Persoonlijke bewapening

Persoonlijke en lichte wapens

In mei 1940 was de bewapening voor de parachutisten nog vrijwel dezelfde als voor de gewone Duitse militair. Naar aanleiding van de ervaringen in Nederland zouden echter later speciale wapens, artillerie en handvuurwapens, voor de luchtlandingstroepen worden ontwikkeld. Ook zouden meer parachutisten met automatische wapens worden uitgerust, hoewel de standaard Mauser K.98 een veel gebruikt wapen bleef. De luchtlandingstroepen waren qua type wapens net zo uitgerust als de gemiddelde Heer eenheid, hoewel de (relatieve) hoeveelheid van een bepaald wapen soms sterk afweek t.o.v. reguliere eenheden. Hieronder wordt dan ook vooral ingegaan op de persoonlijke bewapening van de parachutisten.

Iedere Fallschirmjäger had als standaardwapen een pistool dat te allen tijde – ook tijdens de sprong – op de man werd gedragen. Het Duitse leger had een aanzienlijke verscheidenheid aan pistolen in de arsenalen, maar de Fallschirmjäger waren vooral met de oudere 9 mm Pistole 08 Luger van DWM uitgerust. Officieren droegen soms kleinere pistolen, zoals de Walther PPK (7,65 mm). Alleen een 48-uurs rantsoen werd verder op de man gevoerd. De meeste mannen sprongen bovendien met een vijf- tot tiental handgranaten, meestal de eihandgranaten die in de broodzak werden vervoerd. Dit waren Tsjechische handgranaten, die buitgemaakt waren toen dat land werd bezet. De bekende steelhandgranaten werden niet op de man meegenomen bij de afsprong.

Nachschubbombe

De overige persoonlijke en ondersteunende bewapening werd separaat in containers afgeworpen per Zug. Dat betekende dat indien onder vuur werd geland de snelle berging en opening van de container van levensbelang was voor een groep. In de regel bleek dit overigens een bewerkelijke en langdurige operatie te zijn, waarbij het niet ongebruikelijk was dat 5-10 minuten verstreken tussen de landing van de parachutisten en de beschikbaarheid van de zwaardere persoonlijke wapens. Als een container verkeerd was terecht gekomen, dan kwam men er veel later of helemaal niet bij. Het leidde in 1940 in Denemarken, Noorwegen en Nederland meermaals tot inzet met louter handgranaten en pistolen.

Wat betreft de bewapening bleef er in mei 1940 nog heel wat te wensen over. Zo waren de meeste parachutisten uitgerust met een regulier geweer Mauser K.98, door de Duitsers Karabiner genoemd met 120 patronen [12 tasjes aan een gordel met elk 10 patronen in twee houders]. Het wapen was een kaliber 7.92 x 57 mm grendelgeweer [repeteergeweer of bolt-action rifle] met een vijfschots magazijn. Na ieder schot moest de grendelactie dus worden herhaald. Het wapen uit 1935 was een doorontwikkeling van de geslaagde Mausers van eind 19e eeuw. De stamvader was het geweer 98 [G.38], waarvan het ontwerp uit 1898 stamde. Dit was tijdens WOI het standaard infanteriewapen en ook als exportwapen veel gebruikt. De 10 cm kortere K.98 werd later het standaard wapen van de Duitse troepen, hoewel de G.38 [en varianten] alom in gebruik bleven bij tweedelijns eenheden. Ook werden voor de parachutisten later deelbare en inklapbare versies van de K.98 vervaardigd. Dit alles was in mei 1940 echter niet voorhanden.

Munitie

Het Duitse standaard geweer was kwalitatief niet beter dan het Nederlandse M.95 Mannlicher-Steyr geweer. Wel werd door de Duiters met effectievere munitie geschoten. De Duitse munitie had aanzienlijk meer 'stopping-power' dan de Nederlandse volmantel kogels. Dat was niet zozeer een kwestie van kaliber, maar meer van de vorm van de kogel. Doordat de Duitse kogel meestal in het lichaam van de getroffene bleef zitten en aldaar vervormde, werd als zodanig alle energie van de kogel op het getroffen lichaam overgebracht. Dit bracht veel schade aan in de trefzone. De Nederlandse volmantel kogel, hoewel van een aanzienlijk hogere massa dan de Duitse kogel, penetreerde het getroffen lichaam echter met zoveel kracht en homogeniteit dat de kogel vaak het lichaam weer - min of meer homogeen - verliet. Hierdoor liet de inslag niet alleen relatief weinig energie achter, maar werd (dus) ook relatief weinig weefselschade aangericht en was deze schade bovendien beperkt tot de directe trefzone van het projectiel. Alleen het raken van fatale sectoren van het lichaam leverde dan de (macabere) gewenste resultaten op.

De 9 mm parabellum munitie voor de machinepistolen en de gewone pistolen was eenvoudige volmantel munitie.

Ook hadden parachutisten (karabijnschutters) speciale munitie voor bestrijding van licht gepantserde voertuigen. In de bespreking van de ondersteuningswapens wordt nader uitleg gegeven over deze op de man meegevoerde extra rantsoenen pantserbrekende karabijn- en mitrailleurmunitie.

Machinepistolen en mitrailleurs

Onderofficieren – waarvan de Duitsers er beduidend meer hadden dan hun Nederlandse tegenstander – waren vrijwel allen uitgerust met een machinepistool, MP.18, MP.28, MP.34 of MP.38. De MP.18 was een door Hugo Schmeisser ontwikkeld machinepistool dat vanaf 1916 werd ingevoerd in het Duitse leger en bijzonder effectief bleek. In die dagen van WOI vulde het wapen het gat tussen zware mitrailleur en geweer. Het had een kaliber van 9 mm [parabellum] en kon vuren met een snelheid van 500 kogels per minuut. In het interbellum werd een verbeterde versie MP.28 ingevoerd, welke vooral bij de politietroepen en SS werd gebruikt. In 1938 kwam de MP.38 op de markt, gefabriceerd door de bekende Ermawerken en een wederom verbeterde versie van de MP.18. Dit wapen was in 1940 de standaard pistoolmitrailleur in het Duitse leger. In 1940 zou langzamerhand de nog eens verbeterde eenvoudig te produceren versie, de MP.40, worden ingevoerd. In mei 1940 was echter vooral het gebruik van de MP.28 en MP.38 bij de Fallschirmjäger aan de orde. De MP.28 had meestal een 32-schots magazijn en een kaliber van 9 mm, met een vuursnelheid van 550 schoten per minuut. De modernere MP.38 had ook een 32-schots magazijn en was eveneens van kaliber 9 mm. De vuursnelheid lag rond de 500 schoten per minuut. Parachutisten waren met een enkele of een dubbele magazijngordel uitgerust, en dus met drie of zes magazijnen met elk 32 patronen.

De standaard lichte mitrailleur van het Duitse leger was de MG.34. Het wapen – dat ontworpen was om goedkoop te kunnen worden geproduceerd – zou een doorslaand succes blijken. Het is zelfs samen met de MG.42 de standaard voor de huidige generatie Spandau mitrailleurs gebleven. Het werd in 1930 [MG.30] door het ontwerpbureau van Solothurn [Zwitserse dochter van Rheinmetall] ontworpen. Mauser zou het tenslotte aanpassen en massaal produceren als MG.34. Het wapen [12.1 kg] was in staat enorm hoge vuursnelheden te bereiken, tot zelfs ver boven de 1.200 kogels [7.92 mm] per minuut. De loop warmde dan echter zeer snel op. Men paste het wapen zo aan dat een vuursnelheid van 900 kogels per minuut het praktisch maximaal haalbare werd. Ervaren schutters probeerden echter de vuurintensiteit zodanig te verminderen dat niet telkens de loop moest worden uitgewisseld. Men gaf steeds zeer korte vuurstoten. Dat had bovendien voordeel voor het munitieverbruik, dat wegens de hoge vuursnelheid groot was. Het wapen werd geleverd met een rond magazijn voor 50 patronen, maar vaak ook met een bandinvoering [voor banden van 50 of 250 kogels]. De mitrailleur kon eenvoudig op een geincorpereerde tweepotige spreidstandaard worden geïnstalleerd, waarmee een beter gericht vuur kon worden afgegeven. Een lichte MG groep bestond uit drie man: de schutter, de helper (en munitiedragen) en een derde man voor de overige munitie en de reservelopen.

De MG.34 kon op een driepotige affuit [Lafette] worden geplaatst, en als zodanig als zware mitrailleur dienst doen. Deze affuit was een zwaar onderstel van ongeveer 19 kg [met scope], waarop tevens een optische vizierinstallatie was geplaatst zodat vuren over grote afstand [indirect vuur] accuraat konden worden afgegeven. De drie poten konden worden versteld, zodat ook een opstelling tegen luchtdoelen kon worden ingenomen. Een lichtere tussenvorm - met lichte Lafette - bestond ook en werd in mei 1940 het meeste gebruikt.

Moerdijkbruggen

Voorlopers van de MG.34 waren ook nog in gebruik, vooral de MG.13. Dit wapen leek uiterlijk veel op de MG.34 [en werd ook door Mauser gefabriceerd] maar had een beduidend lagere vuursnelheid [650 kogels per minuut]. Het werd na 1934 niet meer gemaakt maar bleef nog lange tijd in de Duitse gelederen dienst doen. De parachutisten hadden echter louter de MG.34 in hun bewapening.

Handgranaten waren er in twee versies. De steelgranaat en de eigranaat. Populair waren de Stielgranaten, de bekende steelgranaten of ‘aardappelstampers’. Dit was de Stielhandgranate 24 met een gewicht van 500 gram [165 gr springstof in de stalen kop]. Door ontschroeven van de dop op de steel en daarna ‘aftrekken’ van de ontsteking werd de granaat scherpgesteld om in 4,5 seconden te detoneren. Deze granaten waren in 1940 vooral zogenaamde ‘blast’ granaten, dat wil zeggen dat ze vooral explosieve kracht hadden maar weinig scherfwerking. Ei handgranaten waren echter bij de parachutisten meer in gebruik. Ze waren Tsjechisch van fabrikaat en onderdeel van de wapen- en munitieschat die Duitsland in handen was gevallen na de verzetloze bezetting van Tsjechoslowakije. De meeste parachutisten namen wel een tiental granaten mee in de broodzak tijdens de sprong.

Schiettechniek

De Duitse militairen - in het bijzonder de parachutisten - was ingeprent dat zij zeer economisch met munitie moesten omgaan. Men wist immers niet wanneer een nieuwe voorraad zou aankomen terwijl men aan de andere kant behoefte had om middels vuurkracht indruk te maken op een vaak overmachtige tegenstander.

Die overwegingen vertaalden zich naar twee markante schiettechnieken. Allereerst de grondregel dat met automatische wapens alleen zeer korte vuurstoten dienden te worden gegeven. Ten tweede dat in principe alleen diende te worden geschoten op doelen die in zicht én op korte afstand waren. Dat laatste betekende dat de trefkans bijzonder groot was en dat men - in dekking - laat zou worden ontdekt. Uiteraard waren er uitzonderingen op deze technieken naar gelang een gevecht of situatie dat vereiste. Desondanks was deze economische en effectieve schiettechniek er werkelijk 'ingeprent' bij alle parachutisten. Zij kregen dan ook in weinig gevallen te maken met munitietekorten.

Aan Nederlandse zijde was het tegendeel vrijwel altijd aan de orde. De Nederlandse soldaat was nauwelijks onderricht in het gevecht of in gevorderde schiettechniek. Dat zou in de praktijk van mei 1940 blijken. De Nederlandse militair werd zelden door zijn kader geinstrueerd dat een tegenstander tot zeer korte afstand mocht naderen om dan het vuur overrompelend en accuraat te kunnen openen. In tegendeel. Men vuurde soms op honderden meters afstand al, overigens niet alleen vanwege ontbrekende instructies tot vuuropening, maar evenzo vanuit de spanning en angst. Het gevolg was echter dat de effectiviteit van de beschikbare munitie laag bleef en dat een tegenstander vroegtijdig de positie leerde kennen. Bovendien werd kwistig met munitie omgegaan. Zo gebeurde het met regelmaat dat overtallige Nederlandse verbanden tegenover parachutisten met minder munitie het gevecht eerder moesten afbreken of zich overgeven omdat zij veel sneller door hun munitie heen waren geraakt.

Extra middelen

Naast de strikt persoonlijke bewapening, hadden de parachutisten speciale zaken bij zich. Dat waren speciale gereedschappen (zoals draadscharen, seinpistolen, ect.) en speciale middelen (springstoffen, gebalde ladingen of zelfs kleine anti-personeelsmijnen). De parachutisteneenheden die in mei 1940 in Nederland landden, hadden geen pionierpelotons, zoals in de oorspronkelijke opzet wel het geval was geweest. De eenheid Koch - die Eben-Emaël moest aanvallen - had vrijwel alle pioniers opgeslokt. Zodoende resteerden nog slechts enkele pioniers, die werden verdeeld over de compagnieën. De meeste (niet alle!) compagnieën van FJR.1 hadden zodoende een Pioniertrupp van een vier of vijf man sterk, soms geleid door een Pionieroffizier (bij belangrijke taken, zoals bij Moerdijk). Een deel hunner was bovendien speciaal ingezet om de (eventuele) brugladingen van de Nederlanders onschadelijk te maken.

De para-pioniers hadden een verzameling speciale ladingen bij zich. Dit waren TNT ladingen of gebalde ladingen. Zo'n gebalde lading was een bundeling van onafhankelijke explosieven, zoals de koppen van steelhandgranaten of enige TNT blokken, met een enkele ontsteking. De grootste ladingen, waarvan er slechts enkele voorhanden waren, waren 3 kg zwaar. Daarmee kon men bunkers of (stilstaande) tanks bestrijden, zoals bij Willemsdorp geschiedde. De holle ladingen die het bataljon Koch in België voorhanden had, lijken in Nederland niet ter beschikking te zijn geweest. Dat is wel verklaarbaar, want die ladingen waren zwaar en leken in Nederland niet doelmatig.