingen in het oorlogsrecht [het “ius in bello”, ofwel het oorlogsrecht tijdens een staat van oorlog] waren – in tegenstelling tot wat velen denken – ook deels ontsproten uit de regelen die waren vastgelegd in de 4e Haagse Conventie. De Haagse conventies zagen vooral op het algemeen oorlogsrecht, in jargon het Landoorlogsrecht of LOR. Bepalingen uit die 4e Conventie die in casu relevant zijn voor de strijd van mei 1940 zijn de volgende citaten:

Artikel 23:

In aanvulling op de verboden opgelegd middels speciale conventies, is het nadrukkelijk verboden om:

- op verraderlijke wijze de tegenstander te verwonden of te doden
- het misbruik maken van (…) de tekens van de Geneefse Conventie [w.o. het Rode Kruis].

Artikel 24:

Krijgslisten en maatregelen tot verkrijging van informatie over de tegenstander zijn toegestaan.

Artikel 29:

Iemand kan slechts als spion worden aangemerkt als deze zich clandestien of onder valse pretenties van informatie meester probeert te maken c.q. meester maakt in de zone die als operationeel gebied van de tegenstander geldt en deze informatie daadwerkelijk aan de eigen partij tracht over te brengen c.q. heeft overgebracht.

Militairen die zonder vermomming vijandelijk gebied hebben weten binnen te dringen met als doel het verwerven van informatie over de tegenstander, worden dus niet als spionnen aangemerkt. Identiek worden militairen of burgers die openlijk een missie uitvoeren ook niet als spionnen gezien.

- Einde citaat – 

Derde Verdrag van Geneve

In de Tweede Geneefse Conventie van 1906 werd ten aanzien van de Eerste Geneefse Conventie van 1864 vervangend bepaald. Op zijn beurt werd t.a.v. het Tweede Geneefse Verdrag bij de Derde Geneerse Conventie in 1929 – de laatste voor de oorlog – vervangend bepaald, zodat op 10 mei 1940 het Derde Verdrag van Geneve van toepassing was. Omdat de verdragen elkaar telkens vervingen en het voorgaande daarmee verviel, werd (en wordt) altijd gesproken van ‘het’ Verdrag van Geneve. De datum van een dergelijke verwijzing bepaalt dan in principe naar welk Verdrag men verwijst.

Ten aanzien van geneeskundige formaties (diensten) werd in het Derde Verdrag van Geneve zoals weergegeven in onderstaande (relevante, d.w.z. niet relevante artikelen niet opgenomen) vertaalde citaten gestipuleerd:

Artikel 6 - Bescherming

De mobiele sanitaire formaties, dit wil zeggen die welke bestemd zijn om de legers te velde te vergezellen, en de vaste inrichtingen van de geneeskundige dienst zullen door de oorlogvoerenden geëerbiedigd en beschermd worden.

Artikel 7 - Verlies van bescherming

Aan de sanitaire formaties en inrichtingen is niet langer bescherming verschuldigd, indien er gebruik van wordt gemaakt om voor de vijand schadelijke daden te verrichten.

Artikel 8 - Omstandigheden waarin geneeskundige formaties hun bescherming niet verliezen

Zullen niet beschouwd worden als zijnde van aard om aan een sanitaire formatie of inrichting de door artikel 6 verzekerde bescherming te ontnemen:
1. Het feit dat het personeel van de formatie of van de inrichting gewapend is en dat het van zijn wapens gebruik maakt voor zijn eigen verdediging of die van zijn gewonden of zieken;
2. Het feit dat, bij ontstentenis van gewapende ziekenverplegers, de formatie of de inrichting bewaakt wordt door een piket of door schildwachten.
3. Het feit dat in de formatie of inrichting draagbare wapens en ammunitie worden gevonden, welke aan gewonden en zieken ontnomen en nog niet aan de bevoegde dienst afgeleverd werden;
4. Het feit dat personeel en materieel van de veterinaire dienst zich in de formatie of de inrichting bevinden zonder er een wezenlijk deel van uit te maken.

Artikel 9 - Bescherming van permanent personeel

Het personeel dat uitsluitend dient om de gewonden en zieken op te nemen, te vervoeren en te verzorgen, alsmede om de sanitaire formaties en inrichtingen te besturen, de aan de legers toegevoegde aalmoezeniers, zullen in elke omstandigheid geëerbiedigd en beschermd worden. Indien zij in de handen van de vijand vallen, zullen zij niet als krijgsgevangenen worden behandeld.

De militairen die een bijzonder onderricht hebben ontvangen om, in voorkomend geval, als hulpverplegers of brancardiers gebezigd te worden voor het opnemen, vervoeren en verzorgen van gekwetsten en zieken, en die voorzien zijn van een identiteitsbewijs, zullen het voordeel van hetzelfde regime als het bestendige sanitaire personeel genieten, indien zij bij het vervullen van hun taak gevangen genomen worden.

Artikel 10 - Gelijkgesteld personeel

Wordt met het personeel, bedoeld in lid 1 van artikel 9 gelijkgesteld, het personeel van de behoorlijk door haar regering erkende en gemachtigde verenigingen tot vrijwillige hulpverlening, dat voor dezelfde taak zal gebezigd worden als die van het in gezegd lid bedoelde personeel, onder het voorbehoud dat het personeel van deze verenigingen aan de militaire wetten en reglementen zal onderworpen zijn.

Elke Hoge Contracterende Partij zal aan de andere, hetzij in vredestijd, hetzij bij de aanvang of in de loop van de vijandelijkheden, in elk geval vóór elke werkelijke beziging, de namen opgeven van de verenigingen die zij zal gemachtigd hebben om, onder haar verantwoordelijkheid, hun medewerking aan de officiële gezondheidsdienst van haar legers te verlenen.

Artikel 11 - Verenigingen van neutrale staten

Een erkende vereniging van een neutraal land zal de medewerking van haar personeel en van haar sanitaire formaties aan een oorlogvoerende slechts mogen verlenen, met de voorafgaande toestemming van haar eigen regering en de toelating van de oorlogvoerende zelf.

De oorlogvoerende, die de hulp zal aanvaard hebben, zal verplicht zijn daarvan, vóór elke beziging, aan de vijand kennis te geven.

Artikel 12 - Aanhouding medisch personeel

De in artikelen 9, 10 en 11 aangeduide personen zullen, nadat zij in de macht van de tegenpartij gevallen zijn, niet mogen weerhouden worden.

Behoudens tegenovergesteld akkoord, zullen zij naar de oorlogvoerende waarvan zij afhangen, teruggezonden worden zodra een weg voor hun terugkeer zal openstaan en de militaire vereisten het zullen toelaten.

In afwachting van hun terugzending, zullen zij voortgaan hun taak onder de leiding van de tegenpartij te vervullen; zij zullen bij voorkeur gebezigd worden voor het verplegen van de gekwetsten en zieken van de oorlogvoerende waarvan zij afhangen.

Bij hun vertrek zullen zij de kleren, instrumenten, wapens en vervoermiddelen die hun toebehoren, meenemen.

Artikel 13 - Levensomstandigheden medisch personeel

De oorlogvoerenden zullen aan het door artikelen 9, 10 en 11 bedoelde personeel, zolang het in hun macht zal zijn, hetzelfde onderhoud, dezelfde inkwartiering, dezelfde toelagen en dezelfde soldij verschaffen als aan het overeenstemmend personeel van hun leger.

Dadelijk na het begin van de vijandelijkheden zullen zij zich onderling verstaan betreffende de overeenstemming van de graden van hun sanitair personeel.

Artikel 19 - Emblemen

Als huldeblijk jegens Zwitserland blijft het heraldiek teken: rood kruis op witte grond, gevormd door omwisseling van de bondskIeuren, behouden als zinnebeeld en herkenningsteken van de geneeskundige dienst van de legers.

Evenwel, voor de landen die reeds, in de plaats van het rode kruis, de rode halve maan of de rode leeuw en de rode zon op witte grond als herkenningsteken gebruiken, zijn deze zinnebeelden eveneens toegelaten in de zin van deze Overeenkomst.

Artikel 20 - Gebruik van het embleem

Het zinnebeeld zal voorkomen op de vlaggen, de armbanden, alsmede op al het materieel dat, met de toelating van de bevoegde militaire overheid, tot de geneeskundige dienst behoort.

Artikel 21 - Identificatie van het medisch personeel

Het krachtens artikels 9, eerste lid, 10 en 11 beschermde personeel zal om de linkerarm een armband met het herkenningsteken dragen, afgeleverd en bestempeld door een militaire overheid.

Het in artikel 9, alinea's 1 en 2, bedoelde personeel zal voorzien zijn van een identiteitsbewijs bestaande, hetzij uit een inschrijving in het militair boekje, hetzij uit een afzonderlijk document.

De in artikels 10 en 11 bedoelde personen die geen militair uniform dragen, zullen door de bevoegde militaire overheid voorzien worden van een identiteitsbewijs; met fotografie, waarbij verklaard wordt dat zij tot de geneeskundige dienst behoren.

De identiteitsbewijzen zullen eenvormig en van hetzelfde model moeten zijn in elk leger.
In geen enkel geval zal het sanitair personeel mogen beroofd worden van zijn herkenningstekens noch van de identiteitsstukken die dit personeel eigen zijn.

In geval van verlies zal gezegd personeel het recht hebben er duplicaten van te verkrijgen.

Artikel 22 - Aanduiding van medische eenheden

De onderscheidingsvlag van de Overeenkomst zal slechts mogen gehesen worden op de sanitaire formaties en inrichtingen, welke de Overeenkomst beveelt te eerbiedigen, en met de toestemming van de militaire overheid. In de vaste inrichtingen, zal zij moeten en, in de mobiele formaties, mogen vergezeld gaan van de nationale vlag van de oorlogvoerende, waarvan de formatie of de inrichting afhangt.

Evenwel zullen de sanitaire formaties, die in de macht van de vijand gevallen zijn, slechts de vlag van de Overeenkomst hijsen, zolang zij zich in die toestand zullen bevinden.

Voor zover de militaire vereisten het zullen toelaten, zullen de oorlogvoerenden de nodige maatregelen nemen om de herkenningstekens, die de sanitaire formaties en inrichtingen aanwijzen duidelijk zichtbaar te maken voor de vijandelijke land-, lucht- en zeestrijdkrachten, ten einde de mogelijkheid van eIke aanval uit te sluiten.

Artikel 24 - Beperking op het gebruik van het embleem

Het zinnebeeld van het rode kruis op witte grond en de woorden Rood Kruis of Kruis van Genève zullen, hetzij in vredestijd, hetzij in oorlogstijd, enkel gebruikt mogen worden om de sanitaire formaties en inrichtingen, het personeel en het materieel, beschermd door deze Overeenkomst, te beschermen of aan te wijzen.

Dit zal ook het geval zijn wat betreft de in artikel 19, lid 2, bedoelde zinnebeelden voor de landen die ze gebruiken.

Anderzijds zullen de in artikel 10 bedoelde verenigingen voor vrijwillige hulpverlening gebruik mogen maken, overeenkomstig de nationale wetgeving, van het herkenningsteken voor hun menslievende werking in vredestijd.

Bij uitzondering en met de uitdrukkelijke toelating van een van de nationale maatschappijen van het Rode Kruis (Rode Halve Maan, Rode Leeuw en Rode Zon), zal er in vredestijd gebruik mogen gemaakt worden van het zinnebeeld van de Overeenkomst om de plaats aan te wijzen van hulpposten; die uitsluitend voorbehouden zijn om gekwetsten of zieken kosteloos te verzorgen.

Artikel 26 - Uitvoering

De opperbevelhebbers van de oorlogvoerende legers zullen moeten voorzien in de bijzonderheden betreffende de uitvoering van de voorgaande artikels, alsook in de onvoorziene gevallen, volgens de onderrichtingen van hun respectieve regeringen en overeenkomstig de algemene beginselen van deze Overeenkomst.

Artikel 27 - Verspreiding

De Hoge Contracterende Partijen zullen de nodige maatregelen treffen om hun troepen, en inzonderheid het beschermde personeel, te onderrichten omtrent de beschikkingen van deze Overeenkomst en om deze ter kennis van de bevolking te brengen.

Artikel 28 - Misbruik van het embleem

De regeringen van de Hoge Contracterende Partijen van wie de wetgeving thans niet voldoende zou zijn, zullen de nodige maatregelen treffen of aan hun wetgevende macht voorstellen, om te allen tijde te beletten:
a) Het gebruik door particulieren of andere verenigingen dan die welke er krachtens deze Overeenkomst het recht toe hebben, van het zinnebeeld of van de benaming Rood Kruis of Kruis van Genève, alsook van elk teken of elke benaming die een imitatie uitmaakt, om het even of dit gebruik een commercieel of een ander doeleinde beoogt;
b) Uit hoofde van het huldeblijk gegeven aan Zwitserland door de aanneming van de omgewisselde bondskleuren, het gebruik door particulieren of door verenigingen van de wapenen van de Zwitserse Bond of van tekens die een imitatie uitmaken, hetzij als fabrieks- of handelsmerken of als bestanddelen van deze merken, hetzij met een doeleinde strijdig met de commerciële eerlijkheid, hetzij in omstandigheden die het Zwitsers nationaal gevoelen zouden kunnen kwetsen.

Het onder letter a) voorziene verbod om tekens of benamingen te gebruiken, die een imitatie uitmaken van het zinnebeeld of van de benaming Rood Kruis of Kruis van Genève, alsook het onder letter b) voorziene verbod om het wapen van de Zwitserse Bond of van tekens, die een imitatie uitmaken, te gebruiken, zal zijn uitwerking hebben te beginnen van het door elke wetgeving bepaalde tijdstip en, ten laatste, vijf jaar na de inwerkingstelling van deze Overeenkomst. Van deze inwerkingstelling af, zal het niet meer toegelaten zijn een met deze verboden strijdig fabrieks- of handelsmerk aan te nemen.

Artikel 29 - Bestraffing van inbreuken

De regeringen van de Hoge Contracterende Partijen zullen eveneens de nodige maatregelen treffen of aan hun wetgevende macht voorstellen, ingeval hun strafwetten onvoldoende zouden zijn, om in oorlogstijd elke daad strijdig met de beschikkingen van deze Overeenkomst te beteugelen.

Door bemiddeling van de Zwitserse Bondsraad zullen zij elkaar de beschikkingen betreffende deze beteugeling meedelen, ten laatste binnen de vijf jaren te rekenen van de bekrachtiging van deze Overeenkomst.

- einde citaat –

Duitse interpretatie dubieus

Duitsland ratificeerde het Verdrag van Geneve alsmede het Haagse landoorlogsrecht verdrag. Bovendien nam zij de bepalingen over in haar instructies aan haar militairen, zoals voorgeschreven voor alle ratificerende naties. Desondanks maakte Duitsland gebruik van de ruimte die de stipulaties van met name het Verdrag van Geneve boden. Geneeskundige formaties in het Duitse leger van na 1935 werden namelijk zeer degelijk in de krijgskunsten geoefend. Die scholing op zich was niet in strijd met de verdragstekst, maar het feit dat in sommige branches van het leger geneeskundige formaties vooreerst een krijgstaak kregen en artsen een duidelijke functie in de (veldcommando) lijn kregen in geval van krijgsnoodzaak, stond wel op gespannen voet met de considerans van de verdragstekst. Te meer daar die krijgsnoodzaak in het Duitse bestel een veel lichtere signatuur kreeg dan elders. Dat wil zeggen, dat er in Duitse ogen veel sneller sprake was van krijgsnoodzaak dan bij andere ratificerende landen.

In deze bespreking wordt een beperking gelegd bij de voor de studie relevante kaders, zijnde de luchtlandingstroepen en parachutisten. De geneeskundige formaties van die beide eenheden waren in de krijg geschoold, hadden althans de gehele basisopleiding voor infanterist doorlopen. De geneeskundige formaties bij de parachutisteneenheden waren daarin nog duidelijker dan bij de luchtlandingstroepen gedefinieerd als primair strijdende eenheden en pas subsidiair geneeskundige formatie. Desalniettemin was ook bij de luchtlandingstroepen sprake van verregaande krijgstaken voor medisch personeel.

De tekst van het Derde Verdrag van Geneve voorzag niet uitdrukkelijk in die mogelijkheden, maar sloot ze evenmin uitdrukkelijk uit. In feite werd bij de Verdragsvorming wel degelijk impliciet uitgegaan van het feit dat werkelijke militaire geneeskundige formatie, die het teken van het Rode Kruis droegen, ook daadwerkelijk toegewijde geneeskundige eenheden waren. En dus geen krijgstaken hadden, anders dan die welke lagen bij eigen veiligheid en die van de patiënt(en).

Zo ging artikel 9 [3e VvG] er nog impliciet vanuit dat leden van een geneeskundige formatie niet anderszins in de krijg waren geschoold. Dat was anno 1940 in feite een achterhaalde werkelijkheid, zeker bij de Duitse parachutisten en luchtlandingstroepen. Een Duitse legerarts was namelijk vooreerst legerofficier en slechts subsidiair arts. Een Sanitätssoldat was vooreerst militair en subsidiair ‘hospik’. Eng uitgelegd kan men een voorziening voor die duale rol vinden in het in artikel 9 opgenomen begrip ‘uitsluitend’. Maar daarin zit tegelijkertijd een arbitrair gegeven opgesloten, dat ruimte tot interpretatie biedt. Want wie stelt vast of een functionaris uitsluitend ten dienste van gewondenzorg dient? Onwetend van de duale rol van de Duitse veldarts, zou men deze op het eerste oog toch als zuiver medisch toegewijd functionaris bestempelen en dus – ex artikel 9 – en vrije bewegingsruimte gunnen na diens gevangenneming. Vooruitlopend op zaken die later worden besproken [zodat ze in de lezer zijn hoofd reeds spelen ...], zouden Nederlandse militairen een onverhoopt gevangen genomen Duitse veldarts Dr. Wischhusen nu moeten vrijlaten of niet? Spoedig wordt duidelijk welke problemen de beantwoording van die vraag op zal leveren.

De Verdragstekst was zo non-expliciet in haar bepalingen dat de creatieve Duitse toepassing ervan – hoewel vermoedelijk [lees: naar mening van auteur dezes] in strijd met de overwegingen van het Verdrag – niet sec inbreuk maakte op de Verdragstekst. Die Duitse toepassing voor bijvoorbeeld de parachutisteneenheden die als Sanitätsdienst werden aangeduid, was dat deze vooreerst als gewoon infanterist zouden landen en worden ingezet. Zo werd het geparachuteerde deel van de Sanitätskompanie van 7.FD geparachuteerd met geweren en mitrailleurs in haar wapencontainers. De mannen sprongen overigens af zonder het Rode Kruis teken. Dat werd conform Verdragsbepalingen niet gedragen tenzij men werkelijk met gewondenverzorging bezig was. In die zin hield men zich strikt aan de bepalingen. De Duitse methode was dus om de Sani’s als gewoon militair in te zetten indien noodzakelijk – waarbij de rode kruisband afging – en als Sani’s in te zetten als men daartoe noodzaak zag. Zo gebeurde het in de praktijk van mei 1940 ook. De kritische lezer vraagt zich inmiddels mogelijk af waarom de schoen dan zo wringt volgens auteur dezes?

Als alleen wordt gekeken naar de stipulaties van het Verdrag van 1929 is hetgeen bepaald in artikel 12 bijvoorbeeld tot de verbeelding sprekend. In de Duitse opzet van een duo functie voor geneeskundig personeel, en zich beroepend op hetgeen in artikel 12 voorgeschreven, zou de onwerkelijke situatie kunnen ontstaan dat gevangen genomen militairen, die als medisch personeel geïdentificeerd kunnen worden [dus niet noodzakelijkerwijs het Rode Kruis dragen, maar ook zij die de identificatie met verwijzing naar lidmaatschap van een geneeskundige formatie kunnen tonen, conform artikel 9], hun vrijlating c.q. bewegingsruimte kunnen eisen op basis van artikel 12. Dat artikel werd echter duidelijk opgesteld met de intentie om legers niet lokaal of integraal te confronteren met een tekort aan medisch personeel door onverhoopte gevangenneming. Dat zou immers de hoofdoverweging onder de totstandkoming van het Verdrag van Geneve aantasten; de verbeterde zorg voor met name gewonden door geneeskundige formaties uitgebreide bescherming te bieden tegen de nadelen van de krijg. Door de Duitse creativiteit van dubbelfuncties, zou de implementatie van artikel 12 echter leiden tot onevenredig voordeel. Zij zetten hun Sani’s immers eenvoudig in als gewone militairen en zouden dus door de vrijlating weer over eerder gevangengenomen militairen kunnen beschikken en deze als gewone militairen opnieuw kunnen inzetten.

Het voorgaande overwegende zou men kunnen suggereren dat een dergelijk (Duits) handelen gedekt zou zijn met hetgeen bepaald in artikel 24 van de 4e Haagse Conventie. Daarin wordt immers – buitengewoon breed interpreteerbaar – gesteld dat een krijgslist is toegestaan. Een veel misbruikt artikel in het LOR. Maar het aanwenden van dat artikel is nauwelijks verdedigbaar. De in artikel 24 gelegaliseerde krijgslist [a ruse of war] is helaas in het Haagse Verdrag echter niet gedefinieerd, wel omstandig geduid door beperkingen die anderszins worden opgelegd, zoals de – eveneens vage – bepalingen rond de handelingen die men middels spionage mag uitvoeren en welke niet. In feite mag men er vanuit gaan dat een krijgslist een handeling is die niet reeds door andere verboden of bepalingen in het LOR als illegale handeling wordt uitgesloten. Zo wordt in het LOR duidelijk bepaald dat men niet op verraderlijke wijze de tegenstander mag verwonden of doden [art. 23 lid b] en dat men geen misbruik mag maken van internationale tekens w.o. het Rode Kruis [art. 23 lid f]. Gevechtsformaties moeten als zodanig identificeerbaar zijn (middels een herkenbaar uniform) en openlijk de wapenen dragen [art.1]. Dit laatste sluit bijvoorbeeld de legitimatie van de heimelijke overvallen op Nederlandse bruggen in het oosten des lands in de morgen van 10 mei 1940 uit als legitieme krijgslist en verword daarmee tot wederrechtelijk verraderlijk optreden. De overvallers hadden zich immers over het algemeen misleidend gekleed, droegen geen uniform en droegen de wapenen niet openlijk. Desalniettemin geeft artikel 23 lid f geen uitdrukkelijke beperking van de Duitse creatieve invulling van de geneeskundige formatie als duaal opererende eenheid. Het is dus een gegeven dat het oorlogsrecht en de bepalingen uit de Geneefse Conventie niet onmiddellijk uitsluitsel bieden bij dit leerstuk.

Het blijft dus niet uitgesloten dat de Duitse methode een krijgslist betrof, dan wel anderszins de mazen van het LOR gebruikte. Hoe onwenselijk dat was, werd al gedeeltelijk geschetst met de implementatie van artikel 12 van het Geneefse Verdrag. Maar men kan zich nog andere voordelen van het Duitse handelen voorstellen. Zo biedt artikel 9 de bescherming die in de praktijk leidde tot het veelal sparen van militairen die met het Rode Kruis waren getooid. Zelfs tijdens vuurgevechten kreeg menig hospik die bescherming van het Rode Kruis en werd de in het open veld optredende - als lid van een geneeskundige formatie uitgedoste - militair niet op de korrel genomen. Ook in mei 1940 zijn daarvan talloze voorbeelden te geven. In die context is het niet ondenkbaar in het Duitse denkbeeld om een formatie voor de krijg ingezette Sani’s een gevaarlijke sector met uitdossing van het Rode Kruis te laten oversteken, en dit teken weer af te doen wanneer men op de gewenste uitgangspositie voor de voorgenomen offensieve actie was aangekomen. De kans bestaat dat dit gebeurd is, maar de wijze van opleiden en instrueren van de Duitse hospikken suggereerde de mogelijkheid al. Immers, in eerste aanleg werd men al geïnstrueerd het Rode Kruis teken te dragen en weer af te doen, naar gelang welke functie men uitvoerde. Een gegeven dat bij de Nederlandse geneeskundige formaties formeel geheel niet aan de orde was. De Nederlandse geneeskundig ingeschakelde militair droeg zijn persoonlijke Rode Kruisband vrijwel continue. Deze Duitse praktijk van wisselende uitdraging van het teken is echter eveneens niet met het LOR in strijd. Althans, men kan daarvoor niet eenvoudig een artikel of passage aanwijzen.

In het LOR wordt misbruik van het Rode Kruis ruimschoots onvoldoende belicht; eigenlijk niet belicht. Het maakt in artikel 23 lid f weliswaar een verwijzing naar verbod op misbruik, maar verzuimt misbruik te definiëren. Dat is curieus daar artikel 24 van het LOR, dat op de legitimatie van krijgslisten ziet, ook al een nadere definitie van het kernbegrip ‘list’ mist. Het Verdrag van Geneve bepaalt in de artikelen 19 tot en met 24 omtrent het teken van het Rode Kruis en legt vast welke bescherming er vanuit gaat. Maar – in tegenstelling tot wat Herman Amersfoort beweert in zijn epistel over oorlogsmisdaden [83; blz 57] – wordt in deze artikelen niets uitdrukkelijk over misbruik bepaald. De wel in het verdrag opgenomen bepalingen over misbruik zien in feite op een merkenrecht (misbruik van het teken door oneigenlijke verenigingen, oneigenlijke kleurstellingen en ontwerpen) en missen enige beperking van praktisch misbruik van het teken ter benadeling van de tegenpartij. Het voorbeeld van de Duitse duale inzet van geneeskundig personeel wordt echter binnen de werking van de stipulaties nergens in klare taal als wederrechtelijk bepaald.

De Duitse legerarts was vooreerst legerofficier en subsidiair arts. Voorgaande juridisch geformuleerde vaststelling wil niet zeggen dat Duitse artsen consequent de veldofficier liepen te spelen en daarnaast een beetje bijbeunden als medicus. Twee zaken waren echter nadrukkelijk wél aan de orde. De Duitse artsen leken uitdrukkelijk geïnstrueerd hun ogen en oren goed te kost te geven en indien de mogelijkheid daar was veel aandacht te besteden aan verkenning in vijandelijk gebied. Dat blijkt bijvoorbeeld uit de verslagen van artsen die op het Zuidfront werden ingezet. Overigens was met een dergelijke praktijk niets mis afgezet tegen het oorlogsrecht, ook niet in strikte zin. De Duitse arts had echter – als legerofficier opgeleid – het voordeel dat hij meer dan menig Nederlandse arts de kans kreeg in vijandelijk gebied te opereren en daar de noodzakelijke verkenningen te plegen. De Nederlandse arts had geen notie van wat om hem heen gebeurde. Die was als militair niet of nauwelijks gevormd.

Kwalijker was het toen de hoogste Duitse arts in het luchtlandingtheater, Oberfeldarzt Dr. N. Wischhusen, geneeskundig commandant van 22.ID, in beeld kwam bij Delft. De arts was met een grote groep gemengde troepen [in eerste aanleg zeker 100 man, enige dagen later vermoedelijk ongeveer het drievoudige] gestrand ten zuiden van Delft bij de inzet rondom Ypenburg. Zijn verslag “Bericht über dem Einsatz der Kampfgruppe Wischhusen von 10.5 – 14.5.40 vor Delft und Rotterdam“ geeft uitleg. Ondanks het feit dat hij zich in een groep militairen met enige officieren [Lt Stucke – NA.22, Olt Lorenz St-22.ID, Lt Schäffer – NA.22 en Luftwaffe Lt Wolf, later nog Olt Eckleben – 4./FJR1] daaronder bevond, nam hijzelf het veldcommando van de gelegenheidsformatie op zich. Ondenkbaar in andere legers die in mei 1940 te velde kwamen. Daar zou de arts, al was zijn rang hoger dan die van veldofficieren, zich slechts in uiterste krijgsnoodzaak (geen of geen geestelijk stabiele officieren aanwezig) het commando toe-eigenen. Zeker de aanwezige Oberleutnant Eckleben was een geschikte aangewezen veldcommandant geweest van de eenheid. Hij was commandant van een Zug van de Schwere Kompanie 4./FJR1 die als gehele Zug verkeerd was afgezet en dus niet bij Tweede Tol, maar bij Ypenburg terecht was gekomen. Volledig in de velddienst geoefend was deze officier een geschikte commandant geweest ter vervanging van de afwezige troepencommandanten. Maar Wischhusen bleef tot en met 13 mei de gevechtsgroep zelfstandig leiden.

Dr. Wischhusen is met zijn handelen niet te betrappen op inbreuken op het oorlogsrecht, omdat eenvoudigweg niet bekend is of de man bijvoorbeeld wel of niet met het Rode Kruis was uitgedost. De zaak is vrij algemeen bekend, ook omdat de goed gelezen auteur E.H. Brongers er in zijn "Slag om de Residentie" uitgebreid over komt te spreken. In het eerder aangehaalde auteursrechtelijke werk van Herman Amersfoort wordt de zaak ook kort belicht [83, blz 109], kennelijk om een Nederlandse militair eens op zijn nummer te zetten. Amersfoort verbindt daar de kwestie van Wischhusen aan een Nederlandse hospitaalsoldaat M. Ludemann [van MC-III-2.RW], die te Dordrecht misbruik maakte van het Rode Kruis, door onder het mom van gewondentransport en onder dekking van het Rode Kruis enkele Nederlandse militairen uit een penibele situatie te bevrijden. Dat was inderdaad een feitelijk misbruik van het Rode Kruis. Amersfoort verbindt echter de kwestie Wischhusen, die hij kennelijk graag wilde bespreken, aan de kwestie Ludemann door te stellen:

 « Ludemann had (…) een voorbeeld kunnen nemen aan een Duitse collega, had hij er in mei 1940 reeds van geweten. De Junkers Ju-52 van Oberfeldarzt N. Wischhusen had geen kans gezien op Ypenburg te landen, zoals de bedoeling was.

(…) Wischhusen wijdde zich eerst aan de verzorging van de gewonden uit zijn eigen en andere vliegtuigen. Dat nam hem tot het middaguur in beslag. Daarna organiseerde hij de ongeveer honderd man die in zijn onmiddellijke nabijheid waren terecht gekomen tot een Kampfgruppe en nam, nog steeds als arts [sic], de leiding daarvan op zich tot hij op 13 mei bij Overschie aansluiting maakte met eigen eenheden.

(…) Of Wischhusen in strijd met het oorlogsrecht handelde, in de zin dat hij net als Ludemann in Rode Kruisuitmonstering deelnam aan gevechtshandelingen, is in de bron niet duidelijk. »

De slotzin is typerend. Er is Amersfoort niet duidelijk geweest of Wischhusen het Rode Kruis wederrechtelijk uitdroeg. Dat staat ook niet eenmaal in diens uitgebreide verslag vermeld. Als dat Amersfoort onduidelijk was, is het de lezer van zijn (overigens net zo tendentieus geschreven) boekwerk, onduidelijk waarom Ludemann dan een voorbeeld aan Wischhusen zijn handelen had moeten nemen! Want als Wischhusen ook zijn Rode Kruisband om had – wat overigens voor de auteur dezes onaannemelijk lijkt – maakte Wischhusen net zo goed onjuist gebruik van het teken. De kans is echter volgens auteur dezes niet groot dat hij de Rode Kruisband droeg, want uit Duitse verslagen en verhalen is bekend dat het Rode Kruis door geneeskundige eenheden in het luchtlandingstheater vrijwel alleen maar werd gedragen in en rond veld- en noodhospitalen alsmede permanente ziekenhuizen. Amersfoort erkent echter terecht daarvan geen wetenschap te dragen. Zijn bruggetje naar het geval Ludemann sloeg dus nergens op, was dus gezocht en mogelijk slechts bedoeld soldaat Ludemann de maat te nemen. Daarnaast bespreekt Amersfoort opvallend genoeg in het geheel niet dat de duale rol van de Duitse legerarts op zijn zachtst gezegd curieus is, zoals eerder besproken bij de duale rol van de Duitse Sani’s. Overigens discrimineert Amersfoort ook die nog opvallender duale rol van de Duitse Sani’s. Maar uit zijn bespreking lijkt vooral te spreken dat hij zich in het geheel niet bewust was van die duale rol bij het publiceren van zijn onderzoeksresultaten …

Overigens is nog een andere prikkelende frasering in de Amersfoort analyse bijzonder curieus. Dat betreft zijn korte bijzin “nog steeds als arts”. Als Amersfoort daarmee wilde zeggen dat Wischhusen zich in de ochtend slechts om gewonden bekommerde, dan heeft hij het verslag van de arts verkeerd gelezen. Zo stuurde Wischhusen in de ochtend een sectie infanteriegeschut richting de autoweg en bekommerde hij zich nadrukkelijk om veilig stellen van voorraden en wapens uit vliegtuigen. Als Amersfoort wilde zeggen dat Wischhusen zich pas in de middag over het algeheel bevel van de verzamelde troepen ontfermde, heeft hij gelijk. Maar wat voegt die bijzin dan toe, anders dan de lezer richting een waarheid (van Amersfoort zelf) te duwen?

De dualiteit van de Duitse luchtlandingstroepen en parachutisten in geneeskundige (bij)rollen is des te kwalijker als men beschouwt dat zij naast tactische voordelen voor eigen gewin, aanmerkelijke nadelen konden opleveren voor de tegenstander. Vooreerst ligt het onverhoopt sneuvelen van geneeskundige militairen altijd gevoeliger dan het sneuvelen van een gewone militair. Die gevoeligheid beperkt zich niet slechts tot de kameraden van de gesneuvelde, maar ook vaak tot de schutter(s) als die het constateren. De zweem van schending van het oorlogsrecht of tenminste ‘onsportiviteit’ hangt al snel om zo’n sneuvelen. Voornamer is echter dat het vaststellen door Nederlandse militairen (rondom Den Haag en Dordrecht) van het actief bij krijgshandeling betrokken zijn van Duitse militairen met een geneeskundige identificatie, een sterk inflatoir effect had c.q. kon hebben op de algemene acceptatie van de bescherming van het Rode Kruis. Het riekte aan Nederlandse zijde naar misbruik door de Duitsers. Dat dit gevolgen kan hebben gehad voor de Nederlandse perceptie van Duitse gedragingen in strijd met het LOR – zeker in combinatie met een aantal ingrijpende voorbeelden van Duitse overtredingen in de sector – staat haast wel vast. Het is echter niet eenvoudig aan te tonen. Dat de door Amersfoort aangehaalde Nederlandse hospitaalsoldaat Ludemann het na de strijd wel verklaarde, kan een gekunstelde verklaring zijn geweest in de wetenschap het oorlogsrecht te hebben overtreden. In elk geval verklaarde soldaat M. Ludemann [14 oktober 1946]:

« Ik heb op een gegeven moment de leiding op mij genomen van een gedeelte van de compagnie (18 man). (…) Ik ging er steeds met de Roode-Kruisafdeling [sic] op uit en schoot en verbond al naar nodig was. Dat had ik van de Duitsers afgekeken. »

Nodeloos te zeggen dat Herman Amersfoort voor Ludemann de veroordeling al klaar had [83: pg 107]. Daarna volgde zijn bruggetje naar Wischhusen aan wie Ludemann volgens Amersfoort een voorbeeld had moeten nemen …

Misbruik van het Rode Kruis

In de lange voorgaande bespreking over de duale rol van de Duitse Sanitätstruppe alsmede de legerartsen, komt in wezen al mogelijk misbruik van het Rode Kruis aan de orde. In dit hoofdstuk wordt echter eens kritisch gekeken naar misbruik van het Rode Kruis door vermeende misdragingen van de drager ervan. Kortom, vermeend misbruik doordat een drager van het Rode Kruis (of een locatie waar het Rode Kruis wordt getoond als beschermteken) zich niet conform de codificatie gedraagt.

Opvallend is namelijk dat onderzoekers vaak concluderen dat een militair die zich met het Rode Kruis uitgedost bemoeit met krijgshandelingen, anders dan uit zelfverdediging of directe verdediging van zijn patiënten, automatisch het oorlogsrecht schendt. Ook de al eerder aangehaalde Herman Amersfoort is kennelijk die mening toegedaan, gegeven zijn korte bespreking van de hospitaalsoldaat die in Amsterdam kennelijk het oorlogsrecht overtrad door uitgedost met het Rode Kruis zijn revolver leeg te schieten samen met reguliere militairen op een huis met een vermeende Vijfde Colonnist [83; blz 107].

Amersfoort en zijn meelezers verzuimden echter man en paard te noemen door niet aan te geven waarin de voornoemde soldaat het oorlogsrecht overtreedt. Opnieuw dus suggestie die doorklinkt.

Maar hij had ook niet kunnen aangeven op welk artikel hij zich in deze had kunnen beroepen, want er staat geen bepaling in het oorlogsrecht dat men met het Rode Kruis om niet aan de gevechtshandelingen mag deelnemen. Er staat slechts in het oorlogsrecht bepaald dat men het Rode Kruis slechts als bescherming mag achten indien men zich aan de regelen houdt. Doet men dit niet, dan vervalt de bescherming. Die bescherming van het Rode Kruis vervalt zelfs al, als men zich met wapenen verdedigt voor eigen lijfsbehoud of ten faveure van de patiënten. Immers dan opent men de doos van pandorra zelf ook al.

Nu kan men aanvoeren dat ook deze zaak dan op zeer gespannen voet staat met de considerans van het Verdrag van Geneve. Daarin heeft men dan naar mening van auteur dezes volkomen gelijk. Het is immers duidelijk de bedoeling dat men zich slechts met het Rode Kruis tooit als men niet participeert in gevechtshandelingen. Dat hadden de Duitsers met hun duale oplossing ook prima voor elkaar. Zij instrueerden hun militairen duidelijk geen Rode Kruisteken te voeren als zij aan gevechtshandelingen deelnamen, anders dan de bekende voorbehouden richting onverhoopte zelfverdediging. 

Desondanks laat het Verdrag van Geneve (verbonden met dat van Den Haag) zowel de impliciete ruimte tot de duale rol van de Duitse geneeskundige formatie als tot de met het teken uitdoste militair die zich alsnog met gevechtshandelingen bemoeit. De Verdragstekst bepaalt concreet slechts dat in het laatste geval de bescherming van het teken vervalt. Dat er sprake is van misbruik – wat o.a. Herman Amersfoort in de voornoemde passage suggereerde – wordt uit de Verdragstekst in het geheel niet duidelijk.

Waar de Verdragen wel duidelijk limiteren is als zij bepalen dat er geen ongeoorloofde krijgslisten (verraderlijk optreden) mogen plaatsvinden – zonder overigens opnieuw het begrip ‘verraderlijk” te definiëren – en dat men geen misbruik van het teken mag maken. Een soldaat die dus open en bloot op straat staat naast een groep reguliere militairen en zich daar niet heimelijk met het wapen in de hand ‘staat uit te leven’ op een vermeend verradersnest, pleegt geen verraderlijk optreden en kan niet eenvoudig van misbruik van het teken worden beticht. Althans, er is geen enkel aantoonbaar misbruik in het door Amersfoort beschreven geval omschreven, zoals het naderen van een vijandelijke positie onder bescherming van het teken en zich dan ineens in gunstige positie t.o.v. die vijand van de wapens bedienend zonder dat het lijfsbehoud betreft. Of dat een met Rode Kruis uitgedoste militair een vijand dichtbij laat komen die hem als beschermde functionaris respecteert, om hem dan ineens van dichtbij te verrassen door alsnog een wapen te trekken zonder dat een defensieve actie gebillijkt is. Dat zijn vormen van verraderlijk optreden en misbruik maken van het teken

Toch staat Herman Amersfoort niet alleen in zijn bewering dat de beschreven soldaat in Amsterdam zich op meer dan glad ijs begaf. Het is in wezen de algemene opvatting dat het Rode Kruis (uit)dragen betekent dat een militair zich nimmer aan werkelijke gevechtsacties mag wagen met het teken om. Er kan slechts geconcludeerd worden dat dit sec genomen niet kan worden verdedigd met de stipulaties in de in mei 1940 geldige Verdragen. Er kan slechts verdedigd worden dat men de bescherming – zoals in de artikelen 9 en 10 [3e VvG] vastgelegd – verloor. Maar dat verlies was slechts tijdelijk, hoewel de eerder aangehaalde kwestie van ‘geschonden blazoen’ en ‘negatieve voorbeeldwerking’ beslist overeind blijft.

Overigens is het ook de persoonlijke mening van auteur dezes dat het zeer ongewenst is om met de Rode Kruis tekens uitgedost aan krijgshandelingen deel te nemen. Hierboven is sprake van het spelen van advocaat van de duivel. De verdragsteksten laten ons moralisten immers in de steek. En het is nu juist het doel van auteur dezes de Duitse geneeskundige formaties en hun gedragingen aan de verdragsteksten te meten. Dan blijkt dat die Duitse duale rol voor geneeskundige formaties niet zomaar als inbreuk op de oorlogsregels kan worden geinterpreteerd.

Voorbehoud auteur

Overigens is de bespreking van de duale rol van de Duitse geneeskundige formaties gezet in een hypothetische context. Want het is aan auteur dezes onbekend of de zaak ooit eerder uitvoerig op zijn juridische merites is beschouwd door volkenrechtelijk goed onderlegde juristen.

Het is dus – het zij hier maar eens heel nadrukkelijk opgemerkt – niet uitgesloten dat de kwestie van de duale rol der Duitse geneeskundige formaties al eens een toets door deskundigen heeft ondergaan. Auteur dezes heeft daar geen weet van. Zou het wel zo zijn en zou men geconcludeerd hebben dat er sec genomen geen inbreuk op het volkenrecht c.q. het LOR is gepleegd, dan zou auteur dezes daar ook – in strikt juridische zin [rationeel] – vrede mee kunnen hebben. Want ook auteur dezes kan met de stipulaties van de Verdragen geen voldongen inbreuken aanwijzen, zoals getracht is helder weer te geven in de bespreking.

Het is voor auteur dezes echter gevoelsmatig [irrationeel] minder eenvoudig uit te leggen dat de duale rol van de Duitse geneeskundige formaties zich volledig convergerend verhoudt met de considerans die aanleiding gaf tot de bepalingen in de Geneefse en Haagse Verdragen. Maar een irrationele benadering van zaken kan nog zo aannemelijk lijken, in dit soort kwesties prevaleert het geldige en concrete recht. Wat de lezer ten aanzien van de duale Duitse rol terzake dan ook gelezen heeft, dient dan ook met het voorgaande voorbehoud te worden geconsumeerd.