Organisatie

In deze sectie worden verklarende teksten opgenomen voor militairtechnische termen, begrippen en jargon. 

Er wordt een beknopte uitleg gegeven bij de begrippen, die veel voorkomen in de teksten op de site en in andere publicaties over militaire geschiedenis in de 20e eeuw. Nadrukkelijk wordt erbij gemeld dat daar waar de tijdgeest een rol speelt bij de uitleg, de contemporaine uitleg is gebruikt. De uitleg zoals die voor het hedendaagse militaire apparaat geldt - of voor de oudere militaire historie zou hebben gegolden - kan daarvan afwijken.

Er wordt op basis van alfabetische volgorde gewerkt. 

De pagina is door auteur dezes samengesteld en opgesteld aan de hand van allerhande bronmateriaal, zowel militairhistorisch als etymologisch.

Organisatie

Afdeling

Zie 'bataljon'.

Aan- en afvoertroepen

Het bewegende logistieke apparaat van het Nederlandse leger was erg groot en werd door drie diensten gevormd. De EVD (Etappen- en Vervoersdienst), het KMD (Korps Motor Dienst) en de AAT (aan- en afvoertroepen). De laatste waren de kleinste van de drie. De AAT zorgde ervoor dat de lokale distributie van goederen werd verzorgd aan eenheden en kazernes. Hun aanvoerstation werd weer aangevuld door de EVD.

In het Veldleger was de AAT ingedeeld als CAAT, Compagnie AAT. Ieder legerkorps, de Lichte en de Peel Divisie hadden een CAAT. Zo'n compagnie was bij de legerkorpsen 300-400 man sterk.

Bataljon / afdeling

Een bataljon was een infanterie-eenheid van in de regel 650-800 man. Het was een vaste bouwsteen in de legerstructuur. Drie bataljons infanterie vormden een regiment. De bataljons waren standaard ingericht. Voor oorlogsregimenten gold echter dat de sterkte en indeling (in negatieve zin) enigszins afweek van de stamregimenten. Naast de reguliere bataljons waren er zelfstandige grensbataljons. Deze waren qua opzet en omvang minder sterk gestandaardiseerd.

Een bataljon bestond in de Veldleger standaardorganisatie uit een door een (reserve) majoor geleide staf van ca. 75 man met een drietal tirailleurcompagnieën van ca. 180 man met 12 lichte mitrailleurs Lewis M.20 elk en een zware mitrailleurcompagnie (MC) van 195 man met 12 mitrailleurs Schwarzloze M.08. Deze maximale bezetting werd echter vrijwel nooit behaald. Doorgaans kwam men enkele tientallen mensen tekort. De reserveregiment van de krijgsmacht, in de hoge regimenten, hadden meestal slechts 8 lichte mitrailleurs per tirailleur- en mitrailleurcompagnie en waren vaak wel honderd man of meer onder hun reguliere sterkte van ca. 700-750 man.

Het artillerie equivalent van bataljon is 'afdeling'. Een afdeling artillerie bestond uit drie batterijen met doorgaans elk vier vuurmonden.

De cavalerie had geen bataljon, noch een equivalent. Men kende daar slechts de grotere eenheden 'regiment', 'eskadron' en 'peloton'.

Een autobataljon - zie 'Korps Motordienst'- was een eenheid die wel 1.200 man sterk kon zijn. Ook het bijhzondere Bataljon Spoorwegtroepen had beduidend meer dan 700 man in zijn sterkte.

Batterij

Zie onder 'Compagnie'.

Een begrip dat men als afgeleid jargon nog kan tegenkomen is stuksbatterij, waarmee men duidt op zelfstandige stukken artillerie. Dit zag men eigenlijk alleen maar met oude stukken 8-staal in de buitendefensie.

Brigade

Het Nederlandse leger kende eigenlijk geen vaste bouwsteen voor het begrip 'brigade'. Het was een tussenvorm tussen 'regiment' en 'divisie', werd doorgaans door een kolonel aangevoerd. Brigades waren eenheden ter grootte van 5.000-7.000 man.

De brigade kende aanvankelijk, tot kort voor de oorlog, eigenlijk alleen de praktische toepassing in de Lichte Brigade, wat een snelle manoeuvre eenheid van het Veldleger was, die vlak voor 1940 tot de geheel bewegelijke Lichte Divisie verwerd. Tijdens de mobilisatie en concentratie van het veldleger werden echter enige brigades gevormd, waarvan enige op papier en andere ook in werkelijkheid, zoals de Brigades A, B, C, D en G. Hiervan werden de Brigades C en D tot de Groepen Kil en Spui omgenoemd in april 1940. De Brigade G - opmerkelijk genoeg door een generaal-majoor aangevoerd - was slechts een tijdelijke organisatie, die zes reservebataljons in een reservebezetting bevatte ter vervanging van de zes bataljons infanterie die het 3e Legerkorps in Noord-Brabant zou achterlaten. Uitsluitend de Brigades A (Betuwe) en B (Maas en Waal) fungeerden als brigades gedurende de meidagen.

Bruggenhoofd

Een door een belligerent verovert c.q. bezet strategisch terrein dat omzoomd wordt door terrein dat door de c.q. een tegenstander bezet wordt.

In de oorsprong is het begrip afkomstig van een veroverd terrein aan de 'vijandelijke' zijde van een waterloop waar men de (al dan niet militaire) brug is overgestoken en een beheersing in vijandelijk terrein heeft weten te bewerkstellingen. Met deze klassieke analogie in de hand werd de Nederlandse veiligheidsbezetting aan de zuidzijde van de Moerdijkbruggen als 'Bruggenhoofd Moerdijk' aangeduid. De premisse was dat de vijand spoedig het bruggenhoofd zou omvatten en dit daarwerkelijk een door eigen troepen bezet landhoofd aan de zuidzijde van de Maas bij Moerdijk zou zijn.

Capitulant

Een tamelijk ongebruikelijk begrip dat een sem-beroepsmilitair aanduidde, die zich voor een verband van zes jaar tot semi-beroeps onderofficier (doorgaans sergeant of wachtmeester) verbond aan de landmacht. Een voorloper van de latere KVV (Kort Verband Vrijwilliger) of BBT (Beroeps Bepaalde Tijd).

Het begrip betekent letterlijk 'hij die de overgave verzorgt', of 'hij die het hoofd biedt'. Kennelijk was hierbij de bedoeling aan te duiden dat de betreffende vrijwilliger zijn 'loyaliteit' voor zes jaar aan de staat onderwierp of iets van gelijke strekking.

Het capitulantenstelsel werd ingevoerd als remedie tegen het grote tekort dat er in het Nederlandse leger heerste aan beroepsonderofficierenkader. Het verwerven van blijvend beroepskader achtte men ongewenst en duur. Daarom bood men de kans om na te dienen als dienstplichtige en de rang van sergeant-capitulant te krijgen, met een wedde die hoger lag dan die van dienstplichtige, maar beduidend lager dan een volwaardig beroepsmilitair van gelijke rang.

Een dienstplichtig sergeant/wachtmeester die capitulant werd, werd uit de dienst ontslagen, opnieuw aangesteld in de nulrang (soldaat) en diende opnieuw de scholing tot onderofficier door te maken, waarna hij uiteindelijk in zijn eigenlijk reeds verkregen rang als sergeant weer werd aangesteld. De sergeant-capitulant werd als semi-beroeps nauwelijks breder gevormd dan hij voordien als dienstplichtig sergeant werd, zodat ook dat aspect weinig effectief was. Het logische alternatief - de dienstplichtige onderofficier bijscholen in plaats van zijn opleiding geheel herhalen - vond men kennelijk te gemakzuchtig.

Het is niet goed bekend hoeveel capitulanten er precies dienden in mei 1940, maar het waren er tenminste enige honderden. De toevoeging werd vrijwel altijd bij de rang vermeld.

Compagnie / batterij / eskadron

Een compagnie in 1940 was een eenheid van 120-220 man sterk, afhankelijk van het wapen waarbij men diende. De infanteriecompagnie had een compagniesterkte van 160-195 man verdeeld over een staf en vier secties. Sommige geniecompagnieën hadden wel tot over de 200 man sterkte. Daarentegen waren er compagnieën bij de wielrijders of sommige grenseenheden die slechts uit 120 man bestonden.

Een compagnie werd aangevoerd door een (reserve) kapitein, in een enkel geval door een (reserve) 1e luitenant. Bij de cavalerie heette het equivalent eskadron, welke door een (reserve) ritmeester werd aangevoerd. Het artillerie equivalent was 'batterij' en kende ook een (reserve) kapitein als commandant.

Een compagnie infanterie beschikte over 12 lichte mitrailleurs [8 bij een deel van de hogere regimenten], wat inhield dat iedere sectie drie lichte mitrailleurgroepen had. Een compagnie zware mitrailleurs had 12 zware mitrailleurs [8 bij een deel van de hogere regimenten]. Een eskadron cavalerie beschikte over 160 man te paard of per fiets, met 8 lichte mitrailleurs. Bij een batterij was de sterkte van de staf en de vier stukssecties afhankelijk van het type geschut dat men bediende. Meestal had men voor nabij verdediging twee lichte mitrailleurs.

Bij de genie en andere ondersteuningseenheden bestonden veel zelfstandige compagnieën. De infanterie was echter - op enkele reserve grenscompagnieën na - uitsluitend in bataljons ingericht, waarin te allen tijde vier compagnieën waren opgenomen.

Depot

Het militaire begrip 'depot' heeft twee betekenissen. De eerste betekenis was die van ge-eigende aard, de opslag van materiaal en middelen. De tweede betekenis was de 'opslag van mensen'.

Het depot waar men middelen opsloeg was doorgaans behorende tot het domein van de EVD. De depots van het leger bevatten alles wat het leger aan materialen, middelen en wapens bezat. Dit waren grote opslagterreinen, loodsen of alternatieve terreinen waar men de logistiek van het leger vanuit kon bedienen.

Het 'menselijke' depot zag op de opleiding en aanvulling van militair personeel. Ieder stamregiment infanterie en artillerie, alsmede alle Wapens, hadden een eigen depot waarin de algemene, specialistisch en kaderopleiding werd vormgegeven voor al het mobilisabele- en reservepersoneel. De stamregimenten hadden een depotbataljon waarin aanvullingstroepen en troepen voor de reserve regimenten werden opgeleid of opgefrist. Het 6e Regiment Infanterie had zodoende het 6e Depotbataljon. Bij de artillerie had men de depots ingericht naar bereden en onbereden alsmede gemotoriseerde artillerie.

Na de concentratie van het Veldleger in september 1940 werden vrijwel alle depots naar het westen des lands verplaatst, inclusief West-Brabant. Alle nieuwe lichtingen, zijnde de lichtingen 1940-I, 1940-II en 1940-III zouden als zodanig in het westen des land opkomen. Voorafgaande aan de mobilisatie waren de depots nog regionaal ingericht, zodat men de dienstplicht dichter bij huis kon vervullen, ook in de verplichte kazerneperiode [men mocht het eerste deel bij een plaatselijke landstormafdeling verrichten].

Detachement / detacheren

Een detachement is een onderdeel van een groter geheel met een eigen taakstelling. Bijvoorbeeld een met een zware mitrailleur versterkte sectie infanterie welke als vooruitgeschoven onderdeel een cruciaal kruispunt diende te beveiligen en verdedigen. Het begrip wordt meestal gebruikt voor kleinere samengestelde verbanden met een specifieke taakstelling. Zoals het Dekkingsdetachement Willemsdorp een uit infanterie, genie en politietroepen samengesteld geheel was met als specifieke taak de beveiliging van de Moerdijkbruggen en de uitvoering van de strategische beveiligingstaken ter plaatse.

Het detacheren van een persoon is hem zonder formele overplaatsing uit zijn eigen eenheid tijdelijk een opdracht te geven buiten het verband van zijn eigen eenheid. Doorgaans betreft dit een tijdelijke plaatsing bij een andere eenheid.

Divisie

Een divisie was de een-na-grootste legereenheid in het Nederlandse leger. Oorspronkelijk had het leger acht divisies in het Veldleger. Een divisie bestond organsiek uit een staf met divisietroepen, drie regimenten infanterie en een regiment artillerie. De sterkte bedroeg ca. 10.000 man. De Nederlandse divisie was buitengewoon klein vergeleken met de overigen belligerenten. Elders was een omvang van 15.000 man of nog meer gebruikelijk.

In mei 1940 waren er buiten de acht divisies ook nog een lichte divisie en een 'Peel Divisie'. De eerst was kort voor, en vervolgens tijdens, de mobilisatie uitgebouwd van een brigade naar een divisie, zij het dan een sterkte van slechts ca. 8.000 man aan de orde was. De Peel Divisie was geen werkelijke divisie maar een verzamelnaam voor zelfstandige regimenten en bataljons die in de noordelijke Maaslinie en Peelstelling de verdediging op zich zouden nemen en als geheel onder één kleine staf van de Territoriaal Bevelhebber Noord-Brabant en Noord-Limburg [de kolonel L.J. Schmidt] vielen. De Peel Divisie had een sterkte van wel bijna 25.000 man, wat in feite de omvang van een Legerkorps was en dan bovendien nog vrijwel uitsluitend bestaande uit gevechtstroepen. Dit was het beleid van de generaal Winkelman en deze had het ook wijs geacht om deze grote hoeveelheid troepen door een piepkleine staf, zonder generale officier en gespeend van moderne artillerie en luchtafweer te laten functioneren.

Een Nederlandse divisie werd gecommandeerd door een kolonel. Ook daarin was Nederland uniek, want alle overige belligerenten lieten hun divisies door generale officieren leiden.

Ernstvuurwerk

Militaire benaming voor alle springmiddelen en -stoffen. Een specialist ernstvuurwerk werd een (ernst)vuurwerker genoemd. De meeste hunner waren pionier of torpedist.

Eskadron

Zie onder 'Compagnie'.

Etappen- en verkeersdienst (EVD)

De Etappen- en Verkeersdienst (EVD) was het grootste logistieke commando van de vooroorlogse landmacht. Niet minder dan ruim 15.000 man - 5% van de totale krijgsmacht in mei 1940 - was bij dit ondersteunende onderdeel ingedeeld. Het was de vervoersdienst van het leger, in vredes- en oorlogstijd. De EVD bevoorraadde alle lokale magazijnen, vervoerde goederen tussen depots, magazijnen, onderdeelsdepots en overige stations. Daarbij werd behoudens auto, vrachtwagen, motor en paard gebruik gemaakt van schepen en zelfs vliegtuigen. Ook de veldpost viel onder hen.

De EVD had drie hele grote magazijnen, waar vrijwel alle behoeftes en uitrusting van het leger waren opgeslagen. Dat waren de magazijnencomplexen van Den Haag, Amsterdam en Rotterdam. De laatste was EVD hoofdstad bij uitstek, met ongeveer een derde van alle betrokken mensen en het grootste deel van de non-combattante voorraden en levensmiddelen.

De munitievoorraden waren (behoudens specialistische depots voor marine en militaire luchtvaartafdeling) geconcentreerd in de munitieopslag van Halfweg en de Artillerie Inrichtingen, alsmede de forten van Amsterdam, enige forten van de kustverdediging en de Waterlinie en de vooruitgeschoven stations van het veldleger.

Genie

Zie hier een uitgebreid artikel over de genie.

Grenadier

Het 'Korps Grenadiers en Jagers' bestond in augustus 1939 uit de Garderegimenten Grenadiers en Jagers. Het waren nog steeds benoemde eenheden (tegenover de overigens genummerde eenheden), maar in feite niet meer dan twee stamregimenten (Regiment Grenadiers - RG; Regiment Jagers - RJ), met hun eigen grensbataljons en reserve regimenten 23.RI en 24.RI, net als ieder ander stamregiment.

Voor beroepsofficieren was het een privilege om bij deze regimenten te worden ingedeeld en - naar verluidt - werd ook wel kritisch gekeken naar hun aanstellingen. De gewone rangen en standen werden echter - voor zover bekend - zonder aanschijns des persoons gevuld. Men kreeg geen bijzondere selectie, oefening of andere vormen van uitzonderlijke behandeling. De hier en daar levende mythes, ook bijvoorbeeld in eigentijdse Duitse bronnen, dat de regimenten 'elitair' waren, behoren tot het omvangrijke rijk der fabels.

De oorsprong van de beide regimenten kende wel enig elan, zoals gebruikelijk in de krijgsgeschiedenis. De jagers en grenadiers waren klassieke infanterie wapenvakken. De jagers waren bij uitstek de doorgaans beste tirailleurs, terwijl de grenadiers met werpgranaten uitgeruste fysieke sterkste infanterie vormde. Beide vakken werden als elitair gezien en in de 19e eeuw kwam men ook niet eenvoudig bij de Garde. Het ging bij de oprichting van de Garde in 1829 om in totaal vijf bataljons van beide wapenvakken, die zich als koninklijke garde dichtbij de koning - of ter diens directe beschikking - zouden bevinden. Die traditie zou blijven tot aan de meidagen van 1940, zij het dat de directe beschikking van de koning na 1848 zou verdwijnen. Toch zouden de regimenten in 1914-1918 rond de residentie verkeren en evenzo in 1940.

In mei 1940 werden de Grenadiers ingezet in het westen des lands, terwijl de Jagers zich met hun reserve regiment (24.RI) o.m. bij de Grebbeberg buiten de Vesting-Holland bevonden.

De traditie van de Garde wordt tot op heden voortgezet in de krijgsmacht, zij het zuiver ceremonieel.

Grensbataljon

Het ontstaan van specifieke grenseenheden was een gevolg van het strategische leerstuk van de 'plotselinge overvalling' door Duitsland. Dit leerstuk werd met name door de Commandant Veldleger luitenant-generaal jonkheer W. Roëll op de kaart gezet bij de Generale Staf en HKS in het midden van de jaren dertig. De generaal stelde dat volgens zijn beoordeling het Duitse leger 'vanuit de kazerne' - dus zonder opvallende mobilisatie en concentratie - in staat zou zijn Nederland te overvallen en volkomen te overrompelen voordat het Nederlandse Veldleger in staat zou zijn enige georganiseerde kansrijke weerstand te bieden. De generaal kreeg veel bijval voor zijn visie.

Als gevolg van de door Roëll opgeworpen vraag omtrent Nederlands paraatheid, ontstond het ontwerp van wat men nadien 'de Strategische Beveiliging' zou gaan noemen. Het resultaat was dat men ervoor zorgde dat er grenseenheden werden samengesteld uit de stamregimenten infanterie, dat er een grensbewaking en defensie achter de grote rivieren werd gevormd (met een BOUV mobilisatie van negen regimenten), dat er politietroepen detachementen bij belangrijke bruggen zouden worden gestationeerd en dat er zware kazematten bij strategische bruggen werden geconstrueerd. Het jaartal dat deze strategische beveilging werkelijk vorm kreeg was 1936.

De stamregimenten dienden allen een grensbataljon te vormen dat tenminste voor de helft met actieve dienstplichtigen was gevuld en voor de andere helft met jonge reservisten kon worden gevuld in geval van crisis. Alle grensbataljons kregen een taak in de beveiliging van de buitengrenzen, met de nadruk op de oostgrens. Grensbataljons kregen de (lood)zware opdracht dat zij tegen iedere vijandelijke actie zodanig taaie weerstand moesten bieden dat vooreerst de negen regimenten infanterie van de BOUV-mobilisatie (een spoedmobilisatie in geval van spanning of crisis) langs de Maas- en IJsselstelling posities konden innemen. Die laatste dienden weer weerstand te bieden totdat de algemene mobilisatie achter hen was afgerond en het Veldleger zijn concentraties had kunnen aannemen.

De taken van de grensbataljons waren zo serieus, men achtte die zo zwaarwegend, dat er veel beroepsofficieren bij werden ingedeeld en alle commandanten beroepsmajoors waren. Deze eisen leken in een situatie dat er nog niet was gemobiliseerd redelijk en verstandig. Onverstandig was het dat deze eenheden, die later een pure offeringsrol kregen, na de mobilisatie nog steeds veel van de beste beroepsofficieren hadden. Dat is zonder meer een blinde vlek geweest bij de Nederlandse legerleiding, die veel belangrijkere veldleger bataljons daardoor met reservisten diende te bemannen.

Er waren uiteindelijk, mede door uitbreiding, in mei 1940 niet minder dan 23 volwaardige grensbataljons, 2 grensbataljons die tot één compagnie waren teruggebracht en 17 (reserve) grenscompagnieën. Bij elkaar waren dit ca. 17.500 man aan gevechtstroepen, wat meer dan 10% van de gevechtstroepencapaciteit van het leger (ca. 150.000 man) was en ca. 7,5% van de landmacht (ca. 240.000 man).

Groep

De kleinste geregelde eenheid in het toenmalige leger. Een groep werd geleid door een sergeant, soms door een hogere onderofficier, soms door een lagere (korporaal).

Bij de reguliere infanterie bestond een geweer- of lichte mitrailleurgroep uit 8-12 man. Bij een MC bestond de stuksgroep uit 12-14 man.

Bij de geweergroep hadden alle leden van de groep een geweer (of karabijn, zoals bij de cavalerie en wielrijders). Bij de lichte mitrailleurgroep waren er de mitrailleurschutter en helper die beide een pistool droegen (naast de mitrailleur) en de overige leden van de groep een geweer (of karabijn). Bij de MC waren de schutter en eerste twee helpers van een pistool of revolver voorzien (naast de mitrailleur) en de overige leden doorgaans met geweer of karabijn bewapend.

Een stuksgroep bij de PAG of 6-veld was vergelijkbaar met een mitrailleurgroep, zij het uiteraard dat de bewapening uitsluitend uit karabijnen bestond voor de gewone manschappen.

De op zich weinig militaire benaming van 'Groep' voor sectorcommando's, zoals de Groep Gorinchem of Groep Kil, was eigenlijk onjuist. Men had dit juister benoemd als men dit 'Commando' of gewoon 'Brigade' was gaan noemen, wat meer in lijn met de werkelijke omvang en bedoeling was geweest. Nu had men twee eenheidsbenoemingen met de titel 'groep'. Het is duidelijk dat deze Groepen met het hierboven vaste begrip voor de kleinste bouwsteen van de toenmalige krijgsmacht niets van doen hebben.

Huzaar

De naam 'huzaar' stamt af van het Hongaarse 'Huszars'. Een huzaar was een cavalerist, welke begrip uiteraard uit het Frans kwam en een afgeleide was van het Franse 'cheval' voor paard. De cavalerie bestond oorspronkelijk louter uit cavaleristen, militairen te paard. Later werd ook de artillerie een groot bereden onderdeel, maar de artillerist zou nimmer als huzaar worden aangeduid, omdat de huzaar een louter te paard zittende combattant was.

De klassieke cavalerie, die lange tijd het slagveld zou domineren, verloor zijn klassieke overwicht vanaf het moment dat de vuurwapens steeds machtiger werden en verloor in feite vrijwel alle macht met de introductie van het machinegeweer. Langzaam maar zeker nam de cavalerie echter de gemotoriseerde paardenkrachten in dienst en zou het leiden tot nieuw elan en vooral nieuwe dominatie. Tijdens de Tweede Wereldoorlog werd de (gevechts)tank het nieuwe dominante wapensysteem op de grond. En in vrijwel alle landen was de cavalerie het onderdeel dat de slagtanks bezat en bediende.

In mei 1940 was er in alle legers nog sprake van aanwezigheid van enige klassieke cavalerie. Dat wil zeggen, dat men nog ruitereenheden had, die verkenning of lichte gevechtstaken verrichten en het paard als (vervoers)middel gebruikte. Het vechten te paard, de werkelijk klassieke cavalerie, zag men nog slechts in Polen en de Sovjet-legers. Met gruwelijke slachtpartijen tot gevolg.

De Nederlandse cavalerie had gedurende het interbellum de omschakeling naar de moderne tijd voor een gedeelte ingezet. Veel paarden waren omgeruild voor fietsen en ook moderne gevechtspantserwagens waren aangeschaft. Toch waren er nog enige eskadrons te paard voor verkenningsdoeleinden. Ook nadat op 1 mei 1940 de nieuwe cavalerieorganisatie was afgerond.

De Nederlandse cavalerie kende wel enige elitaire karaktertrekken. Het trok veel jonge officieren van adellijke komaf, die hun vak zeer serieus zagen en het krijgsvak niet, zoals veel Nederlanders, geringschattend uitvoerden. Cavaleristen werd veel traditie bijgebracht, een hoge mate van discipline en plichtsbesef. In die zin onderscheidde de cavalerie zich van de infanterie. Diverse cavalerie eenheden zouden aantonen dat zij hun taken serieus en met overtuiging uit konden voeren met als gevolg dat een aantal aansprekende 'huzarenstukjes' tot stand werden gebracht. Dit was zowel op de Veluwe aan de orde als binnen de gelederen van de Lichte Divisie eenheden, waarvan een deel ook uit de cavalerietraditie en organisatie voortkwamen.

Jager

Zie onder 'Grenadier'.

Kaderopleiding (onderofficieren)

De onderofficieren bij de landmacht werden opgeleid bij het wapen waar zij zouden gaan dienen in zogenaamde kaderklassen. Dit gold voor zowel de beroeps- als de reserve-onderofficier. Nadat de mobilisatie was afgerond werden de opleidingen in de depots geconcentreerd.

De waarde van de onderofficier als cement tussen de stenen, als eerste tactische commandant in het (veld)leger, zou pas naoorlogs in Nederland doordringen. Voor de oorlog werd de onderofficier nauwelijks op waarde geschat. Zijn opleiding was navenant en stelde in feite niet veel voor. De onderofficier was - in de beleving van de toenmalige legerleiding - niets anders dan de regisseur van de uitvoering van het bevel of directief der officieren. Onderofficieren waren dan ook strikt gescheiden van de officieren, hoe senior in rang of ervaring ook.

De opleiding tot beroepsonderofficier geschiedde bij de wapenvakken zelf en was een gefaseerde opleiding, waarin de leerling eerst geruime tijd als korporaal praktische dienst deed en pas (afhankelijk van het dienstvak) na geruime tijd tot sergeant werd aangesteld. De reserve onderofficier werd 10 maanden opgeleid en dan tot korporaal bevorderd en na twaalf maanden tot sergeant benoemd. Uiteraard geschiedde dit alles pas nadat men succesvol examen had gedaan. De termijnen verschilden aanzienlijk per dienstvak/wapen.

De beroepsonderofficier kon alle onderofficiersrangen doorlopen. Dit waren de rangen sergeant der eerste klasse, sergean-majoor administratie of instructeur en adjudant (onderofficier) instructeur. Deze 'instructeur' toevoeging was inherent aan het dienstplichtige leger dat immers voortdurend opleidde. Bij de genie waren nog een aantal speciale onderofficiersrangen, die men het beste met vaklieden en - als men praat over Opzichters der Fortificatieën - met naoorlogse vakofficieren kan vergelijken.

Kaderopleiding (beroepsofficieren)

De Nederlandse landmacht (inclusief ML) had op 10 mei 1940 in totaal 1.547 beroepsofficieren en ca. 10.000 reserve-officieren. De marine (inclusief mariniers) had 533 beroepsofficieren en 253 reserve-officieren. Daarnaast waren er nog 1.214 beroepsofficieren en ca. 500 reserve officieren bij het KNIL, vrijwel allemaal in Nederlands-Indië gelegerd. De KNIL cijfers zouden nog wijzigen voordat men aldaar op 10 december 1941 in oorlog raakte.

Carrière-officieren (beroepsofficieren) bij de landmacht werden opgeleid aan de Koninklijke Militaire Academie (eventueel met een yweejarige vooropleiding bij de Cadettenschool). Zowel de KL als het KNIL maakten van deze academie gebruik om hun officieren op te leiden en te vormen. De marine had het Koninklijk Instituut voor de Marine (KIM) voor dezelfde doelstelling. De KMA officier kreeg geen eindrang garantie, maar zonder nadere vorming zouden de meeste KMA officieren de rang van majoor uiteindelijk bereiken.

Voor toelating aan de academies was het vooroorlogs vereist dat men de HBS (met latijn) of Gymnasium had gedaan en bovendien het buitengewoon zware toelatingsexamen had gehaald.

Tevens bestond er voor de infanterie en adminsitratie de Hoofdcursus in Kampen, later verplaatst naar Breda. Daar konden actieve onderofficieren of zelfs burgers gevormd worden tot specialistische officieren, die doorgaans nimmer de subalterne rangen zouden verlaten. In 1925 werd de Hoofdcursus afgeschaft en werden beroepsofficieren nog slechts op de KMA opgeleid.

Officieren die tot de Generale Staf toegelaten wensten te worden, dienden zich te kwalificeren voor het toelatingsexamen voor de Hogere Krijgsschool (HKS) in Den Haag. Als men werd toegelaten, diende men de opleidingskosten zelf te betalen. De meerjarige cursus doorliep men gewoonlijk in de rang van eerste luitenant of kapitein. Na succesvol afronden van de opleiding kreeg men de zilveren of de gouden zon uitgereikt. Alleen zij die de gouden zon ontvinden werden tot de Generale Staf toegelaten.

Generale Staf officieren kregen evenmin als KMA gegradueerden een eindrang gegarandeerd, maar GS officieren die de rang van luitenant-kolonel niet bereikten (zonder vroegtijdige dienstverlating) hadden iets verkeerd gedaan. De rangen van kolonel alsmede alle generale rangen konden uitsluitend worden bereikt met een HKS opleiding of daaraan gelijkgestelde ervaring.

De bevordering van beroepsofficieren verliep uiterst traag. De officier die na zijn kandidatuur als officier werd beëdigd werd tweede luitenant. Dat bleef hij doorgaans tenminste vier jaar, waarna hem meestal tien jaar in de rang van eerste luitenant wachtte. Er waren er weinig in het vredesleger die ruim voor hun 40e de rang van kapitein bereikten. Voordat men tot majoor kon worden bevorderd werd een uitgebreide cursus gevolgd die met goed gevolg diende te worden afgelegd, bij gebreke waarvan men kapitein bleef. De eindrang voor de meeste officieren van de Hoofdcursus. De hoofdofficierrangen doorliep men een stuk sneller, als men tenminste GS officier was, en was aangemerkt als potentieel opperofficier. De subalterne rangen behield men echter soms wel 25 jaar. Voor vele beroepsofficieren uiteindelijk aanleiding voor een carrière verandering.

Deze trage bevorderingen worden vaak ook alweer als typisch Nederlands omschreven in defaitistische historische boeken en naslagwerken. Niets is minder waar. In de andere legers was het precies eender. De Nederlandse officier werd bovendien lang niet slecht bezoldigd, zeker niet als men het vergelijkt met andere legers.

Er waren relatief veel beroepsofficieren met groot verlof (of volledig pensioen, zoals de OLZ zelf), die tijdens de mobilisatie werden geheractiveerd. Met name in de rangen kapitein tot en met luitenant-kolonel, maar ook een aantal generaals werd geheractiveerd. Deze officieren werden regelmatig bevorderd in een volgende rang, al dan niet tijdelijk. Zij werden echter als reservist aangeduid. Dit leidt veelal tot de valse suggestie dat Nederland schaars opgeleide reservisten in rangen als luitenant-kolonel of kolonel zou hebben ingezet. Dat was echter niet aan de orde. Het ging om geheractiveerde voormalige beroepsofficieren.

Kaderopleiding (reserve-officier)

Het Nederlandse leger had op 10 mei 1940 ongeveer 10.000 reserve-officieren. Zij waren vrijwel allemaal als dienstplichtige opgeleid aan een SRO (School voor Reserve Officier) of bij één der depotopleidingen waar reserve officieren werden gevormd. Een oude benaming voor deze reserve-officieren was ook wel verlofofficieren.

Dienstplichtige reserve officieren werden gevormd sinds de militiewet van 1901. Vanaf 1907 werden hiertoe specifieke SRO ingericht. Het KNIL begon pas in 1936 met de opleiding tot reserve-officier.

De marine liet een equivalent ontstaan in de vorm van de KNMR, later KMR (Koninklijke Marine Reserve), waaronder (ook) reserve-officieren bij de marine werden gesorteerd. Zij kregen dit dan als toevoeging bij de rang (in plaats van als prefix, zoals de landmacht). Marinereservisten - gewoon personeel en officieren - waren overigens vrijwel altijd al gevormd maritiem personeel. Zo zag men bij officieren-KMR doorgaans ervaren koopvaardijofficieren. De mariniers hadden ook een enkele reservist.

De Centrale Onderwijsinrichting (Haarlem) was bestuurlijk verantwoordelijk voor alle scholen en opleidingen der reserveofficieren en reserve onderofficieren.

Officieren van de infanterie, wielrijders, artillerie en cavalerie werden op SRO opgeleid. De technische dienstvakken hadden eigen opleidingen voor reserveofficieren binnen de eigen depots. De SROI (Infanterie) was in Kampen, de SROOA (Onbereden Artillerie) en SROBA (Bereden Artillerie) waren op meerdere locaties ingericht.

De opleiding tot reserveofficier duurde 10 1/2 maand, waarin ook stage werd gelopen bij het beoogde wapen en een eindexamen met goed gevolg diende te worden afgelegd. Nadien diende men anderhalve maand als vaandrig of kornet. Vervolgens ging de aspirant-officier met klein verlof en kwam binnen twee jaar tenminste eenmaal op herhaling waarna na twee jaar aspirant-officierschap de beëidiging tot tweede luitenant volgde.

Doorgaans werden reserve-officieren die geschikt werden bevonden tijdens herhalingsoefeningen bevorderd tot maximaal de rang van kapitein. De hogere reserverangen waren maar voor zeer weinige weggelegd. Desondanks waren veel reserveofficieren - curieus genoeg - eerder bevorderd dan hun collegae die carrière-officier waren. Een ongelijkheid die nogal eens tot wrevel leidde.

Er waren gedurende de mobilisatie relatief veel officieren voor speciale diensten (OSD) aangesteld. Dit waren doorgaans burgerspecialisten, die hun expertise ten dienste van de krijgsmacht konden stellen en gezien hun opleiding, kennis, burgerpositie en militaire functie een officiersrang kregen. Een OSD was echter te allen tijde functioneel mindere van een reguliere officier. OSD vervulden dus geen gevechtscommando's, waren daartoe meestal ook niet opgeleid.

Andere officieren met een beperkte functionele zeggenschap waren officieren voor de geestelijke en lichamelijke verzorging, medische, farmaceutische en veterinaire officieren (doorgaans artsen, apothekers en veeartsen). Deze functionele beperking van de rang in het Nederlandse leger kwam voort uit de beperkte of zelfs ontbrekende basisvorming voor deze vakofficieren. In het Duitse leger was die functionele beperking er niet en was iedere officier eerst militair en officier en dan pas vakspecialist. Men was in het Duitse leger dan ook zelden als officier zonder officiersopleiding gebleven.

Kantonnement

Een kanton of kantonnement is een organisatorische eenheid van bestuurlijke indeling. In militair jargon was het een titel voor een bepaalde stad- of regio waar een bepaalde militairbestuurlijke eenheid voor gold. Ook na de Tweede Wereldoorlog is dit begrip nog enige tijd door de krijgsmacht gebruikt.

Troepen die in een bepaald(e) stad of gebied lagen vielen meestal onder een militairbestuurlijke eenheid die als kantonnement werd geduid. De Duitse equivalent werd de bekende Ortskommandantur. Het ging hier duidelijk om bestuurstechnische zaken en geen tactische indeling, hoewel dit nadrukkelijk wel kon samenvallen en een tactische commandant c.q. bevelhebber qualitate qua als kantonnementscommandant kon fungeren.

De meeste depot- en garnizoensteden hadden een kantonnement en kantonnementscommandant. Doorgaans was de commandant van een garnizoen of depot tevens kantonnementscommandant, met al of niet een eigen kantonnementsbureau buiten het depot. Het kon zeer goed voor komen dat een hogere officier met zijn eenheid in een kanton verkeerde, maar bestuurlijk nog steeds onder de (functioneel meerdere) kantonnementscommandant viel.

Kantonnementscommandanten hadden een autonome verantwoordelijkheid voor hun kantonnement en vielen terzake in een vredestijd of Staat van Oorlog onder de inspecteur van hun dienstvak en tijdens de Staat van Beleg direct onder de Commandant Vesting-Holland of, als het kanton buiten de Vesting lag, onder de Commandant Veldleger. Kantonnementscommandanten bleven voor de autonome verdediging van hun kantonnement verantwoordelijk als hun kantonnement werd aangevallen. Indien veldcommandanten in de kantonnementen verkeerden of opereerden, dan hadden zij de verplichting zich aan te melden en hun handelingen tot op zekere hoogte met de kantonnementscommandant af te stemmen, tenzij de C-VH of CV een andere instructie aan de kantonnementscommandant had gegeven.

Korps Motordienst

Het Korps Motordienst ontstond door reorganisatie en herbenoeming in 1936. Het Korps had vooral tot taak om voetvolk en bijbehorende middelen te vervoeren. Deze taak bestond dus naast die van de AAT, die vooral de algemene logistiek tot taakstelling hadden. Het Korps was opgedeeld in compagneën Motordienst, Autotreinen en Autobataljons. De laatste twee waren uitsluitend te vinden in het Veldleger.

Een Autobataljon - waarvan er op 10 mei 1940 zes waren - bestond in de regel uit ca. 1.200 man met ca. 600 motorvoertuigen [bussen, vrachwagens, personenwagens en motoren]. Het geheel bestond uit een staf met vier auto compagnieën en een herstelcompagnie. De eerste twee compagnieën waren voor personenvervoer, de twee andere voor munitie en goederen. Binnen iedere compagnie was een sectie karabijnschutters met enkele lichte mitrailleurs voor de meest noodzakelijke zelfbescherming.

Bij het KMD waren naar verhouding veel vrijwillige militairen, landstormvrijwilligers en officieren voor speciale diensten (OSD) actief.

Legerkorps

De grootste legereenheid die het Nederlandse leger kent. Een legerkorps kende een legerkorpsstaf, legerkorpstroepen en twee infanteriedivisies. Nederland had op 10 mei 1940 vier legerkorpsen, die vrijwel identiek waren ingericht en ongeveer uit 25.000 man ieder bestonden.

Kort voor de mobilisatie refereerde men voor dezelfde eenheid nog naar een 'divisiegroep'. Het Nederlandse legerkorps was een standaardeenheid - in weerwil van legerkorpsen binnen andere krijgsmachten, waar ze ad hoc met meer dan één divisie waren gevuld.

Het Nederlandse leger werkte men eenheden van beperkte omvang. Zoals onder de omschrijving van 'divisie' al besproken, waren de Nederlandse divisies bescheiden van omvang met maximaal 10.000 man. Dit betekende dat de Nederlandse legerkorpsen dus ook bescheiden van omvang waren.

Een legerkorps werd gecommandeerd door een generaal-majoor.

LVA - Luchtvaartafdeling

Dat wat we vandaag het zelfstandige krijgsmachtonderdeel "Luchtmacht" noemen, was vooroorlogs bekend als de Luchtvaart Afdeling [Luchtvaartafdeeling], kort voor de oorlog nog eens omgedoopt tot (Wapen der) Militaire Luchtvaart (ML). De eerdere wat merkwaardige naam - met het achtervoegsel "Afdeling" - was een direct gevolg van het feit dat de militaire luchtvaart integraal onderdeel vormden van de landmacht. Het feit dat men de militaire luchtvaart tot de landmacht onderdelen rekende had sterk te maken met de oorsprong van het wapen: WOI. Tijdens de Eerste Wereldoorlog was de luchtmacht vooral een werkpaard van de landmacht geweest, zeker in de eerste jaren toen verkenning en artilleriewaarneming de meest voorname taken waren.

De LVA werd bij Koninklijk Besluit opgericht in 1913 op het vliegveld Soesterberg. De eerste eigen toestellen waren Franse Farman toestellen, deels in licentie gebouwd. Spoedig werden geinterneerde vliegtuigen van de belligerenten geadopteerd, zodat een allegaartje aan toestellen dienst deed in de wiegenjaren van de LVA.

In november 1933 werd [toen] luitenant-kolonel P.W. Best - officier bij de Generale Staf - commandant LVA. Als commandant drong Best meerdere malen aan op versterking van de LVA, dat als wapen vrijwel volkomen waardeloos was op dat moment. De LVA was lange tijd volkomen Fokker georiënteerd. De ruggengraat van de LVA werd gevormd door Fokker C.I, C.IV en C.V toestellen. Jachtvliegtuigen waren vrijwel afwezig. De meest voorname was de D.XVI jager waarvan er 16 waren, aangevuld met 9 D.XVII's. Enkele oude D.XVII's waren ook nog in dienst. Halverwege de jaren dertig kwamen daarbij enkele Fokker C.X en Koolhoven FK.51, die bij de gratie Gods aangeschaft hadden mogen worden.

In 1936 werd ter modernisering en uitbreiding van het jagerwapen de Fokker D.XXI jager aangeschaft, het eerste eendekker toestel in de LVA. Als bombardeertoestellen fungeerden op dat moment slechts de lichte C.V en C.X, alsmede de F.VII civiele toestellen van de KLM die in geval van oorlog zouden worden gebruikt als nachtbommenwerpers. Die opzet van gebruikmaking van KLM toestellen zou tot ver in 1938 blijven bestaan.

Het jaar 1936 was een belangrijk jaar voor de LVA. De legertop stelde een masterplan op dat bekend zou worden als het vierjarenplan. Dit plan werd vooral voorbereid en uitgewerkt door de Inspecteur der Militaire Luchtvaart, generaal Raaijmakers. Hij stelde [spoedig na de opdracht te komen tot een vierjarenplan] een programma op dat beslist van inzicht getuigde in de vormgeving van een moderne luchtmacht. Hij stelde een LVA voor met drie luchtvaartregimenten. Het eerste voor de luchtverdediging, het tweede voor ondersteuning van het Veldleger en het derde als depot- en opleidingsregiment. De regimentenstructuur was duidelijk een landmachtanalogie. Men was in internationaal jargon nog totaal vreemd.

Het eerste regiment was een strategische eenheid. Naast de benodigde jagers voor de verdediging van het luchtruim, waren strategische verkenners en bommenwerpers ingedeeld. Iedere Afdeling [= squadron] bestond uit 18 toestellen. Dat getal was samengesteld uit de gedachte dat 9 toestellen telkens vlieggereed zouden zijn met piloot en de andere 9 als reserve zouden fungeren. In vredestijd zou men telkens met slechts 9 toestellen vliegen, maar in oorlogstijd zou het geheel actief worden. In het plan van Raaijmakers zou het eerste regiment gevormd worden door 36 verkenners (=2 afdelingen), 54 bommenwerpers (=3 afdelingen) en 72 jagers (=4 afdelingen) worden. Telkens dus veelvouden van 18 toestellen.

Het tweede regiment was een samenstelling uit verkenningseenheden en jachteenheden. Dit zou bestaan uit 72 strategische verkenners, 48 nabij verkenners en 72 jachttoestellen. Dit zou rechtstreeks voor het Veldleger worden gebruikt. Hierbij dus de opmerkelijke 48 stuks in plaats van 54 bij de tactische verkenners.

Het derde regiment zou zorgen voor de opleiding en vaardigheden van de vliegers. In totaal zouden hier 48 toestellen worden ingedeeld voor de elementaire, voortgezette en gevorderde opleiding, inclusief acrobatievliegtuigen. Daarnaast waren grondscholen en depotkazernes onderdeel hiervan.

Om al deze vliegtuigen te herbergen wilde Raaijmakers tenminste vijf vliegkampen [hoofdvliegvelden] kunnen gebruiken. Daarbij nog enkele vliegvelden en hulpvliegvelden. De oorlogsvliegvelden moesten allen binnen Vesting Holland vallen.

In april 1937 werd Best bevorderd tot generaal-majoor en aangesteld als commandant 4e Divisie van het Veldleger. Vermoedelijk was zijn constante smeekgebed voor uitbouwing van de LVA tot een volwaardig en modern wapen reden voor zijn overplaatsing. Hij werd vervangen door luitenant-kolonel Van Heijst als C-LVA. Voor Best vertrok waren de D.XXI en T.V reeds besteld, hoewel de laatste toen nog in een rol van jachtkruiser en niet als bommenwerper. De G.1 kwam pas echt in studie nadat Best al was vertrokken naar het Veldleger.

In 1938 bleek dat voor uitvoering van het ambitieuze plan van Raaijmakers te weinig geld was. Er moest in worden gesneden. Twee van de drie bommenwerper-afdelingen werden geschrapt. De Minister [van Dijk] zag dit als een verantwoorde interventie, omdat de KLM toestellen als reserve konden blijven functioneren. Daarnaast waren naast de in 1938 reeds bestelde D.XXI, G.1 en T.V nog lang niet alle toestellen besteld. Men was nog volop bezig de markt te verkennen. Hierbij werden vooral Britse, Duitse en Amerikaanse producten beschouwd. Om uiteenlopende redenen kwam men nauwelijks tot besluiten, en daar waar men het wel kwam was het vaak te laat. De daadkracht van Minister Dijxhoorn - die in augustus 1939 aantrad - was net te laat gekomen. Uiteindelijk werden slechts 18 Dornier strategische verkenners (Do-215), 24 Curtiss CW-21B Interceptors jagers en 18 Douglas 8A-3N verkenners in het buitenland aangeschaft. Alleen de laatste toestellen arriveerden; de Dorniers werden in Duitsland geconfisqueerd en de Curtiss jagers kwamen uiteindelijk in Nederlands Indië terecht, waar ze overigens uitstekend tot hun recht zouden komen.

In november 1938 werd op instigatie van Minister van Dijk het Commando Luchtverdediging opgericht, weliswaar nog steeds onder bevel van het leger. In dit commando werden ook de genie- en artillerieonderdelen [zoeklichten, luchtafweer, vrijwillige landstormkorps luchtwachtdienst] verenigd, samen met de luchtvaarafdeling. Als commandant werd door de Minister generaal-majoor P.W. Best aangesteld, die zodoende terugkwam uit "het veld". Pikant detail was dat de C-Lvd alleen zeggenschap had over het eerste luchtvaartregiment; het tweede viel onder het Veldleger. Het derde regiment viel onder de Inspecteur der Militaire Luchtvaart.

De Commandant Luchtverdediging [C-Lvd] werd rechtstreeks onder de Opperbevelhebber van Land- en Zeemacht [OLZ] gesteld na de mobilisatie. Hij had als C-Lvd zowel de zeggenschap over zijn eigen onderdeel als [in de functie van Hoofd der Afdeling Luchtverdediging, Generale Staf] over de vliegvelden en overige faciliteiten van de luchtverdedigingsonderdelen. De luchtverdedigingskring Utrecht/Soesterberg viel weer rechtstreeks onder het commando Veldleger, omdat in deze kring veel 'eigen' luchtafweermiddelen van het Veldleger waren ingedeeld en de middelen die men 'leende' van de C-Lvd uitsluitend ter ondersteuning van het veldleger waren opgesteld.

De LVA had op 10 mei 1940 de beschikking over circa 140 gevechtsgerede toestellen, alleen behoudens de Douglas waren Fokker toestellen. Alleen de types T.V, D.XVII, D.XXI, C.V, C.X, G.1 [Mercury en Wasp] en Douglas 8A werden op 10 mei 1940 operationeel waardig geacht en ingezet. De Koolhoven FK.51 - deels bij de actieve eenheden ingedeeld als artilleriewaarnemingstoestel - werd ongeschikt geacht. Van de circa 140 toestellen ging ongeveer de helft tijdens de strijd verloren en werd een onbekend aantal geheel of gedeeltelijk vernietigd door het personeel bij de capitulatie.

In weerwil van veel populaire geschriften en media is slechts een zeer beperkt deel van de moderne middelen op de eerste oorlogsdag verloren gegaan op de grond. Wel werd een zwaar verlies geleden tijdens de eerste inzet. De afdelingen die op Waalhaven en Ypenburg gestationeerd waren gingen beide vrijwel geheel verloren. Ten dele door vijandelijk toedoen, ten dele ook doordat zij geen geschikte landingsplaats (in eigen handen) meer wisten te bereiken. Zij wisten ongeveer evenveel vijanden mee naar beneden te nemen. De noordelijker gelegen eenheden, op Schiphol en bij Den Helder, wisten de verliezen sterk te beperken en zelf veel tegenstanders onschadelijk te maken. Van het in eerste instantie verraste JaVA op Bergen bleven slechts vijf G-1's uiteindelijk als onherstelbaar te boek staan en werden anderen ingezet of hersteld. In de loop van de meidagen gingen nog meer toestellen verloren. Ten dele door vijandelijke beschieting in de lucht of op de grond, maar ook door mechanische oorzaken. De Nederlandse gevechtstoestellen zouden erin slagen ongeveer 35 Duitse toestellen bewezen neer te schieten.

Luitenant-generaal Petrus Wilhelmus Best [1881-1960] werd krijgsgevangen gemaakt en kwam onder huisarrest tot dat hij na de arrestatie van generaal Winkelman officieel in krijgsgevangenschap werd afgevoerd. Wegens suikerziekte werd hij als 60-jarige in 1941 uit krijgsgevangenschap ontslagen en mocht naar Den Haag [waar hij woonde] terugkeren. Hij werd met goedkeuring van de bezetter eervol ontslagen dat jaar en mocht de oorlog verder thuis uitzitten.

Officier voor Speciale Diensten

Zie onder 'Kaderopleiding reserve-officier'.

OLZ (Opperbevelhebber der Land- en Zeestrijdkrachten).

De functie van OLZ - welke per Rijksdeel werd ingevuld - was uitsluitend in geval van mobilisatie aan de orde en werd door de Regering geactiveerd. De OLZ was zowel functioneel als feitelijk de hoogste militair binnen zijn gezagsgebied. Hij had als enige de rang van generaal en het rangteken van de luitenant-generaal (vier zilveren sterren plus gouden bies) plus de maarschalkstaven ten teken van zijn opperbevelhebberschap.

De OLZ werd aangeduid als de 'opperbevelhebber der strijdkrachten', maar was dit slechts in het desverklaarde Rijksdeel. In geval van de generaal I.H. Reijnders, die in augustus 1939 tot de OLZ in Nederland werd benoemd, betrof zijn jurisdictie dat van het Nederlands grondgebied en de marine eenheden in continentale wateren. De OLZ had dus geen enkele zeggenschap over het KNIL of de troepen in westelijke Rijksdelen, noch over eenheden die onder de marinestaf vielen die zich buiten de Nederlandse continentale wateren bevonden. Voor Reijnders zijn opvolger H.G. Winkelman gold dezelfde beperking.

De OLZ werd, bij verklaring van de Staten van Oorlog en Beleg, nader gemandateerd. In het uiterste geval vertegenwoordigde hij het volledige militaire en bestuurlijke gezag over zijn gezagsgebied, zoals gebeurde na het vertrek van de Regering op 13 mei 1940.

De OLZ zetelde aan de Lange Voorhout in Den Haag en had daar een eigen kleine staf. Naast zijn kantoor en bureaustaf bevond zich het hoofdkwartier van de Generale Staf - het Algemeen Hoofdkwartier (AHK) - waar de landmachtstaf en vertegenwoordigers van de marinestaf verkeerden. Deze laatste staf werd geleid door de chef-staf landmacht, welke functie onder de OLZ Reijnders werd vervuld door de generaal Castens en onder de generaal Winkelman door de generaal H.F.M. van Voorst tot Voorst. De landmachtstaf werd door de chef-staf geleid.

Als er geen OLZ aanstelling was doordat het Rijk in vrede verkeerde, dan was de hoogste militaire functie de chef van de Generale Staf. Deze had de rang van luitenant-generaal.

Peloton

Zie 'sectie'.

Binnen de krijgsmacht van voor de oorlog werd het begrip peloton slechts bij de cavalerie gebruikt. Bij de rest van de krijgsmacht gold het begrip 'sectie' als equivalent voor de een-na-kleinste eenheid in het leger.

Pionier

De pionier, pontonnier en torpedist behoorden tot technische specialisaties binnen het dienstvak der genie. De pionier was een (droge) bouwkundige, ofwel een genist die zich bezig hield met (militaire)infrastructuur, stellingbouw, mijnenvelden en overige ernstvuurwerken.

De 'natte' tegenhanger van de pionier binnen de genie was voor wat betreft het bouwen van militaire infrastructuur de pontonnier en ten aanzien van ernstvuurwerken de torpedist. De pontonnier was de bruggenbouwer c.q. legger, de torpedist hield zich bezig met maritieme mijnversperringen en maritieme patrouilletaken.

Politietroepen

Het Korps Politietroepen was een speciale militair-politionele eenheid geheel bestaan uit vrijwilligers. Het was opgericht naar aanleiding van de socialistische opstand in 1919. Het gros van het (beroeps) Korps werd geronseld uit Marechaussee kringen, vlak na de 1914-1918 mobilisatie. Door de rellen eind 1918 naar aanleiding van de Troelstra oproep tot opstand, werd het leger pas ruim na WOI gedemobiliseerd. De oprichting van het Korps Politietroepen profiteerde van de demobilisatie van onder andere Marechaussee onderdelen en nam deze getrainde militaire politiemensen graag over.

Hoewel het Korps meer militaire taken had dan de Marechaussee, was het gedurende het interbellum toch lange tijd met een vooral politionele taak belast. Detachementen waren bij de grote onderdelen te vinden, en bij hoofdkwartieren en staven. Ook verrichtten de Politietroepen grensbeveiligingstaken. Vanaf 1935 werden de Politietroepen belast met de belangrijke taken de strategische beveiliging vorm te geven. Omdat de eenheid uit beroepsmilitairen bestond, konden zij uitstekend worden gebruikt de strategische rivierovergangen en rivierkazematten te bemannen.

De strategische beveiligingstaken werden de meest bekende activiteit van het Korps. De mannen bewaakten niet alleen de overgangen, maar bedienden ook de stukken van 5 cm in de rivierkazematten alsmede (soms) de zware mitrailleurs.

Het Korps Politietroepen had een naam van "ferme jongens, stoere knapen." Ze kregen een etikette van vrij rauwe doordouwers die niet altijd even tactisch met collega militairen omgingen. Het waren dan ook beroepsmilitairen in een omgeving van veelal minder gemotiveerde reservisten of dienstplichtigen. Zij vervulden hun taken in mei 1940 met de meest grote zorg en toewijding en oogsten veel lof.

Tijdens de mobilisatie is ter versterking van de Politietroepen alsnog een beperkt aantal dienstplichtigen toegevoegd aan het korps. Hun aantal bleef echter beperkt, maar het 'geheel beroeps' etiket verdween daarmee.

Na de oorlog - of eigenlijk al tijdens de oorlog - werd het Korps opgeheven. De taken die het had gedragen werden verdeeld over het reguliere leger en de Marechaussee.

Pontonnier

Zie onder 'Pionier'.

Rangen

De landmacht van 1940 kende een beperkt aantal rangen en bovendien een aantal bijzonder functionele rangen. Hoewel de soldaat ook wel als zogenaamde 'nulrang' wordt aangeduid, was in feite de eerste rang die van sergeant en behoorden de soldaat en korporaal tot de standen. Een en ander zag er als volgt uit:

Minderen

  • Soldaat (huzaar/kanonnier) [geen rangteken; ook als 'gewoon dienstplichtige 'gd' aangeduid]
  • Soldaat (etc.) der eerste klasse [opleidingsstand, rode chevron op mouw]
  • Korporaal [brede gele of zilverwitte chevron op mouw]

Onderofficieren

  • Sergeant (of wachtmeester), [slanke lange gele of zilverwitte chevron]
  • Sergeant (etc.) fourier, [slanke lange gele of zilverwitte chevron op onder en bovenmouw]
  • Sergeant (etc.) der eerste klasse, [slanke lange gele of zilverwitte chevron met lus]
  • Sergeant-majoor (of opperwachtmeester) instructeur SMI, [dubbele sergeantchevron]
  • Adjudant onder-officier instructeur AOOI, [gouden of zilveren knop]
  • Vaandrig (of kornet), [gouden of zilveren knop]

Bijzondere genierangen

  • Opperschipper (SMI gelijkgesteld, torpedistenrang)
  • Opzichter van fortificatiën der derde klasse (SMI gelijkgesteld)
  • Opzichter van fortificatiën der tweede klasse (AOOI gelijkgesteld)
  • Opzichter van fortificatiën der eerste klasse (qua wedde aan tweede luitenant gelijkgesteld)
  • Hoofdopzichter van fortificatiën (qua wedde aan eerste luitenant gelijkgesteld)

Subalterne officieren

  • Tweede luitenant, [één ster]
  • Eerste luitenant, [twee sterren]
  • Kapitein (of Ritmeester), [drie sterren]

Hoofdofficieren

  • Majoor, [balk plus één ster]
  • Luitenant-kolonel (of overste), [balk plus twee sterren]
  • Kolonel, [balk plus drie sterren]

Opperofficieren (of generale officieren)

  • Generaal-majoor, [twee zilveren en twee gouden sterren; twee sterren op de ondermouw]
  • Luitenant-generaal [vier zilveren sterren; drie sterren op de ondermouw]
  • Generaal [vier zilveren sterren met gekruiste maarschalk staven; vier sterren op de ondermouw]

Rangoudste

De rangoudste was degene die onder gelijken in rang de meeste dienstjaren had.

Naast de verticale hiërarchische rangorde was de horizontale hiërarchie zodanig dat degene met dezelfde rang met de meeste dienstjaren als de 'oudste in rang' werd gezien en dus eerste bevelsopvolging had. Tevens gold dat een OSD of vak(onder)officier te allen tijde functioneel mindere was van zijn rangsgelijke in een gevechtsfunctie.

Regiment

Regiment was de aanduiding voor de grootste eenheid binnen het vestingleger en een grotere eenheid binnen het veldleger.

Een regiment kende een vrijwel gelijke organisatie binnen het vestingleger als het veldleger. Desondanks was er enig onderscheid in bewapening, uitrusting en mankracht. Een regiment infanterie in het veldleger had bijvoorbeeld 12 zware mitrailleurs per mitrailleur compagnie en 12 lichte mitrailleurs per tirailleur companie. Bij het vestingleger was dit in beide gevallen vaak beperkt tot 8 stuks. Verschillen waren er ook in uitrusting. Zo was het vestingleger vooral toegelegd op verplaatsing per benenwagen, terwijl het veldleger paarden, karren, motorvoertuigen of fietsen had. Het aantal manschappen verschilde niet zoveel. In principe had een veldlegerregiment circa 2.500 man tegen 2.250 man voor het vestingleger.

Een regiment infanterie was in de regel opgebouwd uit een staf, met drie bataljons infanterie [inclusief ondersteuning], een compagnie PAG, een compagnie infanteriegeschut, een compagnie mortieren en een compagnie zware mitrailleurs.

Een regiment artillerie was opgebouwd uit een staf, een munitietrein en drie afdelingen met ieder drie batterijen. De eerste acht regimenten - allen behorend tot de acht divisies - waren vrijwel identiek opgebouwd uit twee afdelingen 7-veld en een derde afdeling met of 12 cm of 15 cm houwitsers. Alle hogere regimenten kenden een pluriforme samenstelling.

Bij de huzaren [cavalerie] bestond een regiment organiek uit twee eskadrons te paard (8 li MG), vier eskadrons met rijwiel (12 li MG), een mitrailleureskadron [ME met 12 MG], een eskadron PAG met vier kanonnen en zes geweren tegen pantser, een sectie mortieren [2 stuks] en een peloton pantserwagens [3 paw en motorverkenningsgroep]. Op 10 mei ontbraken de geweren tegen pantser.

Een Regiment Huzaren Motorrijders was weer anders ingedeeld. Het had een staf met verbindingspeloton, drie motorhuzareneskadrons met elk 9 lichte mitrailleurs, een ME met 12 zware mitrailleurs, een eskadron PAG met vier kanonnen en zes geweren tegen pantser en een sectie mortieren (twee mortieren van 8,1 cm). Op 10 mei waren de RHM zonder 3e eskadron en zonder geweren tegen pantser. De opbouw was nog gaande.

Een regiment werd gecommandeerd door een luitenant-kolonel [overste].

Sectie

In de krijgsmacht van voor de oorlog was de benaming voor de een-na-kleinste eenheid van de landmacht 'sectie'. Uitsluitend bij de cavalerie was het begrip 'peloton' al in gebruik.

Een compagnie werd gevormd door drie of vier secties. Een sectie bestond uit drie of vier groepen van 8-12 man. Het verschilde per dienstvak hoe groot een sectie was. Bij de reguliere infanterie was dit 36-44 man, maar kon bij de hogere regimenten gerust terugvallen tot minder dan 30 man. Bij de genie zag men wel secties van 60-70 man.

Een reguliere infanteriesectie bestond uit drie (soms vier) groepen van ca. 10-12 man. Bij de lagere regimenten waren dit allen lichte mitrailleurgroepen, bij de hogere regimenten was in een sectie een tweetal groepen mitrailleurgroep, de derde geweergroep. Bij een MC bestond een sectie bij het veldleger doorgaans uit drie zware mitrailleurs. Een sectie mortieren, 6-veld of PAG bestond uit twee vuurmonden terwijl een sectie bij de artillerie uit één of twee vuurmonden kon bestaan.

Een sectiecommandant was doorgaans een aspirant-officier, tweede of eerste luitenant, maar kon ook een onderofficier zijn, in iedere mogelijke onderofficiersrang.

Territoriaal Commando

In de gebieden die volgens de Nederlandse defensiestrategie buiten de hoofdweerstand vielen werden regionale centrale commando's ingericht, die onder een territoriaal bevelhebber vielen. Zo waren er territoriale sectoren Friesland, Overijssel, Zuid-Limburg, Noord-Brabant en Zeeland. Deze territoriale commando's werden door een luitenant-kolonel of kolonel aangevoerd, met uitzondering van Zeeland dat omwille van zijn maritieme waarde door een Schout-bij-Nacht (generaal-majoor gelijkgestelde) werd geleid.

De TC's Overijssel en Noord-Brabant vielen onder de CV; de TC's Friesland, Zuid-Limburg en Zeeland vielen rechtstreeks onder de OLZ.

Torpedist

Zie onder 'Pionier'.

Trein(afdelingen)

Een tros of trein was de benaming voor een vervoers- en ondersteuningskolonne van een grotere eenheid.

De treinen van grotere eenheden kenden vooroorlogs reeds een groot wagenpark, zowel gemotoriseerd als bereden. Ze bestonden uit allerhande voertuigen, van fietsen en motoren tot bussen en vrachtwagens met opleggers. Aangezien het Nederlandse leger een beperkt eigen wagenpark had en daarom veel motorisatie uit vorderingen bemachtigde, was het gemiddelde wagenpark erg pluriform.

Bij grote gevechtsonderdelen hoorden ook grote munitietreinen. Deze vond men zowel lager als hoger in de organisatie.

Deze logistieke treinen dienen niet te worden verward met treinen op rails, hoewel er etymologisch wel een parallelle ontwikkeling van de naam ontstond. Het één was immers een locomotief met een serie wagons erachter, terwijl het ander een rij karren was die zich als een trein voortbewoog.

Vak

Het begrip 'vak' als ruimtelijk bedoelde aanduiding werd gebruikt voor een zekere als zodanig gedefinieerde sector in een doorgaans groter front. Het kon een beperkt of een groter gebied beslaan.

Op het Zuidfront was een groot aantal Vakken te herkennen, doorgaans van dien aard dat maximaal een bataljonssterkte ter plaatse aanwezig was, zodat de meeste vakken door majoors q.q. bataljonscommandanten werden bestierd.

Veldleger

Zie ook 'Vestingleger'.

De landmacht was vooroorlogs georganiseerd in een drietraps raket. Men had de parate eenheden (beroeps plus geboortejaren 1919/1920), de jonge reservisten (tot geboortejaar 1915) en de oudere reservisten (tot geboortejaar 1904).

De opzet was dat de laagste regimenten (Grenadiers en Jagers alsmede 1 t/m 24.RI) beschikten over parate troepen en jonge reservisten, aangevuld met enige oudere reservisten. De hogere regimenten (25 t/m 46) vormden de oorlogsregimenten, welke bestonden uit voornamelijk oudere reservisten. Deze opzet werd op hoofdlijnen gehandhaafd, maar zou door ad hoc interventies en detacheringen hier en daar gewijzigd worden. De eerste 26 regiment infanterie zouden dus uit overwegend jonge(re) troepen bestaan en de overige 20 regimenten uit overwegend oudere reservisten. De jonge regimenten behoorden tot het Veldleger, de oudere tot het Vestingleger.

De opzet was dat het Veldleger manoeuvreerde te velde - daarom ook jongere militairen nodig had - en de oudere eenheden de statische beveiliging van de Vesting-Holland en overige vestingen zouden bezetten. Het Veldleger zou echter, uiteindelijk, ook veel van de regimenten uit het Vestingleger inzetten. Dat had alles te maken met de te geringe omvang van de Nederlandse landmacht (ca. 240.000 man), welke was veroorzaakt door de geringe eerste oefening van maximaal 19.500 man per jaar in combinatie met een geringe duur van de reservistentermijn (tot 36e levensjaar voor minderen).

In weerwil van wat populaire geschriften en geschiedenisboeken beweren - 'Nederland stuurde huisvaders naar het front'- was het Nederlandse leger vergeleken met andere belligerenten juist relatief jong. In België, Frankrijk en Duitsland werden beduidend oudere reservisten opgeroepen. De Franse troepen van de B-type divisies die in Zeeland zouden worden ingezet, kenden talloze veertigers en luitenants van diep in hun veertiger jaren. De Duitser Dritte en Vierte Welle divisies die in Nederland vooral werden ingezet (naast parachutisten, Waffen SS en tanktroepen) kenden een gemiddelde leeftijd van 27 jaar. Die hoge leeftijd werd overigens ten dele veroorzaakt door de zeer hoge gemiddelde leeftijd in de ondersteunende onderdelen, want de gevechtstroepen hadden doorgaans een lagere gemiddelde leeftijd. De beeldvorming dat Nederland echter een relatief oud leger te velde sturen is vals en onjuist.

De Veldleger eenheden waren grotendeels georganiseerd in legerkorpsen, divisies en brigades alsmede zelfstandige taakgerichte verbanden en eenheden. Het Veldleger had een eigen hoofdkwartier in Zeist, dat werd geleid door de CV, de luitenant-generaal J.J.G. van Voorst tot Voorst. Zijn hoofdkwartier bestierde het gehele veldleger en daaronder ressorterende eenheden, waaronder tevens het tweede Regiment Luchtvaarttroepen, de zogenaamde Veldlegerluchtmacht. Deze zou overigens op 10 mei 1940 voor enige tijd door de OLZ worden geconfisqueerd.

Vesting-Holland

De Vesting-Holland was een creatie van de Generale Staf uit 1922, hoewel voordien in allerhande gedaanten al wel bekend geweest in militaire kringen, niet in de laatste plaats tijdens de Eerste Wereldoorlog. Toen was ook een eerste communicatie(ring)lijn in een deel van de Vesting aangelegd.

De Vesting-Holland omvatte het 'rijke en kloppende hart' van het land, dat zich eenvoudig laat definiëren als het geheel dat viel binnen de kustlijn (west), noord van Haringvliet en Hollandsch Diep (zuid), west van de Nieuwe Hollandse Waterlinie (zuid-oost en oost) en zuid van de Stelling van Amsterdam (noord). Al deze fronten hadden een eigen stafkwartier, geleid door hoofdofficieren, die weer aan de staf C-VH in Den Haag rapporteerden.

De Vesting-Holland was echter geen permanente noch een werkelijk bestaande vesting, want behoudens de oude werken van de kustverdediging, Nieuwe Hollandse Waterlinie en Stelling van Amsterdam, was er geen enkele voorbereiding voor defensie getroffen tot medio dertiger jaren. De stelling was vooral een concentratie en defensietheorie van de Generale Staf met een grotendeels fictieve eigen staf.

De gedachte achter de Vesting-Holland was een oude slotgracht theorie. Men zou de vijand op de buitenposten vertragen met het Veldleger, terwijl men met het Stellingleger de 'muren' van de vesting bemand en in staat van verdediging brengt. De restanten van het veldleger kunnen zich uiteindelijk op het bastion terug trekken, waarna men de bruggen 'ophaalt' en zich volledig op hardnekkige verdediging van de Vesting inricht. Een archaïsche theorie, maar met het kleine Nederlandse leger, dat zich niet aan een bondgenootschappelijke strijd wenste te verbinden maar ook geen directe capitulatie overwoog, een voor de hand liggende optie om een bescheiden weerstand te kunnen bieden.

De Vesting-Holland kreeg een nog zwaardere taak toen OLZ Winkelman er nog prominenter zijn hoofdstrategie van maakte om zo spoedig mogelijk het totale leger te concentreren binnen de Vesting en de Grebbelinie en enige vorm van verbonden strijd te verlaten voordat de oorlog was uitgebroken. Winkelman was al geen bondgenootschappelijk denker, maar toen hij vernam dat de Fransen 'zijn' Peel-Raamstelling niet wensten op te nemen in hun defensieplannen, ontkoppelde hij zijn strategie volledig van verbonden strijd en maakte zijn slotgrachtstrategie prominent uitgangspunt vanaf de eerste oorlogsdag. Hij ontruimde Noord-Brabant van zijn belangrijkste eenheden en zou zodoende de C-VH bijzonder veel verantwoordelijkheid toeschuiven door de defensie van het versnipperde Vesting-Holland defensief op te dragen aan generaal Van Andel. Deze beschikte niet alleen over een slecht geoutilleerde staf met nauwelijks generale staf officieren, maar had bovendien een staf die in omvang voor een basale leiding van eenheden al onvoldoende was, laat staan een pluriform ongeorganiseerd geheel van Vesting- en Veldlegereenheden coördineren en aansturen.

Vestingleger

Zie ook onder 'Veldleger'.

Het Vestingleger viel voor het grootste deel onder de C-VH, de geheractiveerde luitenant-generaal J. van Andel. Vrijwel alle vestingeenheden bevonden zich binnen de 'muren' van de Vesting-Holland. Belangrijkste uitzonderingen waren de Vesting Den Helder (w.o. vielen de Waddeneilanden, de Afsluitdijk en Wonsstelling) en het territoir Zeeland.

Veldverreschrijver

In de militaire organisatie was voor staven een aantal zogenaamde 'veldverreschrijvers' voorhanden. Dit waren géén telexen - zoals vaak abusievelijk gedacht en in publicaties gemeld - maar een apparaat dat in feite tussen telegraaf en telex in zat qua uitvoering, maar qua werking meer op de telefax (avant la lettre) leek, wegens het gebruik van klare taal.

De veldverreschrijver was een Duits ontwerp [Dr. R. Hell, 1929, daarom soms Hellmachine genoemd] en heette 'Feldfernschreiber'. Het werd heel snel door de Duitse Reichswehr in gebruik genomen, en kwam zodoende ook ter oren van Nederlandse defensie inkopers. De militaire versie van 1932 werd door het Nederlandse leger aangeschaft. Het werd voor het Veldleger bestemd.

De door een zender verzonden berichten kwamen door per veldtelefoonlijn en werden direct middels een raster op een dunne strook papier afgedrukt door het ontvang en printstation. Zodoende werd klaarschrift overgeseind in plaats van code. Het raster was voorzien van strepen en stippen die in enige samenhang tot klaar schrift kwamen. Iedere streep was van 14 stippen voorzien, zodat elke gewenste vorm kon worden getekend. Door telkens de samenstelling van streepjes en stippen te wijzigen naar gelang het gewenste teken en dit middels een wormvormige as om te zetten en tegen het papier te drukken, kwam een bepaald schrift wel of niet op het papier terecht. Zodoende kon ieder schrift worden verstuurd.

De snelheid van het systeem was aanzienlijk. Er kon met ruim 2 tekens per seconde worden verzonden [120 Baud]. De tonen werden met 900 Hz verzonden