Luftlande Division

Inleiding

In dit hoofdstuk wordt gekeken naar de sterkte en samenstelling van de 22.Luftlande Infanterie Division, officieel genoteerd als 22.(LL)ID, alsmede aanverwante zaken.

Voor de samenstelling van de sterkte van de eenheden van 22.ID is als volgt te werk gegaan. Leidend – voor zover mogelijk – zijn geweest de KTB [401-404] en het Erfahrungsbericht [400] alsmede de KStN Fliegende Staffel 1939/1940 [434] met als vermoedelijk meest betrouwbaar de verladingsplanning van december 1939 - april 1940 [477]. Daarnaast zijn de gevechtsberichten van IR.16 [410, 411] aangewend ter veificatie. Ook is een vergelijk gemaakt met de standaard indeling, bezetting en bewapening van een reguliere Erste Welle divisie. Met name het zeer gedetailleerde Verladeplan [477] heeft veel informatie opgeleverd. Informatie die - voor zover verificatie mogelijk bleek - heel accuraat blijkt te zijn.

Het hoofdstuk geeft eerst inzicht in de specifieke voorgeschiedenis van de eenheid en bovendien wordt het luchttransport besproken. Er zijn veel zogenaamde ‘primaire bronnen' van werkelijke betrokkenen, zoals de verantwoordelijke c.q. betrokken officieren [420, 421, 422, 423], de onderdelen zelf [400-404], vliegers [Kameradschaft Ehemaliger Transportflieger, 430], Luftwaffe [477] en daarnaast afgeleide bronnen, die in dit geval nauwelijks als leidend konden worden gebruikt. Er is buitengewoon veel vertrouwen bij auteur dat de gegevens omtrent 22.ID in luchtlandingssamenstelling zeer betrouwbaar zijn gereconstrueerd.

In een subhoofdstuk wordt de samenstelling, bezetting en bewapening van 22.ID uitgebreid bekeken.

22.(LL)ID: voorgeschiedenis

Op de geschiedenis van de luchtlandingstroepen als 'nieuw' tactisch wapen is elders al ingegaan. Maar 22.ID had als Heer onderdeel zelf ook een voorgeschiedenis.

De divisie stond bekend als de 'Bremer Division' [wegens haar oorsprong gebied in de eigen Wehrkreis], en was onderdeel van de tweede officieuze - maar eerste officiële - uitbreiding van Das Heer. De eerste uitbreiding van de Versaille basis was al heimelijk in 1934 vorm gegeven door de uitbouw van 7 naar 21 complete infanteriedivisies. De tweede uitbreiding betekende een volgende toename van de landmacht met 15 infanteriedivisies, waaronder de 22e ID, die dus als eerste van de derde basisserie divisies zou worden opgericht onder de zogenaamde Erste Welle. Die oprichting werd officieel op 15 oktober 1935 verricht binnen Wehrkreis X [Hamburg]. Als basis fungeerde het infanterieregiment no. 16 [IR.16] uit Oldenburg samen met de rijdende artillerie afdeling 6 [AR.6]. Ook werden onderdelen van de Noordduitse Landespolizei in de divisie opgenomen. In het najaar van 1935 werden tenslotte IR.47 uit Hamburg en IR.65 uit Bremen toegevoegd. De divisietroepen werden geleidelijk opgebouwd.

Toen de divisie uit de Heer organisatie werd gehaald en naar de Luftwaffe kwam als luchtlandingsdivisie [per februari 1939 onder bevel van Generalleutnant Hans Graf von Sponeck], was aanvankelijk alleen IR.16 als zodanig omgevormd. De bewapening en uitrusting van deze eenheid wijzigde zich en dit regiment oefende met regelmaat in samenspel met de Ju-52 transporttoestellen van KGzbV1. Pas eind 1939 werd de rest van de divisie - inclusief de beide andere infanterieregimenten - tot luchtlandingsdivisie omgeschoold. Die specifieke omvorming zou echter nauwelijks tot wasdom komen wegens de strenge winter en de vele alarmen.

[400] Inzet was geweest de manschappen van alle luchtlandingseenheden zodanig te onderleggen dat zij met alle wapens - inclusief ondersteuningswapens - om konden gaan. Daarnaast de specifieke eigenschappen van geïsoleerd opereren in stedelijk gebied: nabijgevechten, straat- en huisgevechten, stoottroeptaken en sabotage- en hindernistechnieken. Daarbij zou heel veel aandacht gegeven worden aan nachtgevechtstechnieken. Er dienden bovendien FLAK en artillerie manschappen specifiek geoefend te worden in het gebruik van Oerlikon en Bofors alsmede 7-veld geschut. Zodoende kon men deze wapens voor eigen inzet aanwenden. Het is slechts bekend dat een batterijbezetting geoefend was in het gebruik van de Bofors 4.tl stukken en die waren ook nog eens van de Luftwaffe geleend [400]. Deze stukken stonden echter nergens in de omgeving van de geprojecteerde inzet. Wellicht anticipeerde men op de Britse aanwezigheid. In het Britse leger was de Bofors de standaard AAA vuurmond voor de landmacht.

De samenstelling van de divisie [9 gevechtsbataljons] was intussen aanzienlijk gewijzigd. Een en ander betekende dat op 9 mei 1940 slechts zo'n 8,500-9,000 man onderdeel uitmaakten van het luchtlandende verband. De rest zou achterblijven in Duitsland onder de allesomvattende naam Erd Staffel. Die beperkte omvang was echter niet zo zeer ten koste gegaan van de gevechtseenheden, maar vooral van de veel bescheidener ondersteuningseenheden. Kortom, de infanteristische gevechtskracht op korte termijn [lees: voor kortdurende inzet] was nauwelijks aangetast met uitzondering van de artilleriecomponent waar evident - wegens vervoerbaarheid van middelen door de lucht - flinke concessies moesten worden gedaan.

Tijdens de operatie Fall Weiss [Polen] werd van de divisie alleen IR.16 ingezet. Hoewel het regiment in eerste instantie een reserve eenheid was, werd zij spoedig alsnog ingezet en vocht - en onderscheidde zich - bij gevechten rond de rivier Bzura [zijrivier van de Wisla - in het Duits Weichsel genaamd, centraal Polen] waar in de tweede week van september harde gevechten werden gevoerd. Hierna werd het regiment - dat gevoelige verliezen had geleden - teruggetrokken. Eind oktober werd de gehele divisie voor het eerst bij kamp Sennelager [bij Paderborn] samengebracht voor een gezamelijke voorbereiding op luchtlandingsinzet.

Een vreemde eend in de bijt - althans voor de inzet in mei 1940 - was het van 46.ID overgekomen IR.72 [Karlsbad]. De 46.ID was de laatste van de zogenaamde Friedensdivisionen, en was in november 1938 opgericht. Het hele regiment was als reserve eenheid aan de 22.ID toegevoegd [vermoedelijk pas in maart of april 1940]. De eenheid was praktisch gezien niet geschoold in luchtlandingsinzet. Het eerste bataljon van IR.72 is op 11 en 12 mei daadwerkelijk ingevlogen op Waalhaven en ingezet op het Eiland Ysselmonde alsmede rondom Dordrecht. Er zijn aanwijzingen [vooralsnog alleen uit de registratie van Duitse gesneuvelden] dat ook de 6e compagnie van IR.72 werd ingezet, maar evenzo is de mogelijkheid reëel dat het hier interne omzettingen naar compagnieën van het eerste bataljon betrof.

Operatieplan 22.ID en 7.FD

De voorbereide luchtlandingsoperatie voor het theater in Nederland bood de 22.ID een prominente rol naast de kleine 7.FD parachutistendivisie. Over het geheel voerde Generalleutnant Kurt Student het bevel. Operationeel echter was Student vooral de gevechtsleider over het zuidelijke front tussen Rotterdam en Moerdijk, terwijl de commandant [Generallleutnant Graf von Sponeck] van 22.ID - hoewel operationeel ondergeschikt aan Student - het bevel voerde over het noordelijke inzetgebied. De plannen waren zodanig dat 22.ID het plandeel rond de Residentie was toegewezen en 7.FD het deel tussen Rotterdam en Moerdijk. Er vond echter een uitruil plaats. In ruil voor vijf compagnieën parachutisten ter ondersteuning van de operatie rondom Den Haag, kreeg 7.FD een van de drie regimenten van 22.ID - het meest geoefende IR.16 - onder haar hoede met ondersteuning van 1/3 deel van de divisie ondersteunende eenheden.

De gevechtstroepen van 22.ID zouden dus voor tweederde worden ingezet rond de stad Den Haag en het overige deel zou landen bij Rotterdam. In totaal waren de divisie drie landingslocaties rond Den Haag en twee bij Rotterdam toegewezen. Grof gezegd zou IR.16 bij en in Rotterdam landen, IR.47 bij Valkenburg en IR.65 bij Ockenburg en Ypenburg. Ockenburg was een bijzaak en zou slechts een klein contingent parachutisten en luchtlandingstroepen ontvangen. De divisie ondersteunende eenheden werden over beide fronten verdeeld en voor 2/3 deel aan de sector Den Haag toegewezen. Het IR.72 met 1./Pi.Btl.88 was als regiment - althans haar drie bataljons - als reserve aangewezen en kon als zodanig circa 1,700 man extra leveren aan de inzet in Nederland.

Voor Ypenburg gold dat IR.65 [min drie compagnieën], divisie ondersteunende eenheden en divisiestaf zouden moeten landen op het vliegveld, die vooraf zouden worden gegaan door I/FJR2 [min haar derde compagnie]. Bij elkaar zo'n 3,250-3,500 man, waarvan echter een aanzienlijk deel ondersteunende eenheden. Op Valkenburg zou 6./FJR2 landen, gevolgd door het gehele IR.47 voorzien van divisie artillerie, luchtafweer en een logistieke groep. Zo'n 2,900 man. Op het kleine Ockenburg zouden slechts 3./FJR2 en drie versterkte compagnieën van IR.65 landen. Dat waren ongeveer 750 man [Duitse bronnen spreken soms van 1,050 man; gezien de voorziene vier compagnieën met enige versterking komt dat getal onwerkelijk hoog over en kan eenvoudigweg niet juist zijn].

Diverse Nederlandse publicaties overdrijven de te landen troepencontingenten. Zo stellen de auteurs van het meest recente werk 'Mei 1940 - strijd op Nederlands grondgebied', [52] dat er bijna 5,000 man op Ypenburg, 3,300 op Valkenburg en 1,050 op Ockenburg zouden landen. In totaal 9,250 man. Dat is een overdrijving.

De gevechtssterkte van een regiment LL troepen was maximaal rond de 2,100-2,200 man [400-404, 434, 477]. Dat van een bataljon parachutisten ca. 560 man. Er zou op Ypenburg een aanzienlijk contingent ondersteuningseenheden landen. Daarmee is het maximum dat voorzien zou zijn 3,500-3,750 man en beslist geen bijna 5,000 man. Voor Valkenburg geldt een minder grote overdrijving. Op Valkenburg zouden maximaal 2,900 man landen en geen 3,300. Voor Waalhaven werden geen cijfers genoemd door de auteurs.

Feit is dat 22.(LL)ID de beschikking had over in totaal maximaal 8,500-9,000 man voor luchtlandingsinzet [434, 477]. 7.FD had zo'n 3,250-3,500 man beschikbaar voor Nederland. Maximaal hadden er dus zo'n 12,500 man kunnen landen in heel Nederland, met uitzondering van tactische reserves [waarvan tenminste een deel van IR.72 op Waalhaven was ingepland [500] of eventueel aanvullingen uit de Erd Staffel. Aangezien voor Waalhaven circa 2,750 man luchtlandingstroepen gepland stonden en - met inbegrip van de parachutistenlandingen elders aan het zuidfront - 2,500 man aan parachutisten, komt men voor Waalhaven werkelijk rond de 5,250 man aan geplande inzet. Die 2,750 man plus de door andere auteurs gesuggereerde 5,000 van Ypenburg, 3,300 van Valkenburg en 1,050 van Ockenburg zou op een totale sterkte van ruim 12,000 man LL uitkomen en ruim 15,000 man inclusief parachutisten. Die sterktes waren dus beslist niet beschikbaar, wat duidelijk maakt dat de cijfers in 'Mei 1940 ..' [52, hoofdstuk 6] en andere publicaties niet accuraat zijn. Op basis van de zeer uitvoerig en betrouwbaar onderbouwde berekening door auteur komt men wel in de buurt van de 12,500 beschikbare troepen bij 22.ID en 7.FD [zonder reserves]. En daarbij geldt dan ook nog eens dat dit ten aanzien van 22.ID een SOLL Stärke betreft, waardoor dat cijfer beslist hoger is dan het cijfer van de daadwerkelijk inzetbare troepen. Voor 7.FD is het een sterkte die op daadwerkelijk inzetbare manschappen is gebaseerd.

Een maximale beschikbaarheid van rond de 12,500 man [exclusief IR.72] kan men ook op een andere wijze benaderen. Als men nagaat dat de oorspronkelijke transportplanning er vanuit ging dat men met acht Kampfgruppen - bestaande uit 420 toestellen - drie maal volledige retourvluchten zou maken [tweemaal op de eerste en eenmaal op de tweede dag van de invasie] en dat men gemiddeld ongeveer 9 man per toestel vervoerde - inclusief dus de vluchten met zwaarder materieel die met name in de tweede en derde Welle werden ingevlogen - dan komt men op 11,600 man die tijdens die drie golven ingevlogen konden worden. Overwegende dat tenminste een bataljon van IR.72 naar Waalhaven zou worden gevlogen volgens de planning en men die moet optellen bij de sterkte van 22.ID, lijken die getallen consistent met de sterktebereking van de in te zetten eenheden die middels sterkteberekening per onderdeel werd bereikt [zie het volgende hoofdstuk]. De lezer dient zich bewust te zijn van het feit dat men dacht met ca. 40-50 toestellen de verliezen te kunnen opvangen. Er werd op gerekend dat de corridors richting vliegvelden alsmede de velden zelf zo goed als vrij van luchtafweer zouden worden gemaakt en de Nederlandse luchtmacht uitgeschakeld zou zijn in de eerste uren. Men rekende er dus op met 430 toestellen constant te kunnen blijven vliegen met een uitvalpercentage van 10% op twee vluchten (de derde telde immers niet mee qua uitval). Daarvoor waren de 40-50 reserve toestellen beschikbaar. Kortom, men rekende met 1,290 sorties. Buitengewoon optimistisch ...

Bij Rotterdam waren drie landingslocaties voorzien. Midden in de stad bij de Maasbruggen, bij het Feyenoord stadion en op Waalhaven. De eerste landingsgroep was een speciaal gevormde Luftwaffe eenheid die met 12 [of 15] He-59D watervliegtuigen [KGrzbV108] zou landen op de Nieuwe Maas, vlakbij de Maasbruggen, en daar de kern van 11./IR.16 zou afzetten met behulp van meegevoerde rubberboten. Een kleinschalige parachutistenlanding zou worden verricht bij het Feyenoord stadion. Daar zou een Zug van III/FJR1 landen. Deze moest zich voortvarend richting Noordereiland vechten om aldaar de kleine compagnie van IR.16 bij te staan.

Bij vliegveld Waalhaven zouden de overige drie compagnieën van III./FJR1 landen om de vliegveldverdediging neer te slaan. Als eerste onderdeel van 22.LD zou dan III./IR.16 landen dat direct Rotterdam-Zuid zou moeten intrekken samen met toegewezen pioniers van 2./Pi22. Hierna zou van 7.FD de divisiesstaf en het contingent divisietroepen landen, inclusief Student en zijn staf. Vervolgens zouden I./16.IR en II./16.IR landen en de bezettings- en verdedigingsmacht [onder Oberst Hans Kreysing, C.IR.16] vormen van het bruggenhoofd en zich taaksgewijs verdelen over het Eiland Ysselmonde en een deel van het Eiland van Dordrecht. Tenslotte werd het tweede bataljon [min 6/FJR2] van FJR2 ingevlogen. Deze eenheid zou zich als taak gesteld zien om bij de reserve van Student te worden ingedeeld. Versterkingen zouden als laatste worden ingevlogen, waaronder desbenodigd onderdelen van IR.72, waarvan het eerst bataljon sowieso al op 10 mei zou worden ingevlogen als de planning daartoe ruimte bood. Daarbij ook - indien noodzakelijk - de vertegenwoordiging van het Fallschirmjäger Ergänzungsbatallion waarvan echter op 10 mei 1940 nog slechts één compagnie paraat was.

De zuidelijke inzetgroep - door Gruppe Süd - zou bij Moerdijk en bij Zwijndrecht / Dordrecht landen. Deze bestond uit I. en II./FJR1, met de regimentstaf onder leiding van de plaatsvervangend 7.FD divisiecommandant Oberst Bräuer. Enkele ondersteunende eenheden zouden deels direct met de para's afspringen [Sanitätskompanie 7.FD], een ander deel zou op Waalhaven worden ingevlogen. Doel was de bruggen bij Moerdijk en Dordrecht vast in handen te krijgen, deze voor vernietiging sparen en een bruggenhoofd ter verdediging in te richten. Het eerste bataljon [min twee compagnies] zou bij Tweede Tol landen, met als voornaamste taken de beveliging van de rijksweg en het wegnemen van Nederlandse verzetshaarden in en rond Amstelwijk, terwijl het tweede bataljon aan weerszijde van de Moerdijkbruggen landen. Eén compagnie van het eerste bataljon was uitgetrokken voor landing nabij de bruggen over de Oude Maas bij Dordrecht.

De totale verplaatsing van troepen zou in theorie in drie Wellen [golven] plaatsvinden. Daarbij was de Erste Welle operationeel reeds ingedeeld. KGzbV1 zou voorop gaan en de parachutisten afzetten. Vlak daarna zou de KGzbV2 in de sector arriveren en de luchtlandingstroepen doen landen. Volgens schema zou dan tussen 0900-1200 uur Nederlandse tijd de tweede golf arriveren, die door de veilig teruggekeerde transporttoestellen zou worden verzorgd. In de vroege ochtend van de tweede oorlogsdag zou de derde golf invliegen. Men ging er vanuit dat de circa 40 Ju-52 van de KGrzbV5, die op 10 mei ingezet werden voor de sleep van de gliders van de Sturmabteilung Koch [en de dropping van 80 para's] bij het Albertkanaal, de verloren gegane Ju-52 in Nederland zouden kunnen vervangen. Zodoende zou een operationeel verband van 6-8 Kampfgruppen beschikbaar blijven. Dat zou leiden tot 3 x 430 Ju-52 vluchten en dus een totaal van 1,290 vluchten. Duidelijk is dat het onwerkelijk was met slechts 1.290 vluchten te rekenen. Dat getal was eenvoudigweg ontoereikend. Het roept vragen op die echter niet beantwoord kunnen worden.

Luftwaffe ondersteuning

Kern van de Luftwaffe ondersteuning bij de operaties in Nederland was de massale inzet van de transportvloot. Met uitzondering van een niet onaanzienlijk contingent transportvliegtuigen in Noorwegen, had Nederland de twijfelachtige eer het gros van die vloot tegen zich gekeerd te krijgen. Er was in eerste instantie een transportvloot van Ju-52 toestellen beschikbaar van 430 stuks. Deze waren verdeeld over acht Kampfgruppen, die op hun beurt in twee Geschwaders waren ingedeeld. Voor het Belgische theater waren nog eens 50 Ju-52 gereserveerd, waarvan het gros bij de aanval op het fort Eben Emael zou worden ingezet. Nadien zouden zij beschikbaar komen om boven Nederland verloren gegane toestellen te vervangen, zodat de beide KG's op volle operationele sterkte [215 toestellen elk] zouden kunnen blijven.

De luchtlandingstroepen en parachutisten zouden in drie golven worden overgebracht naar het westen van Nederland. De eerste golf was de zwaarst bezette qua manschappen. Daarin zouden vrijwel alleen de infanteristen en parachutisten worden overgevlogen. In de tweede en derde golf werden de meeste ondersteunende gevechtstroepen en de ondersteunende staftroepen gepland. Die twee fasen zouden relatief minder mensen transporteren en meer middelen. In de eerste fase was daardoor de gemiddelde bezetting hoog. Toestellen die de infanterieonderdelen vervoerden hadden gemiddeld [dus inclusief de enkele toestellen met meer middelen dan mensen] 12 manschappen aan boord, die voor parachutisten 10 man (2). In die eerste golf zaten uiteraard ook toestellen met materieel, en dus een lagere bezetting manschappen. In de tweede golf zouden de meeste van de gevechtsondersteunende eenheden meevliegen, zoals de panzerafweercompagnies, de IG companies en de artillerieafdelingen. Ook pioniers met motoren, verbindingseenheden met zwaardere radio's, brancards en medicijnen voor de geneeskundige troepen en overige middelen der ondersteuningseenheden. In de tweede en derde golf daalde de gemiddelde bezetting met manschappen van de toestellen dan ook aanzienlijk. Zo vervoerde een Ju-52 met een stuk 7,5 cm houwitser slechts twee of drie manschappen.

(2) Nota bene: een toestel dat alleen een infanteriecontingent of parachutistencontingent vervoerde had 14 respectievelijk 12 man aan boord. De toestellen met bijvoorbeeld staven of gevechtsondersteunende onderdelen hadden iets of beduidend minder mensen aan boord. Het gemiddelde daarvan komt voor de gevechtseenheden uit op de getallen die in de tekst zijn gegeven.

Nachschubbombe

Uiteindelijk betekende het gehele operationele plan voor de Luftwaffe dat alleen al voor transportvluchten met mensen en hun middelen niet minder dan een 1,290 vluchten zouden worden gemaakt. Met een gemiddelde bezetting van 9 man per toestel [daar komt het gemiddelde op neer van alle vluchten], betekende het dat er niet meer dan 11,600 man zouden kunnen worden overgebracht in 2 dagen tijd. Met die manschappen al de wapens en het materieel dat behoorde tot de divisieorganisaties en bedoeld was te landen. Naast die bijna 1,300 vluchten zouden voorts honderden bevoorradingsvluchten worden gevlogen met munitie voor alle wapens, reserve wapens, voedselrantsoenen, geneeskundige pakketten en zelfs brancards voor de parachutisten. Die bevoorrading gebeurde slechts deels met Ju-52, want ook He-111 en Ju-88 werden voor dit doel ingezet, hoewel zij niet geschikt waren de standaard Behalter af te werpen. Zij wierpen de zogenaamde 'Nachschubbombe' af, een bomvormige container, die in de praktijk ongeschikt bleek omdat de parachutes middels droppen door de bomluiken vaak niet of slechts deels ontplooiden. Desalniettemin vroeg ook deze inzet veel vliegtuigen en bemanningen.

Uit de logistieke planning van de transportvloot bleek overigens de onderschatting van de Nederlandse luchtverdediging en de overschatting van de operatiesuccessen in de eerste uren. Men ging er vanuit dat het eerste deel van de Erste Welle landing - de parachutistendropping - en de voorafgaande lucht-grondaanvallen zo succesvol zouden verlopen dat de luchtverdediging in de aanvliegcorridors en bij de vliegvelden spoedig zou zijn uitgeschakeld, net als de zwakke Nederlandse luchtmacht. Bovendien rekende men op snelle successen op de grond, zodat ook de Nederlandse grondverdediging voor de transporttoestellen nagenoeg ongevaarlijk zou zijn. Hoe sterk men daarop rekende blijkt uit het feit dat zelfs de Derde Welle met acht volbezette Kampfgruppe werd gepland. De van het Belgische front vrijkomende 40-50 Ju-52 zouden - zo redeneerde men - de gevallen gaten in de gelederen wel kunnen aanvullen. Een buitengewoon optimistische kijk op de zaak natuurlijk, maar desalniettemin een gegeven.

Oberst Fritz Morzik

Bij alle vier de Nederlandse vliegvelden [Ockenburg zou als enige niet gebombardeerd worden] zouden de luchtlandingstroepen worden vooraf gegaan door Luftwaffe aanvalsvliegtuigen - die tegen de installaties, luchtafweer en verdediging zouden ageren - en de parachutistenbataljons [of compagnies] van 7.FD die de lokale verdediging zouden uitschakelen. De parachutisten en luchtlandingstroepen werden ingevlogen door 430 Ju-52 die eerlijk verdeeld waren over KGzbV1 [Oberst Morzik] en KGzbV2 [Oberst Conrad]. KGzbV1 zou in de eerste aanvalsgolf de parachutisten afzetten, terwijl de KGzbV2 voor de luchtlandingstroepen het vervoer zou verzorgen.

De bevelen, uitvalsbases en vervoerde eenheden wijzigden zich tot op het laatste moment. Zoals eerder gezegd: bronnen - zelfs primaire bronnen zoals betrokken commandanten en personen van gedropte eenheden - zijn over veel uitvalsbases en doelen niet eenduidig. Er werd dan ook van auteur gevraagd om te herleiden vanuit divergerende broninformatie. De lezer dient zich dan ook bewust te zijn dat onderstaand overzicht indicatief is en beslist niet foutloos hoeft te zijn. 

De gegevens voor KGzbV1 en KGzbV2 - beiden voorzien van circa 215 toestellen - voor de Erste Welle zagen er als volgt uit:

Eenheid Commandant Basis Doel Onderdeel
Onder staf KGzbV1 Obst Morzik Dortmund Tweede Tol Reg.Staf FJR1
I./KGzbV1 Maj Witt Werl Dordrecht I./FJR1
II./KGzbV1 Maj Drewes Dortmund Moerdijk II.FJR1
III./KGzbV1 Hptm Zeidler Güntersloh Waalhaven III./FJR1
IV./KGzbV1 Maj Beckman Münster-Loddenh. Ypenb. / Ockenb. I./FJR2
Onder staf KGzbV2 Obst Conrad Lippspringe
I/KGzbV172 Hptm Krause Paderborn Waalhaven IR.16 min 1 cie
KGrzbV9 Maj Janzen Lippspringe Ockenburg IR.65
KGrzbV11 Hptm Hornbach Lippstadt Valkenburg IR.47
KGrzbV12 Oblt Wilke Störmede Ypenburg IR.65
KGrzbv108 (He-59D) Hptm Schwilden Bad-Zwischen. Rotterdam 11./IR16

Er zijn een aantal zaken nadrukkelijk nog in onderzoek:

  • KGzbV172 was de eenheid die ontstond uit het overnemen van de Lufthansa vloot. Zowel vliegtuigen als vliegers waren vrijwel geheel uit de Lufthansa afkomstig.
  • Er is veel verwarring onder bronnen t.a.v. de afzet van 3.FJR1 bij Dordrecht. Dit wordt toegeschreven aan I.KGzbV1, II.KGzbV1 en I./KGzbV172.
  • Ten aanzien van de dropping bij Tweede Tol is onzekerheid over de werkelijk ingezette (eenheden) vliegtuigen.
  • Er dient nog geverifieerd te worden welke eenheid door de Stabsstaffel van KGzbV2 - vijf Ju-52 - is ingevlogen.

 

22.ID »