Doelstelling luchtlandingen

Doelstelling inzet mei 1940

Voorafgaande aan de plannen voor de feitelijk in mei 1940 uitgevoerde luchtlandingen in Nederland waren talloze scenario's door de Duitsers bestudeerd. Ze werden in een eerder hoofdstuk al benoemd. Er waren de ontworpen plannen voor luchtlandingen ten westen van de Maas bij Maastricht, Roermond en Venlo. Luchtlandingen bij Bergen op Zoom en op Walcheren. Een para bataljon west van de afsluitdijk bij Den Oever. Luchtlandingen bij Utrecht achter de Waterlinie en op de Utrechtse Heuvelrug achter de Grebbelinie. Het bleven allemaal papieren plannen, waarvan de één het verder bracht dan de ander, maar uiteindelijk geen de werkelijke planvorming haalde.

Adolf Hitler gaf enkele maanden voor de inval in Nederland aan de Luftwaffe - meer in het bijzonder aan Kurt Student - opdracht om een grootschalige inzet van luchtlandingstroepen en parachutisten voor te bereiden op strategisch niveau. Daarbij moest een component op hoog tactisch niveau worden ontwikkeld (in operationele samenwerking met de landmacht) en eentje - op Hitler zijn speciale verzoek - op strategische niveau waarbij de inzet zou zijn om een vrijwel onmiddellijke regeringscapitulatie af te dwingen.

Het doel van de inzet van de luchtlandingstroepen en parachutisten in Nederland werd daarom tweeledig vorm gegeven.

De actie rond de residentie Den Haag [onder direct commando van Generalleutnant Graf von Sponeck, commandant van 22.LL.ID; onder algemeen bevel van Kurt Student] had vooral tot doel om te trachten de Koninklijke Familie, het Kabinet en de diverse staven van het leger gevangen te nemen. Het zou het lands- en legerbestuur onthoofden. Subsidiair zou de landing belangrijke troepen van het Nederlandse 1.LK binden. Als de actie volledig succesvol zou zijn, zou een directe regeringscapitulatie vermoedelijk kunnen worden afgedwongen. Het Deense model. Zou het primaire doel falen, maar het 1e Legerkorps worden gebonden aan de regio Den Haag, dan zou er alsnog sprake zijn van een bescheiden succes.

Het doel van de zuidelijke landing [onder direct commando van Generalleutnant Student, commandant van 7.FD, tevens opperbevelhebber luchtlandingen] was de verovering en bezetting van alle intacte bruggen langs de route Moerdijk – Rotterdam alsmede de succesvolle verdediging van de verkregen corridor. Dit betekende dat de beide Moerdijkbruggen, beide bruggen over de Oude Maas bij Zwijndrecht en de bruggen over de Nieuwe Maas in Rotterdam zouden moeten worden veroverd voordat vernietiging van deze objecten door de Nederlanders mogelijk zou zijn. Deze bruggen moesten vervolgens worden bezet en verdedigd tot dat de grondtroepen van het 18e Leger via deze keten van bruggen de gelande troepen konden ontzetten en de Vesting Holland zouden kunnen binnentrekken. De luchtlandingen hadden vanzelfsprekend tot doel om de vernieling van de belangrijke bruggen te voorkomen en de grondtroepen een eenvoudige toegang tot de Vesting Holland te bieden.

Beide doelen zouden worden bereikt door in eerste instantie – in de vroegste uren van de aanval op Nederland – parachutisten te droppen bij alle bruggen en vliegvelden die in het plan opgenomen waren. Dat wil zeggen op de vliegvelden rond Den Haag [Ypenburg, Ockenburg, Valkenburg] en Rotterdam [Waalhaven], en bij de bruggen bij Zwijndrecht/Dordrecht en Moerdijk. Alleen bij de bruggen over de Nieuwe Maas in Rotterdam zouden direct op het aanvalstijdstip luchtlandingstroepen landen met behulp van een Staffel aangepaste watervliegtuigen. Een peloton parachutisten zou vlakbij stadion Feyenoord landen om een directe ondersteuning voor de bezetting van de bruggen in Rotterdam te kunnen betekenen. In het uur voorafgaande aan de parachutistenlanding zouden bommenwerpers en jachtvliegtuigen trachten de luchtverdediging en de lokale defensie maximaal te verstoren c.q. tot zwijgen te brengen.

De parachutisten zouden op alle locaties de lokale verdedigers moeten overrompelen en uitschakelen alsmede zoveel mogelijk luchtafweereenheden in de omgeving (die eerdere luchtaanvallen zouden hebben overleefd) buiten gevecht stellen, zodat de trage transporttoestellen met de luchtlandingstroepen veilig(er) konden aanvliegen en landen. Daar waar het de inzet bij de vliegvelden betrof zou dan spoedig de luchtlanding volgen van de aangewezen onderdelen van 22.ID door middel van de 430 Ju-52 van de KGzbV1 en KGzbV2. De eerste Duitse bruggenhoofden zouden vooral door deze troepen moeten worden versterkt met manschappen en zwaarder materieel. De luchtlandingstroepen en het zware materieel zouden in twee dagen tijd worden ingevlogen.

Deze operatie zou worden gesteund door een aanzienlijk deel van de Luftwaffe. Voor de overall aanvalsstrategie was het welslagen van de acties rond Moerdijk, Dordrecht en Rotterdam, van zeer groot belang. De actie bij de Residentie was minder doorslaggevend. De Luftwaffe had binnen Luftflotte 2 een taakgericht verband ingericht onder de Generalmajor Putzier. Daaronder vielen behoudens de transportverbanden, de KG.4 en enige jagerverbanden. De toe- en afvoer van eenheden aan de Gruppe Putzier stond in principe niet vast, maar wel dat alleen de operaties in Noord-Brabant en de luchtalndingscorridor door de Gruppe werden ondersteund. Zij dienden dan ook rechtstreeks met Kurt Student te coördineren - voor zover de verbindingen dat toe zouden laten.

Deze operatie binnen Vesting-Holland was eerder ook voor het Belgische front ontworpen geweest, in de vorm van de plannen N (Namur) en G (Gent). Ze waren daar afgewezen door de Heeresleitung omdat men het veel te ambitieus vond om in twee dagen tijd midden in de Belgische hoofdverdediging troepen af te zetten, terwijl binnen 48 uur Britse en Franse gemechaniseerde onderdelen ter plaatse zouden (kunnen) arriveren. De lichte Duitse troepen zouden daartegen niet bestand zijn en de operatie zou veel te veel focus van alle middelen vragen. De plannen werden daarom afgekeurd. In het geïsoleerde Nederland, waar de Duitsers hoogstens Britse vliegtuigen verwachtten, maar geen gemechaniseerde formaties, leek de operatie wel te kunnen worden uitgevoerd met een realistische slagingskans. Hoewel de Heeresleitung nog steeds niet veel in het plan zag, werd het in het Nederlandse zijtheater wel gedoogd. Hitler's steun en Görings 'eigendom' van de operatie zullen de legerstaf hebben helpen overtuigen, want zelfs na de succesvolle meidagen zou Franz Halder van de operatie geen weet willen hebben en alle Erfahrungsberichten negeren. Het uitgebreide Erfahrungsbericht van de 22e Infanterie Division, die als Luftlande Division onder de ObdL had gefunctioneerd, dat aan Halder werd toegestuurd, werd retour gezonden met de botte mededeling dat het om een Luftwaffe operatie ging en de Heeresleitung er dus niet mee van doen had. Zo lagen de verhoudingen en de steun bij de landmachtstaf in die dagen.