De auteur

Allert Goossens

De auteur van deze website is Allert Goossens. Wellicht is het aardig voor geinteresseerden iets meer te weten over de auteur dan alleen de rechtstreekse pennenvruchten te verteren.

De auteur is al sinds zijn hele jonge jaren gefascineerd geweest door de gebeurtenissen in mei 1940 in Nederland. Al ruimschoots voor zijn tiende jaar werd de uitpuilende boekenkast van de grootvader in Zwolle doorgespit op boeken over de oorlog, en werden de plaatjes (in die fase) al gretig opgenomen. Spoedig volgde interesse in de tekst, en werd de overbekende serie van Lou de Jong - met name de eerste drie delen - tot slijtens toe verslonden. Alle andere WOII boeken moesten er eveneens aan geloven. Het was niet voor niets dat de zo innige geliefde grootvader, zijn oudste kleinkind de boeken en de boekenkast naliet. Een betere plaats zou het niet krijgen, zo overwoog hij. En hij had volkomen gelijk.

In de pubertijd zette zich de interesse voort, en de bibliotheken werden leeggelezen op WOII en geschiedenis genre. De eigen boekenkast raakte ook steeds meer gevuld, en uiteraard ontbraken de werkstukken van Eppo Brongers niet in de collectie. Als er één soort werk was wat - oneerbiedig gezegd - 'de oorlog in de huiskamer bracht' dan waren het de levendige verslagen wel die Brongers projecteerde in zijn werk. De interesse had zich inmiddels verdiept alsmede versmald. Verdiept in de zin van honger naar meer details, versmald als indicatie van de focus op de gebeurtenissen in mei 1940 en aanverwante zaken. Ook de interesse om zelf te schrijven ontstond. Hele boeken werden op de ouderwetse typmachine in elkaar gezet ...

Grotendeels opgevoed in een militair nest, zelf na de militaire opleiding dienende bij twee prachtige onderdelen [103 Verkenningsbataljon en 101 Tankbataljon] en later reizend door de wereld vanwege beroepsmatige werkzaamheden, kwam een verbreding van interesse en visie in zowel militair-organisatorische zaken als maatschappelijke kwesties.

Nadat er een periode kwam waarbij opleiding, maatschappelijke carriere en ontwikkeling een aantal jaar prevaleerden boven de hobby, ontstond tegen het dertigste levensjaar wederom die enorme honger naar meer informatie en kennis. Daarbij verlegde de interesse zich ook naar Duitse bronnen, naar strategische zaken en economie als essentieel onderdeel van de oorlog. Daarbij hielp de opleiding in bedrijfskunde en logistiek bij begrip voor militaire organisatiekunde. Ondertussen was er ook behoefte aan zelf schrijven over de materie, zelf actief bijdragen tot verbreding van kennis bij anderen.

Op een bepaald moment ontstaat er bij de 'informatievraatzucht' een punt waarbij je bijzonder kritisch gaat kijken naar wat je aangeboden krijgt. Als je zelf zoveel informatie hebt verzameld, van huis uit analytisch bent aangelegd en een hang naar puzzelen en (uit)zoekwerk hebt, komt er een moment dat je een eigen product wilt samenstellen op basis van je eigen bevindingen. Je merkt dat er veel nog onbesproken, onbelicht of onaf is. In eerste instantie twijfel je aan je eigen bevindingen, maar na verloop van tijd en extra studie ontstaat het besef dat er wel degelijk verbetering nodig is in de krijgshistorische beschrijvingen van de meidagen van 1940. De drang om zelf in een gevonden lacune in de informatieverschaffing te springen, is dan groot. Zeker als je graag schrijft!

Toen in 2004 de aansluiting werd gevonden bij de (mede)enthousiastelingen van Stichting de Greb en inmiddels, sinds de zomer van 2008, Stichting Kennispunt mei 1940, was de cirkel rond. De hobby werd een semi-werkkring, en vrijwel net zoveel tijd wordt er gestoken in regulier bezoldigd werk als in de geldslurpende passie der krijgshistorie. Gelukkig met een vrouw die dat aan alle kanten ondersteunt, zolang er op bepaalde momenten 'even afstand genomen wordt'.

Het bedrijven van de krijgshistorie - een mooier begrip is er niet voor iemand die het als het even kon beroepsmatig ook zou willen doen en oprecht van de materie houdt - is enerzijds voor de eigen honger naar informatie en begrip haast een noodzaak, maar anderzijds niet compleet als de verworven kennis en inzichten niet kunnen worden gedeeld.

Hoe treurig dat in Nederland, maar ook daar buiten, individuen op kennis en informatie zitten om het voor zichzelf te houden of commercieel uit te buiten. Het is kennis en informatie waar het publieke domein recht op heeft. Dat is de overtuiging tenminste van de auteur, de volle overtuiging. Gelukkig ervaar je dan dat er veel Nederlandse onderzoekers zijn - het gros zogenaamde amateur-historici - die wel graag delen. Na verloop van tijd ontstaat een soort 'kunstkring' van gelijkgezinden, die graag kennis met elkaar deelt. Juist op zo'n wijze ontstaat een synergie welke zo enorm batig is voor de krijgshistorie dat het zelfs bijna 70 jaar na dato nog nieuwe inzichten biedt over de gebeurtenissen in mei 1940.

Tegelijkertijd valt er aan enige frustratie niet te ontkomen. Frustratie van zaken niet kunnen oplossen, van missende stukjes informatie en vooral ook van mensen of instanties die moeilijk delen of ronduit verwerpelijk bezig zijn met het vak. Als je als onderzoeker in Nederland de tientallen koninkrijkjes op je pad ontmoet, die de archieven in dit kleine landje beheren, dan moet je wel eens op je tong bijten. Onze nationale archieven liggen verspreid over vele adressen en instanties, medewerking bij vorsingsinzet is matig tot slecht, de desinteresse van de beheerders onmetelijk. Bij zoektochten naar specifieke informatie word je van het kastje naar de muur gestuurd en vind je onwerkelijke hoeveelheden 'red tape' op je pad. Daarnaast historici die zich wetenschappers noemen, vaak bezoldigd door de overheid, die het monopolie op de kennis claimen in openbare of van staatswege uitgegeven geschriften. Historici ook die menen dat 'ontmythologiseren' een doel is in plaats van een middel, of historici (en promovendi) die publiceren en bekendheid als hoger doel dan de kwaliteit van het aangeboden werk achten. Zij gaan voorbij aan de werkelijke wetenschappelijke benadering die krijgsgeschiedenis behoeft om een betrouwbare reconstructie van gebeurtenissen te verkrijgen. En zij berokkenen de krijgshistorie bijzonder veel schade.

Tenslotte vindt de auteur het van belang te stellen dat als persoon - en als bestuurslid van Stichting Kennispunt mei 1940 - het delen van kennis boven alles staat. Het kostenloos aanbieden van de kennis en inzichten aan het publieke domein is hoofdzaak. Uit dat publieke domein komt gelukkig ontzettend veel feedback, zelfs van veteranen die vaak nog hele belangrijke details kunnen aanvullen. Het zijn ook de veteranen en hun betrokken familieleden die vaak de essentie van het delen met het publieke domein zo goed begrijpen. Zij ervaren het als een erkenning van de inzet destijds, die soms ten koste van het leven of blijvende lichamelijke en geestelijke verminking van hen of hun voormalige kameraden ging. Zij waarderen het dat initiatieven als deze door individuen en een Stichting als de onze worden ontwikkeld. En een betere waardering weet je als auteur niet te verzinnen.

Het samenstellen en beheren van deze website, en vooral het afronden van het enorme onderzoek dat gepaard gaat met de reconstructie van de strijd op het Zuidfront, zal vele jaren beslaan. Het onderzoek startte in 2006 en zal vermoedelijk in totaal zo'n tien jaar in beslag nemen. En in feite houdt het nooit op, want altijd zal er weer wat zijn toe te voegen of te verbeteren. Trouwe bezoekers zullen meegroeien met de auteur, anderen zullen zich wellicht ergeren aan het al die tijd incompleet zijn van het aanbod. Het is niet anders. Er is voor gekozen om te publiceren op basis van degelijk vooronderzoek, dat in facetten geschiedt. Daarbij is de insteek juist om het publieke domein te laten reageren op de gepubliceerde delen. Tot op heden, na drie volle jaren publiceren op deze website, blijkt dat boven verwachting goed te werken. De hoeveelheid reacties vanuit het publieke domein is soms overweldigend. Daarbij zitten niet alleen geijkte oproepen tot correcties van fouten en onjuistheden, maar minstens zoveel kleine stukjes extra informatie. Die malle molen heeft al geleid tot een aanzienlijke uitbreiding van de informatie en zelfs van voorhanden bronnen. En van dat laatste moet de onderzoeker het hebben. Er kan dan ook niet anders worden geconcludeerd, dan dat het concept van 'publiceren onderweg' werkt, en zijn vruchten onmiskenbaar afwerpt!