Wapensystemen

In deze sectie worden verklarende teksten opgenomen voor militairtechnische termen, begrippen en jargon. 

Er wordt een beknopte uitleg gegeven bij de begrippen, die veel voorkomen in de teksten op de site en in andere publicaties over militaire geschiedenis in de 20e eeuw. Nadrukkelijk wordt erbij gemeld dat daar waar de tijdgeest een rol speelt bij de uitleg, de contemporaine uitleg is gebruikt. De uitleg zoals die voor het hedendaagse militaire apparaat geldt - of voor de oudere militaire historie zou hebben gegolden - kan daarvan afwijken.

Er wordt op basis van alfabetische volgorde gewerkt.

De pagina is door auteur dezes samengesteld en opgesteld aan de hand van allerhande bronmateriaal, zowel militairhistorisch als etymologisch.

Wapens en wapensystemen

Bajonet

Een op een geweer of karabijn te plaatsen blank, doorgaans tweezijdig geslepen steekwapen dat tevens, individueel, als dolk te gebruiken is. De Nederlandse Steyr/Hembrug geweren en karabijnen hadden een tamelijke lange en slanke bajonet.

De naam bajonet komt van de Franse plaats 'Bayonne', waar naar verluidt het fenomeen van een steekwapen op het geweer plaatsen roem vergaarde.

Geweer

Zie 'repeteergeweer'.

Geweer tegen pantser

Het Nederlandse leger had kort voor de Duitse inval besloten dat voor lichte eenheden en verkenningseenheden een handzaam doch potent pantserbrekend wapen beschikbaar moest komen in het segment onder het PAG. De keuze was uiteindelijk gevallen op het Zwitserse Solothurn geweer S18-1000, een doorontwikkeling van een Rheimetallwapen dat zijn oorsprong zelfs bij het Nederlandse HIH Siderius had liggen.

Het Nederlandse leger was al sinds 1923 (!) bezig geweest met de aanschaf van een pantserbrekend wapen, maar tot dat in 1937 de aankoop van de 4,7 cm Böhler PAG kanonnen tot stand kwam was er geen concrete aankoop gedaan. Toch lag daar reeds de basis voor de interesse in lichte pantserbrekende wapens. Pas in 1938 leidde het tot een daadwerkelijke interesse in enige wapensystemen. Uiteraard vond Nederland het noodzakelijk dat er specifieke zaken voor haar krijgsmacht dienden te wijzigen en zodoende kwam pas eind 1938 een eerste bescheiden bestelling tot uitvoering. Doel was uiteindelijk voor Nederland en het KNIL 600 geweren aan te schaffen.

Het ging om een 60 kg zwaar geweer tegen pantser, met een kaliber van 20 x 138 mm en solide munitie, met en zonder lichtspoor. Het doorslagvermogen van het wapen is onzeker, maar zal zeker tot 25 mm op kortere afstand hebben bedragen. Uit succesvol optreden met het wapen tegen lichte Duitse tanks en pantserwagens mag worden opgemaakt dat dit geen overdreven penetratie was.

Er waren enige tientallen geweren geleverd en beschikbaar in mei 1940, met zeer weinig munitie en te weinig onderstellen. De Duitsers hadden leveringen verhinderd. De geweren die voorhanden waren, waren beschikbaar bij de troepen in Zuid-Limburg, de Peeldivisie en enkele bij het cavaleriedepot in Den Haag. In Maastricht kwamen enige geweren tegen pantser (geweer tp) werkelijk tot inzet, met veel succes.

Houwitser

Een houwitser is een type geschut.

Houwitsers schoten altijd al met een gekromde baan, wat men (na toename van het bereik) indirecte richting is gaan noemen. In de regel geldt dat een houwitser nooit in vlakke baan schiet, en dat elevaties tussen de 30 en 50 graden normale werkelevaties zijn (grotere elevaties waren vaak mogelijk).

De houwitser werd vooral populair in WOI toen men ontdekte dat ingegraven vijand met vlakbaangeschut nauwelijks te deren was. Men bedacht dus dat de krommere baan beter kon voldoen aan de eis dat vuur in een loopgraaf gelegd moest kunnen worden.

De houwitser had in de regel een korte(re) loop en was tijdens WOII een wapen dat voor kortere en middellange afstand geschikt was. De verhouding kaliber/looplengte lag meestal in of om de verhouding 1/1 [ofwel bijv. 10 cm looplengte 10], terwijl voor kanonnen (vlakbaangeschut) de verhouding 1/3 - 1/5 gewoon was.

De houwitser schiet met gescheiden lading. Ofwel eerst wordt de patroon ingevoerd, dan een of meer zakken met drijfstof [kardoes / kruitzak]. Deze meestal katoenen ladingen bepalen het maximale bereik van de patroon. Voor de verste bereiken werden vaak twee of drie kruitzakken geladen achter de patroon. Tijdens WOII gebruikte men hulphulzen voor het inbrengen van de drijflading.

De houwitser had als eigenschap dat de breedtespreiding van een schot sterk toenam met de lengte [diepte] vanhet schot. De lengtespreiding was aanzienlijk minder dan de breedtespreiding.

Karabijn

Een karabijn is een handzaam geweer, doorgaans een verkort bestaand geweer. De kortere loop betekent een verminderde accuratesse op de langere afstand. Het werd echter voor veel ondersteuningseenheden als een praktisch wapen gezien, omdat de kortere loop het handiger maakte bij veel gemanoeuvreer met middelen of voertuigverplaatsing. Na de Tweede Wereldoorlog zouden geweer en karabijn samensmelten tot één wapen en zou het standaardwapen van de infanterie een karabijnachtig wapen worden met lange(re) geweren voor specialisten.

De Nederlandse karabijn c.q. karabijnen (er waren vier hoofdtypes) waren allen aanpassingen van het standaard Steyr/Hembrug geweer. Zie daarom voor beschrijving, die welke bij het 'repeteergeweer' is gegeven.

Klewang (Nederlandse militaire versie)

De Nederlande militaire klewang was een licht gekromde middellange slagwapen, dat de Nederlanders hadden afgekeken van de Indische culturen in de kolonie Nederlands-Indië. Het wapen zou in het KNIL zijn entree maken tijdens de meer dan 30-jarige strijd in Atjeh. Op de zwaar beboste Sumatra bleek de klewang al spoedig zijn werk te doen als wapen om zich een weg door de jungle te banen, voedsel onderweg te oogsten en vijanden te bestrijden. De robuuste klewangs maakten indruk.

Vanaf 1895 begint een gestandaardiseerde productie van een smeedstalen klewang (of gevechtssabel genaamd). Er komen enige varianten in gebruik en ze werden ook in het Nederlandse leger aan onderofficieren en officieren als blank wapen geleverd. In mei 1940 was nog steeds een aanzienlijk deel van de kaderleden met dit archaïsch aandoend blanke wapen uitgerust, zij het dat bepaalde eenheden een volwaardig sabel of stormdolk droegen in plaats van de klassieke klewang.

Landmijn

De landmijn was tijdens de Eerste Wereldoorlog als een zeer veel gebruikt en effectief versperringsmiddel ingezet. Hoewel men tijdens dat conflict ook aan actieve ondermijning van de tegenstander deed, zoals in de klassieke oorlogen in de late middeleeuwen ook al geschiedde, was de landmijn een handzaam versperringsmiddel dat spoedig zou leiden tot ingraven van miljoenen van deze verholen vernietingsmiddelen.

Doorgaans ging het om een springlading in een houder, welke voorzien was door een ontsteker die werd geïnitieerd door druk van een menselijk persoon of - later - een voertuig. De mijnen waren oorspronkelijk nog logge apparaten maar kwamen spoedig in steeds handzamere uitvoeringen.

Tijdens het interbellum zouden partijen allerhande landmijnen ontwikkelen, zoals ook antipersoneelsmijnen (met actie) en antitankmijnen. De antipersoneelsmijnen waren bedoeld maximale schade aan personeel toe te brengen door uit de grond te springen en te detoneren. De antitankmijnen werden bedoeld om voertuigen te vernielen of te immobiliseren. Ze waren voorzien van zwaardere lading en een trekker die slechts door >150 kg druk kon worden geïnitieerd, zodat menselijk gewicht ze niet zou doen exploderen.

Nederland had allerhande landmijnen in het arsenaal, van moderne mijnen, tot oudere sferische mijnen (werpergranaten) en ook omgebouwde oude artilleriegranaten met een gevoelige ontsteker. Grote mijnenvelden werden met name aangelegd in de Peel-Raamstelling en plaatselijk de overige hoofdstellingen. In de rivierstellingen zag men ze nauwelijks.

Lichte mitrailleur

De lichte mitrailleur is een doorontwikkeling van de zware mitrailleur. Oorspronkelijk was men in de 19e eeuw vanuit de systemen met roterende lopen tot het snelvuurwapen met een enkele loop gekomen, dat men (in het Frans) tot automitrailleuse doopte en leidde tot de zware water- of luchtgekoelde wapens die begin twintigste eeuw hun entree maakten in legereenheden en in de Eerste Wereldoorlog de open strijd te velde voor altijd zouden doen kantelen tot een bloedbad. Het was diezelfde oorlog die aanleiding gaf om een afgeleide wapen te maken dat eenvoudiger te verplaatsen en bedienen was en dus 'licht' kon worden genoemd. Het leidde zowel tot de lichte mitrailleur als de pistoolmitrailleur.

In eerste instantie was de toevoeging zwaar en licht aan het wapen zelf te verbinden, maar al spoedig werd dat verschil teruggebracht tot de affuit en zou het wapensysteem zelf niet meer verschillen. Typerende voorbeelden waren de Spandau M.08 (zwaar) en M.08/15 licht alsmede - nog treffender - de latere MG.34, die met een tweepoot als 'licht' en met een 'dreibein' als 'zwaar' werd aangeduid. Het onderscheid tussen beide was nu nog het affuit en de loopverstijving. Meer niet.

De Nederlandse lichte mitrailleur was de M.20 Lewis. Een Nederlandse variant van de Britse versie. Een op zichzelf prima wapen, dat alleen door de Nederlanders met een te groot magazijn was uitgerust, wat het wapen in beweging (niet in vaste opstelling) erg storingsgevoelig had gemaakt. De Engelsen zouden nog tot ruim na de Tweede Wereldoorlog van de Lewis gebruik maken. In Nederlandse geschriften over de oorlog wordt het wapen ongenuanceerd als 'te zwaar' of 'te traag vurend' getypeerd. Beide is onredelijk. Er waren nauwelijks lichtere mitrailleurs in omloop en de Geallieerden zouden de gehele oorlog blijven vechten met wapens van gelijke vuursnelheid als de Lewis. Men kon slechts vaststellen dat de Duitse mitrailleurs enorm hoge vuursnelheden haalden.

De Nederlandse Lewis was bij alle onderdelen van de landmacht behoudens de cavalerie voorzien van een loop voor (kogel)kaliber 6,5 mm en een trommelmagazijn waarin 97 kogels konden worden geladen. Bij de cavalerie was het kaliber van de mitrailleur naar 7,9 mm opgeboord. Ook de Militaire Luchtvaart maakte gebruik van de mitrailleur als bedienbaar boordwapen, eveneens in het zwaardere kaliber.

Mortier

De mortier was een eeuwenoud wapen, dat in feite vanaf het eerste gebruik van vuurmonden op het slagveld al in gebruik was. Oorspronkelijk als stellinggeschut en bedoeld om een hoop rottigheid over korte afstand in de stelling of in het fort van de tegenstander te schieten. De mortier schiet in extreem gekromde baan, waarbij de grootst denkbare hoek [tot 89°] in theorie mogelijk is, en de kleinste hoek vaak 60° is.

Pas tijdens WOI werd de mortier een zeer voornaam wapen. Het was bij uitstek geschikt voor het beschieten van de vijand in een loopgraaf of achter een versterking. De Duitsers waren het die het wapen tijdens WOI belangrijk maakten en het in alle mogelijke toepassingen gebruikten. Aan Geallieerde zijde was in eerste instantie geen interesse voor het wapen geweest, hoewel het al voor WOI door de Britse uitvinder Stokes aan het War Department was aangeboden.

Het patent Brandt & Stokes was een combinatie van twee ontwerpen. Enerzijds een gladde schietbuis met slagpin op een eenvoudige bodemplaat constructie, en anderzijds een gefinde granaat voor meer accuratesse. De combinatie van beide patenten werd de basis voor de moderne mortier. Vrijwel alle landen die een 5 cm of 8 cm mortier gebruikten in WOII hadden het ontwerp gebaseerd op de voornoemde patenten.

De mortier schoot met eenheidsmunitie, en leverde artilleristische waarde over korte afstand. De standaard 8 cm mortieren die alle legers gebruikten [naar patent van Brandt & Stokes] hadden een maximaal bereik van circa 2,5 km. Later werden zwaardere versie en betere munities ontworpen die verder schoten. Ook waren er lichtere versies in omloop [5 cm]. De mortier is in de regel een vrij onnauwkeurig wapen, met vooral een aanzienlijke breedtespreiding.

De mortier had als nadeel dat het door een hoge vuursnelheid loeiheet kon worden. Dan was het wapen niet te gebruiken. Een granaat zou door de hitte direct kunnen ontbranden of vastlopen. Men zag in de loop van de tijd wel mortieren met een geribbelde buitenbuis. Dit werd c.q. wordt gedaan om het oppervlak te vergroten, zodat sneller warmte kan worden afgevoerd.

Curieus genoeg wordt in media de door de mortier afgeschoten granaat wel eens als 'mortier' geduid. Dit is qua betekenis een onjuist begripgebruik, maar inmiddels zo in zwang dat men het haast niet meer fout kan rekenen. In oorsprong is het echter wel degelijk onjuist. De mortier is het wapen waarmee de granaat wordt afgeleverd. De afgeleverde granaat is dus geen mortier, maar granaat. Zoals de afgeleverde houwitsergranaat, geen houwitser heet, maar (artillerie)granaat of projectiel.

PAG

Nederlandse benaming (afkorting) voor Pantser Afweer Geschut, analoog aan het Duitse PAK (Panzer Abwehr Kanone).

Pantserwagen

Zie onder 'vechtwagen'.

Pistool

De Nederlandse krijgsmacht beschikte net als menig andere krijgsmachten over diverse types en kalibers pistolen. Ieder krijgsmachtonderdeel had eigen voorkeuren en met name de marine had het bont gemaakt met vele verschillende fabrikaten en kalibers.

De landmacht had eigenlijk maar twee type pistolen in gebruik, de M.25 no1 en de no.2. Beide waren Fabrique Nationale (FN, licentiehouder van Browning) producten. Het één was in kaliber 7,65 mm, het andere in kaliber 9 mm parabellum uitgevoerd. De laatste werd het meest geziene vuistvuurwapen binnen de landmacht.

Het waren beide halfautomatische wapens, die men dus na het doorladen (en zo lang er munitie in het magazijn voorhand was) kon blijven afvuren zonder opnieuw door te hoeven laden. Men kreeg doorgaans twee magazijnen bij het wapen.

Een veelgemaakte fout is een pistool als revolver duiden of een revolver als pistool. Beide zijn eigen wapensoorten en niet uitwisselbaar. Ze verenigingen zich slechts in de verzamelnaam 'vuistvuurwapens'.

Pistoolmitrailleur

Zie onder 'lichte mitrailleur'. Afgeleide van de lichte mitrailleur. Een eenmansmitrailleur, ofwel een 'submachinegun'. De Duitsers waren de eerste door tijdens de Eerste Wereldoorlog hun nieuwe fenomeen - de stoottroepen (Stosstruppe) - uit te rusten met handzame kleine mitrailleurs die zij als Machinenpistole (MP) duidden. Het betreffende wapen was de MP.18, die met de vuursnelheid van een zware mitrailleur pistoolmunitie van 9 mm verschoot. Een wapen dat bij uitstek voor de kortere afstand bij stoottroepen een gat in de bewapening vulde. Het wapen leverde de Entente zoveel vrees op, dat ze het bij het Traktaat van Versailles verboden.

Tijdens het interbellum zou de pistoolmitrailleur vooral in de Verenigde Staten nog tot veel commotie leiden, toen de wapenfabrikant Thompson zijn 'submachinegun' op de markt bracht. Prompt werd het wapen in het door misdaad geteisterde land massaal geadopteerd, zodat de Thompson MP, met name met het befaamde trommelmagazijn, alom bekendheid kreeg.

Toen de Tweede Wereldoorlog uitbrak was bij geen enkel leger de pistoolmitrailleur breed in de bewapening opgenomen. De Fransen begonnen net met experimenten met PM's en de Britten hadden het wapen in het geheel niet bij hun strijdkrachten. De Belgen hadden er een handvol, de Nederlanders geen (terwijl de KNIL ze wel had aangeschaft). De Duitsers hadden er nog erg weinig (MP-18, MP-28 en MP-38), in weerwil van de wilde historische berichten over het vermeende massale Duitse bezit van de MP's. In werkelijkheid hadden enkele stoottroepen en parachutisteneenheden een aanzienlijke hoeveelheid MP's voor hun onderofficieren, maar het reguliere leger kende de wapens nog nauwelijks.

In het Amerikaanse leger, dat pas vanaf 1942 aan de strijd zou deelnemen, was de Thompson ingevoerd. Gedurende de oorlog zouden de Britten met de Thompson en de eigen 'low budget' Stengun gaan werken, terwijl de Duitsers faam zouden maken met het Sturmgewehr StG-44. De Russische PPsh-41 (Papasha) was echter vermoedelijk de beste en meest gebruikte MP van de oorlog. Na de Tweede Wereldoorlog zouden de machinepistolen en (semi-automatische) geweren geleidelijk aan uitgroeien tot de standaardwapens in iedere krijgsmacht.

Repeteergeweer (c.q. grendelgeweer)

Een repeteergeweer is een geweer (of karabijn) waarbij na ieder schot een actieve, door de schutter zelf verrichte, herladingsactie noodzakelijk is alvorens opnieuw kan worden gevuurd. Het repeteren van steeds dezelfde actie leidt tot de naam 'repeteergeweer'. In het Engels wordt dit een 'bolt-action rifle' genoemd, vertaald als een 'grendelgeweer'.

Opnieuw in weerwil van populaire misvattingen was ieder leger in mei/juni 1940 met een repeteergeweer als standaardwapen uitgerust. Men leest in talloze historische geschriften of veteranenverslagen bittere aanklachten dat 'onze jongens met oude grendelgeweren naar het front werden gestuurd'. In werkelijkheid vochten alle legers met wapens uit hetzelfde era, allemaal zeer vergelijkbaar qua vorm, massa en gebruik. Slechts een zeer klein deel der wapens, zoals de MAS 36 bij enkele eerstelijns Franse eenheden, waren van werkelijk moderne snit. Vrijwel alle wapens, ook de Hollandse, werden na de eerste introductie op elementen gemoderniseerd. Dit ging echter vooral om wapenergonomie en nauwelijks of niet om mechanische aanpassingen.

De Duitse geweren waren de Mauser G98/K98, ofwel het GewehrKarabiner 1898. Een grendelgeweer met kaliber 7,9 mm met een vijfschots magazijn.

Het Nederlandse en Italiaanse geweer was de Mannlicher/Steyr 1895 (door de Hembrug in meerdere versies in licentie gefabriceerd). Een grendelgeweer met kaliber 6,5 mm met een vijfschots magazijn.

De Britten hadden hun Lee Enfield geweer, waarvan het basisontwerp uit 1895 stamde. Een 7,7 mm grendelgeweer met tienschots magazijn.

De Fransen hadden vooral de Lebel M1886 en de Berthier carabine M1892, beide repeteerwapens met kaliber 7,5 mm, stammend uit de jaartallen 1886 resp. 1892. De MAS-36, waarvan het ontwerp uit de jaren dertig van de 20e eeuw stamde, was een modern repeteergeweer, in feite een karabijn. Het werd pas vanaf 1937 geleidelijk aan in productie genomen en was slechts in enkele duizendtallen beschikbaar in 1940.

De kwaliteiten van deze grendelgeweren waren vergelijkbaar. Ze waren doorgaans allen zeer nauwkeurig, zeker als men dat met de hedendaagse standaardwapens van de infanterie vergelijkt, die door de zeer sterk ingekorte lopen, minder middellange en lange nauwkeurigheid kennen. De actie van de wapens was doorgaans vergelijkbaar, slechts de patroonhouders waren hier en daar groter. 

Significant onderscheid tussen de geweren was er slechts bij de gebruikte munitie. Niet to zeer in het kaliber op zich, maar met name de soort kogel. Het ging immers om energieoverdacht van kogel naar doel. De Nederlandse geweer (en lichte mitrailleur)  munitie was een zeer agressief aangedreven lange volmantelpatroon met bolle kogel, welke homogeen zijn doel trof en doorgaans verliet. Het had, zeker op kortere afstand, een relatief laag stoppend vermogen, was wel zeer accuraat. De Duitse munitie was effectiever, had veel meer stoppend vermogen, richtte meer schade in het doel aan. De Britse munitie was het meest effectie. De Britse .303 kogel was nog effectiever dan de Duitse kogel. Als Nederlandse militairen zich dus ergens over mochten 'beklagen' dan was het 't beperkte stoppende vermogen van de geweer- en lichte mitrailleurmunitie. Voor de zware mitrailleurs gebruikt het Nederlandse leger echter vergelijkbare 7,9 mm munitie als de Duitsers.

Revolver

De benaming revolver is uitsluitend bedoeld voor het vuistvuurwapen dat over een cylindrisch draaiend ('revolving') magazijn beschikt en geen enkel ander vuistvuurwapen. In populair taalgebruik wordt regelmatig en abusievelijk een revolver als pistool geduid en andersom.

In het Nederlandse leger was bij non-combattante eenheden, chauffeurs en zelfs sommige gevechtseenheden nog een zekere hoeveelheid revolvers van het type M.73NM aanwezig. Het werd ook wel aangeduid als de 'Bergansius', naar het systeem van Bergansius dat tot de uitvoering van deze legerrevolver had geleid.

Het oorspronkelijke wapen stamde uit 1873, maar was enigszins gemoderniseerd en daarom als Nieuw Model (NM) aangemerkt. Het was zwaar in gebruik en kaliber (kogel 9,4 mm), maar op korte afstand uiterst effectief.

Stormdolk

De invoering van de stormdolk in het Nederlandse leger gebeurde aan de hand van de berichtgeving van de loopgravenoorlog in België en Frankrijk tijdens de Eerste Wereldoorlog. Men constateerde dat er bij bestormingen veel man-tegen-man gevechten plaatsvonden. In de krappe loopgraven was dan behoefte aan een kort maar effectief stoot- en steekwapen. Het fenomeen stoottroepen, dat ook in 1917 in het Nederlandse leger werd geïntroduceerd, leidde mede tot de introductie van de stormdolk bij deze eenheden. De aanvankelijke bedoeling was om ca. 200 stormdolken per bataljon te distribueren, bedoeld voor stoottroepen.

De door de Artillerie Inrichtingen gefabriceerde stormdolk had een tweezijdig geslepen kling van maar liefst 21 cm met een houten greep. Hij werd officieel pas in 1918 ingevoerd, maar alweer in 1924 uit de bewapening afgevoerd, samen met het fenomeen stoottroepen. De 25.000 uiteindelijk gefabriceerde dolken gingen in de opslag.

In 1939 werd na de mobilisatie steen en been geklaagd over de archaïsche, onhandige klewangs. Zeker bij manoeuvre eenheden waren dit soort wapens onpraktisch en nutteloos. Besloten werd bepaalde eenheden weer met stormdolken uit te rusten en kaderleden in zekere functies de klewang te laten omruilen voor de veel praktischer stormdolk.

Strijdgassen (chemische wapens)

Tijdens de Eerste Wereldoorlog verscheen het meest tot de gruwelverbeelding sprekende strijdmiddel ten tonele, het strijdgas. Alle prominente belligerenten zouden strijdgassen inzetten, zij het, wegens toenemende beschermende maatregelen, met steeds minder direct effect voor de gezondheid van de strijders te velde. Het aantal slachtoffers door strijdgas was dan ook uiteindelijk veel minder groot dan de onuitwisbare indruk die het middel had gemaakt op strijders en bevelhebbers, alsmede media en burgers thuis.

Ook Nederland zou zich al tijdens de Eerste Wereldoorlog in de aanmaak en het gebruik van strijdgassen (men noemde het enige tijd 'stikgassen') verdiepen en daadwerkelijk beperkte hoeveelheden aanmaken. Een voor vele onbekend dossier in Nederland. Nederland zou de keuze maken voor de aanmaak van chloor en fosgeen voor artilleriegranaten (t.b.v. het 12 lang 24 en 15 lang 24 geschut) alsmede voor toepassing via veldtanks, waarvan er uiteindelijk bijna 7.000 zouden worden geproduceerd. Het einde van de Eerste Wereldoorlog voorkwam dat significante stappen gemaakt konden worden.

Na de vrede van Versailles nam de interesse voor de toepassing van strijdgassen snel af en zag men zich vooral voor kostbare uitdagingen gesteld als de duurzame opslag van de gassen en overige middelen. Nadat men daarvoor oplossingen vond, werden de boeken zo goed als gesloten. Dat herbergde het grote gevaar, dat in 1915-1918 al speelde, dat naast het ontbreken van strijdgasvoorraden (desnoods als afschrikking) met name de bescherming van de gewone soldaat onvoldoende geborgd was. De passieve defensie tegen toepassing door belligerenten van de middelen ontbrak dus ook grotendeels.

Gedurende het interbellum sluimerde onderzoek naar strijdgassen als één van de vele kleinschalige projecten binnen de strijdmacht. De formele Nederlandse opstelling was uitsluitend een passieve voorbereiding op strijdgassen. Men wenste zich als ratificerende natie van de Geneefse bepalingen over strijdgassen (1925-1930) niet te bezondigen aan de grootschalige aanmaak van de middelen. De passieve voorbereiding liep echter ook heel ver achter bij de eisen van de tijd. Voor een volledig gemobiliseerd leger waren bij lange na niet voldoende middelen en de voorhanden middelen waren bovendien grotendeels achterhaald door de tijd. Voor paarden had men al helemaal niets dat voldeed, zodat deze een gasstrijd niet zouden overleven.

In de jaren dertig werd het onderzoek naar omgang met en ook productie van strijdgassen weer een actueler vraagstuk, niet in de laatste plaats omdat het Veldleger alarm had geslagen over de enorme achterstand in kennis en middelen, ook voor de passieve strijd. Nederland zou bovendien in Nederlands-Indië proeven nemen én werkelijk enige voorraden gifgas aanmaken. Dit alles gebeurde kort voor en na het begin van de oorlog in Nederland.

Het Nederlandse veld- en vestingleger was in mei 1940 niet adequaat uitgerust tegen grootschalig gebruik van strijdgassen en datzelfde gold voor de burgerij. Er mag van geluk worden gesproken dat de belligerenten in de Europese theaters niet voor inzet van chemische strijdmiddelen kozen. De meeste grote partijen hadden wel aanzienlijke voorraden, het Verenigd Koninkrijk en de Verenigde Staten uiteindelijk zelfs enorme voorraden. Zaken die nauwelijks bekend zijn en die bovendien voortzetting zouden krijgen in de Koude Oorlog, wat uiteraard buiten bestek van deze website valt.

Het is echter een feit dat de Nederlandse krijgsmacht niet over gifgassen beschikte die ingezet konden worden op het slagveld en terzake ook geen 'means of delivery' hadden. Zelfs rookgranaten waren in de Nederlandse arsenalen niet voorhanden.

Vechtwagen (tank)

Het thans vrij universele begrip 'tank' voor een zwaar gevechtsvoertuig op rupswielen, kwam (net als een begrip als 'bunker') vooral na de Tweede Wereldoorlog in zwang. Voor de oorlog hadden landen allerhande eigen namen voor deze wapensystemen. In Frankrijk was (en is) het een 'Char' of 'Auto Mitrailleuse'. In Duitsland was het eenPanzerkampfwagen, en in het VK sprak men over een 'tank'. Nederland sprak, analoog aan het Duits, over een 'vechtwagen'.

Het Duitse 'Panzerspähwagen' (voor pantserwagens), wat letterlijk 'gepantserde verkenningswagen' betekende, werd niet overgenomen. Dat werd in Nederland kortweg als 'pantserwagen' geduid, welk begrip nu nog steeds wordt gebruikt voor licht gepantserde voertuigen. Overigens werd voor lichte gerupste pantservoertuigen, zoals de brencarrier, ook wel de Franse naam 'tankette' (lett. 'klein tankje') gebruikt. In eerste instantie,. toen het fenomeen 'pantserwagen' net bekendheid kreeg, had men nog wel allerhande eigen namen. De commissie die zich begin jaren dertig over moderne pantserwagens ging buigen heette nog 'Commissie Pantserautomobielen'.

Het onderscheid tussen een tank en een pantserwagen was niet even duidelijk als het naoorlogs zou worden. Zo noemden de Duitsers hun Panzerkampfwagen types I en II tanks, maar in feite hadden beide nauwelijks meer waarde en geen andere functie dan snelle lichte gepantserde voertuigen en hadden ze vrijwel geen slagkracht. Ook de Fransen en Britten hadden tanks die in feite puur als infanteriebestrijding of verkenningsinstrumenten werden ingezet. Men noemde dit wel infanterietanks, cruisertanks of verkenningstanks. Uiteindelijk zou de slagtank als enige het predikaat tank behouden. 

Tegenwoordig is het onderscheid scherp. Buiten MBT (main battle tanks, de 45 ton+ slagtank), en overlevende lichtere tanks van oudere generatie, dient eigenlijk geen enkel gepantserd gevechtsvoertuig (AFV) als tank te worden aangeduid. Het overige gepantserde segment gaat door als pantservoertuig. Dat kan een personeelsvoertuig zijn (APC), een aanzienlijk bewapend personeelsvoertuig (IFV) of gemechaniseerd geschut (SPG).

Vlammenwerper

De vlammenspuit of vlammenwerper was een wapen dat met gebruik van vloeibare brandstoftanks meegevoerd kon worden en door ontsteking middels een starter d.m.v. brandende vloeistof onder druk over een afstand van enige meters weg kon spuiten. Het werd als krijgsmiddel al sinds de eerste wereldoorlog in de veldlegers van landen ingezet.

Het Nederlandse leger had gedurende de periode 1914-1918 ook met vlammenspuiten geëxperimenteerd. In 1939/1940 was het middel echter niet in de bewapening opgenomen. De Duitse tegenstander had het wel in de gelederen. Duitse 'Sturmpioniere' hadden doorgaans drie van dergelijke vlammenspuiten beschikbaar in een infanterieregiment.