Gliederung 9.PD

Introductie

De 9e Panzerdivision was in mei 1940 de jongste en [qua aantal tanks] verreweg kleinste Duitse pantserdivisie, ondanks het feit dat de 10e Panzerdivision – qua nummering later echter in organisatie de vierde en in oprichting de zesde pantserdivisie – al volledig (en met twee tankregimenten) bestond en in de Ardennen prominent in actie zou komen.

Bij de samenstelling is enerzijds sterk geleund op de als zeer betrouwbaar geachte werken van Thomas L. Jentz en anderzijds op de voorhanden informatie uit de KTB's (inclusief dossier Anlagen) van 9.PD, XXVI.AK, XXXIX.AK en AOK.18.

SOLL en IST

In onderstaande bespreking worden de termen SOLL en IST meerdere malen aangewend. De SOLL sterkte staat voor de organieke sterkte; IST voor de daadwerkelijke (aanwezigheids) sterkte. Verschillen tussen beide sterkten, die nogal substantieel konden zijn, hadden legio oorzaken. Het kon simpelweg gaan om tijdelijk ontbreken in de sterkte door 3e echelon (of hoger) reparaties van wapens of middelen, detachering van onderdelen en wapensystemen, maar evengoed het niet op organieke sterkte zijn wegens ontbrekende leveringen. Bovendien konden IST sterktes soms hoger zijn dan de SOLL sterkte. Dat gebeurde overigens niet vaak. Meestal werd dit veroorzaakt door organisatorische wijzigingen die nog niet in een nieuwe KSTN – de organiek bepaalde sterkte voor een eenheid – waren doorgevoerd.

Van belang is te weten dat de IST sterkte aangeeft welke mensen, middelen en wapensystemen binnen het beheer van een onderdeel aanwezig waren. Het IST sterkte getal is niet per definitie gelijk aan het operationele sterkte getal, dat regelmatig lager was. Die operationele sterkte werd meestal in de KTB’s bijgehouden. Per dag werden aan de Quartiermeister mutaties gemeld.

Introductie 9.PD

9.Panzer Division was ontstaan vanuit de 4.Leichte Division, die in Wenen in Wehrkreis XVII haar thuis had. Op 3 januari 1940 werd deze lichte divisie echter als laatste der lichte divisies omgebouwd naar een volwaardige pantserdivisie. Volwaardig in de zin van uitgerust met een tankregiment.

Duitsland had aan de vooravond van de Westfeldzug IST 2.498 tanks [exclusief 148 commandotanks] [610] beschikbaar voor inzet in het westen. Daarvan bestond echter het leeuwendeel uit de types PzKfw.I en II., aangevuld met zo’n 350 Tsjechische T-35 en T-38 lichte tanks. Binnen die massa van ca. 2.489 operationele tanks waren slechts 349 PzKfw.III en 281 Pz.Kfw.IV [excl. Panzerbefehlwagen] voorhanden. De tanks werden vrijwel geheel verdeeld over de tien tankdivisies die Duitsland alle tien inzette op 10 mei. Er was geen operationele reserve die achterbleef in die Heimat, anders dan dat de productie doorliep [in totaal volgens Jentz 288 tanks die uit de productieomgeving kwamen tussen 10 mei en 20 juni 1940].

Naar rato van het aantal beschikbare tanks zouden er zo’n 250 per tankdivisie moeten zijn ingedeeld. Dat was niet het geval. De tien beschikbare tankdivisies waren onevenwichtig voorzien van de beschikbare tanks. De eerste zes opgerichte tankdivisies, 1.PD tot en met 5.PD alsmede 10.PD, bestonden uit twee tankregimenten met 270-300 tanks elk, terwijl de vier tankdivisies 6.PD tot en met 9.PD – de uit respectievelijk 1.LD tot en met 4.LD ‘umgegliederte’ divisies – slechts over één tankregiment beschikten. Daar kwam dan ook nog bij dat 7.PD en 8.PD vrijwel geheel bestonden uit lichte T-35 en T-38 tanks, en daarmee in organisatie [negen lichte tank compagnies] en aantallen ook afweken van de overige voormalige lichte divisies.

De verdeling van bewapende tanks zag er als volgt uit [610]:

Panzerdivision I/II III IV T35 T38 PB Totaal
1.PD 150 58 40 0 0 8 256
2.PD 160 58 32 0 0 16 266
3.PD 246 42 26 0 0 27 341
4.PD 242 40 24 0 0 10 316
5.PD 217 52 30 0 0 16 315
6.PD 60 0 31 118 0 14 223
7.PD 102 0 24 0 91 8 225
8.PD 58 0 23 0 116 15 212
9.PD 84 41 16 0 0 12 153
10.PD 157 58 32 0 0 18 265
40.PzAbt 47 0 0 0 0 4 51
SS AA Totenkopf 0 0 0 10 0 0 10
Totaal tanks 1.523 349 278 128 207 148 2.633


De Panzerabteilung (zbV) 40 was een operationele eenheid die in Noorwegen werd ingezet (na aanvankelijk in Denemarken te zijn gebruikt). Nodeloos om dat hier verder te bespreken. De totale sterkte aan tanks - inclusief commandotanks - was 3.465 stuks volgens Jentz [610]. Hiervan waren er dus 2.582 beschikbaar aan het westfront. De overige waren in onderhoud, in reparatie, in opleidingscentra, in Noorwegen (51 stuks) of in (slecht gevulde) Ergänzungseinheiten. Niet geheel duidelijk is waar Jentz de tanks (mee)telde die ingezet werden als pioniertank of munitiesleper.

De eerste drie uit lichte divisies omgebouwde tankdivisies [6.PD, 7.PD en 8.PD] waren alle drie in oktober 1939 in transformatie gegaan. De vierde lichte divisie [9.PD] kwam daartoe pas in januari 1940 in beeld. Het zal de reden zijn geweest waarom 9.PD haar SOLL Stärke van 177 tanks niet bereikt had op 10 mei, en waarom zij de enige tankdivisie was die nog geen Aufklärungsabteiling maar een Aufklärungsregiment – een erfenis vanuit haar 'lichte divisieschap' – had. Daarom was 9.PD evenals de overige voormalige lichte divisies een enigszins afwijkende eenheid.

Een andere uitzonderlijke situatie nam 9.PD in vanuit het feit dat zij als enige tankdivisie voor een aanzienlijk deel uit niet-Duitsers bestond, maar uit Oostenrijkers. De meeste van haar eenheden kwamen voort uit het voormalige Oostenrijkse Bundesheeres.

Panzer Regiment 33

Het PR.33 ontstond op 2 februari 1940. De regimentstaf kwam voort uit de Stab Panzer-Regiment Conze, de 1e Abteilung uit de Panzer-Lehr-Abteilung die tijdens de Poolse veldtocht nog als III.Abtl bij Panzer Regiment 5 had geopereerd.

De 2e Abteilung kwam voort uit de Panzer Abteilung 33 die in juli 1938 in St. Pölten in Oostenrijk was opgericht uit het Oostenrijkse Bundesheeres, waar het tot de 4e Leichte Division had behoord. Oberstleutnant Wilhelm Conze werd de regimentscommandant.

Zodoende was de Oostenrijkse inbreng in het tankregiment aanzienlijk.

Sterkte tankcomponent 9.PD

Voor de navolgende vergelijking is het uitgangspunt geweest de IST Stärke van de Panzerdivisionen volgens Jentz, inclusief Panzerbefehlwagen [610].

De sterkte van het ene tankregiment waarover 9.PD beschikte laat zich het beste vergelijken met de IST Stärke van 6.PD (PR.11, 223 tanks), 7.PD (PR.25, 225 tanks) en 8.PD (PR.10, 212 tanks). 9.PD had 153 tanks. Daarmee was het numeriek de minst uitgeruste divisie.

Daarentegen werden de negen tankcompagnieën (NB: de Duitsers sprake niet van eskadrons maar van compagnieën) van 7.PD en 8.PD in hoofdzaak gevormd door de lichte tanks T-35 en T-38 [Pz.Kfw.III ontbraken, maar er waren wel 24 resp. 23 PzKfw.IV aanwezig], die weliswaar allebei een 3,7 cm kanon als hoofdwapen hadden, maar slechts 20 mm frontaal pantser. In verhouding was de slag- en weerkracht van 9.PD daarom niet zo veel lager dan die, welke zuiver uit de getallen zou spreken.

Aangezien 9.PD in Nederland niet of nauwelijks in gevechten verwikkeld raakte met tanks, noch met een overdaad aan tankbestrijdingsmiddelen, voegt deze kwaliteitvergelijking niet heel erg veel toe. Dat doet zij wel als elders op deze website in een latere fase een uitgebreid 'what-if' scenario zal worden behandeld waarbij de Duitse strategie in het theater van 3.PD, 4.PD en 9.PD zal worden afgezet tegen de Franse strategie bij de inzet van haar eerste drie DLM's, de Franse tankdivisie tegenhangers.

Er kan echter met duidelijkheid worden gesteld dat 9.PD numeriek sowieso de zwakste Duitse tankdivisie was en qua slagkracht tot de zwakste tankdivisies kon worden gerekend. Tijdens de zomer 1940 zouden overigens alle Duitse tankdivisies op een min of meer gelijke sterkte worden gebracht en voortaan allen nog slechts over één tankregiment beschikken.

Sterkte volgens Jentz

De sterkte van met name het tankregiment – PR.33 – van 9.PD is lange tijd inzet geweest van onderzoekingen. In de Complete Guide van Thomas L. Jentz [610], wordt aangegeven dat 9.PD over 153 tanks [141 gevechtstanks + 12 commandotanks] beschikte bij de aanvang van de Westfeldzug. Dat is een IST Stärke. Dat komt in de buurt van de getallen die de Nederlandse auteur E.H. Brongers hanteert (159 tanks) en auteur dezes (150 tanks).

Zoals eerder aangehaald wordt Jentz zijn onderzoek als bijzonder betrouwbaar geacht.

Sterkte volgens E.H. Brongers

De bekende krijgshistorisch auteur E.H. Brongers heeft in zijn onderzoekswerk getiteld ‘Slagorde Duitse Strijdkrachten bij de aanval op Nederland in mei 1940’ [een niet officieel uitgegeven onderzoek] bij de 9e Panzerdivision een sterkteopgave voor de divisie gegeven van 177 [SOLL] en 159 [IST] tanks. Hij baseerde zich daarbij op een ongenummerd matrix overzicht met datum 17 april 1940, kennelijk uitgegeven t.b.v. rapportage aan het General Kommando van XXVI AK Abt. Qu. [Quartiermeisterabteilung], want daaraan geadresseerd [559].

De betreffende matrix geeft een IST (SOLL) sterkte van 30 (37) PzKfw.I, 55 (59) PzKfw.II, 41 (40) PzKfw. III en 16 (24) Pz.Kfw.IV. Deze sterkte van 142 (160) tanks werd aangevuld met 12 (5) PzKfw.I en 5 (12) PzKfw.III commando tanks. Een totaal van 159 (IST) of 177 (SOLL) tanks.

Thomas Jentz komt - ter vergelijking - tot 141 IST tanks in de gevechtseenheden aangevuld met 12 commandotanks. Het onderscheid van slechts één tank bij de gevechtseenheden is te verwaarlozen, echter het verschil van vijf Pz.Kfw.I tanks opvallend bij de commandotanks. Jentz had echter als uitgangspunt de aanvang van de Westfeldzug, ruim drie weken na de telling die Brongers aanhield.

De sterkte die Brongers aanhoudt in zijn ‘Slagorde’ lijkt voor de datum van 17 april, twee weken voor het opmaken van de Kriegsgliederung van 9.PD [1253], zeer plausibel en zonder twijfel een accurate weergave van voorhanden bronnen.

Sterkte volgens auteur

De in de Duitse rapportage en administratieve structuur zo ‘geliefde’ KSTN [Kriegsstärkenachweisung] – het schematische overzicht van de sterkte en organisatie van een eenheid – wordt maar al te vaak als enige bron gebruikt om de exacte samenstellingen van eenheden weer te geven.

Het is echter ervaren onderzoekers bekend dat deze KSTN’s zeer misleidend en inaccuraat kunnen zijn. Dat komt door de wildgroei aan KSTN’s alsmede hun status en implementatiemoment (datum). Soms werden KSTN’s genummerd, vooral als het officiële nieuwe organisatiestructuren betrof die van ‘bovenaf’ werden opgelegd. Een datum op een KSTN hoeft dan niet te betekenen dat dit ook de ingangsdatum van de werkelijke organisatie aanpassing betrof. Ook werden talloze KSTN’s handmatig bijgewerkt. Soms door de Stabsquartiermeister (de bewaker binnen een eenheid van de KSTN en organisatie), maar regelmatig ook door naoorlogse vorsers. Onderscheid is zelden te maken. Zodoende is een KSTN op zichzelf in wezen nooit een betrouwbare bron en dient te allen tijde naar ondersteunend bewijs te worden gezocht.

Dat geldt in veel mindere mate voor KSTN’s die als zogenaamde Kriegsgliederung werden gebruikt. Deze werden altijd aangewend om de rapportage naar hogere commando’s te verzorgen en waren daarom meestal zeer betrouwbaar, omdat ze qua organisatie actueel waren op de datum van afgifte.

Op 1 mei 1940 kreeg de Stab. Abt. Qa AOK 18 van de staf 9.PD een dergelijke Kriegsgliederung toegezonden [1253]. Deze gaf heel duidelijk de samenstelling weer die op 1 mei 1940 voor de 9e Panzerdivision gold. En deze blijkt slechts marginaal af te wijken van de bevindingen van Jentz en Brongers. Enige afwijking is er desondanks, en daarom wordt hier een ‘sterkte volgens auteur’ gegeven.

Duidelijk is dat dit verschil aanleiding geeft voor een afwijkend beeld in Pz.Kfw. II, III en IV. Er waren op 1 mei volgens de Kriegsgliederung (tussen haken Jentz) 57 (54) Pz.Kfw.II, 40 (41) Pz.Kfw.III en 16 (16) Pz.Kfw.IV. Dat beeld leidt voor de vergelijking van deze types slechts tot een verschil van twee tanks met Jentz en één met de 17 april telling van Brongers. Ten opzichte van Jentz is het verschil direct duidelijk, ten opzichte van Brongers veroorzaakt door twee Pz.Kfw.II meer en één PzKfw.III minder.

Feitelijke sterkte tankpotentieel 9.PD

Uiteindelijk leidt de bovenstaande vergelijking ertoe dat geconcludeerd kan worden dat de IST sterkte van de tankcomponent van 9.PD vermoedelijk lag tussen de 153 [Jentz] en 159 tanks [Brongers]. Met de verwezen bronnen voorhanden lijkt dit kengetal betrouwbaar.

Qua slagkracht waren de Duitse tanks beperkt. Hoewel de 9e Panzerdivision zelfs enige van de modernste tanks in haar midden had (zo is er een bewijsstuk dat tenminste één Pz.III Ausf. F vlak voor de meidagen werd geleverd aan de divisie, bouwnummer 61023), waren de tanktypes I en II zeer beperkt in slagkracht. Toch vormden zij de ruggengraat van de divisie. De Pz.I - bewapend met twee mitrailleurs 7,92 mm - en de Pz.II - met een KwK 2 cm kanon en een 7,92 mm mitrailleur - waren bovendien bijzonder kwetsbaar (pantser tot 15 mm dik maximaal) en brachten dus niet veel vuurkracht in het kapittel. De middelzware Pz.III - meestal met een 3,7 cm kanon en mitrailleur, in de modernste uitvoeringen E en F met een 5 cm kanon en mitrailleur - was een prima tank. Deze had aanvaardbare vuurkracht, hoewel deze met een 3,7 cm kanon niet zwaarder was dan bijvoorbeeld die van de Nederlandse Landsverk pantserwagens, die zelfs meer mitrailleurs hadden. De pantsering was echter matig, wat de tank kwetsbaar maakte. De Pz.IV, waarvan men er slechts 16 had in de gehele divisie, had een kort 7,5 cm kanon en één of twee mitrailleurs. De pantsering in mei 1940 was nog ondermaats, maar zou spoedig na de oorlog worden versterkt. Een uitstekende tank, die gemoderniseerd de gehele oorlog dienst zou blijven doen. Bij elkaar genomen waren echter slechts de Pz.III en IV slagwapens. Daarvan bezat de divisie er bij elkaar nog geen 60, die bovendien over twee tankbataljons waren verdeeld. Aangezien de meeste van deze tanks (uitzonderingen waren de laatstgeleverde uitvoeringen) nog zwakke bepantsering hadden, waren ze zeer gevoelig voor alle antitankgeschut, inclusief het tamelijk bescheiden 2,5 cm Hotchkiss kanon van de Fransen. De Pz.I en Pz.II waren op kortere afstand zelfs kwetsbaar voor sterk verouderd geschut als de Nederlandse 6-veld. De 4,7 cm Böhler, het moderne antitankkanon van de Nederlandse strijdkrachten, en het met pantserbestrijdingsmunitie uitgeruste 7-veld, waren wapens die alle Duitse tankbemanningen dienden te vrezen. De pantsers waren niet bestand tegen deze bestrijdingsmiddelen.

Daarmee was PR.33 dus geen sterk tankregiment op 10 mei 1940. Als men nagaat dat 9.PD zich met een slechts enigszins gewijzigde ontwikkeling op het slagveld geconfronteerd had kunnen zien worden met een Franse tankbrigade [van 1.DLM] bestaande uit twee regimenten met elk 44 middelzware S-35 Somua tanks aangevuld met 43 lichte Hotchkiss H-35 tanks (de andere 43 H.35 tanks van 1.BLM waren elders ingezet), dan kan men stellen dat 9.PD in wezen een gevaarlijk kleine tankmacht bezat. Te meer daar geen enkele Duitse tank op middelgrote afstand tegen de Franse S-35 opkon en de PzKfw.I tot en met III het dikke pantser van de S-35 niet eens konden doorboren, behalve (voor de Pz.III) op roepafstand.

De ontwikkelingen op het slagveld waren 9.PD echter extreem gunstig gezind. Ze zouden confrontaties met de sterke S-35 ontlopen en slechts enkele korte aanrakingen met H-35 lichte tanks ervaren. Bovendien is het natuurlijk geen toeval dat de zwakste Duitse tankdivisie bij uitstek in deze sector werd ingezet. Begin 1940 had de 8e Panzerdivision nog de nominatie gehad in het zuiden des lands te opereren. Een eveneens zwakkere Duitse divisie, maar wel met beduidend meer vuurkracht.

De verkenningseenheid van 9.PD

Onder de onderzoekers die de moeite namen de sterkte en samenstelling van 9.PD zorgvuldig onder de loep te nemen is er omtrent de sterkte van de tankcomponent van de 9e Panzerdivision niet zoveel verschil van inzicht. Dat blijkt al uit het voorgaande hoofdstuk. Dat is er echter bepaald anders als het aankomt op de verkenningseenheid van 9.PD.

Zoektocht naar betrouwbare bronnen

In vrijwel alle bekende publicaties (van naam) over de strijd in mei 1940 verzuimen de auteurs een sterktecijfer te geven voor de meeste eenheden, zo ook voor 9.PD. Ook een werk als Mei 1940 – Strijd op Nederlands grondgebied [52] uit 2005 is opvallend non-informatief over zaken als sterkte en uitrusting van eenheden, hoewel men wel gretig afstand nam van auteurs, die eerder in hun kwantitatieve analyse tot overdrijving of uitlichting kwamen [52, blz 32]. Een goede kwantitatieve beschrijving had in voornoemd boek in hoofdstuk 4 moeten worden opgenomen. Men heeft echter besloten geen risico te lopen. Met zevenmijlslaarzen stapt men door deze materie. Men tikt dus anderen corrigerend op de vingers, maar verzuimt zelf te bewijzen. Dat is niet sterk en het is voor een standaardwerk bovendien weinig positief onderscheidelijk dat er geen legenda is met een duidelijke krachtenverhouding.

Sterkte volgens E.H. Brongers

De vooral door de auteurs van Mei 1940 [52] fel bekritiseerde E.H. Brongers heeft wel een krachtenverhouding gegeven en is daarin bovendien een pionier geweest. Hij publiceerde gegevens in zijn boeken en in zijn officieus vrijgegeven 'Slagorde'. Brongers heeft daarmee in beginsel zeer verdienstelijk werk verricht.

Hij kwam in zijn oudere ‘Slagorde’ tot een opvallende sterkte voor de verkenningseenheid van 9.PD. Hij telde – naast lichtere eenheden – drie pantserwagen compagnieën, elk bestaande uit 25 pantserwagens. Per compagnie 10 zware en 15 lichte pantserwagens, zo stelt Brongers. Dat zijn echter verouderde gegevens.

Brongers baseert 'zwaar' op pantserwagens met 2 cm uitgerust, wat een onjuiste adressering is. De lichte pantserwagen SdKfz.222 was immers ook met een 2 cm KwK [Kampfwagenkanone] uitgerust, maar werd als 'leichte Panzerspähwagen' geadresseerd. Desalniettemin is de vaststelling van 10 x 2 cm en 25 x lichte mitrailleur per compagnie congruent met 25 pantserwagens per compagnie, daar de met een 2 cm KwK uitgeruste wagens tevens een MG hadden.

E.H. Brongers zijn telling volgt uit een publicatie van een Oostenrijks Kameradschaft [Kameradschaft der schnellen österreichischen Bundesheeres].

Intussen heeft Brongers, mede op instigatie van auteur dezes, zijn sterkte in een versie '2009' van zijn 'Slagorde' bijgesteld tot twee compagnieën. Dat is accuraat.

Sterkte volgens Fleischer en Eiermann

Het redelijk recent uitgegeven werk ‘Die Deutsche Panzeraufklärer 1935-1945[518] – dat ziet op de specifiek bij gemechaniseerde en gemotoriseerde divisies ingedeelde verkenningsafdelingen – geeft ook een beeld, zij het generiek. Het ging voor de Westfeldzug uit van een SOLL sterkte van 36 lichte en 12 zware pantserwagens per tankdivisie, allen verzameld in de verkenningseenheid.

In correspondentie met auteur dezes gaf één van de schrijvers [Wolfgang Fleischer] echter bij brief van 22 maart 2008 een afwijkend beeld en schetste de oorspronkelijke opzet van de 4e Leichte Division – voorloper van de 9.Panzerdivision – met de 5e tot en met de 7e Kompanie Panzerspähwagen. Volgens Fleischer werd dit pas gewijzigd in augustus 1940. Formeel gezien (SOLL) heeft hij vermoedelijk gelijk, in werkelijkheid (IST) was de wijziging in mei 1940 al doorgevoerd.

Bij de brief zat een KSTN, maar die is 100% zeker van najaar 1940, omdat daarin het tankregiment de sterkte van drie tankbataljons met elk drie compagnieën heeft en de AA.9 volledig bij 59.Kradschützen Batallion is ondergebracht. Die nieuwe indeling van de Duitse tankdivisies is van na de zomer van 1940. Fleischer verbindt echter zijn drie compagnieën pantserwagens uitdrukkelijk met die KSTN door zijn letterlijke woorden in de brief: “Die Ausstattung mit Sd.Kfz ist in KSTN festgelegt. (…) Meine Angaben habe ich den mir vorliegende KSTN entnommen.” Daarmee vervalt Fleischer als betrouwbare bron in deze. Zijn analyse gaat immers mank.

Sterkte volgens Jentz

Thomas Jentz schept in zijn werken ten aanzien van pantserwagens [610, 611] een vrij generiek beeld van de Aufklärungsabteilungen in de tien tankdivisies. Generiek in de zin van ‘standaard’ voor alle tankdivisies. Gemakshalve is het bij gepantserde voertuigen gebruikelijke 'Sd.Kfz.' (Sonder Kraftfahrzeug) bij de onderstaande uitlichting weggelaten, omdat het zeer vaak zou worden herhaald. Men dient die pre-fix er wel voor te denken, als de typenummers de revue passeren. In algemene zin wordt er wel soms van ACV (Armoured Combat Vehicle) gesproken, om een eenduidige titel te gebruiken.

Thomas Jentz gaat uit van een opbouw van de tweede afdeling (PzSp) met een afdelingsstaf (1 x 247 onbew. 6-wiels), een verbindingspeloton (1 x 260, 1 x 261, 1 x 263, allen Funk, alleen 263 met een MG als bewapening) en twee compagnies pantserwagens, elk met een compagniestaf (1 x 247, onbew.), een verbindingspeloton ( 4 x 223 en 1 x 263 8-wl, allen Funk en één MG), een zwaar peloton (3 x 6-wiels 231 en 3 x 8-wiels 232 Funk, allen 2 cm KwK 30 en één MG), een lichte paw peloton (6 x 221, één MG) en een tweede lichte paw peloton (4 x 221 met één MG en 4 x 222 met 2 cm KwK 30 en één MG). Hij komt in zijn bespreking – ten aanzien van ACV's – dus tot een telling van 34 gevechtspantserwagens en 22 Funk pantserwagens (waarvan 17 bewapend).

Een totaal dus van 56 pantserwagens waarvan 34 eerstelijns ACV's plus 17 eerstelijns ACV's met Funk antenne. Hiervan waren er per compagnie tien met een 2 cm KwK uitgerust, en wel de zes zware pantserwagens (231 en 232) alsmede de vier 222’s.

Kort hierbij een beschouwing van de types. De 221, 222 en 231 waren de standaard ACV's. Daarvan was de 4-wiels lichte paw 221 met één MG.34 uitgerust, de 4-wiels lichte paw 222 met een 2 cm KwK 30 en een MG.34 (soms MG.13) en de 6-wiels of 8-wiels zware paw 231 met een 2 cm KwK 30 en een MG.34.

De verbindings-, staf- en commandowagens 223, 232, 247, 260, 261 en 263 waren aangepaste ACV's of standaard ACV's. De 223 en 232 waren AFV's met een raamantenne en dezelfde bewapening als de 221 resp. de 231.

De 247 was een onbewapende ACV, die alleen nog in een 6-wiel versie bestond. De 6-wiel versie was mogelijk in 9.PD aanwezig en kon zes mensen met chauffeur vervoeren. Opmerkelijk is echter dat de 247 voor mei 1940 nog maar in zeer kleine aantallen voorhanden was, zodat auteur dezes enige twijfel bij de aanwezigheid van dit voertuig houdt in IST.

De ACV's 260 en 261 waren in wezen afgeleiden van de standaard 221, waren onbewapend en bedoeld voor de verbindingspelotons bij gepantserde eenheden. De 260 was uitgevoerd met een antenne voor communicatie met vliegtuigen, de 261 met een lange golf zender/ontvanger voor contacten met hoofdkwartieren van divisie en zelfs legerkorps.

De ACV 263 was een zware 6-wiels verbindingspantserwagen (afgeleid van de 6-wiels 232) met een 100 watt zender/ontvanger en als enige bewapening een MG.34 (soms nog MG.13) in de toren. De 8-wielversie hiervan was weliswaar een afgeleide van de 8-wiel 232, echter de toren was verwijderd voor een vast rompantser met daarin een bolvoering voor één MG. Beide zware pantserwagens waren uitsluitend bedoeld voor de verbindingseenheid van gepantserde eenheden.

Sterkte volgens Scherzer's Verlag

Een redelijk betrouwbaar en degelijk ingelichte secundaire bron zijn de uitgaven van Scherzer’s Militaire Verlag 2004. De daarin opgegeven Kriegsgliederung van mei 1940 klopt geheel als het de hoofdlijnen betreft. Divisieonderdelen die naast het 9.Aufklärungsregiment worden behandeld, zijn organisatorisch juist weergegeven, hetgeen een algemeen vertrouwen schept. Over Aufklärungsregiment 9 geeft het overzicht van Scherzer’s Verlag aan dat in februari 1940 de 7e Panzerspäh Kompanie uit de organisatie werd genomen, waarna slechts de 5e en 6e Kompanie resteerden met Panzerspähwagen.

Voorts geeft Scherzer’s Verlag aan dat het regiment bestond uit de 1e Abteilung met drie compagnies Kradschützen, een gemotoriseerde zware wapens compagnie en een gemotoriseerde lichte colonne. Dat lijkt accuraat. De uit de Washington Archives stammende KSTN [US-NARS III H 107] die is bijgeleverd geeft een identieke weergave van de organisatie en samenstelling van 9.Panzerdivision die door auteur wordt aangewend [1253], met twee organisatorische afwijkingen. In de PzJgAbt 50 is in de aangewende KSTN sprake van drie compagnies in plaats van de twee die er in mei 1940 voorhanden waren [de derde was vervangen door FlaAbt. 3./47 met 12 stukken 2 cm FLAK] en de versterking met FlaAbt. 1./94 [aanwezig in mei 1940] is niet opgenomen in die KSTN. Voor het overige – en meer in het bijzonder de samenstelling én uitrusting van AufklRgt.9 – is de KSTN bijna identiek aan die welke door auteur voor meest betrouwbaar wordt aangenomen [1253]. Er is namelijk in de 2e Abteilung sprake van 20 x 2cm KwK en 50 x MG.34 pantserwagenwapens verdeeld over twee compagnies, aangevuld met twee lichte pantserwagens met één MG.34 in het afdelingsverbindingspeloton. Aangezien de 2 cm KwK wagens eveneens een MG.34 hadden betekent dit 52 pantserwagens in totaal.

Sterkte en samenstelling volgens auteur

Auteur baseert zich na een lange voorstudie op de Kriegsglierung van 1 mei 1940 [1235], welke eerder in beeld was bij bepaling van de organisatie en sterkte van PR.33. Later zal uitgelegd worden waarom.

Deze Kriegsgliederung geeft een 1e Abteilung met drie Kradschützen compagnies [met 3 mortieren van 5 cm, 4 antitankgeweren en 18 lichte mitrailleurs elk], een gemotoriseerde Schwere Waffenkompanie [met 3 stukken 3.7 cm PAK, 6 mortieren van 8 cm, 4 stukken 7.5 cm le.IG en één lichte mitrailleur] en een Leichte Kolonne [met 3 lichte mitrailleurs]. Een 2e Abteilung met een staf [één pantserwagen], twee Panzerspäh Kompanies [elk met 10 x 2 cm KwK en 25 MG.34, ofwel 25 pantserwagens: 6 zware en 19 lichte pantserwagens], een verbindingspeloton [met twee lichte pantserwagens met een lichte mitrailleur] alsmede een Leichte Kolonne [met 3 lichte mitrailleurs].

In totaal dus 53 pantserwagens. Ten opzichte van de standaard Gliederung die Thomas Jentz aangeeft een neerwaartse bijstelling met drie pantserwagens. Ten opzichte van Scherzer's Verlag één pantserwagen meer.

Motivatie voor sterkte conclusie

De reden om voor de Kriegsgliederung [1253] te kiezen is als volgt. Alle voorhanden geschreven bronnen met enige autoriteit wijzen op een sterkte van 48-56 pantserwagens bij de verkenningseenheid der pantserdivisies. Hoewel 9.PD in die zin afwijkend was, dat zij nog een Aufklärungsregiment had (in plaats van een Aufklärungsabteilung) is er geen enkele reden aan te nemen dat zij meer dan twee pantserwagen compagnies had.

De gerenommeerde onderzoeker en auteur Thomas Jentz geeft voor de 9e Panzerdivision een sterkte van 56 pantserwagens op, maar voornamer, geeft geen enkele reden om aan te nemen dat 9.PD een grotere verkenningseenheid had dan de andere divisies. Gezien het feit dat 9.PD met afstand de kleinste Duitse tankdivisie was, zou het zelfs onlogisch zijn als ze (met afstand) de grootste AA zou hebben gehad. Des te meer daar het Duitse leger een schreeuwend tekort aan AFV's had, zodanig dat de meeste gemotoriseerde divisies maar één in plaats van twee pantserwagen compagnies hadden.

Karl Theodor von Sponeck – in mei 1940 commandant van SR.11 – gaf in een brief aan auteur en onderzoeker Jan van de Vorm [‘Dordt Open Stad’] bovendien aan dat de Aufklärungsabteilung in mei 1940 uit twee pantserwagen compagnies bestond. Je zou zeggen dat hij het zou moeten kunnen weten, hoewel dit soort geheugenverklaringen heel goed door de tand des tijds kunnen zijn aangetast.

Het is ook wenselijk te kijken welke bronnen de auteur zijn keuze voor de Kriegsgliederung van 1 mei 1940 tegenspreken en wat de waarde van die bronnen is.

Vooreerst is er daar E.H. Brongers, die zijn sterktesamenstelling lijkt te baseren op een publicatie in de circulaire van de Kameradschaft der schnellen österreichischen Bundesheeres inzake de 9e Panzerdivision. Deze Kameradschaft is al lange tijd geleden opgeheven en is niet voortgezet in een andere organisatie. Auteur dezes heeft vergeefs getracht in Oostenrijk response te krijgen. De betrouwbaarheid van dit soort organen is zeer wisselend. Auteur dezes bezit tamelijk veel informatie over de meidagen van Kameradschaften, en de ervaring leert dat het ene bericht betrouwbaar is, het andere niet. E.H. Brongers gaf in een reactie aan auteur aan heilig te geloven in deze bron, maar is inmiddels overstag ten aanzien van twee compagnieën pantserwagens (i.p.v. drie).

Een indirecte aanwijzing dat er toch een 7e Compagnie was op 10 mei 1940, is de sneuvelregistratie van Gefreiter Josef Kubert die op 11 mei te Erp zou zijn overleden als lid van de 7e Kompanie van 9.Aufklärungsregiment. Aannemelijk is echter dat - zoals bij veel gesneuvelden is gebleken - de registratie van de manschappen beduidend achter lag bij de snelle organisatieveranderingen, en dus de oude structuur van het Aufklärungsregiment nog bestond. Een andere verklaring is een onjuiste registratie van de gesneuvelden registers. Overigens is de bekende inventarisatie van die gesneuvelden [32] door E.H. Brongers opgesteld ...

Deze twee zaken zijn de enige twee die in het voordeel spreken van drie PzSpKp’s [3 x 25 paw]. Als kritische kanttekening daarbij dient echter heel nadrukkelijk te worden gesteld dat de aanwezigheid van 75 pantserwagens in één tankdivisie zo uitzonderlijk zou zijn geweest, dat het dan uiterst merkwaardig is dat het nergens in de literatuur noch de meest waardevolle bronnen [KTB’s, Gefechtsberichte, Anlagen] als zodanig is vermeld. Zelfs de beide voorhanden verslagen van 9. Aufklärungsregiment [554] geven geen enkele vermelding van het aantal compagnies noch het aantal pantserwagens.

Sterker nog, de KTB van 9.PD [552] spreekt zelfs slechts over 24 pantserwagens in 9.PD en verwijst dan naar AA Vichytil. Er is in het gehele KTB [inclusief Anlagen] van 9.PD geen enkele verwijzing te vinden die naar andere pantserwagens dan AA Vichytil verwijst. Aangezien Oberstleutnant Vichytil de commandant van 9.Aufklärungsregiment was, is het niet geheel onlogisch voor dit regiment naar AA Vichytil te verwijzen. Daarom is het zelfs nog mogelijk dat op het laatste moment zelfs maar 24 pantserwagens voor 9.PD voor handen waren.

Hoewel auteur dezes de aanwezigheid van slechts 24 pantserwagens niet erg aannemelijk acht, en dus van 53 pantserwagens blijft uitgaan, moet ook deze mogelijkheid niet onbenoemd blijven voor een evenwichtig beeld. Overigens zij daarbij nog wel aangetekend dat er vermoedelijk nog enige pantserwagens, zeker verbindingswagens, elders in de divisie waren gebruikt. Fotomateriaal van 9.PD in Nederland doet namelijk sterk de suggestie wekken dat staven enige pantserverbindingswagens gebruikten. Deze zijn vrijwel zeker gebruikt naast de organieke sterkte van de verkenners.

Schützenbrigade

De bij 9.PD ingedeeld gemotoriseerde infanterie kwam voort uit het Oostenrijkse Bundesheeres. Beide regimenten hadden hun oorsprong in de Oostenrijkse 1e Division, waar ze ‘Wiener Infanterieregiment 2 Alt Starhember’ [SR.10] en ‘Burgenländ Feldjäger Battalion 2’ [SR.11] hadden geheten. Ze werden in 1938 in de Wehrmacht opgenomen waarbij de namen in Kavallerie-Schützen-Regiment veranderden. De in mei 1940 bekende Schutzenregimenten 10 en 11 waren in januari 1940 ontstaan vanuit die Kavallerie Schützen Regimenten 10 en 11 die voordien in de 4.Leichte Division waren opgenomen. Zij werden in januari 1940 in de Schützenbrigade 9 [Oberst Wilhelm von Apell] ondergebracht.

De Schützenbrigade 9 bestond in mei 1940 dus uit twee regimenten, SR.10 en SR.11. Er was bij aanvang van de Westfeldzug nog geen sprake van dat deze eenheden al de Panzergrenadiere waren die zij later (in 1942) zouden worden. De invoering van de halfrups pantservoertuigen van het type SdKfz.251 was nog nauwelijks aan de orde in de Duitse tankdivisies. Het gros der Schützen werd anno mei 1940 in vrachtwagens vervoerd en was daarmee dus niets meer dan gemotoriseerde infanterie.

De ontwikkeling in Duitsland van licht gepantserde voertuigen die de infanterie mee met de tanks kon laten optrekken [ACV's/AFV's], was zeer traag verlopen. Een pantserwagen moest in staat zijn een Gruppe of Schwere Waffen Trupp te vervoeren. Hieruit volgden de lichte troepenpantserwagen Sd.Kfz.250 [12 mm frontaal pantser, 8 mm zijde: 6 man transport en een MG.34] en de middelzware Sd.Kfz.251 [12 mm front, 8 mm zijden; 12 man transport en één of twee MG.34]. Hiervan werd de Sd.Kfz.250 tenslotte als commando en verkenningsvoertuig ingezet [hoogstens incidenteel bij 9.PD] en de Sd.Kfz.251 vooral als Panzergrenadierwagen, maar tevens in allerlei bijrollen als Befehlswagen of gemechaniseerde PAK. Niet bij 9.PD overigens.

De Sd.Kfz.251 werd pas vanaf augustus 1939 geproduceerd. In 1939 kwam de productie niet boven de 550 stuks en bovendien was een groot deel niet van pantserstaal maar van gewone ijzeren platen voorzien. Deze 550 kwamen allen sowieso niet bij 9.PD aan. In het jaar 1940 werden er tot en met april 1940 nog slechts 120 Sd.Kfz.251’s gebouwd. Ze werden verdeeld over acht tankdivisie's, waar meestal slechts een compagnie voorzien werd van deze pantserinfanterie middelen. De 3e en 9e Panzerdivision bleven tot en met de Westfeldzug volledig verstoken van de Sd.Kfz.251 [611].

Er is daarom alle reden aan te nemen dat SR.10 en SR.11 in mei 1940 volledig werden vervoerd met vrachtwagens. Slechts de zware compagnies waren voorzien van halfrups trekkers, maar dit waren over het algemeen Sd.Kfz.10. Deze hadden geen primaire gevechtsfunctie, maar fungeerden als trekker voor het geschut en vervoer van de geschutsbemanning. Er was dus voor 9.PD tijdens de Westfeldzug geen sprake van pantserinfanterie, zoals zo vaak abusievelijk in publicaties (of slagorden) vermeld, maar van mobiele infanterie.

Sterkte en samenstelling Schützenregiment

De Schützenregimenten waren – net als hun Nederlandse equivalenten [Regiment Wielrijders] – beduidend kleiner dan een regulier infanterieregiment. Ze bestonden slechts uit twee bataljons terwijl grote ondersteunende eenheden buiten de bataljons – zoals de 13e [IG] en 14e [PzJg] Kompanie bij de reguliere infanterieregimenten – ontbraken. Daarvoor in de plaats had ieder bataljon een Schwere Waffen Kompanie, welke als de 4e en 8e Kompanie werd aangeduid. Zes van de Schützenregimenten in de Heer hadden bovendien een gemechaniseerde sIG Kompanie met zes stukken 15 cm Schwere Infanteriegeschütz op Pz.I affuit. Voor 9.PD was dit sIG.Kp.701.

Ieder regiment had een regimentsstaf, een verbindingspeloton, een peloton motorrijders en een kleine lichte colonne (regimentstrein met twee MG.34).

De bataljons bestonden uit een staf, een gemotoriseerd pionierspeloton [Zug, met drie Gruppen met elk een MG.34], drie compagnies Schützen en een zware wapens compagnie. De reguliere Schützenkompanie had de beschikking over 18 lichte mitrailleurs [per Gruppe één le.MG-34, twee bij de compagniestaf], 4 middelzware of zware mitrailleurs en drie lichte mortieren van 5 cm. De Schützenkompanie bestond uit vier Züge met elk vier Gruppen. Voor iedere Gruppe was een vrachtauto [LKW] beschikbaar. Om de gehele compagnie met Kompanietrupp, Pionierszug en zware wapens te vervoeren waren circa 25 vrachtwagens noodzakelijk.

De vierde compagnie in elk van beide bataljons was de Schwere Waffen Kompanie. Deze was eveneens geheel mobiel en had alle ondersteuningswapens in haar gelederen die normaliter in de Schwere Kompanie, IG Kompanie en Panzerjäger Kompanie waren vertegenwoordigd. Van die drie zelfstandige compagnies was één gecomprimeerde compagnie gemaakt, die de directe ondersteuning voor het gehele bataljon moest verzorgen.

Deze Schwere Waffen Kompanie bestond uit twee pelotons met 7,5 cm Le.IG (infanteriegeschut) met elk twee stukken, een peloton Pz.Jgr met drie stukken 3,7 cm PAK en een MG.34 en een peloton Schwere Granatwerfer met zes mortieren van 8 cm. De vier infanterievuurmonden werden door Sd.Kfz.10 getrokken, de PAK’s door LKW’s of een Sd.Kfz..

De sterkte van de bataljons lag rond de 800 man. Deze bataljons hadden dus ieder 58 lichte mitrailleurs, 12 zware mitrailleurs, 9 lichte mortieren van 5 cm, 6 zware mortieren van 8 cm, drie stukken 3,7 cm PAK en vier stukken 7,5 cm infanteriegeschut.

Panzerjägerabteilung

De Panzerjägerabteilung 50 – tot vlak voor de meidagen Panzer Abwehr Abteilung 50 geheten – was ontstaan uit de Infanterie-Kanonen-Abteilung 3 uit de 3.Division in het Oostenrijkse Bundesheeres. Het was organiek uitgerust met drie compagnies met ieder 12 stukken 3,7 cm PAK.

Op de Kriegsgliederung van 9.PD [1235] staan echter maar twee compagnies PAK 3,7 en is de derde compagnie vervangen door een compagnie 2 cm FLAK/30 op Sd.Kfz.10/4 halfrupsen. Uit het KTB van 9.PD [552] blijkt eveneens dat er geen 3./PzJgAbt.50 was, maar daarvoor in de plaats FlaAbt 3./47.

Op 10 mei 1940 had PzJgAbt.50 [Hauptmann Wichemann] dus twee gemotoriseerde compagnies met elk 12 stukken 3,7 cm PAK (plus zes MG.34’s] en een compagnie van FlaAbt 3./47, met 12 stukken gemechaniseerd 2 cm FLAK/30.

Als versterking was eveneens voorhanden een Heeres eenheid met drie compagnies met ieder 12 stukken gemotoriseerd 3,7 cm PAK, gevormd door PzJgAbt.543. Deze eenheid was op 11 mei aangesloten bij de Gruppe Sponeck. Overigens net als een batterij van Fla.Abt/94 dat over vier stukken 8,8 cm beschikte.

Artillerie

9.PD had een zwakke zelfstandige artillerie, die slechts bestond uit twee afdelingen met gemotoriseerde 10,5 cm houwitsers FH.18. Alle tankdivisies hadden slechts twee afdelingen met lichte veldhouwitsers, aangevuld met een ‘vreemde’ derde afdeling zware houwitsers. Dat gold zelfs voor de als elite te boek staande 1.PD. Die autonome artilleristische zwakte gold dus voor alle tankdivisies tijdens de Westfeldzug. En daar was een verklaring voor.

Gemechaniseerd geschut

Hoewel vrijwel alle publicaties over de Westfeldzug in binnen- en buitenland pretenderen dat het Duitse leger zich uitmuntend had voorbereid voor het fenomeen Blitzkrieg, is in werkelijkheid niets minder waar. Wat dat betreft zijn de werkstukken – tot stand gekomen na grondig onderzoek en analyse – van Oberst Dr. Karl Heinz Frieser welhaast verplichte ontnuchterende literatuur [503, 517]. De geaccelereerde bewegingsoorlog van mei en juni 1940 was in feite pas werkelijk ontworpen in het voorjaar van 1940 en uiteindelijk geoptimaliseerd – in haar uitvoering – door operationeel handelen van enkele bevelhebbers te velde. Van een goed voorbereid offensief – laat staan een goed daarop voorbereid leger – was geen sprake.

Duitse progressieve tankstrategen als Von Manstein en Guderian hadden al in eerdere jaren aangegeven dat naast ‘eingegliederte’ gemechaniseerde infanterie, voldoende en krachtige (gemechaniseerde) artillerie essentieel zou zijn om de zelfstandige slagkracht van tankformaties sterk te vergroten. Hun doel was al veel eerder dan in 1940 – toen Hitler om hem moverende redenen opeens geporteerd raakte van hun ideeën – om tankdivisies te bundelen en van dynamische autonome slagkracht te voorzien. Het feit dat men om gemechaniseerde lichte en middelzware artillerie vroeg was om deze met de voorste gelederen te doen laten optrekken. Aangezien dat ‘optrekken’ in de aard van de Duitse visie op de bewegingsoorlog regelmatig zou plaatsvinden door vijand-gedomineerd gebied, moesten vuurmonden niet alleen zelfstandig (dat wil zeggen ‘niet getrokken’ ofwel ‘self-propelled’) maar ook ‘onder pantser’ zich kunnen verplaatsen. Door ongepantserde of slechts licht gepantserde voertuigen getrokken artillerie zou zowel te kwetsbaar zijn tijdens die verplaatsing als te traag zijn in de ontplooiing. Zelfstandig gepantserde vuurmonden zouden veiliger met de tanks kunnen optrekken alsmede min of meer direct vanuit hun positie vuursteun kunnen geven.

In mei 1940 was er echter nog nauwelijks iets gerealiseerd van die noodzaak gemechaniseerd geschut te produceren. In feite zouden de Duitsers er de gehele oorlog niet in slagen voldoende gemechaniseerd geschut te produceren om de tankdivisies en overige mobiele legeronderdelen goed te voorzien. Erger was dat de schaarste in mei 1940 van modern geschut in het Duitse leger, het Rüstungsamt ertoe had verleid de tankdivisies slechts van schaarse ondersteuning te voorzien ten faveure van de hogere Welle infanteriedivisies, die ook om modern geschut schreeuwden. Immers, vanaf de Dritte Welle beschikten infanteriedivisies vaak nog over oude vuurmonden zoals de FK.16, FH.16 en de zware FH.13. De tankdivisies beschikten over voldoende vuurkracht middels de middelzware tankcompagnies, zo redeneerde men. Een misvatting van formaat, wat opleverde dat na de capitulatie van Frankrijk de evaluatie door tankdivisiecommandanten consequent uitwees dat men het tot absolute noodzaak rekende dat de moderne tankdivisie over voldoende zelfstandige en gemechaniseerde batterijen zou beschikken voordat een volgende veldtocht zou worden ondernomen.

Er was tijdens de Westfeldzug slechts één type gemechaniseerde artillerie voorhanden, en dat was de Bison I [Sd.Kfz.101]. Dat was een Schwere Infanteriegeschutz vuurmond van 15 cm [sIG.33] gemonteerd op een onderstel van de Pz.Kfw.I-B met een 10 mm stalen hoekig schild ter bescherming van de bediening. Een zeer gekunstelde tijdelijke oplossing, want dit voertuig kon niet eens de vijf noodzakelijke bedieningsmanschappen meevoeren, en slechts vier (!) ladingen aan boord meenemen. Een deel van de bediening met extra munitie reed mee op een vrachtwagen of halfrups. Uiteindelijk waren er op 10 mei slechts 38 van deze Bison’s beschikbaar, die verdeeld waren over de zes rijdende afdelingen aangeduid als sIG (Sf) 701 tot en met 706. Iedere afdeling had de beschikking over zes van deze Selbstfahrlafettes. Deze zes afdelingen vormden het geheel aan gemechaniseerde artillerie in die periode. Alle overige artillerie die behoorde tot (of toegevoegd werd aan) mobiele eenheden, was door Schleppers (halfrupsen) of LKW’s (vrachtwagens) getrokken artillerie.

In wezen was de Bison I echter niet eens een door Guderian en Manstein bedoeld type gemechaniseerd geschut. Het was immers als ondersteuning voor de Schützen Regimenten bedoeld, terwijl de tankregimenten juist sterk behoefte hadden aan directe vuursteun van artillerie. Te meer daar men de Franse suprematie in het middelzware en zware tanksegment vreesde. Het betekende dat er in mei 1940 geen eerstelijns artilleriesteun zou zijn voor de tanks. De tien tankdivisies trokken dan ook op zonder dat zij van adequate vuursteun waren voorzien. Hun tanks moesten het werk vrijwel geheel zelfstandig opknappen, slechts zijdeling ondersteund door Panzerjägerabteilungen.

Artillerie in en bij 9.PD

Dat laatste ging dus ook op voor AR.102, het eigen artillerieregiment van 9.PD. Dat bestond bovendien uit slechts twee afdelingen met lichte houwitsers FH.18 en miste de derde afdeling met 15 cm houwitsers FH.18. De beide aanwezige afdelingen bestonden elk uit drie batterijen met ieder vier stukken, allen getrokken door lichte halfrups trekkers, vermoedelijk type Sd.Kfz.6/1, mogelijk ook Sd.Kfz 7.

Deze Sd.Kfz.6 halfrupsen waren 5-tons trekkers waarvan er in mei 1940 ca. 2,000 voorhanden waren. Ze waren speciaal ontworpen artillerie te trekken, hadden een flinke trekkracht en waren wegens de rupsbanden goed te gebruiken in zwaar terrein. Op straatwegen konden ze 45-50 km per uur halen met een maximaal bereik van 300 km (op de weg). Bovendien konden ze een redelijk rantsoen munitie meevoeren alsmede 8-15 zitplaatsen bieden (afhankelijk van het meegevoerde rantsoen munitie). De 8-tons Sd.Kfz.7 middelzware trekkers – waarvan er ook circa 2,000 voorhanden waren in mei 1940 – hadden grofweg dezelfde prestaties als de Sd.Kfz.6, waren technisch enigszins betrouwbaarder, maar een beperkter bereik.

Dat 9.PD aan 24 vuurmonden van 10,5 cm ruimschoots onvoldoende artilleristische vuurkracht had, is duidelijk. Dat werd ook bij het AOK 18 gerealiseerd. De divisie kreeg daarom versterking toegewezen van enkele onderdelen die officieel buiten haar verband bleven, maar wel (middels een toegevoegde artilleriestaf, Artillerie Regimentsstab 785) onder haar operationeel bevel kwamen.

Onder het bevel van de divisie kwam de afdeling sIG.701 met haar zes gemechaniseerde 15 cm stukken. Deze hadden echter een zeer kort bereik [4,600 m] en waren dus geen werkelijke vervanging voor de derde afdeling met 15 cm FH.18 die 9.PD miste. Bovendien waren de sIG afdelingen zoals gezegd vooral bedoeld als directe ondersteuning voor de uiterst zwak bewapende Schützen Regimenten.

Daarnaast de lichte batterij van de tweede afdeling gemotoriseerde zware artillerie [Gemisschte Artillerie Abteilung II/677] bestaande uit 4 houwitsers 10,5 cm FH.18. Een extra batterij (drie stuks) gemotoriseerde 15 cm houwitsers [15 cm Kanone 39] van Artillerie Batterie 698 – een zware versie [12 ton] van Krupp van de 15 cm FH 18 vuurmond – die een maximaal bereik van 25 km (!) kon halen. Deze vuurmonden werden echter in twee of drie delen vervoerd en waren daarmee niet snel inzetbaar. En tenslotte een lichte FLAK afdeling (le FLAK abt. 94] met 18 stuks FLAK 2 cm en 6 stuks FLAK Vierling 38 lafetten (2 cm), alsmede een batterij met 9 stukken 3,7 cm FLAK en vier kleine zoeklichten.

Bovendien kon men middels coördinatie met XXVI.AK nog inzetten een grote gemotoriseerde gemengde zware FLAK afdeling [I./Flak-Regiment 49, Major Runge] met drie batterijen met elk vier stukken 8,8 cm FLAK alsmede twee batterijen met in totaal vermoedelijk 12 stukken van 2 cm en 6 FLAK Vierling 38 (2 cm) lafetten. Ook werd op 11 mei 1940 de zware FLAK afdeling II./241 ter beschikking gesteld op afroep. Deze kende eenzelfde samenstelling als I./49.

Deze aanvullende vuurkracht was niet onaanzienlijk, hoewel ze vooral op FLAK zag. Aangezien de voorgenomen operationele plannen echter voorzagen in het opsplitsen van 9.PD in drie marscolonnes die op redelijk grote afstand van elkaar verwijderd zouden opereren, werd de slagkracht aanzienlijk verdeeld. Die verdeling wordt duidelijk gemaakt in de besprekingen van de oorlogsdagen zelf. Daarbij zal duidelijk worden dat de zware FLAK afdelingen tijdens de strijd niet in samenwerking met 9.PD zouden optreden. Ze was eventueel ter beschikking geweest, maar is dus niet aangewend.

Totaal aan artilleristische vuurkracht

Het totaal aan artilleristische vuurkracht dat 9.PD snel kon aanwenden zag er als volgt uit.

Er waren 24 vuurmonden van 10,5 cm (FH.18) in eigen gelederen. Vier stukken van de gemotoriseerde lichte batterij van II./AR.677 waren eveneens toegevoegd.

Aan 15 cm [FH.18] zware houwitsers had men 8 vuurmonden van AR.629 en 3 stukken van 15 cm uit de toegevoegde zelfstandige batterij 698, die de zware Turkse exportversie had van de FH.18 [15 cm Kanone 39] met een extra bereik.

Met enige vrijheid mag men de zes stukken gemechaniseerd sIG.33 ook aanduiden als een artilleristische component, zij het voor nabij vuursteun. Normaliter worden de sIG vuurmonden in artilleristische tabellen echter niet opgenomen omdat zij een zeer kort bereik hadden en in wezen tot infanteriegeschut behoorden.

Aan vlakbaangeschut annex FLAK had men 12 stukken 8,8 cm ‘on call’ onder tactisch bevel van XXVI.AK vanuit I./FLAK Regiment 49 [in de eerste fase op 11 mei echter bij Gruppe Apell]. Bovendien nog 12 stukken 8,8 cm van II./241, eveneens in het achterland op afroep.

De lichtere FLAK behoorde niet tot de artilleristische wapens.

Als men het bovenstaande weegt naar voorhanden geschut, dan kan men zonder meer vaststellen dat 9.PD niet erg sterk was t.a.v. artillerie. Haar autonome artilleristische kracht was beperkt met 24 lichte houwitsers en de direct voorhanden ondersteuning kon in wezen niet veel meer dan het gemis aan een organieke derde (zware) afdeling compenseren. Slechts de aanwezigheid van stukken 8,8 cm inzetbaar als vlakbaan geschut vergrootte de vuurkracht, zeker als tot verdediging tegen vijandelijke tanks zou moeten worden overgegaan. Ze waren echter niet in de eerste echelons voorhanden.

Mankracht

De sterkte in mankracht van 9.PD is onzeker. Deze wordt dan ook onder voorbehoud gegeven.

Volgens een KSTN van vlak na de Westfeldzug – nog voor de reorganisatie van de tankdivisies – had de divisies 14,600 man. Die samenstelling ontstond uit een bewapeningsopgave van 9.700 geweren, 4.511 pistolen en 400 pistoolmitrailleurs.

De hiervoor gebruikte KSTN was in elk geval qua samenstelling van de eenheden nog vrijwel identiek aan die voor de 10e mei, zij het dat er inmiddels meer tanks waren (37 x Pz.III, 8 x Pz.IV extra). Men mag er dus vanuit gaan dat in die fase een aantal meer manschappen aanwezig waren dan in mei 1940.

De schatting van de sterkte van 9.PD op 10 mei komt dan ook op 14,000 tot 14,500 man.