Bewapening en uitrusting

De Fransen kende een enorme verscheidenheid in onderdelen en wapens. Niet alleen werd per type divisie of brigade een aparte indeling gehanteerd, maar ook waren er onderling grote verschillen. Hoewel niet wordt gesteld dat een complete opsomming hieronder gegeven wordt, is gestreefd naar compleetheid van het overzicht ten aanzien van de standaard bewapening. Daarnaast worden de meest gebruikte wapensystemen geëtaleerd.

Voor de samenstelling van deze sectie is van vele bronnen gebruik gemaakt, maar het gepubliceerde werkstuk 'Armée de Terre Francaise 1940' van de heren Deporte, Houliez, Denis, Capdebosq en Adam was de meest voorname bron voor naslag. Deze heren verdienen respect voor hun zeer overzichtelijke index van de complexe en uitgebreide indeling, sterkte en samenstelling van het Franse leger anno 1939/1940.

Pantserwagens en tanks

De Fransen hadden de beschikking over een aantal types pantserwagens en tanks. De types die in het 7e Leger gebruikt werden worden beknopt bekeken.

Panhard AMD-178

De zware pantserwagen AMD-178 werd in de oorsprong door de fabriek Panhard ontworpen en gebouwd in 1930 en was uitgerust met een machinegeweer. De uiteindelijke AMD-178 was een ontwerp uit 1935 en kreeg een Hotchkiss 25 mm antitank kanon in een grote toren. Enkele exemplaren waren in 1940 zelfs met een 47 mm antitank kanon en een nog zwaardere toren uitgevoerd. Deze waren bij het 7e Leger niet in gebruik.

De Panhard was een uitstekende pantserwagen, met een bezetting van maar liefst vier personen. Hij was snel [70 km/uur], had een goed bereik op een volle tank [ca. 300 km], was goed gepantserd [13 to 20 mm in gelamineerd gehoekt pantser] en goed bewapend met een Hotchkiss antitank kanon van 25 mm en een Reibel mitrailleur van 7,5 mm. De wagen woog – vol getankt en met munitie beladen – 8,200 kg (8,2 ton).

Zevenbergschenhoek

Kritiek op de wagen was er ook. Het compartiment voor de bediening van de wapens was beperkt, omdat de vier man in de wagen letterlijk op elkaar gepropt werden. Niet bevorderlijk voor comfort, en aangezien de wagen bij veel snelle verkenningseenheden dienst deed en daardoor langdurig in actie was, was dit comfortbezwaar van belang. Het kanon was uitstekend geschikt voor infanterieondersteuning en het uitschakelen van auto’s, lichte pantserwagens en lichte tanks. Hoewel de naam van het boordkanon [canon d’anti-char] insinueert dat het een geschikt antitankwapen zou zijn, was dit niet het geval als het ter bestrijding werd aangewend van de Duitse middelzware tanks. De Hotchkiss anti-tank kanonnen van 25 mm waren voor de bestrijding van de Pz.I en II op kortere afstand nog wel geschikt, maar op meer dan zeer korte afstand was het tegen de Pz.III en Pz.IV machteloos. Overigens deed dat aan de rol van verkenningswagen niets af. Daarvoor was de AMD-178 een uitstekend product van zijn tijd.

De Panhard 178 TSF was een commandovoertuig uitgerust met een sterke radio verzend en ontvangst installatie en (meestal) geheel onbewapend. Er waren er een paar bij het 7e Leger in gebruik. Kenmerkend was de enorme antenne op het linkervoorscherm.  

De terreingang van de Panhard wagen was overigens zeer beperkt. De smalle wielen maakten het voor zwaardere terreingang een ongeschikt voortuig. Het was een voertuig dat bij uitstek geschikt was voor snelle verplaatsingen op wegen, daar waar voor verkenningen in het veld de lichte AMR tanks van de Franse cavalerie geschikter waren.

De Panhard doorstond de vergelijking met de Duitse pantserwagens overigens glansrijk. Hij was sneller, bewegelijker, beter gepantserd en beter bewapend.

Renault Chenillette

Het licht gepantserde werkpaard van het Franse leger was de 2,6 tons Chenillette van Renault uit 1931. Officieel heette het voertuig 'Chenillette de ravitaillement d'Infanterie Modele 1931 R'. Het begrip Chenillette betekent in feite 'gepanserd wagentje', zoals 'tankette' als begrip voor de Britse carriers in zwang raakte als verkleinwoord voor 'tank'. De Chenillete was dan ook een zeer op de Vickers Cardon-Lloyd gelijkend ontwerp van de Brits-Franse tacticus en tankontwerper Sir Giffard le Quesne Martel. In feite was het in grote lijnen eenvoudigweg afgekeken. Zowel uiterlijk als mechanisch waren de overeenkomsten verrassend groot. De tweekops bemanning lag als het ware in de zeer lage constructie [1,25 m hoog en 30 cm van de grond] en als de 'deksels' op het hoofd gingen waren beide in gescheiden compartementen opgesloten. Communicatie werd met lichtsignalen op een dashboard gedaan.  

De chenillettes konden gemakkelijk 30 km/u rijden als kruissnelheid op de weg, maar in ruig terrein liep dit spoedig terug tot onder 10 km/u. Desondanks had de motor zo'n hoog koppel dat grote weerstand of flinke elevaties in het terrein geen probleem waren. Het voertuig was in standaard uitvoering onbewapend, maar uiteindelijk werden sommige chenillettes met een lichte mitrailleur uitgerust op een vrij affuit.

Renault UE

De rol voor het voertuig was voornamelijk de verzorging van de logistiek voor de infanterie in frontgebieden. Allerhande aanhangwagens - sommigen ook voorzien van rupsbanden voor zware terreingang - waren ontworpen en in gebruik. Ook licht geschut of mortiersecties konden met deze voertuigen worden vervoerd.

Eind dertiger jaren wilden het Franse leger een verbeterd model, dat in 1937 werd aangevraagd bij de markt. Hoewel niet het favoriete model van het leger, won Renault de verbeterde versie van het Model 1931 en dit werd als type UE2 geleverd. Het waren vooral mechanische en praktische aanpassingen die de UE2 kenmerkten. Uiterlijk was er nauwelijks onderscheid.

Van de UE model 1931 werden er circa 3,750 gebouwd en afgeleverd, van de UE2 model 1937 ongeveer 1,100 afgeleverd. Er waren nog circa 500 wagens gereed voor aflevering of in afbouw toen de strijd begon op 10 mei 1940.

Laffly S20 TL en Lorraine 28

Voor de lichte cavalerie (Dragon Portés eenheden; in alle DLM's in de lichte tankbrigade ingedeeld) waren Laffly S20 TL voertuigen voorhanden. Dit waren zeswielige voertuigen (6 x 6), vergelijkbaar met de Nederlandse Trado, maar de Laffly bood een betere bescherming aan het vervoerde personeel. De voertuigen konden net als de Trado naar allerlei configuraties worden omgebouwd en de Laffly was bovendien op zes wielen aangedreven en kende tevens de onafhankelijke wielophanging op alle vier achterwielen.

De S-20 kwam voort uit een specifieke uitvraag aan de Franse industrie voor een Camion Tracteur légèr à roues, ofwel een sterke vrachtwagen voor vervoer van lichte eenheden over de weg. Laffly beantwoordde de aanvraag in 1935 met het ontwerp S-20TL (tracteur longue). Deze bijzonder vernuftige vrachtwagen kon een groep van tien man vervoeren (met volledige uitrusting) of willekeurig andere gevechstteams, zoals mortier- of antitank groepen. Ook werd de Laffly gebruikt om een antitank kanon (2,5 cm Hotchkiss) op te installeren.  

Van de Laffly S20 TL waren er in mei 1940 circa 600 in gebruik bij de drie DLM's, hoewel 1.DLM grotendeels nog op de Lorraine 28 was gestandaardiseerd.

1.DLM was dus nog vrijwel geheel met de oudere Lorraine 28 zeswielige voertuigen uitgerust. Uiterlijk leek deze nog meer op de Trado dan de Laffly. De Lorraine was van oudere datum, en een klassiek aangedreven vrachtwagen (4 x 6), zonder de ingenieuze wielophanging van de Laffly en daarmee beduidend minder effectief in het terrein. Qua vervoerscapaciteit waren de Laffly en Lorraine gelijk, hoewel de eerste meer opbergruimte voor uitrusting en wapens had dan de Lorraine.  

Citroen-Kègresse P.17 en Unic P.107 artillerie trekkers

In mei 1940 waren veel artillerietrekkers van het type Citroën-Kègresse P.17 in gebruik. Deze 1,5 tons werkpaarden werden vooral gebruikt om de standaard 7,5 cm veldgeschut vuurmonden te trekken. Omdat het voertuig daarbij uiteraard veel in het terrein opereerde, was het als halfrups uitgevoerd. Dat betekende dat slechts de stuurwielen in wielvorm waren uitgevoerd, maar de aandrijving op de rupsen op het achterwerk werd overgebracht. Het voertuig werd ook gebruikt om andere zaken te trekken, zoals munitiecaissons, luchtafweer en zoeklichten. Er waren er in mei '40 circa 1.500 van in gebruik, waarvan vele bij de eenheden van het 7e Leger.

De Unic P.107 was een moderne halfrups (ontwerp 1934), welke als artillerietrekker voor lichte en middelzware vuurmonden geschikt was. Het was de meest gebruikte halfrups in het Franse leger in mei en juni 1940. Er waren er 3.000 beschikbaar toen de Duitse veldtocht tegen het westen begon. Het 3,5 ton wegende voertuig werd niet alleen door de artillerie gebruikt, maar evenzo door de genie. Het had een excellente terreingang, een goede trekkracht en veel bergruimte.  

Hoewel de naam 'Unic' het niet doet vermoeden, was deze tractor evenzo een product van Citroën. Het was echter zo dat Citroën failliet ging en door Michelin werd overgenomen. Die besteedde de bouw aan bij Unic, zodat het voertuig als zodanig werd benoemd.

Een andere nog veel gebruikte artillerietrekker was de Laffly S15 T. Dat was een zeswielig voertuig en daarom met een beperkte terreingang. Waarschijnlijk werden echter deze voertuigen in Nederland niet ingezet.  

Renault R-35

Het Renault ontwerp voor de lichte tank kwam voort uit een aanvraag van de Franse defensie aan de gehele markt voor een ontwerp van een infanterie ondersteuningstank dat aanvankelijk voor een zeer lichte tank met 30 mm frontaal pantser was gesteld. Die vraag was eerst bij Hotchkiss neergelegd, maar defensie bedacht kort daarop dat er zoveel urgentie was dat alle capabele Franse industrie werd uitgenodigd. Die brede aanvraag was de reden dat relatief veel ‘35’ tanks – duidend op het jaartal van eerste productie – in het Franse leger dienst deden.

De R-35 had een gegoten romp met een frontale pantserdikte van 40 mm. De kwaliteit van het staal was echter bedroevend. Bij sommige exemplaren was het veel te zacht, en na proceswijzigingen, bij de laatste versies te breekbaar (bros). Het onderstel was gelijk aan de AMC-35. De tank was in oorsprong voorzien van een handmatige te bedienen kleine koepel van 40 mm staal rondom met slechts twee mitrailleurs. De topsnelheid voor de 10,6 ton zware tank was bijzonder laag, zeker voor een lichte tank: 20 km/u. Bovendien deed het zijn naam ‘tank’ geen eer aan, want al na 130 km stond het voertuig zonder brandstof.

Uiteindelijk werd deze tank geproduceerd met een kort 37 mm kanon [3,7 lang 21] en een enkele mitrailleur van 7,5 mm. Het kanon was volkomen ongeschikt voor pantserbestrijding. Het vuurde munitie met een doorslagvermogen van 20 mm en dat dan ook nog op extreem korte afstand.

Van de tweezits R-35 zijn tussen de 1.600 en 1.685 stuks geleverd voor en tijdens de strijd. De tank zou slecht voldoen. Mechanisch kwetsbaar, slechte kwaliteit bepantsering, uitzonderlijk slechte AT eigenschappen en een logistieke nachtmerrie. Deze tanks waren in gebruik bij o.m. GBC.510, dat aan het 7e Leger was toegevoegd.

De Renault R-35 was niet te verwarren met de Renault AMR-35 - of AMR-ZT - van dezelfde fabrikant. De AMR-35 was een 6,5 ton wegende lichte gevechtsondersteuningstank met als hoofdbewapening een Hotchkiss 13,2 mm zware mitrailleur, welke ook voorzien was van pantserbrekende munitie. De tank was echter als bestrijder van pantser volkomen ongeschikt. De AMR-35ZT was in gebruik bij 4.RDP dat de lichte tankbrigade van 1.DLM vormde.  

Hotchkiss H-35

Dit Hotchkiss ontwerp kwam uit dezelfde defensie aanvraag voort als het Renault ontwerp. Hotchkiss hield zich aanvankelijk aan de eerste aanvraag, die vroeg om een zeer lichte [6 ton] tank met 30 mm frontaal pantser. Daardoor werd Hotchkiss qua snelheid verslagen door Renault. Het derde prototype werd uiteindelijk goedgekeurd in de zomer van 1934. Eind 1934 kreeg Hotchkiss opdracht voor een serieproductie die als H-35 zou worden aangeduid.

De 11 tons tank had een gietstalen romp en toren. De romp zou nooit de (uiteindelijk) verlangde 40 mm spec halen, en werd afgeleverd met 34 mm dikte, terwijl de APX toren – dezelfde als de R-35 – wel 40 mm dikte had. Ook kanon en mitrailleur waren identiek aan de R-35. De snelheid was op de weg hoger, maar de overbrenging was zodanig slecht dat de meeste tanks uiteindelijk trager waren dan de R-35. Het bereik was ook identiek aan de Renault.

Hotchkiss H-35 model 39

De tweepersoons Hotchkiss werd na aflevering van de eerste serie zeer slecht ontvangen door de infanterie. De tank bleek in het terrein volkomen ongeschikt omdat met name het sturen middels indirecte overbrenging op de tracks ongecontroleerd bleek te geschieden. Daarom werden – op enkele uitzonderingen na – alle tanks naar de cavalerie doorgestuurd. De H-35 had dezelfde slechte kwaliteit pantser en bedroevende pantserbrekende waarde van het kanon als de R-35. Door de slechte mechanica en het zeer zwakke pantser was de H-35 alles behalve een geliefde tank. Ze werden in mei en juni 1940 dan ook op veel locaties afgeslacht als ze in aanraking met Duitse tanks en antitankgeschut kwamen.

Een verbetering van de H-35 was de H-39 [althans zo is deze tenslotte bekend geworden; oorspronkelijk werd hij meestal als H-38 aangeduid]. Het was een tank met een ruimere mechanische ruimte voor het loopwerk en een veel zwaardere krachtbron. Topsnelheid werd 36 km/u en de bestuurbaarheid was veel beter. Bovendien werd vanaf najaar 1939 deze tank met een langer SA-38 type 37 mm kanon uitgerust dat beduidend beter presteerde tegen pantser.

In totaal waren er in mei 1940 niet minder dan 1,092 H-35 en H-39 tanks beschikbaar. Ongeveer de helft hiervan zou in Duitse dienst worden genomen, en verbeterd deels op het oostfront ingezet.

Somua S-35

Net als Renault en Hotchkiss [en vele anderen] kreeg een zusterbedrijf van de bekende Schneider fabriek [deze maakten de eerste Franse tanks in WOI] – Société d’Outillage Méchanique et d’Usinage d’Artillerie [SOMUA] – opdracht om betaald een prototype te bouwen naar de laatste specificatie voor een lichte infanterie ondersteuningstank met een goede weerstand tegen geschut. Het uiteindelijke prototype voldeed in feite niet aan de specificatie – het was een middelzware tank geworden – maar beviel zo goed dat het toch in opdracht werd gegeven voor de cavalerie. Het werd aangemerkt als de S-35.

De driepersoons tank had een gietstalen romp, waarvan de voorzijde uit 47 mm gehoekt staal was gevormd. De koepel was een grotere versie van die van de Char 1B, een APX-1CE. Hierin kon ook de radioman zitting nemen. Dat was alleen interessant voor de commandotank versie, want de korte golf radiozenders voor de reguliere tanks zouden bij vrijwel geen enkele tank worden ingebouwd (waarvan de Fransen nog grote spijt zouden krijgen). Daarom waren de radiomannen in de reguliere tanks slechts lader van het kanon.

De tank was zeer modern. Het chassis had acht loopwielen en was zeer betrouwbaar. Daarentegen was de tank wel onderhoudgevoelig. De dubbele brandstoftank [500 liter] was met rubber ingepakt en zodoende zelfdichtend. De tank had een bereik van zo’n 200 km, en een topsnelheid op de weg van 40 km/u. De hoofdbewapening was een krachtig 47 mm kanon, en een of twee machinegeweren Reibel van 7,5 mm.

Somua S-35

De S-35 had naast prima vuurkracht, pantser en snelheid, ook een aantal opvallende nadelen. Twee grote nadelen zaten in de koepel. De commandant diende niet alleen leiding te geven en als waarnemer op te treden, maar ook het kanon te richten en af te vuren. Dat vereiste grote handelingsnelheid en ging – door de vele taken – ten koste van de ‘battle awareness’. Daarnaast had de koepel geen topluik, zodat ieder gevecht vanuit gesloten toren gevoerd moest worden. Ook dat aspect verminderde de ‘battle awareness’ enorm. Een voor alle Franse tankeenheden geldend nadeel was voorts het besluit geweest, uit bezuinigingsoogpunt, geen van de tanks met een radio uit te rusten m.u.v. de tanks van de eskadron en hogere commandanten.

De 20-tons Somua was wel enorm onderhoudgevoelig. Een zaak die in een langdurige strijd of na langere verplaatsing zijn tol bleek te eisen. Bovendien werden ze in een traag tempo gebouwd. Tot hun leedwezen zagen de cavaleriecommandanten dat de beperkte gietcapaciteit van de Franse nationale industrie verdeeld werd over vijf ‘35’ type tanks, terwijl zij liever hadden gezien dat op de S-35 meer focus was gelegd. Uiteindelijk waren op 10 mei 1940 slechts ca. 290 S-35 tanks bij het noordelijke leger voorhanden (in de drie DLM's), en nog 160 in reserve eenheden van het GQG. De tank zou zich als enige Franse tank enorm onderscheiden bij de drie dagen durende tankslag met de 3e en 4e Duitse Panzerdivision rond Gembloux in België. Een tankslag die tot aan de grote slag bij Koersk in juli 1943, de grootste tankslag van WOII zou blijven. Meer dan 1.000 tanks van beide zijde raakten gedurende de drie dagen durende slag (die met tussenpozen werd gevoerd) met elkaar in gevecht.

Overigens zou juist Nederland een voorname rol spelen bij de relatief zware verliezen die onder de S-35 tenslotte zouden worden geleden in België - bijna de helft van de S-35's ingezet in België werd uitgeschakeld. De zware tanks van 1e DLM werden op 10 mei met grote haast per trein naar het noorden gestuurd, maar moesten, toen de Fransen het noorden ontruimen moesten, met even grote haast weer zuidwaarts. Die enorme verplaatsing moest echter over de weg plaatsvinden en kostte zoveel uitval aan S-35’s, dat een zeer groot deel door mechanisch falen uitviel, waardoor zij afgeschreven moesten worden. Dat zou voor de Fransen een hele zware wissel op de operationele status van 1.BLM blijken te zijn. 

De Duitsers namen circa 300 S-35’s in bezit en zouden die voor een beperkt deel actief inzetten tegen de Sovjets. Overigens pasten de Duitsers de koepels eerst aan, zodat een luik voor de commandant kon worden ingebouwd.

Anti-tank geschut

De Fransen hadden een duidelijk doctrine omtrent tankoorlogsvoering. De tank was een wapensysteem dat ter ondersteuning van de infanterie werd ingezet en de infanterie zou assisteren bij het bereiken van haar doelstellingen. De Franse gedachte was dat je met tanks geen gebied kon bezetten en met infanterie wel. Tanks opereerden met de dieptewerking en snelheid van de infanterie, in die gedachte. Vanuit diezelfde gedachtengang ontsproot de Franse tankbestrijdingsdoctrine. Die ging er vanuit dat de eigen frontlinie de vijandelijke tanks grotendeels doorliet en dan met de navolgende infanterie zou afrekenen. De dan zonder of met slechts weinig infanterie doorgestootte tanks zouden in het tweede echelon worden bestreden. Achter de frontlinie moest daarom een sterke anti-tank component worden gebouwd, om de door de infanterie doorgelaten tanks op te vangen en uit te schakelen. Die component diende met concentraties te werken, uitgaande van een minimum aantal antitank kanonnen van tien per kilometer.

De volkomen achterhaalde Franse doctrine daargelaten, haalde men de standaard van tien antitankkanonnen per kilometer alleen bij de division d'active, maar bij de overige divisies bij lange na niet. Daar kwam bij dat het gros wat men aan specifiek als anti-tank geschut bedoelde vuurmonden had, werd vertegenwoordigd door de lichte 2,5 cm kanonnen. Deze waren weliswaar op kortere afstand in staat om in de meeste gevallen de Duitse pantsers te doorboren, maar hadden een zeer matige vernielende werking. Veel Duitse tanks konden eenvoudig meerder treffers overleven. De Franse doctrine werd met deze zwakke invulling daardoor een levensgroot gevaar op het slagveld, omdat alle veldcommandanten erin waren onderricht, maar de werkzaamheid ervan spoedig vrijwel nihil zou blijken. Al was het alleen al omdat de Duitsers met veel grotere concentraties van tanks zouden werken dan waar de Fransen vanuit waren gegaan en dat het effect van de grote Duitse tankconcentraties op de verdedigende infanterie in de Franse doctrine ernstig was onderschat.

25 mm Canon Anti-Char

Het Hotchkiss anti-tank kanon was een stuk met kaliber 25 mm en het standaard antitank kanon van de Franse landmacht. Het werd aangeduid als Canon légèr de 25 mm antichar SA Modèle 1934 (of de licht verbeterde versie Modèle 1937).

De kleine vuurmond [480 kg] verschoot een granaat met een mondingssnelheid van 900 m/sec en een doorslagvermogen van ca. 30 mm op 100 meter op een 35° gehoekt pantser. Op kortere afstand was het kanon in staat de pantsers van de Pz.III en Pz.IV te doorboren, maar op meer dan 500 meter afstand waren de projectielen kansloos tegen dergelijke pantsers. De uitwerking van de binnengedrongen granaat was bovendien buitengewoon gering. De beide Duitse lichte tanks Pz.I en Pz.II en de Duitse pantserwagens waren kwetsbaar op alle afstanden voor de Hotchkiss. De uitwerking van de lichte granaten was echter onvoldoende, zodat soms vele treffers noodzakelijk waren voor het gewenste succes. De Franse infanterie was dan ook alles behalve enthousiast over dit standaard antitankwapen, waarvan er in mei 1940 circa 3.000 voorhanden waren.

37 mm en 47 mm tankkanonnen

De 37 mm uitvoering van de korte tankkanonnen [R-35, H-35, H-39], de stukken 37 SA 17 en 18, verschoten met 390 m/sec een 500 gr pantserdoorborende granaat met lichte explosieve lading, die een doorborend effect had van slechts 12 mm op enkele honderden meters afstand. De enigszins verbeterde 37 SA 18 m.37 versie verschoot met 600 m/sec een solide 390 grams granaat die op 400 meter 18 mm 35° gehoekt pantser kon doorboren. Het is duidelijk dat deze kanonnen, die bij vrijwel alle lichte tanks nog op 10 mei geinstalleerd waren, slechts effect hadden op de Pz.I en Pz.II pantsers en dan nog op zeer geringe afstand. Tegen de middelzware Pz.III en Pz.IV waren ze kansloos. 

Het sterk verbeterde 37 mm boordkanon SA 38, die bij een alle na de zomer van 1939 geproduceerde R-35, H-35 en H-39 tanks was ingebouwd, was aanmerkelijk beter. Deze verschoot een solide pantserdoorborende patroon met een aanvangssnelheid van 700 m/sec waarmee 32 mm pantser 35° gehoekt doorboord kon worden op 400 meter. Daarmee konden op lange afstand de Duitse lichte pantsers worden doorboord, en op kortere afstand de middelzware Duitse tanks.

Het 47 mm kanon 47 SA 35, dat in de Somua S-35 was ingebouwd leverde uitstekende prestaties. De 1,5 kg zware solide pantserdoorborende patroon, afgeschoten met 700 m/sec mondingssnelheid, doorboorde 40 mm 30° gehoekt pantser op 400 meter. Daarmee was iedere Duitse tank in gevaar op korte en middelgrote afstand.

Canon de antichar 47 mm APX

Canon de 47 AC

Een antitank wapen dat was ingedeeld bij diverse divisie artillerie eenheden als een toegevoegde batterij [met tweemaal vier stuks]. Het werd ontworpen en geleverd door Atelier de Puteaux [staatsbedrijf] dat als APX werd aangeduid. Hoewel er nog maar enkele honderden van deze wapens voorhanden waren in 1940, hadden enkele eenheden in het 7e Leger reeds de beschikking over het kanon. Het werd aangeduid als 47 AC Modèle 1937 APX.

Het was op een laag affuit gemonteerd, voorzien van rubberen banden en een klein schild. De vuurmond woog 1.050 kg en had een looplengte van 50 x kaliber. Het had een vuursnelheid van 15-20 schoten per minuut, en verschoot 47 x 380 randmunitie. De V0 was 855 m/sec met een maximaal effectief bereik van 2,000 meter. Binnen 500 meter kon het ieder Duitse tankpantser doorboren, want het had een doorslag vermogen van ca. 50 mm op 500m, bij een 30 graden gehoekt pantser (waarmee het de PAG Böhler van het Nederlandse leger versloeg).

Het was een uitstekend wapen, maar in veel te beperkte hoeveelheden beschikbaar voor het Franse leger. Zelfs de meest prominente divisies hadden er maximaal acht beschikbaar. Er waren in mei 1940 ca. 1.200 stuks geleverd. B-type divisies hadden deze wapens sowieso niet en gebruikten nog de 75 mm Modèle 1897/1933 als primitief (edoch werkzaam) antitankwapen.

Geschut

In deze sectie worden de vuurmonden bekeken die in gebruik waren bij het 7e Leger.

Canon de 75 mle 1897

Het 75 mm stuk [Mle 1897] - ofwel le canon de 75 modèle 1897 - was het standaard Franse veldgeschut van 75 mm, in de wandelgangen ook wel 'Soixante Quinze' genoemd. Het ontwerp van het wapen kwam voort uit een 57 mm proefontwerp uit 1890 dat in 1891 in Bourges was getest. In Bourges was de voornaamste Franse artillerie proef- en testfaciliteit. Het 57 mm ontwerp was oorspronkelijk revolutionair, omdat het allerlei nieuwe wapentechnieken ineens tot een geheel nieuw ontwerp verenigde: 1) eenheidsmunitie, 2) rookarm kruit, 3) hydro-pneumatische mechanische rem, 4) een 90° draaiende geschroefd sluitstuk en 5) (eigentijdse) hooglegering van de vuurbuis. In 1892 kwam opdracht het 57 mm kanon in een 75 mm versie te bouwen. Dat gelukte na enkele uitdagingen ten aanzien van de hydraulische afsluiting te hebben overwonnen. Het in 1897 succesvol beproefde 75 mm stuk werd in 1898 officieel aanvaard.

Het 75 mm stuk was superieur aan alle generatiegenoten waar ook ter wereld. Het kon een vuursnelheid van 20 schoten per minuut [kortstondig] of 15 schoten per minuut [langdurig] aan, wat een excellente prestatie was. In 1914 bij aanvang van WOI was het kanon al het voornaamste type veldgeschut voorhanden. Niet minder dan 4,000 stuks waren ingedeeld bij de veldartillerie regimenten. Uiteindelijk werden er niet minder dan 22,000 stuks van het type gebouwd, inclusief export. In mei 1940 waren er nog ruim 4,000 in dienst bij de Franse landmacht.

Diverse vuurmonden waren in de jaren dertig ingrijpend gewijzigd en voorzien van een nieuwe loop en affuit om ze ook geschikt te maken voor tankbestrijding. Deze vuurmonden kregen de registratie Canon de 75 Mle 1897/33. Dit wapen was in staat een AP granaat af te vuren, en had een aangepast affuit zodat het een 58° hoek kon maken. Het was met name bij A-type en B-type divisies, die niet of nauwelijks van de moderne antitank kanonnen waren voorzien, in gebruik. De andere veelvoorkomende aanpassing was de Canon de Mle 1897/38 waarbij het onderstel was versterkt en voorzien van rubberen banden alsmede een kleiner gehoekt schild. Deze stukken werden ingezet bij gemotoriseerde artillerie eenheden. Ze waren bijvoorbeeld bij zowel 1.DLM als 25.DIM als zodanig in gebruik.

Het stuk werd bediend door zes man plus een stukscommandant. Stuk, voorwagen en caisson werden door twaalf paarden getrokken [2 x 6]. Bij gemotoriseerde eenheden werd dit door een artillerie tractor gedaan - meestal een Unic P-107 [halfrups]. Totaal gewicht van de vuurmond was 1.140 kg, lengte van de loop was 2,7 m ofwel 36 x kaliber. Maximale elevatie was 18°, traverse 6°. De schootsdracht was voor reguliere brisantgranaten maximaal 7,000 meter. Een lichtere granaat met meer drijflading kon tot 11,000 meter worden afgeleverd.  

Normaliter was er een rantsoen van 24 granaten bij het stuk [voorwagen] en 72 in de caisson.

Stukken 105 mm

Er waren diverse stukken van 105 mm in gebruik. Dit waren de 105 mm houwitsers C Mle 1936 Schneider, de 105 mm C Mle 1934 Scheider en de 105 mm C Mle 35 Bourges. De 'C' stond voor Court, wat 'kort' betekent en dus duidde op een tot de houwitserklasse behorende vuurmond. Daarnaast waren er ook nog de oudere Schneider L Mle 1913 en het zeer moderne zware veldgeschut Schneider L Mle 1936, waarbij de 'L' juist voor 'longue' van 'lang' stond, waardoor het tot het zware veldgeschut behoorde.

Canon de 105 L Mle 1913 Schneider

De Mle 1935 Bourges en Mle 1934 Schneider hadden overeenkomstige capaciteiten. Ze waren is staat snelvuur af te geven [15 schoten per minuut], hadden een maximaal bereik van 10.500 km en een vuurmond massa van rond de 1.700 kg. De Schneider was iets langer [20 kaliber] dan de Bourges [17 kaliber]. De Schneider L Mle 1936 [42 kaliber] had een lagere vuursnelheid [5 sch/min] maar een beduidend groter bereik [16,500 m].  Allen hadden zes man stuksbemanning plus commandant.

De Mle 34 en 35 waren in gebruik bij de korpstroepen van 1.CA en 16.CA en de artillerieenheden van 1.DLM en 9.DIM.

Canon de 155 mm Court Mle 1917 Schneider

Schneider was een prominent wapenfabrikant in Frankrijk, hoewel ze wellicht buiten Frankrijk vooral als fabrikant van de eerste Franse tank bekendheid kregen. Het bedrijf ontwierp en bouwde vele typen geschut voor de Franse landmacht. Een van de types die in WOII nog steeds gebruikt werd was de Canon de 155 C modele 1897, waarbij de C staat voor Court ofwel Kort. Een zware veldhouwitser met korte loop en gelede affuit. 

Een verbeterde versie van het model 1897 houwitser werd pas eind 1917 in aanzienlijke aantallen in het Franse leger ingevoerd. Het 3.400 kg zware stuk verschoot 43 kg zware granaten over een afstand van 11.900 m. Het had een volledig geschroefd sluitstuk en was voorzien van een hydro-pneumatische rem. Met de gescheiden munitie kon een snelvuur worden gegeven van maximaal 4 schoten per minuut voor korte tijd. Normale vuursnelheid was 2 schoten per minuut. Maximale elevatie was 42° en traverse 6° totaal. Zeven man bediening plus een stukscommandant.

Deze vuurmonden waren o.m. bij de zware artillerieregimenten van de infanteriedivisies 25.DIM en 4.DI, 21.DI en 60.DI in gebruik.

Canon de 155 mm GPF Mle 1917

Een zeer opvallend stuk geschut, dat om zijn merkwaardige lompe transportuiterlijk door menig Duitse soldaat beschamperd werd, was het zware veldgeschut Grande Puissance Filloux van 155 mm. Het was genoemd naar een Franse officier die in 1917 een basisontwerp van staatsfabriek Bourges optimaliseerde tot een formidabel stuk zwaar geschut dat met hoge precisie over lange afstanden zware granaten kon afleveren. Het werd door de Amerikanen het standaard zware artilleriestuk, en door de Duitsers vooral gebruikt als kustgeschut.

155 L mle 1916 St Chamond

Het had een gelede affuit, ofwel schietbuis en affuit konden zich onafhankelijk van elkaar bewegen. Het geleide en remmingssysteem was zodanig goed dat ondanks de enorme energie die een schot produceerde, de vuurmond feilloos op het richtpunt bleef staan. In vervoersstand werd de schietbuis teruggevoerd over de wieg en opgelegd op een hulpchassis. Zodoende had de vuurmond een merkwaardig uiterlijk bij vervoer. Stukken als zodanig door de Duitsers veroverd maakten veel grappen der onwetenden los, want in feite was deze vuurmond superieur aan de Duitse equivalent in de zwaardere artillerie eenheden, de 15 cm sFH18.

Het stuk had in mei 1940 munitie [42 kg granaat] met een dracht tot 17,500 meter, waarvan er 4 per minuut konden worden verschoten. Het totaalgewicht van het stuk was ruim 11 ton. De maximale elevatie was 35°, waarbij het wapen met zijn looplengte van 38 kalibers [6 meter] een machtige indruk maakte.

Infanteriewapens

In deze sectie aandacht voor de meest gangbare handvuurwapens van het Franse leger. Er zijn er talloze te bespreken zou men compleetheid ambiëren. Daarvoor is niet gekozen. De selectie baseert zich op de meest gebruikte wapens.

Fusil MAS-36

De MAS-36 [Manufacture d'Armes de St. Etiënne] was bedoeld om de nieuwe standaard te worden in het Franse leger toen het in 1936 werd geintroduceerd. Een uitstekend wapen, dat in feite net als de Mauser in Duitsland, meer een karabijn dan een geweer was.

De MAS had het nieuwe (sinds 1924 vastgestelde) standaardkaliber 7,5 mm met een 5 patronen houder en was een repeteergeweer. Het bleek uiterst betrouwbaar en bijzonder bruikbaar tot 400 m. De grote investeringen die door Frankrijk echter moesten worden gedaan in de zware wapens en motorisatie, vertraagden de vervanging van de oudere standaardgeweren Berthier en Lebel, waardoor in mei 1940 nog slechts weinig eenheden met de MAS-36 waren uitgerust. Vanzelfsprekend waren het de active divisies die als eerste het moderne wapen kregen uitgereikt.  

Fusil Berthier

Het geweer Berthier M.16 Mle 07/15 was een van de standaardgeweren in het Franse leger in WOI in. Het was van kaliber 8 mm [8 x 50R], met een totale lengte van 1.3 m [looplengte 80 cm]. Het werd met een patroonhouder voor 5 stuks geladen. Het maakte gebruik van het Mannlicher systeem, net als de Nederlandse Steyr geweren.

De karabijn Berthier M.16 Mle 07/15 Mousqueton werd in WOII nog veelvuldig gebruikt. Het was een 8 mm [8 x 50R] karabijn met een looplengte van 45 cm, en een gewicht van 3.75 kg. Het werd met een patroonhouder voor 5 patronen geladen.

Het wapen was erg geliefd omwille van betrouwbaarheid en zuiverheid. Er werden daarom bij uitstek Berthier geweren gebruikt met een scope voor scherpschutter praktijken.

Fusil Lebel

Het in 1940 nog steed meest gebruikte infanteriewapen van het Franse leger voor de B-type en militie eenheden was de Fusil Lebel met kaliber 8 mm. Het geweer was vernoemd naar een van de ontwerpers, de colonel Nicolas Lebel, die de basis legde voor het geweer in 1885. Het wapen werd meestal slechts aangeduid met haar model nummer, zoals 'mle 1886' en 'mle 1886 M.93'. In 1887 werd het wapen uitverkozen tot het nieuwe standaard geweer voor het leger, en zou dienst doen in beide wereldoorlogen.

De Lebel was een grendelgeweer [repeteergeweer]. Het wapen had een magazijn voor acht patronen, plus één in de kamer. Het stond bekend als precies en betrouwbaar.

Het geweer onderging slechts eenmaal revisie. Dat werd model M.1893. Wel wijzigde men de munitie, maar bleek de patroon 'Balle D' [volmantel] de ballistisch gezien optimale keuze. In 1935 werden vele geweren omgebouwd tot karabijnen [in Frankrijk aangeduid als 'Mousqueton'] waarbij de wapenlengte van 1,3 m [loop 80 cm, gew 4,2 kg] terug werd gebracht tot 0,96 m [loop 45 cm, gew 3,7 kg]. De karabijn had 3 patronen in de houder en een in de kamer.  

Veel van deze wapens waren versleten in 1940. Dat kwam ten dele door het gebruik tijdens WOI, maar evenzo door de oude techniek en slechte opslag en onderhoud.

Pistolen

Het veelgebruikte halfautomatische pistool Ruby was een ontwerp uit 1914 en schoot met speciaal kaliber 32 ACP [7,65 mm volmantel, een door Browning ontwikkelde randpatroon]. Het was een Spaans ontwerp [Gabilondo, Baskenland], en daarom een opvallend product in het Franse leger. Het pistool had een magazijn voor 9 patronen en woog 850 gram. Het ontwerp was een directe afgeleide van een Browning model [1906].

De SACM 1935A [Société Alsacienne de Constructions Mécaniques] en MAS 35S [Manufacture d'armes de St-Etiënne] waren de beoogde nieuwe standaardpistolen voor het Franse leger voor WOII. Beide modellen - die sterk gelijkend waren - waren echter in mei 1940 nog maar in beperkte aantallen voorradig. Ze waren van kaliber 7,65 mm met een lange loop en schoten met een krachtige patroon zodat het effectieve bereik ca. 50 meter was.

Voor tankpersoneel werd de Colt Government model 1911 in 1940 nog steeds gebruikt. Het was als '11 mm Colt mle 1911 A1' geregistreerd, en geleverd door de Amerikanen in 1917. Deze .45 ACP pistolen waren zeer krachtig en konden effectief tot 50 m worden gebruikt. Het is nog steeds een geliefd wapen bij schietsportverenigingen.

Revolvers

Er waren diverse revolvers in het Franse leger in gebruik. De Lebel Mle 1892 met kaliber 8 mm [8 x 27R] had een zesschots cylindrisch magazijn, en was effectief op 25 meter. Het was een zeer licht wapen, met zijn 900 g. Een Spaanse Smith & Wesson licentie - de 11 mm Mle 1892 - was ook in gebruik. Het had een zware bediening maar was wel accuraat tot een meter of 35. Bij de artillerie was een revolver Mle 1873 in gebruik, eveneens van 11 mm met een gladde cylinder. Het was een afgeleide van de .45 Colt model 1911.

MAC 24/29

De lichte infanteriemitrailleur van de firma Châtellerault - ontworpen en gebouwd in 1923 - werd in 1924 geselecteerd als de nieuwe standaard lichte mitrailleur [mitrailleuse] voor het Franse leger. Het wapen werd in eerste instantie aangeduid als de MAC 1924, maar na wijziging van de patroonlader en de loop in 1929, werd de versie MAC 24/29 geintroduceerd. Dit zou de standaard mitrailleur blijven tot ver na WOII. Een versie met de toevoeging 'D' werd in 1933 geproduceerd om de nieuwe standaard volmantel patronen 'Balle D' te kunnen verschieten.

De MAC 24/29 had een kaliber 7,5 mm, en de meeste verschoten in mei 1940 de 'Balle C' munitiesoort. Het 9 kg zware wapen had een totale lengte van 1,1 m, waarvan de loop 0,5 m lang was. Effectieve dracht was 600 meter met een vuursnelheid van maximaal 500 schoten per minuut. Het wapen werd alleen gebruikt met een verticaal opgezet magazijn voor 25 patronen.  

In 1922 werd een infanterie mitrailleur - Hotchkiss Mle 1922 - geintroduceerd. Het wapen had veel weg van de MAC 24/29, werd eveneens topgeladen, had kaliber 7.5 mm en een gewicht van 9,5 kg. Het vuurde met een maximale snelheid van 550 kogels per minuut. Magazijnen werden geleverd voor 25 en 30 patronen.

Geweergranaat VB

Al tijdens WOI werden geweergranaten prominent gebruikt door het Franse leger. Het was in feite een kruising tussen een mortier- en handgranaat. Door een zeer korte lanceerkoker ['tromblon', letterlijk 'donderbus'] op het standaardgeweer te plaatsen en een speciale patroon in het geweer af te vuren, kon een granaat vanaf het geweer worden afgeschoten. De Fransen noemden dit apparaat een 'Grenade lancer'. De granaat kon over een afstand van maximaal 180 meter worden verschoten. De toevoeging VB stond voor Viven-Bessières, naar het terzake gerelateerde ontwerp uit Villefranche-de-Rouerque.

In 1916 werd de geweergranaat geintroduceerd. De granaat woog 475 gram, waarvan 60 gram explosieve lading.

Het principe was een curieus maar ingenieus ontwerp. De granaat had een centrale buis met een stop aan de bovenzijde. Daarom omheen was een lading met detonator gefabriceerd. Als men de granaat in de koker op het geweer plaatste en het geweer met een normale patroon afvuurde, werd de kracht van de patroon in de centrale buis van de granaat verzameld en zo ontstond de lancering. Bij het neerkomen explodeerde de granaat. Deze had wegens de geringe lading minder effect dan een handgranaat [die in de regel 150-200 gram explosieve lading hadden], maar kon wel over een langere afstand en uit dekking worden gelanceerd. Uitstekend geschikt voor het pareren van een infanterie aanval over open terrein, maar slecht geschikt voor precies vuur. Het richten met dit wapen was extreem lastig, en slechts zeer geoefende schutters konden het met enige accuratesse verschieten.

Het wapen werd nog veel gebruikt in WOII, te meer daar veel Franse eenheden mortieren ontbereden of er te weinig voorhanden hadden. Ook de eenheden van het 7e Leger maakten alom gebruik van de 'VB'.

Mitrailleuse Hotchkiss

De van oorsprong Amerikaanse ontwerper Benjamin Hotchkiss ontwierp al eind 19de eeuw een luchtgekoelde zware mitrailleur. In 1914 werd deze door de Fransen aanvaard als de standaard zware mitrailleur voor de landmacht. Het was wegens de ontbrekende vloeistof koelmantel een opvallend slank model, dat zijn gelijke niet kende tussen de robuuste watergekoelde types van de andere mogendheden. Het werd gevoed met een horizontaal automatisch doorgevoerde patroontafel of een trommel gevoerde patroonband. 

In het Franse leger werd het wapen aangeduid als de 'Hotchkiss mle 1914'. Een zwaar wapen met kaliber 8 mm, lengte 1,39 m met een loop van 78 cm. Hoewel niet watergekoeld was het wapen zonder affuit 24 kg zwaar en met affuit 52 kg. Het had een vuursnelheid van 450 schoten per minuut. In 1940 was het nog steeds de standaard zware mitrailleur.

Mortieren

De Fransen maakten gebruik van twee types mortieren, die beide op de patenten van Brandt waren gebaseerd. De lichte mortier van 60 mm en de zwaardere van 81,4 mm, beide ontwerpen uit de vroege jaren 20. 

De Franse 60 mm mortier [Brandt Modèle 1935] was een groot succes. Zo groot, dat de Amerikanen het concept tot in de jaren zeventig gebruikten. De gewicht/effectiviteitsratio werd als excellent ervaren voor lichte troepen. Het was een wapen dat evident gebruik maakte van de Edgar William Brandt patenten, met de bekende zware grondplaat, de korte gladde schietbuis en de tweebenige affuit. De gehele constructie woog 20 kg, wat veel minder was dan een zware mitrailleur met affuit. De afgeschoten brisantgranaat had relatief gezien bijzonder veel uitwerking, zeker als men het vergelijkt met het mislukte Duitse project voor de 5 cm mortier. Een infanteriecompagnie in een active divisie had negen 60 mm mortieren met elk 200 granaten ter beschikking. Maar het wapen werd ook alom door cavalerie en verkenningseenheden gebruikt. Het was bovendien nauwelijks minder effectief dan het 2 cm grotere broertje, zelfs niet qua bereik. Met de lichte HE granaat (1,3 kg - 160 g explosief) kon 1.700 m bereik worden gehaald, met de zwaardere HE granaat [2,2 kg, 400 g explosief] tot 900 m ver worden geschoten. Directe bediening werd door drie man verricht, maar een 6 cm mortierteam bestond uit vijf man.

De 81 mm mortier [Brandt Modèle 1927/1935] was in feite een wereldwijd standaardwapen tijdens en na WOII. Het was net als de 6 cm en 12 cm mortier een volgens een Brandt patent vervaardigd wapen. Desondanks was het in vergelijking met zijn 60 mm broertje relatief gezien veel minder effectief. Het wapen woog meer dan tweemaal zoveel als het kleine broertje, maar had als nadeel dat het op korte afstand niet kon worden gebruikt en dat de maximale dracht hoogstens 2.000 m was, waarmee het nauwelijks verder schoot dan de 6 cm mortier. De uitwerking van de 8 cm HE granaat was echter aanzienlijk zwaarder dan die van de 6 cm mortier. De lichte HE granaat van 3,2 kg kon tot 2.000 m ver worden verschoten, de zware HE granaat van 6.9 kg [ca. 1.5 kg springstof] tot ca. 1.500 m. Omdat de hanteerbaarheid van de zware 8,1 cm mortier wegens het grote gewicht beduidend minder was, was de 6 cm variant in het Franse leger veel populairder. De 81 mm mortier was daarom ook slechts in kleine aantallen aanwezig binnen de eenheden.

De Nederlanders bestelden eind jaren twintig het 8,1 cm mortier exact volgens het Franse model en bouwden deze eveneens op licentie na. Internationale verschillen in prestaties ontstonden slechts door eigensoortige munities en richtmiddelen.