Duitse Krijgsgevangenen

Inleiding

Er zijn een aanzienlijk aantal krijgsgevangen Duitsers geïnterneerd geweest tijdens de meidagen. Het gros daarvan was personeel dat gerelateerd was aan de luchtlandingen rondom Den Haag en Rotterdam. Een enkeling was in de neutraliteitsperiode gevangen genomen. Een aanzienlijk deel van deze groep geïnterneerden is voor de strekking der wapenen op 14 mei 1940 naar Engeland vervoerd.

In veel opzichten is het interessant te kijken naar de wijze waarop Nederland zich planmatig had voorbereid voor de opvang, internering, behandeling en afhandeling van krijgsgevangenen. Het is zo’n onderwerp dat zelden in de boeken wordt belicht. In bekende werken waren het vooral de auteurs L. de Jong [Deel 3, pop.vs., pg 434-436] en E.H. Brongers [Opmars naar Rotterdam, Slag om de Residentie] die een aantal uitgebreide passages opgenomen hebben over deze materie. Het betreft dan echter vooral de bespreking van de afvoer van deze gevangenen.

Vooroorlogse plannen

Interneringszaken werden tijdens de mobilisatie geregeld binnen het Departement van Defensie. Het Bureau van den Dienst der Interneering ressorteerde onder de IIe Afdeeling B van het departement. In geval van oorlog zou men vanuit het AHK worden aangestuurd door de beide secties III-A en IV-A, respectievelijk de sectie Inlichtingen en de sectie Juridische aangelegenheden.

Er was vooroorlogs een bescheiden draaiboek voor de dienst der interneringen. Men was er vanuit gegaan dat de strijd erin zou resulteren dat er internering van burgers en van krijgsgevangenen zou plaatsvinden. Men had zich echter vooral toegelegd op uitgebreide draaiboeken voor het arresteren en interneren van burgers [ongewenste vreemdelingen en landgenoten van de vijand], maar in veel mindere mate met de faciliteiten alsmede de krijgsgevangenen.

Het draaiboek ten aanzien van militaire zaken – meer in het bijzonder krijgsgevangenenzaken – was summier. Er lag een organisatiescenario met beoogd organisatiemodel en er lag een plan voor de inrichting van een krijgsgevangenenkamp.

De 3e conventie van Geneve

De Conventie van Geneve van 1929 legde de rechten en plichten vast ten aanzien van krijgsgevangenen. Daarin werd de ratificerende landen – waaronder Nederland – opgelegd zich volledig aan de stipulaties te houden en zorg te dragen dat volkomen nakoming zou worden bewaakt. Hiertoe was het evident van belang – voor zover niet reeds in de conventietekst gestipuleerd – een centrale autoriteit in bedrijf te hebben dat nakoming verzorgde en bewaakte.

De vooroorlogse Nederlandse plannen waren onvoldoende in lijn met de vastgelegde afspraken wegens de conventie van Geneve in 1929. Zo schreef artikel 77 [Conventie 1929, Hoofddeel VI] voor dat er direct bij het intreden van de staat van oorlog een bureau voor krijgsgevangenen aangelegenheden zou worden ingericht en per omgaande operationeel gemaakt. Een dergelijk bureau was vooral als informatiepunt – voor interne afstemming en externe informatie uitwisseling – van belang.

Aangezien de ratificerende landen zich hadden vastgelegd de stipulaties van de 3e Conventie strikt na te leven, was het evident van imperatief belang dat onmiddellijk bij de intreding van de toestand van oorlog een bureau voor internering- en krijgsgevangenenzaken operationeel zou zijn. Nederland had echter – vermoedelijk omwille van budgettaire overwegingen – besloten dat een dergelijk bureau pas zou worden ingericht en vormgegeven nadat de toestand van oorlog zou zijn ingetreden.

Uiteindelijk zou een werkelijk bureau voor internering pas worden geïnstalleerd toen de capitulatie al aan de orde was. Ze werd toen overstelpt met informatie uit den lande wegens de vele behandelplaatsen van gewonden met name. Een en ander geschiede op instructie van de Duitse bezetter. Het bureau was gevestigd aan de Parkstraat 36 te Den Haag, een zijstraat van de Lange Voorhout uitkomend op de Mauritskade, een thans bekende route voor doorgaand verkeer in het centrum van de stad.

De organisatie

Zoals bij veel ondersteunende diensten in het leger anno 1939/1940, was de organisatie opgebouwd rondom heropgeroepen seniore reservisten en pensionarissen. Het hoofd van het Bureau Interneringen zou in geval van oorlog de gepensioneerd kolonel der artillerie J.C.J. Kempees worden [900].

Deze ervaren oud-officier was een Atjeh veteraan. Kempees had een omstreden boek [in 1904] geschreven over zijn ervaringen als eerste luitenant - en adjudant van overste Van Daalen (1) tijdens de befaamde slotoffensieven in de opstandige Indische provinciën. Zijn kritiekloze werk werd later flink op de korrel genomen, nadat enkele jaren na de Atjeh overwinning de eerste kritiek op de Nederlandse modus operandi loskwam. Kempees was tijdgenoot van Hendrik Colijn, die in diezelfde tijd en op dezelfde locatie 1e luitenant der infanterie was, en ook een berucht citaat uit een brief aan zijn vrouw gepubliceerd wist – hoewel ruim na zijn dood. Kolonel Kempees was voor de mobilisatie gepensioneerd en bevorderd tot generaal-majoor titulair (2).

(1) Kempees was oud adjudant van overste Gotfried C.E. van Daalen, een van de roemruchte veldheren onder Van Heutz, later berucht Gouverneur van Atjeh. Van Daalen werd in verband gebracht met grote moordpartijen op de Atjeeërs. Desondanks werd hij enige jaren later benoemd tot chef-staf van het KNIL en nadien tot legercommandant [1913-1914] en opgevolgd door de latere opperbevelhebber van het leger tijdens WOI Generaal C.J. Snijders. Van Daalen was wegens zijn verdiensten in Atjeh tot Commandeur in de MWO – gelijk MWO 2e klasse - benoemd. Een buitengewoon hoge onderscheiding.

(2) Een titulaire rang houdt in dat men de rangaanduiding [de uniform] en primaire privileges van die rang geniet, maar dat bezoldiging en basisrechten van de rang niet worden genoten en dat de titulaire rang bovendien te allen tijde met onmiddellijke ingang kan worden teruggedraaid zonder dat er rechten aan kunnen worden ontleend. Bezoldiging en werkelijke rechten zijn volgens de werkelijke rang, welke in alle gevallen de rang onder de titulaire rang is. Hoewel niet een typisch Nederlandse toepassing, werd de titulaire rang voor WOII alom toegepast. Het was uiteraard een goedkope oplossing om officieren een hogere functie te doen vervullen tegen een lagere wedde en een lager pensioenrecht. Hetzelfde geldt voor tijdelijke rangen, die ook alom vertegenwoordigd waren.

Er waren plannen voor uiteindelijk twee in te richten krijgsgevangenkampen. Daarvan was slechts voor één van beide kampen reeds een locatie geselecteerd. Dat was Kamp Waalsdorp bij Scheveningen geworden. Hier zou een faciliteit voor 2,000 krijgsgevangenen worden ingericht binnen het bestaande militaire kamp.[900, 902]

Voor de twee voorziene kampen waren ook reeds twee gepensioneerde officieren aangewezen als beoogd commandant. De eerste was de gepensioneerd kolonel der mariniers [de vorige Chef van het Korps] C.J.O. van Dorren. De tweede was kolonel (KNIL) H.J. Schmidt.[900, 902]

Er waren twee faciliteiten die tijdens de mobilisatie reeds als interneringskamp [interneringsdepot] voor militairen waren aangewezen. Dat waren Fort Spijkerboor, waar 12 Duitse geïnterneerden zaten [allen vliegend personeel] en het Fort bij Edam. In het Fort bij Edam waren vier Britse vliegers geïnterneerd die in april 1940 door een Nederlandse G-1 ten zuiden van Rotterdam waren neergeschoten. Beide forten behoorden tot de Stelling van Amsterdam. Het Fort Spijkerboor was bovendien een slapend Fort dat nog bewapend was en waar munitie voor de hoofdbewapening aanwezig was.

Het detachement te Fort Spijkerboor werd gecommandeerd door de pensionaris majoor der infanterie (KNIL) titulair C.C. de Vries [901]. Het bescheiden detachement te Edam werd gecommandeerd door de tijdelijk reserve kapitein der infanterie G.J.H. Poolman Simons.

Op 10 mei 1940 werd de reserve kapitein voor Speciale Diensten van de Generale Staf J.J.A. Bakker voor sectie IV-A [juridische aangelegenheden] de hoofdcoördinator voor krijgsgevangenen aangelegenheden. Vanuit Sectie III [inlichtingendienst] werd de kapitein der infanterie [KNIL] J.M. Somer aangesteld, met als bijzondere taak in het bijzonder de belasting met de transporten der krijgsgevangenen.

De Interneringsorganisatie was onbekend binnen de meeste legerorganisaties. Daarmee was a priori de naleving van de Conventie van Geneve – dat ook sterk refereerde aan de centrale registratie en benaderbaarheid [vanwege neutrale instanties] van krijgsgevangenen – in het geding. Het feit dát het Bureau en diens taken onbekend waren, is een sterke indicatie dat het met het bewustzijn van strikte naleving van de Conventies door het Nederlandse leger niet goed zat. Dat was toch al aan de orde nu Nederland ervoor gekozen had de organisatie niet tijdens de mobilisatie volledig vorm te geven edoch pas nadat de vijandelijkheden zouden zijn uitgebroken. In wezen was Nederland wat dan betreft reeds voorwaardelijk in overtreding. 

De faciliteiten tijdens de meidagen

Het Hoofd Bureau hield kantoor aan de Parkstraat 36 te Den Haag, met nauwelijks enige staf [adjudant was de geheractiveerde ritmeester b.d. H.J. Fruin] om de zaken in de juiste orde en organisatie te laten verlopen. [900, 902]

Wegens de spoedige successen van de Nederlandse verdediging rondom Den Haag in het bijzonder, werd men al in de ochtend van 10 mei geconfronteerd met een massale toestroom van krijgsgevangenen. Dat aantal nam al snel toe tot enige honderden in de middag. Die toestroom werd versterkt door circa 2,000 burgergeïnterneerden die wegens de massale arrestatiegolf – die wel volgens een strak draaiboek en lange lijsten was georganiseerd – in den lande naar het westen werden afgevoerd. Hoewel de burgerinterneringen qua aantallen mensen vrij nauwkeurig bekend waren geweest vooroorlogs, was de huisvesting van al die arrestanten nauwelijks voorbereid. Zodoende werd het voorlopige interneringsbureau met rond de 3,000 arrestanten en krijgsgevangenen geconfronteerd op de eerste oorlogsdag.

Improvisatie was dus direct aan de orde. De krijgsgevangen militairen werden in eerste instanties over een aantal locaties verspreid. Dit waren [900]:

- De Nieuwe Frederikskazerne [waar ook de staf van de 7e Divisie gehuisvest was] aan de van Alkemadelaan in Den Haag. Nog steeds een bestaand defensiecomplex.
- De Oude Alexanderkazerne [depot cavalerie, maneges] aan de Laan Copes van Cattenburch [thans appartementengebouw Couperusduin].
- De Penitentiaire Inrichting te Scheveningen
- Het Circus Schumann gebouw te Scheveningen [huidige Circustheater bij het Holland Casino te Scheveningen]
- Het nieuwe KLM hoofdkantoor gebouw [in mei 1940 in aanbouw] aan de Raamweg te Den Haag.

Bovendien werden zwaar(der) gewonde Duitse militairen verpleegd in de vele ziekenhuizen en hospitalen in Den Haag (en omstreken).

Het depot te Edam werd opgeheven en het detachement te Spijkerboor aangesloten op het daar aanwezige detachement. De vier Britse vliegers werden naar Den Haag gestuurd en overgegeven aan de Britse gezant. Zij zijn later via Hoek van Holland met Engelse marineschepen gerepatrieerd.

Eind van de middag 10 mei werd aan het Hoofd Bureau een honderdtal Marechaussees ter beschikking gesteld onder de kapitein der Marechaussee J. Gerritsen. Deze manschappen waren bedoeld als bewakingseenheid voor de grotere complexen, maar evident onder de maat voor de geëigende noodzakelijke taken die rond de klok moesten worden verricht.

[900] In de ochtend van 11 mei werd door het Hoofd Bureau contact gemaakt met het Hoofd Afdeling V [Genie] van het Departement van Defensie [tevens Inspecteur der Genie], generaal-majoor F.A. Vaillant. Generaal-majoor Kempees verzocht om onmiddellijke bouw van kampfaciliteiten op Kamp Waalsdorp. Vaillant erkende de noodzaak en belaste de majoor der Genie Marcella met de taak e.e.a. te bewerkstelligen vanuit de Afdeling. Gezamenlijk gingen Kempees en Marcella het Kamp inspecteren, waarbij werd geconstateerd dat het nog volop in gebruik was bij de Nederlandse troepen. Daarom werd opdracht gegeven aan majoor Marcella een nieuw kamp te bouwen aanpalend aan de kazerne. De gepensioneerd kolonel der mariniers Dorren zou kampcommandant worden.

Het bezwaar dat verspreid gelande Duitse eenheden in de duinen rondzwierven werd – gezien de grote hoeveelheid Nederlandse troepen in Den Haag – niet als wezenlijk gevaar gezien. Een enerzijds merkwaardige keuze nu het landoorlogrecht c.q. de bepalingen van de 3e Conventie van Geneve bepaalde(n) dat de duurzame internering van krijgsgevangenen niet mocht geschieden in gebieden die dichtbij gevechtszones lagen dan wel redelijkerwijs eenvoudig binnen schootsvelden konden komen. Die bepalingen waren volledig van toepassing op Kamp Waalsdorp, en wel in dier voege dat de locatie niet in aanmerking had mogen komen. Anderzijds zag men zich geconfronteerd met een vijand die in de gehele sector ten zuiden van Amsterdam geland was. Een werkelijk ‘veilige zone’ – zoals bedoeld in de geldende oorlogsregels – was er in geheel west Nederland niet te vinden, met uitzondering van de provincie Noord-Holland. Dat stuitte echter weer op het bezwaar dat transporten van gevangenen mogelijk door of vlak langs vijandelijk beheerst gebied zouden hebben moeten plaatsvinden. Daarom is het begrijpelijk dat men – toen men op 11 mei het gevaar voor Den Haag grotendeels geweken achtte – voor Kamp Waalsdorp koos.

[900] De opdracht tot de bouw van het krijgsgevangenkamp Waalsdorp werd niet aangepast toen op 12 mei de instructie vanuit het AHK [overste Nijhoff] kwam dat krijgsgevangenen naar Engeland dienden te worden overgebracht. Algemeen werd aangenomen dat de afvoer zo afhankelijk van de omstandigheden zou zijn, dat zij eenvoudig zou kunnen stagneren. Daarom bleef de constructie van het kamp gewenst [900]. Het kamp zou dan een rol als krijgsgevangenendepot krijgen.

[900] Op 13 mei werd duidelijk dat de bouw van het kamp Waalsdorp ernstig werd bedreigd. Majoor Marcella informeerde het Bureau dat de reserve opslag van prikkeldraad zich op het eiland IJsselmonde bevond en dat dit wegens de Duitse bezetting aldaar dus onbereikbaar was. Het komen tot deze conclusie had twee dagen gekost …

[900] Als gevolg van het ontbreken van prikkeldraad voorraad werd besloten het militaire kamp opnieuw te inspecteren en te schouwen in welke mate gevangenen in de bestaande bebouwing op het kamp zouden kunnen worden gehuisvest, waarbij slechts minimale aanpassingen voor beveiliging noodzakelijk zouden zijn. Uit de inspectie bleek dat slechts 300 man zouden kunnen worden ondergebracht.

Nadien zijn er geen wijzigingen meer gekomen in de plannen en facilitaire gebeurtenissen. De capitulatie voorkwam dat kamp Waalsdorp ooit in werkelijk bedrijf kwam.

Afvoer gevangenen bevolen

[12] Al op 10 mei 1940 was de OLZ geïnstrueerd door de regering [meer in het bijzonder, minister Dyxhoorn], zorg te dragen voor spoedige afvoer van krijgsgevangenen naar Engeland. Die opdracht vertaalde zich pas op 12 mei [0900 uur] in een instructie aan het Bureau om gevangenen daadwerkelijk naar Engeland af te voeren [900]. Waardoor die vertraging van twee dagen ontstond – ambtelijke stroperigheid, onderbezetting AHK staf of bewust lage prioriteitstelling – is onduidelijk.

Hoewel deze opdracht op 12 mei aan het Bureau werd gedaan [via overste Nijhoff namens het AHK], is deze mogelijk aan alle onderbevelhebbers medegedeeld. De transporten der gevangenen van elders ontstonden immers niet spontaan. Desondanks blijkt uit de verslagen van het detachement Spijkerboor dat aldaar telkens transporten militairen of burgers aankwamen, die zij geheel niet konden herbergen. Uit die kwestie lijkt echter te spreken dat gedurende de mobilisatietijd Fort Spijkerboor kennelijk bekend was als het interneringskamp voor Duitsers en dat men veronderstelde dat Spijkerboor dat ook in oorlogstijd bleef. Wederom een indicatie van onduidelijkheid omtrent krijgsgevangenen afhandeling.

Krijgsgevangenen

Het is door onder andere een uitgebreide inventarisatie van E.H. Brongers [905] nagenoeg betrouwbaar bekend welke gevangenen waar vandaan kwamen [frontdeel] en welke gevangenen zijn afgevoerd naar Engeland. De eerste opsomming wordt hieronder weergegeven, de tweede opsomming volgt in het volgende hoofdstuk.

Auteur en onderzoeker E.H. Brongers heeft een inventarisatie gemaakt van de herkomst van de krijgsgevangenen ten aanzien van frontdeel van gevangenneming. Hieronder wordt deze in samenvatting weergegeven.

Regiment Grenadiers bij Ypenburg e.o.: 430
III-9.RI bij Ypenburg e.o.: 143
14 Compagnie Luchtdoelmitrailleurs: 90
13 Batterij Luchtdoelartillerie: 50
Overige onderdelen: 7
Subtotaal Ypenburg en omstreken: 720

Troepen 1e divisie – na 10 mei: 400
Overig:  175
Subtotaal Ypenburg en omstreken na 10 mei: 575

Totaal Ypenburg en omstreken: 1,295 man
Totaal Ockenburg en omstreken: 179 man
Totaal Valkenburg en omstreken: 47 man
Totaal Rotterdam, Dordrecht, Moerdijk: 15 man
Luchtverdedigingskring Amsterdam: 3 man
Stelling Den Helder: 8 man
Fort Spijkerboor (mobilisatie): 12 man
3e Legerkorps: 44 man
Brigade B: 31 man
Eindtotaal: 1,634 man

Dit getal van 1,634 man is echter niet compleet - althans bevat zeker niet alle meldingen - maar wel een betrouwbare benadering. De getallen die door Brongers zijn berekend worden door talloze rapportages en verslagen onderbouwd. Volgens die registraties wordt namelijk een getal van 1,649 bereikt.

Het is zeker dat ook in de sectoren van II.LK en IV.LK enige tientallen gevangenen zijn afgevoerd. Overigens zijn vrijwel alle gevangenen die vermeld worden in de opsommingen elders in het land [113 man] bemanningen van neergeschoten vliegtuigen en enkele luchtlandings- en parachutistenladingen die aan boord van die toestellen waren. Daarnaast zijn er Duitsers gevangen genomen die via Zeeland zijn afgevoerd, met name vliegend personeel. Dat zijn echter hoogstens enkele tientallen.

Afvoer krijgsgevangenen naar Engeland

[900] Op 12 mei 1940 werd door het AHK [luitenant-kolonel der artillerie A.H. Nijhoff] aan het Bureau de instructie gegeven dat diende te worden meegewerkt aan de spoedige afvoer van valide krijgsgevangenen naar IJmuiden om zodoende de afvoer per schip naar Engeland te faciliteren. Het Bureau coördineerde vervolgens met het AHK en de Marinestaf [Schout bij nacht F. Heeris] de noodzakelijke maatregelen.

Op 13 mei werd het eerste en direct grootste transport geregeld. Doel van de Marinestaf was om het stoomschip Hr Ms Westland te gebruiken, maar uiteindelijk zou het Hr Ms Phrontis worden.

De volgende gevangenen werden vanuit Den Haag, Fort Spijkerboor en Nieuwersluis afgevoerd volgens het Bureau [900]:

- 237 man vanuit de strafgevangenis te Scheveningen
- 262 man vanuit het Circus Schumann gebouw te Scheveningen
- 51 man vanuit de Oude Alexander kazerne in Den Haag
- 12 man (vliegeniers) uit het Fort Spijkerboor
- 72 man vanuit het Fort Nieuwersluis

Een totaal van 634 man, mogelijk 632 man [900, 904], waarvan dus exact 550 uit Den Haag zelf. Dat is zuiver vanuit de rapportage van het Bureau en de kapitein Bakker ontleend en betrof een treintransport dat vanaf Waalsdorp naar IJmuiden vertrok en door de kapitein J.M. Somer van het AHK [Sectie III] werd georganiseerd. Het getal van 632 is echter niet persé betrouwbaar, zo zal blijken.

E.H. Brongers stelt [905] dat er een transport van 601 gevangenen vanuit Den Haag in de middag en circa 300 gevangenen in de late avond is aangekomen in IJmuiden. Daarmee zou het getal van circa 900 gevangenen aan boord van de Hr Ms Phrontis zijn bereikt. Die extra gevangenen, die van elders uit den lande kwamen, werden niet afgehandeld via het Bureau. Overigens werden veel meer gevangenen niet door het Bureau afgehandeld. Een duidelijk bewijs dat de verplichting de registratie via het Bureau te laten verlopen niet alom bekend was dan wel niet alom nageleefd werd.

In totaal werden volgens Brongers tijdens de meidagen minstens 1,243 gevangenen afgevoerd naar Engeland. Dat geschiedde volgens hem als volgt:

- Strafgevangenis Scheveningen: 300 man
- Circus Schumann Scheveningen: 250 man
- Oude Alexanderkazerne Den Haag: 51 man
- Vanuit de Groep Merwede: 73 man
- Van III.LK: 44 man
- Van Brigade B: 31 man
- Van de Stelling Den Helder: 6 man
- Van Fort Spijkerboor: 12 man
- Elders: 134 man

- 14 mei transport Den Haag: 339 man
- Aan boord van Willem vd Zaan: 3 man
Totaal: 1,243 man

Betrouwbaarheid cijfers

De cijfers van Brongers werden door hem gepubliceerd [905]. De vraag is echter of ze wel zo betrouwbaar zijn.

In de rapportages van het Bureau en de kapitein Bakker wordt slechts gesproken over 632 of 634 gevangenen die per SS Phrontis werden afgevoerd vanuit IJmuiden. Bezemer [12] heeft daarop echter een aanvulling – die door Brongers werd gevolgd. Bezemer stelt [Deel 1, pg 183] dat er in de avond van 12 mei vrachtwagens met nog eens 300 krijgsgevangenen aankwamen in IJmuiden. Het Stafwerk West- en Noordfront Vesting Holland [13] meldt ook dat om 23.00 uur een vrachtwagen transport met 300 gevangenen aankwam. Dat transport was echter niet door het Bureau gecoördineerd.

Brongers heeft deze informatie van Bezemer [c.q. het Stafwerk] weliswaar overgenomen, maar lijkt niet werkelijk grondig te hebben onderzocht waar alle gevangenen dan vandaan kwamen. Als men de getallen beschouwt van de geïnterneerde krijgsgevangenen en met aanvaardt het getal van 632 als eerste transport, dan kwamen alle overige gevangenen van elders. Dat betekent concreet vanuit de Groep Merwede, III.LK, Brigade B, Den Helder en overige locaties. Bezemer suggereert dat het een geconsolideerd transport van (circa) 300 gevangenen was, maar waarschijnlijk waren het diverse transporten.

De vraag rest – en die is nog in onderzoek – wie de opdracht gaf aan al de onderdelen in den land om deze transporten te initiëren. Want hierbij kan geen sprake zijn geweest van een toevalligheid. Een autoriteit moet opdrachten hebben verleend om de gevangenen naar Ymuiden te doen vervoeren en deze opdracht is buiten het Bureau om gegaan. Althans, de verslagen van het Bureau maken geen enkel gewag van deze vele transporten in den lande. Elders vinden we wel verwijzingen bij onderdelen die opdracht krijgen van hun veldcommandanten om de transporten te verzorgen, maar wie was de autoriteit die alle onderdelen verwittigde?

Kapitein Bakker stelt in zijn vrij uitgebreide bespreking van 29 mei [904] – dat ziet op de behandeling van krijgsgevangenen aan de hand van een Duits onderzoek - dat er 635 (!) gevangenen met de Hr Ms Phrontis werden afgevoerd. Daarbij meldt zijn verslag op pagina 3 dat de gevangenen van Fort Nieuwersluis op 13 mei per bus naar IJmuiden werden vervoerd. Dat betekent dat deze gevangenen niet per trein aankwamen en dus niet tot het eerste transport behoorden, wat logisch lijkt. De trein die aankwam in IJmuiden kwam immers uit Den Haag en had uit de aard van de zaak dus 'Haagse' gevangenen aan boord. Welnu, volgens de telling van het Bureau – ondersteund door kapitein Bakker – had men slechts 550 gevangenen vanuit Den Haag verstuurd per trein. Als de 12 gevangene van Spijkerboor en 72 gevangenen van Nieuwersluis worden meegerekend komt men op 634 man, erg dichtbij de 635 van kapitein Bakker. Die veronderstelling wordt door kapitein Somer zijn verslag ondersteund, want die spreekt van ‘+/- 80 parachutisten die uit Nieuwersluis werden gebracht’. Die laatste kwamen dus per vrachtwagen, zoals uit het rapport van kapitein Bakker blijkt [904]. Dat gold evenzo voor de 12 man uit Spijkerboor die aldaar om 1800 uur per vrachtwagen naar IJmuiden vertrokken [901].

Brongers [905] komt ten aanzien van het Haagse transport op 601 gevangenen, waarbij hij het verslag van de kapitein Somer [ca 250 uit Circus gebouw, ca 300 uit strafgevangenis, ca 50 uit Alexanderkazerne] moet hebben gebruikt als bron. Toeval of niet, Somer zijn rapport zet de getallen het meest aan. Aangezien het rapport echter duidelijk schattingen (ronde getallen) hanteert, lijkt het veel meer voor de hand te liggen de cijfers van het Bureau en de kapitein Bakker te volgen. Die komen op 634 respectievelijk 635 uit voor het totaal en 550 voor het Haagse transport. Er is dus alle aanleiding het getal van 550 te volgen en niet dat van 601.

Dan missen we nog circa 225-275 krijgsgevangenen die later per vrachtwagen zouden moeten zijn gekomen en het alom – in de boeken – gemelde transport van 300 gevangenen moeten hebben gevormd.

Kapitein Somer van Sectie III AHK coördineerde de transporten, in elk geval die vanuit Den Haag. Zijn collega kapitein Bakker van Sectie IV wist in elk geval niet van het avondtransport, hetgeen bleek uit diens verslagen [904] waarin hij stelt dat slechts 635 gevangenen per Hr Ms Phrontis werden afgevoerd. Somer zelf wist er ook niets van [906]. Zijn verslag – hij was aanwezig bij het transport te IJmuiden – meldt helemaal niets van extra gevangenen die aan boord gingen. Hij maakt gewag van de inscheping – die om 1900 uur aanving – maar is kennelijk vóór de afvaart weer naar Den Haag vertrokken. Logisch, want die afvaart vond pas de volgende (vroege) morgen plaats. Daardoor kan Somers het raadsel van het vrachtwagentransport niet oplossen.

Dat dit extra transport er is geweest, lijkt echter wel buiten kijf te staan. Het wordt gemeld door meerdere instanties. Duidelijkheid omtrent de cijfers geven de rapporten echter niet. Er wordt telkens geschat. Het betrof echter vrijwel zeker 215 die van elders kwamen, namelijk 44 man van III.LK, 31 man van Brigade B, 6 man van Den Helder en 134 man die vanuit andere windstreken kwamen. Onder die laatste windstreken de positie Gouda waar de gevangenen van Dordrecht, Sliedrecht, Biesbosch en Gorinchem heen waren gevoerd. De namenlijsten geven weinig uitsluitsel over de exacte onderdelen. Maar duidelijk is dat enkele manschappen van luchtlandingseenheden afkomstig waren. Parachutisten zijn er echter niet te identificeren onder deze groep.

Het totale getal dat dan maximaal aan boord van de Hr Ms Phrontis ging was echter geen 900, maar eerder 847-850. Bovendien is bekend dat enkele aangevoerde gevangenen wegens hun verwondingen desondanks niet aan boord van de Hr. Ms. Phrontis zijn gegaan. Het getal van 850 zal dan ook eerder een maximaal aantal zijn dan het werkelijke getal.

Brongers heeft – zoals vaker bij deze auteur en onderzoeker – vrijwel zeker welbewust het hoogste getal van Haagse gevangenen genomen. Ook in andere gevallen zijn de hoogst gemelde getallen genomen. Alleen in het geval van het Circus gebouw heeft hij 250 gehanteerd in plaats van het vermoedelijk accurate getal van 262. Uiteindelijk komt Brongers met een getal van 900 gevangenen aan boord van de Phrontis, terwijl er alle aanleiding is aan te nemen dat het maximaal 850 man waren.

Uit dit alles volgt dat het door Brongers geponeerde getal van 1,243 man krijgsgevangenen verscheept naar Engeland tenminste met 50 man zou moeten worden verlaagd.

Het tweede transport

In de morgen van 14 mei was het op het AHK duidelijk dat de Duitse nagels aan de Nederlandse doodskist voelbaar werden. Het spande erom in Rotterdam en de Grebbelinie was gevallen. Het was dus eerder dan later aan de orde dat een algemene capitulatie zou worden afgekondigd. Aanleiding om de tegenstanders alsnog maximale afbreuk te doen. De kapitein Schepers – hoofd van de juridische sectie bij het AHK – instrueerde het Bureau het maximum aantal krijgsgevangenen dat transportgereed kon worden gemaakt, naar IJmuiden te doen afvoeren.

[900] De Marinestaf meldde op aanvraag van het Bureau dat het stoomschip Hr Ms Texelstroom gereed kon worden gemaakt voor de afvoer van de krijgsgevangenen. De Etappen en Verkeersdienst AHK – Hoofd Algemene Zaken reserve-majoor W. Kool – regelde deze keer het transport. Een trein zou om 1500 uur te Waalsdorp gereed staan. In totaal werden die middag 268 krijgsgevangenen vervoerd naar IJmuiden, te weten 206 van de Oude Alexanderkazerne en 62 vanuit de Nieuwe Frederikkazerne. De 1e luitenant der Marechaussee A.J.F.M. Egter van Wissekerke was commandant van het transport. Om onduidelijke redenen bleven er 169 gevangenen achter in Den Haag [902]. Deze getallen geven opnieuw aanleiding tot nadere beschouwing, want ze vormen een grote discrepantie met de gegevens van E.H. Brongers omtrent het totaal aantal gevangenen in de omgeving Den Haag. In het volgende hoofdstuk zullen we dat beschouwen.

Over de getallen ten aanzien van het tweede Haagse transport is ook wederom gesteggel. Kapitein Bakker en Generaal-majoor Kempees melden beide 268 gevangenen vanuit de beide kazernes te hebben afgevoerd [900, 904]. Maar in een ander rapport van Kempees worden ineens andere getallen genoemd. Dan komen er 277 gevangenen uit de Oude Alexanderkazerne en het KLM gebouw. Voorts 62 uit de Nieuwe Frederikkazerne. Een nieuw totaal van 339 gevangenen. Even spelen met deze getallen leert dat het KLM gebouw dan 71 gevangenen zou moeten hebben gehad. Helaas, deze kwestie wordt niet opgelost. Alleen het ene rapport van Kempees meldt de 71 extra gevangenen uit het KLM gebouw. Alle overige rapporten en verslagen van Kempees en Bakker houden het op 268 gevangenen. Aangezien 268 en 339 beiden aanleiding kunnen geven tot afronding naar ‘300 gevangenen’ kan dit ook niet eenvoudig met ondersteunende dan wel afwijkende bronnen worden verbeterd.

Het transport vertrok - wegens berichten van capitulatie gehaast - onder begeleiding van circa 40 man van de kustartillerie en enkele marinemensen om 1700 uur uit IJmuiden met de Hr Ms Texelstroom. Het schip kwam veilig aan in Engeland. Dat het transport was geschied in de wetenschap dat reeds een wapenstilstand was afgekondigd, zou nog een staartje krijgen. De verantwoordelijk luitenant der marechaussee zou hierover ondervraagd worden. Toen hij verklaarde dat indien hij in de wetenschap verkeerd had van de capitulatie hij toch zeker was meegegaan naar Engeland, werd hij door de Duitsers geloofd. Het was echter een leugen. In feite had hij gehandeld in strijd met het oorlogsrecht door wetende van de wapenstilstand krijgsgevangenen te vervoeren buiten zijn jurisdictie terwijl deze krijgsgevangenen wegens de bepalingen van de Conventies in wezen weliswaar onder zijn hoede waren, maar niet langer als gevangenen golden. 

De cijfers ten aanzien van Den Haag beschouwd

Wat direct uit de cijfers opvalt is dat er ongeveer een 850 man uit Den Haag werd afgevoerd naar IJmuiden. Daarbij resteerde volgens de kolonel van Dorren [902] – de enige die hier een uitspraak over deed in de voorhanden bronnen – een getal van 169 gevangenen. Uiteraard is onduidelijk of die 169 gevangenen in feite verminderd moeten worden met de 71 gevangenen die in het eerder besproken rapport van generaal-majoor Kempees als ‘extra’ vanuit Den Haag werden vervoerd.

Laten we uitgaan van het maximale realistische getal. Dat zijn 550 en 339 gevangenen uit Den Haag, met 169 achterblijvers. Dat genereert een totaal van 1,058 gevangenen die vanuit de Hofstad zouden zijn afgevoerd plus het restant aan achterblijvers.

Dat getal van 1,058 verhoudt zich echter buitengewoon slecht met het getal van 1,474 krijgsgevangenen die naar Den Haag zouden zijn gevoerd door de legereenheden rondom Den Haag en Delft. Daarbij zijn alleen de gevangenen rond Ockenburg en Ypenburg meegerekend.

Hoe is het mogelijk dat er een kleine 1,500 krijgsgevangenen zouden zijn gemaakt en afgevoerd zijn naar Den Haag en slechts zo’n 900 zijn afgevoerd naar IJmuiden? Een antwoord kán zijn dat er van de 1,500 in Den Haag aanwezigen slechts 900 transportgereed waren, en de overige 600 zodanig gewond dat ze niet vervoerd konden worden. Maar de mogelijkheid van dubbeltellingen in de lijst van gevangenneming is ook beslist aanwezig. Dat geldt te meer omdat veel licht gewonden – het grootste deel der gewonden viel daaronder – gewoon getransporteerd zijn naar IJmuiden.    

Conclusies

Vooreerst is het volstrekt duidelijk dat er geen Nederlands apparaat was geoutilleerd voor de afhandeling van krijgsgevangenenzaken toen de oorlog uitbrak. Dat moest ad hoc geschieden en daarvoor was een minimale vooroorlogse voorbereidende inspanning gepleegd.

Daarnaast is volkomen duidelijk dat het leger – in het bijzonder de bevelhebbers en staven – geen benul hadden van de juiste afhandeling van gevangenen. Geen benul ten aanzien tot wat er was geregeld, geen benul van een centrale administratieve autoriteit en vooral ook weinig benul van wat volgens het geldende internationale recht geadministreerd diende te worden. Dat blijkt uit het heen en weer transporteren van gevangenen en geïnterneerden [verdachte burgers] en het blijkt uit de onzorgvuldige registratie van gevangenen.

Deze beide zaken zouden tot groot ongenoegen leiden bij de Duitsers. Toen die rapportages verlangden na 14 mei 1940, kwamen ze niet alleen tot de shockerende ontdekking dat een aanzienlijk deel der gevangenen was afgevoerd, maar ook constateerden zij dat het met de verpleging en verzorging alsmede de administratie van gevangenen veelal slecht gesteld was geweest.

Een andere conclusie kan zijn dat het cijfer van 1,243 afgevoerde krijgsgevangenen – althans die welke door E.H. Brongers als zodanig werden geregistreerd – tenminste een vijftigtal te hoog is geweest. Dat wordt afgeleid uit de schijnbare onbewijsbare afvoer van 601 Duitse krijgsgevangenen uit Den Haag op 13 mei waarop Brongers zijn getallen baseert en waarvoor slechts bewijs lijkt te zijn voor 550 man.

De uitgebreide namenlijst van de afgevoerde Duitsers zal in een later stadium worden toegevoegd.

Namenlijst (officieren)

In de onderstaande namenlijst van krijgsgevangen genomen Duitse officieren is tevens een indicatie opgenomen of de betrokkene (vermoedelijk) naar Engeland is vervoerd. De onderstaande namenlijst met aanvullende detailinformatie is voor een belangrijk deel de verdienste van historicus Eppo Brongers zijn onderzoeken, aangevuld met andere bronnen en onderzoekingen door auteur dezes.

De onderstaande lijst is niet compleet, maar wel het meest complexe overzicht dat bekend is.  

 Naam  Rang  Onderdeel  Bijzonderheid 1  Bijzonderheid 2   Naar VK
           
 Beermann, T.  Olt  4./KG.30  St.Kpt. (mog. 5./KG.30)  Ju-88 (4D+AM) bij Den Hoorn   ja
 Bier, A.  Lt  13./IR.47      ja
 Bodenberger, W.  Olt  7./KG.27  Neerg. d. Franse Potez-631, 11 mei  He-111 (1G+??) bij Kapelle (Z.)   nee
 Born, K.  Olt  St./KG.4  Bij aanval op Waalhaven  He-111 (5J+DA) bij Rockanje  nee
 Borries, K.  Olt  5./JG.26  Neerg. d. Defiant, 13 mei   Bf-109E3 bij Numansdorp   nee
 Brand, K.  Olt  3./KG.54  Neerg. d. 114 Bt LuA, 11 mei  He-111 (B3+L?) bij Gorinchem    nee
 Büchtling, J.  Lt  Kdr Kradmz 22.ID   Zkh Den Haag  Gew. (li. bil)  nee
 Buhmann, L.  Lt  14./IR.65  Zkh Den Haag  Gew. (re. arm, li. been)   nee
 Dahinden,  Olt  3.(H)/14  Omg. Dord/Rott, 13 mei  Hs-126 B  nee
 Dews,  Obarzt  Onb.  Verm. Oberarzt Tews, I./FJR2    -
 Drengk, L.  Olt  3./KGrzbV.9  Neerg. d. D-XXI no. 213  Ju-52 (9P+DL) bij Stolwijk  ja
 Eckleben,  Olt  4./FJR.1  Bij Ypenburg geland     nee
 Ehrhardt, G.W.G.  Olt  2./KGrzbV.12    (Gew.) Ju-52 bij Leeuwen  -
 Fiebig, M  Oberst  Kdr KG.4  Bij aanval op Waalhaven  He-111 (5J+DA) bij Rockanje   nee
 Friemel, G.  Oberst  Kdr IR.65  Tot 29.11.41 hoogste officier in Brits krijgsgevangenschap  01.01.1941 tot Gen-Maj bevorderd (in krijgsgevangenschap)  ja
 Fünfhausen, W.  Hptm   Stv Kdr 7./IR.65   Mogelijk naar Engeland  Overl. 18.10.41  -
 Ganzert, K.  Olt   5./KG.4   Neerg. d. G-1, 10 mei    He-111 (5J+KN) bij Zevenbergschenhoek   ja 
 Georg,  Olt   13./KGzbV.1       Li.gew.   ja 
 Göttink,  Obarzt    22.ID   Onderdeel onbekend     ja 
 Hahne, H.  Lt   3./KGrzbV.9   Neergh. d. D-XXI no. 213  Ju-52 (9P+DL) bij Stolwijk    ja 
 Hasemayer, F.  Lt   Onb.      ja 
 Hauck,  Hptm   10./KGzbV.1  St.Kpt.    Ju-52 1Z+AU bij 't Woudt   ja
 Hennings,  Lt   4./IR.47   Mog. 2./IR.47    nee
 Heppe, L.  Lt  Onb.    Mog. 8./KG.54    ja
 Hornstein, S. Frh von  Hptm   Kdr KGrzbV.12        ja
 Janoch, S.  Lt   Onb.   Gev. in Nieuwe Frederikkazerne    ja 
 Kleimacher, A.   Lt   8./KG.30   Verm. via Den Helder n. IJmuiden  Ju-88A1 in zee (Oudeschild), 13 mei   ja
 Kohlhaas, L.O.O.  Hptm   Kdr 2./Fla.52   Gew. (li.borst), Mil. Hosp. Den Haag   Gesn. 30.11.42  nee
 Krause,  Hptm   KGrzbV.172   St.Kpt., zw gew. (brandw.)        nee 
 Kühlke, F.  Lt  Onb.   Gev. in Nieuwe Frederikkazerne    ja
 Lang, W.  Olt   2./KGrzbV.12   Gew. (re. bil), Mil.Hosp. Den Haag     nee 
 Langhuth,  Olt   Aufkl.St. 7.FD   Neerg. d. G-1 no. 330   Do-17 (QU+KH) bij Westmaas, 10 mei  nee
 Lastig, K.  Olt   15./KGzbV.1   Neerg. d. LuA   Ju-52 (1Z+AZ) bij Afferden   -
 Lehmann, P.  Lt   Stab KG.1  Gev. in Fort Spijkerboor     ja
 Lindloff,  Olt   2./KGrzbV.9        ja
 Merten,  Hptm   Kdr 1./FJR.2   Op Ypenburg gev. gen.     ja
 Meyer, F.  Lt   4.(F)/122   Neerg. d. Spitfires  Ju-88A1 bij Terschelling, 11 mei  ja
 Meyer, H.  Lt  4./KGrzbV.12     Ju-52 (G6+1M) op Ypenburg  ja 
 Minnigerode, A. Fhr von  Olt  2./JG.20   St.Kpt., 11 mei neerg. d. LuA bij Tiel.   Toestel over kop geslagen  ja
 Morawetz, W.  Hptm   Kdr 4./FJR.2   Op Ypenburg gev. gen.     ja
 Noack, R.  Obarzt   3./FJR.1   Ook wel als Nowak geschreven   Li.gew.  ja 
 Noever,  Lt   3./KGrzbV.9      nee 
 Noster, H  Hptm   Kdr I./FJR.2  Zw. gew. Ypenburg.  In 1943 d. gevangenruil teruggekeerd uit VK en geheractiveerd   ja
 Oltmann,  Olt  Onb.      -
 Paas, H.W.  Lt   9./KG.4     He-111 (5J+ST) bij Goudswaard, 10 mei  nee
 Pollitz, V.  Lt   7./KG.4   Neerg. d. LuA  He-111 (5J+PR) bij Zwanenburg (Schiphol), 10 mei  ja
 Rinck, F.K.  Olt  9./KG.4  Neerg. d. D-XXI  Ju-88A1 (5J+GT) bij Vijfhuizen, 10 mei  nee
 Robitsch, D.  Hptm  Kdr 5./Tr.Gr.186  Neerg. d. D-XXI no. 219  Bf-109E1 bij De Kooy (Den Helder), 10 mei  ja
 Rust, H.  LtzS   KüFlGr 2./106   Via Spijkerboor      ja 
 Scheffer, U.  Lt  Kdr 1./Na.22  Gev. in Borneostraat    ja
 Scheffler, L.  Lt  4./JG.27  Neerg. d. LuA  Bf-109E3 bij Tiel, 11 mei  ja
 Scheels, B.  Lt  Luftwaffe  Gev. in Borneostraat  Mog. als Schells geschreven  ja
 Schmidt,  Pfarrer  St IVd 22.ID      -
 Schoeffler, L.  Lt  Onb.  Gev. in Borneostraat    ja
 Seel, W.  Lt  3./KGr.126  Verm. 12 mei bij Korteven  He-111H (1T+?L)  ja
 Strehl, W.  Olt  2./Na.22  Zw.Gew. (verbrand)    nee
 Tappen, R.  Lt  1./FJR.2  Zw.Gew. (li.arm gebr., rug)    nee
 Wachter, F.  Lt  Onb.  Gev. in Nieuwe Frederik kaz.    ja
 Walter, G.  Olt  Onb.   Gev. in Nieuwe Frederik kaz.    ja
 Wülknitz, W.  Olt   9./KG.30      Ju-88A2 (4D+FT) bij Zevenhuizen, 10 mei   ja