De oorsprong

Eerste experimenten

De ontwikkeling van het wapen der parachutisten was in mei 1940 relatief nieuw. Desondanks was al in 1797 de eerste parachutistensprong gemaakt uit een luchtballon. De parachute zou echter pas met de ontwikkeling van het vliegtuig zijn nut gaan bewijzen. Gedurende WOI werd het valscherm al mondjesmaat gebruikt, hoewel bijzonder veel piloten het dragen ervan afwezen als “de Goden verzoeken”.

De Amerikaanse generaal-majoor William Mitchell, beter bekend als ‘Billy’ Mitchell [waarnaar de latere B-25 bommenwerper werd genoemd], poneerde in 1918 – toen de VS zich net in WOI hadden gestort – al een groots plan om de gehele Amerikaanse 1e Infanterie Divisie achter de Duitse linies bij Yperen te parachuteren. Zijn plan werd echter niet aanvaard, en zou bij een voorjaarsoffensief in 1919 eventueel pas worden opgenomen. Evident kwam van het uitstel afstel, want in 1919 was de oorlog voorbij. Bovendien is maar de vraag of het plan ooit in werkelijke actie was omgezet, want het gros der collega-generaals achtte Mitchell een fantast. De eerste Amerikaanse airbornes zouden pas in 1940 op Fort Benning worden getraind in opdracht van George C. Marshall, de Amerikaanse Chief of Staff. Het was een rechtstreekse reactie op het Duitse gebruik van deze eenheden.

De ontwikkeling van een offensieve tactiek door gebruikmaking van parachutisteneenheden werd door de Sovjets gedurende het interbellum echter wel op grote schaal uitgewerkt. In 1928 – toen de eerste grote reorganisatie van het Sovjet leger vorm kreeg – begonnen hun eerste initiatieven ontwikkeling te zien onder aanvoering van de toenmalige opperbevelhebber Tuchatschewsky [in 1937 tijdens de grote zuiveringen gearresteerd en geëxecuteerd]. In 1931 werden de eerste serieuze manoeuvres gehouden waarbij vertegenwoordigers van de toenmalige Duitse Reichswehr geinteresseerd toekeken. Het bleek voorts in 1932 – toen de Sovjet generaal Schtscherbakov de Franse Maginotlinie aanschouwde – hoe serieus de Sovjets de grootschalige tactische inzet van parachutisten in hun scholing hadden opgenomen in korte tijd. De Sovjet generaal waarschuwde Petain voor de mogelijkheid dat parachutisten in grote aantallen achter zijn kostbare linie zouden landen, en zijn communicatielijnen zouden afsnijden. Hoewel Petain dit advies ter plekke weglachte, nam hij direct daarna maatregelen.

De Sovjets hadden in 1935 een eenheid van enkele duizenden parachutisten. Bij een grote manoeuvre in de Oekraïne werden 1,000 man gedropt om een vliegveld vrij te vechten voor een landing van duizenden luchtlandingstroepen. De Duitsers - die toen nog hecht samenwerkten met de Sovjets - keken met veel belangstelling toe. Overigens keken veel meer legervertegenwoordigers van andere landen toe. Onder hen de latere Britse generaal Wavell. Men was onder de indruk.

De ontwikkeling in de Sovjet Unie ging inmiddels zo snel dat er schattingen bestaan dat men tussen de 500,000 en 1,000,000 geoefende parachutisten [burgers en militairen] had in 1937. Het was echter spoedig duidelijk dat dit nieuwe tactische wapen vooral een hersenspinsel van het strategische supertalent Tuchatschewsky was geweest. Toen de laatste in 1937 werd ‘weggezuiverd’ stierf het nieuwe veelbelovende instrument met hem. Zijn opvolgers zagen er niets in, althans niet op de grote operationele schaal die Tuchatschewsky voor ogen had gehad. De Sovjets zouden tijdens de winteroorlog tegen de Finnen enkele beperkte parachutistenacties inpassen. Tijdens WOII zouden zij echter slechts twee grotere acties met parachutisten uitvoeren [Dnjepr en Vyazma] die beide eindigden in een catastrofe, vooral wegens buitengewoon slechte planning en coordinatie. De grootste van de twee, een dropping van circa 4,500 man achter de rivier de Dnjepr in 1943 [Sovjet 1e, 3e en 5e Garde-Parachutisten Brigade], eindigde in vernietiging van de eenheid om dat aansluiting te lang uitbleef en het gros der troepen verkeerd gedropt werd en midden tussen de zich op verdediging ingesteld hebbende Duitsers landden. De verspreiding en kwetsbaarheid bij directe tegenmaatregelen waren een probleem dat de achilleshiel van dit nieuwe tactische middel zou blijken te zijn.

Ook de Italianen en Japanners experimenteerden al vroeg met parachutisten, zij het op een veel kleinere schaal, hoewel de Italianen al in 1925 een eerste eenheid oprichtten die in 1927 bij Milaan voor het eerst een dropping uitvoerden. De Italianen zouden het middel nooit groots uitbouwen. De Japanners met name zouden het tactische middel echter wel diverse malen – zij het vrij kleinschalig – inzetten, waaronder ook een aantal maal bij vliegvelden en olieinstallaties in Nederlands Indië.

De Fransen hadden in 1940 een kleine parachutisteneenheid dat het jaar voordien was opgericht. Het was een bataljonsterkte en tot diep in de winter van 1940 zelfs in beeld geweest om in Nederland te worden ingezet. Bij de evaluatie van de Hypothese l'Escaut [Geval Schelde] en de Hypothese Breda was overwogen op op Walcheren of bij Gilze Rijen parachutisten te doen landen. In beide gevallen ging het om een compagnie. Het kwam er uiteindelijk niet van.

De Britten hadden geen parachutisteneenheden in 1940. De conservatieve Britse legerleiding zag er geen enkel nut in. Zoals veel legers zag men voldoende dynamische ruimte in het gebruik van eenvoudig ingevlogen luchtlandingstroepen.

De Duitse parachutisten

De Duitsers, die veel met de Sovjet luchtmacht samenwerkten gedurende het interbellum vanwege de beperkingen van het Verdrag van Versailles, keken het idee van de Sovjets af, en zouden de eersten zijn die voor parachutisten een belangrijke tactische rol zouden inruimen. Hermann Göring richtte in 1933 een soort paramilitaire politie-eenheid op die ook parachutisten in de gelederen had. Het verband droeg de naam van de oprichter. Deze eenheid moest snel kunnen worden ingezet indien nationale onlusten zouden moeten worden bedwongen. Hij zag al snel potentie in de oprichting van een militaire eenheid louter gevormd door parachutisten. In 1935 werd onder leiding van Oberstleutnant Jakoby het eerste experimentele bataljon parachutisten [Regiment Hermann Göring] opgericht – en kwam onder commando van Major Bruno Bräuer – en een jaar later werd de eerste militaire parachutistenopleiding officieel gestart (in Stendal-Borstel).

Het bataljon van Bräuer viel onder de Luftwaffe, maar ook das Heer richtte in 1936 een eigen Fallschirmjäger eenheid op. Oberleutnant Zahn commandeerde deze eerste compagnie parachutisten die in eerste instantie te Stendal werd geschoold. Het was deze eenheid die Hitler zelf voor het eerst kennis liet maken met de Fallschirmjäger tijdens een demonstratie-oefening. Het leidde wel tot enthousiasme bij de Führer, maar niet tot meer middelen. Toen Major Heidrich in 1938 het commando overnam van de inmiddels tot Fallschirmjäger bataljon omgedoopte eenheid, kwam de ontwikkeling op gang. De eenheid werd gevormd en geoefend in Braunschweig-Riddagshausen.

Onderscheid tussen de beide eenheden was groter dan alleen het onderscheidelijke banier van het krijgsmachtonderdeel waaronder zij vielen. De Luftwaffe eenheid werd vooral gevormd als heimelijke overvaleenheid met vernietiging van een bepaald object als doel. Dergelijke doelen zouden vooral luchtmacht-georienteerd moeten zijn. Het landmacht parabataljon werd gevormd als eenheid welke zou moeten opereren in een groter tactisch verband met grondeenheden. Tactische infanterie toepassing dus, waarbij ondergeschiktheid aan het hogere tactische landmachtverband evident bleef. Dat alles veranderde toen Generalmajor Kurt Student de gehele verantwoording kreeg voor de luchtmobiele eenheden van het Duitse leger. Het geheel werd onder één commando gebracht, waarvan Student de bevelhebber was. Student kreeg op 1 juli 1938 het bevel een Fallschirmjäger divisie te vormen – onder het commando van de Luftwaffe.

vouwproces parachutes

Static-line sprong

Student had een curriculum vitae dat hem verbond aan zowel de luchtmacht als de landmacht. Hij was vlieger maar had eveneens diverse commando’s in het veldleger gedragen. Hij combineerde ‘the best of both worlds’ en zag daarom niets in de doelstelling die de Luftwaffe Fallschirmjäger tot dat moment hadden. Hij vond de opoffering van goed geoefende militairen voor het vernietigen van een enkel beperkt object – waarna hen vrijwel zeker dood of gevangenschap restte – onwaardig en vooral ongewenst. Ook de beperkte landmachtvisie van een kleinschalig tactisch instrument in een groter tactisch geheel vond Student te nederig.

Student ambieerde een combinatie van luchtlandingstroepen en parachutisten, en wilde die tandem ontwikkelen tot een zelfstandig tactisch-operationeel instrument dat op zichzelf in staat zou zijn doorslaggevende slagen te winnen. In zijn memoires stelt hij:

Ich sah meine Aufgabe darin, die Fallschirm- und Luftlandetruppen allmählich zu einem Instrument von operativer, ja schlachtentscheidender Bedeutung zu entwickeln’.

Daarmee wilde Student een aanzienlijke strategische waarde voor het nieuwe strijdmiddel creeëren. Student wilde de derde dimensie toevoegen aan de reeds bestaande twee dimensies op het slagveld. Zijn eenheid moest in staat worden gebracht in grote verbanden in de rug van een tegenstander te landen om daarmee de grondeenheden operationeel - liefst doorslaggevend - te ondersteunen. Bovendien zag Student veel psychologisch effect uitgaan van een massale luchtlanding diep in het achterland van een tegenstander. Op dat punt sloot zijn ambitie uitstekend aan bij de nieuwe Duitse tactiek die later bekend werd als de hoofdmoot van de Blitzkrieg: de concentratie van zware wapens, gemechaniseerde eenheden en een tactische luchtmacht op een strategisch zwaartepunt van een front. Bij de Blitzkrieg tactiek was concentratie, massa, overrompeling en gebruik maken van de chaos bij de tegenstander hoofdmoot. Door opperste verwarring diep in het achterland te creëeren, zouden de grondeenheden niet alleen van de verworven objecten door luchtlandingen profiteren, maar zou de logistiek en bevelvoering van de tegenstander ernstig worden ontregeld. Een zaak waar de Blitzkrieg doctrine bij uitstek op dreef, was het profiteren van de chaos en ontregeling.

Student toonde dus enorme ambitie. Een ambitie – anno 1938 – die bijzonder vooruitstrevend was. Immers, het nieuwe legeronderdeel had nauwelijks steun bij de legertop en de aanzienlijke investering in mensen, geld en middelen die noodzakelijk was om Student zijn visie te verwezenlijken zou veel tijd en energie gaan kosten. Student had op dat moment een ferme tegenstander aan zijn van hogerhand aangestelde rechterhand, Oberst Bassenge, die vooral de landmachtvisie propageerde voor de parachutisten en luchtlandingstroepen: kleine en beperkte tactische inzet. Maar ondanks die tegenwerking paste de ambitie van Student uitstekend bij het momentum dat spoedig zou ontstaan.

Sprong uit het vliegtuig

Ontplooiing bolparachute

Die ambitie van Student werd nog eens gevoed door het bevel dat hij kreeg om op 15 september 1938 de divisie ‘kampffähig” te hebben. In juli 1938 beschikte Student over de twee bataljons van Bräuer en Heidrich, een bataljon luchtlandingstroepen [onder Oberstleutnant Sydow] en een regiment [IR16] luchtlandingstroepen [onder Oberst Kreysing]. Daar werd een SA regiment [Standarte Feldherrnhalle] aan toegevoegd. Bovendien stelde Göring aan Student een substantieel deel van de Luftwaffe ter beschikking. Een verband van niet minder dan acht groepen Ju-52 [30-36 toestellen per groep in 1938], 12 zweefvliegtuigen [DFS 230], drie groepen aanvalsvliegtuigen en drie groepen jachttoestellen. Dit geheel ontstond niet zomaar. Het had tot doel de Tsjechische verdediging te verrassen. Hitler wilde namelijk Sudetenland herenigen met het Duitse Rijk, en daartoe was de zware Tsjechische kazemattenlinie langs de zuidgrens een geduchte bedreiging. Student kreeg als taak een plan te ontwerpen om die met zijn aanzienlijke verband in de rug te verrassen. Dat was een idee van Adolf Hitler zelf, en bracht de ambitie van Student onverwacht snel tot ontwikkeling.

Het plan leidde in de eerste week van september 1938 tot de eerste grote oefening met luchtlandingstroepen [bij Jüterbog]. Hierbij nam Student zelf deel aan de feitelijke luchtlanding met een DFS 230 zweefvliegtuig. Hij raakte onder de indruk van dit geruisloze transportmiddel en gaf dit enige squadron [staffel] een voorname taak in zijn plannen. Maar eind september 1938 werd in München de bekende ‘vrede’ gesloten met Engeland en Frankrijk, waarbij Sudetenland het wisselgeld betaalde. De plannen voor de eerste inzet van Student’s eenheid kwamen in de koelkast terecht. Echter niet zonder een grote indruk bij Göring achter te hebben gelaten. Student was namelijk zo verstandig geweest de Reichsmarschall uit te nodigen en samen met hem het draaiboek voor de eerder geplande Sudetencampagne in werkelijkheid te zien afspelen. Voor de ogen van Göring ontrolden zich massale luchtlandingen en de afsprong van een bataljon para’s.  Het enthousiasme van Göring vertaalde zich echter desondanks niet direct in tastbare resultaten. Spoedig werden de eenheden namelijk weer gesplitst en vertrokken ze allen weer naar de eigen kazernes.

Opmaat naar de eerste inzet

Oberstleutnant Bruno Bräuer, de eerste die een Fallschirmjäger brevet ontvangen had, werd commandant van Fallschirmjägerregiment 1 [FJR1]. De eenheid bestond toen uit drie volwaardige bataljons, geleid door de beste officieren plus aanzienlijke ondersteunende eenheden waaronder de eerste luchtlandings-artillerie eenheid onder Oberleutnant Schram. Op 20 april 1939 werd zelfs de geheimzinnigheid waarmee de 7e Fliegerdivision – de echte maar als camouflagenaam bedoelde adressering van Student zijn eenheid – omringd was, doorbroken toen twaalf parachutisten compagnieën aan de parade ter gelegenheid van Hitler’s verjaardag meededen onder leiding van Bräuer. Uitgenodigde buitenlanders konden hierdoor aanschouwen dat Hitler een niet onaanzienlijke parachutisteneenheid bezat.

paradrop van een Zug

Para landing

Hoewel Hitler en Göring steeds enthousiaster werden over de grote mogelijkheden die een luchtmobiel korps zou kunnen bieden, was er ook een groeiend verzet tegen de visie van Student en de topmannen in het Derde Rijk. Oberst Bassenge bleef de mening toegedaan dat kleine tactische inzet geprefereerd diende te worden, met name wijzend op de kwetsbaarheid van de licht bewapende troepen. Een prominente steun ontving hij van niemand minder dan de opperbevelhebber van de landmacht, Generaloberst von Brauchitsch, die ronduit negatief was over het nieuwe tactische speeltje van Göring. Letterlijk rapporteerde de opperbevelhebber begin 1939 na het waarnemen van een oefening:

Auf dem Papier und in Planspielen sieht das alles sehr schön aus, aber in der Praxis eignet sich diese Sache nur für ganz kleine Verhältnisse’.

Daar zat geen woord Spaans bij ... En toen Student in een uitwisseling met Von Brauchitsch repliceerde met gefundeerde uitleg, onderbrak de opperbevelhebber hem met de woorden:

Die Sache steckt noch in den Kinderschuhen und ist im gröseren taktischen Rahmen nicht brauchbar. Sie sind eben ein ausgesprochener Optimist, Student!

In juli 1939 werd een eerste grote oefening gehouden in samenwerking met de reguliere landmacht, waarbij Generaloberst von Kluge waarnemer was. De Fallschirmjäger verrasten Von Kluge door een bijzonder handige manoeuvre uit te voeren waarbij de grondtroepen misleid werden met een neplanding [met poppen] in de rug van de landmachteenheden, terwijl aan de andere kant een echt bataljon landde. De parachutisten namen hun tactisch doel vliegensvlug in en brachten Von Kluge onder de indruk.

Rond deze tijd werd ook een divisie uit Bremen, de 22e Infanterie Division, volledig omgeschoold tot een volwaardige luchtlandingsdivisie. Dit waren geen parachutisten, maar militairen die met vliegtuigen zouden worden ingevlogen, wat tegenwoordig een luchtmobiele eenheid zou worden genoemd. Onderdeel van deze eenheid was IR.16, dat al uitgebreid (oefen)ervaring had met luchtlandingen. De 22e ID was oorspronkelijk in de Erste Welle geformeerd op 15 oktober 1935 in Bremen, en werd daarom ook wel de ‘Bremer Division’ genoemd; het was dus een 1.Welle divisie. Toen eind 1939 werd besloten de gehele divisie als een luchtmobiele divisie te scholen, ontstond een geheel van drie luchtlandingsinfanterieregimenten, te weten IR.16 [Oldenburg], IR.47 [Lüneburg] en IR.65 [Delmenhorst] aangevuld met divisietroepen. Vanaf november 1939 heette de 22ste Infanterie Division voortaan 22ste (Luftlande) Infanterie Division. De divisie werd gecommandeerd door Generalmajor [in mei 1940 inmiddels GeneralleutnantGraf Hans von Sponeck.

Het IR.16 was een actief onderdeel van de divisie. Het was al vroeg onderricht in luchtlandingen, en speelde ook een belangrijke rol in het invasieplan voor Sudetenland. Ook in Polen werd dit regiment – versterkt met een batterij van 22 Regiment Artillerie, een compagnie van 22 Pioniere, en diverse kleinere divisieonderdelen – ingezet. Op 12 september 1939 landde men met Ju-52 op het vliegveld Lodz in Polen. De stad was echter al ingenomen door grondtroepen, dus tot gevechten kwam het niet. Onder bevel bij 10.ID vocht het regiment als gewone grondeenheid mee bij gevechten rond de rivier Bzura. De eerste verliezen werden aan de rivier geleden, maar tegelijkertijd werd kostbare gevechtservaring opgedaan.

Met uitzondering van het regiment IR.16, waren de troepen vóór de Poolse campagne nauwelijks geoefend in luchtlandingen. Gedurende de mobilisatieperiode in opmaat naar de Poolse campagne lagen de eenheden – met uitzondering van IR.16 dus – aan het westfront, in de Eifel en het Saargebied. Eind oktober 1939 werd de divisie in haar geheel naar Sennelager verplaatst waar de eerste echte divisievorming plaatsvond voor haar nieuwe doel: luchtlandingen. Door de strenge winter '39/'40 en de diverse gereedstellingen als gevolg van Hitlers vroege ambitie het westen aan te vallen, kwam van een grondige oefening nauwelijks iets terecht. Slechts in de verlading van mensen en materieel kwam men ten dele tot een grondige training. Hierdoor was de eenheid, met uitzondering van de wel uitstekend voorbereide IR.16, niet goed voorbereid op de komende operaties. Kunstgrepen werden toegepast om de bewapening, uitrusting en middelen gereed te krijgen voor luchtlandingsoperaties. Vrijwel alle training en voorbereiding vond plaats in de laatste vijf maanden voor de invasie van het westen, waarbij men door vele alarmen constant werd gehinderd in de oefenprogramma's.

Vlak voor de grote mobilisatie van het Duitse leger, op 26 augustus 1939, beschikte Student over één regiment parachutisten [FJR.1] en een deels niet spronggereed bataljon van FJR2. De andere twee bataljons van het 2e regiment waren nog in opbouw, waarvan een groot deel nog niet eens de eerste sprongen had gemaakt. Het derde bataljon bestond nog slechts op papier en zou pas na juni 1940 worden gevormd. Desondanks ontving de 7e Fliegerdivision aan de vooravond van de invasie van Polen de opdracht zich gereed te stellen als reserve eenheid, waarbij IR.16 – inmiddels onderdeel van de 22e Luftlande Division – als versterking onder bevel werd gebracht. Zij moesten zich verplaatsen richting grens met Polen.

Student had enkele plannen voor paradrops uitgewerkt, maar de parachutisten kwamen niet tot inzet als zodanig. Spoedig zouden diverse eenheden als gewone grondeenheid worden ingezet. En daarbij werden de eerste verliezen geleden. Het moraal, in de geheel uit vrijwilligers bestaande onderdeel, leed sterk door de reguliere inzet en hier en daar waren ferme aanmoedigingen door de officieren nodig om de mannen gemotiveerd te houden. Desondanks leidde de onvrede tot opstandig gedrag onder de parachutisten toen men eind oktober terugkeerde naar de barakken in Duitsland. Hitler maakte Student in een persoonlijk gesprek spoedig duidelijk waarom de para’s in Polen niet waren ingezet. Hij vertelde hem onomwonden dat hij grote plannen had voor de Fallschirmjäger in het westen en dat hij de aanwezigheid van een dit tactische middel niet had willen verraden aan Frankrijk en Engeland voordat zijn doel richting het westen in beeld was.

De inzet in het westen voorbereid

Hitler en Student werkten spoedig diverse inzetmogelijkheden uit voor inzet in het westen. De invasie zou plaatsvinden tegen Luxemburg, België, Frankrijk en het zuiden van Nederland. Tot en met september 1939 waren er plannen geweest voor inzet van de parachutisten bij de bruggen over de Maas en de Samber, alsmede bij Gent [423]. Voor de eerste uitgewerkte invasieplannen – die op 12 november 1939 zouden worden uitgevoerd – werd de inzet uitgewerkt rondom het Albertkanaal in België en het daarbij horende fort Eben-Emaël. Daarnaast moest het zogenaamde ‘Reduit National’ door luchtlandingstroepen en parachutisten worden bezet tot aansluiting van de grondeenheden zou zijn bereikt (1). Bijzonder genoeg was Student vooral voorstander van het laatste, maar achtte hij de inname van Eben-Emaël te ambitieus. Een dag later was Student echter om en selecteerde een van zijn protégé's – Hauptmann Koch, commandant van zijn eerste bataljon [FJR1] – als commandant van de speciale eenheid die de zware taak kreeg het Albertkanaal veilig te stellen.

(1) Het is uiterst curieus dat sommige toonaangevende publicaties en boeken, waaronder het in 2005 uitgegeven 'Mei 1940 - strijd op Nederlands grondgebied', [52] suggereren dat alleen in Nederland serieus werd gekeken naar een majeure luchtlandingsoperatie. Dat is volkomen onjuist en onzuiver, zoals E.H. Brongers al eerder terecht vaststelde. Uit vele bronnen en het Reinberger geval blijkt dat in het najaar van 1939 de inzet van luchtlandingstroepen werd gepland voor het Belgische theater, en daar alleen. Student zelf mijmerde al wel over een inzet in Nederland, maar directieven daartoe zou hij pas veel later ontvangen.

Oud chef-staf van de Luftflotte 2 Generalleutnant Wilhelm Speidel [423] stelde in 1958 in zijn uitgebreide studie heel nadrukkelijk vast dat in oktober 1939 een uitgewerkt operatieplan klaar lag voor inzet van een groot contingent luchtlandingstroepen en parachutisten in het Reduit National in België, met als zwaartepunt Gent en toen ook al als belangrijke component de overval op Eben-Emaël. In november 1939 waren hierover aan diverse instanties duidelijke aanwijzingen gestuurd. Daarnaast was er een uitgebreid plan ontwikkeld voor inzet van parachutisten achter de Maas ter ondersteuning van de landmacht. Eén van die operaties was mogelijk als zodanig doorgezet als niet enige tijd later heel Nederland bij de operatieplannen betrokken was geraakt en daarmee een nog passender inzet voor de luchtlandingstroepen was gevonden. [1560] In het KTB van de Heeresgruppe B staat hoe allerlei legerinstanties de inzet van luchtlandingstroepen ongewenst en uiterst risicovol achtten. Alleen de landingen rond Eben-Emael kregen brede steun.

Door weersomstandigheden werd de invasiedatum steeds weer verschoven en toen het 10 januari 1940 geworden was, zorgde een bijzondere gebeurtenis voor heroverweging van vrijwel alle plannen die voordien waren bedacht. Op weg naar een stafvergadering vloog Students verbindingsofficier – Major Helmuth Reinberger – samen met een majoor-vlieger van de Luftwaffe [Erich Hönmanns] in een Bf-108 verbindingsvliegtuig ongemerkt buiten de geplande route en kwam boven Belgisch grondgebied uit. Reinberger had de bevelsinstructies voor het operatieplan bij zich voor inzet in Zuid-België, waarin de instructies voor de 7e FD in samenhang met de hoofdaanval op België waren beschreven. De plannen voor de landingen bij N (Namur) en G (Gent) waren daarin opgenomen. Bovendien bevatte het plan duidelijke aanwijzingen ten aanzien van een aanval op Nederland (toen nog tot aan Vesting Holland en dus niet geheel). Door motorstoring moest het toestel vlakbij Maasmechelen [Mechelen-aan-de-Maas] noodlanden. Hoewel Reinberger (2) nog trachten de plannen te vernietigen, maakten de hen gevangen nemende Belgische militairen snel het aangestoken vuur uit en brachten de papieren naar een hoger echelon. Hoewel de Geallieerden goud in handen hadden, werden de plannen met veel scepsis ontvangen. Men dacht aan Duitse misleiding. Voor de Duitsers was het echter aanleiding de invasie uit te stellen tot het vroege voorjaar en nadien ook een aanzienlijk gewijzigd operatieplan te ontwerpen.

(2) Major Helmuth Reinberger verdween eerst tot aan de meidagen in het Belgische interneringskamp Huy en werd nadien via het VK naar Canada vervoerd (samen met Major Hönmanns). In de winter van 1944-1945 werd hij onderdeel van een gevangenenruil met de Duitsers. Na op Duitse bodem te zijn teruggekeerd werd hij enige tijd door de Gestapo ondervraagd, maar kort erop vrijgelaten en wederom geactiveerd. De alom in publicaties vermelde berichten dat beide Duitse majoors bij verstek ter dood waren veroordeeld wordt uitdrukkelijk tegengesproken door Herman Götzel [500, blz. 80]. De Vlaamse onderzoeker en auteur Flor Vanloffeld geeft in 'Eerste Duitse adelaar viel te Vught' aan dat beide majoors een slechte gezondheid hadden en om die reden in 1943 [Hönmanns] en 1944 [Reinberger] uitgewisseld werden. Höhnmanns was vervolgens voor het krijgsgerecht gebracht, veroordeeld maar direct verpardonneerd en Reinberger slechts ondervraagd maar niet gerechtelijk vervolgd. Hönmanns zou op 82 jarige leeftijd te Keulen overlijden, Reinberger zijn overlijden is aan auteur dezes onbekend. Het lijkt dus een goed bewaarde mythe dat beide heren door een krijgsgerecht bij verstek ter dood werden veroordeeld, zoals in menig publicatie te vinden is.

Overigens wordt in vrijwel alle publicaties over het geval gemeld dat het gehele operatieplan in Geallieerde handen viel. Dat is onjuist. Het verkregen dossier bevatte in hoofdzaak de details [instructies en orders] van een geplande inzet van parachutisten en luchtlandingstroepen achter de Maas, dat toen voor Student als het Fall Süd bekend stond. Deelplannen waren de plannen N en G. Het plan rond Eben-Emael was geen onderdeel van het door Reinberger meegenomen pakket. Er was ook geen sprake van dat een integraal operatieplan de Belgen in handen viel. Wel bevatte het dossier talloze aanwijzingen rond de manoeuvres, waardoor een voornaam deel van de toenmalige aanvalsplannen door analisten zou kunnen worden herleid. Het aanvalsplan waar het om ging zag nog op een brede Duitse ontwikkeling tegenover de Maas, zwaartepunt in het noorden en de bezetting van geheel Nederland exclusief de Vesting Holland. Het was aldus het 2e plan van chef-staf Halder met verwerking van de Führerweisung 8.

In de tussentijd was er al veel twijfel en afwijzing geweest t.a.v. alle plannen voor het Belgische theater behoudens de actie bij Eben-Emael. De landingen achter de Maas in België en binnen de Belgische hoofdverdediging (Namen, Gent en Antwerpen) vonden geen steun bij de landmacht, omdat deze niet kon en wilde bevestigen dat zij voldoende snel zouden kunnen aansluiten. Echter ook voor het Nederlandse theater waren er allerhande plannen voor inzet met para's en luchtlandingstroepen. Landingen achter de Maas bij Venlo en Roermond, een landing bij Den Oever (westzijde Afsluitdijk), landingen bij Utrecht, direct achter de Grebbelinie, bij Bergen op Zoom en op Walcheren. Het waren allemaal plannen die tot een zekere mate van uitwerking kwamen in het laatste jaar voor de Duitse inval. Ze vielen stuk voor stuk af. Alleen de plannen voor landing bij het Hollands Diep en Dordrecht, ook al in 1939 de revue passerende, zouden stand houden en worden uitgebouwd tot het volwaardige plan dat in mei 1940 zou worden uitgevoerd. Zoals Eben-Emael rotsvast in de Duitse plannen verankerd bleef. Toch zou er voor Student, die graag een verrassingselement wilde behouden, een kink in de kabel komen.

Terwijl de plannen voor inzet in Nederland werden gesmeed, besloot Hitler ineens tot het inlassen van de invasie van Noorwegen en Denemarken. Zijn besluit maakte hij op 3 maart 1940 plotseling kenbaar, maar onstond eigenlijk al in december 1939. Hitler had informatie ontvangen van de inlichtingendiensten dat de Engelsen en Fransen expeditionaire eenheden naar Noorwegen wilden sturen, welke inlichtingen op feiten berusten. Dat was strategisch een groot gevaar. Daarnaast ambieerde de Kriegsmarine open bases om niet vrijwel opgesloten te geraken in de Oostzee, die immers slechts door het smalle Sont en Kattegat - tussen Denemarken en Noorwegen - ontsloten is. Tenslotte was Hitler door de Sovjet aanval op Finland zich bewust geworden van bedreiging van de voor Duitsland cruciale ijzerertsroute. Maar het waren de berichten van mogelijke Britse actie, die Hitler vooral noopten tot snelle bezetting van Noorwegen. Operation Weserübung kwam tot stand als 'Sofort-Fall'.

Tot grote schrik van Kurt Student eiste Hitler een bataljon parachutisten op voor de campagne. Dat betekende voor Student niet alleen opnieuw een onderbreking van de toch al trage opbouw van zijn divisie, maar tevens de ontluikende inzet van zijn wapen. Het zou immers opvallen dat er meerdere compagnieën para's zouden landen en welke tactische waarde zij konden betekenen. Student had echter geen andere keuze dan Hitler trouw te dienen en dus de inzet van para's te ondersteunen.