Gliederung 254.ID en 256.ID

Introductie

De meest prominente infanterie divisies die in het zuiden van Nederland optraden waren de beide in XXVI.AK opgenomen 4.Welle divisies 254.ID en 256.ID alsmede de SS Verfügungstruppe Division. De eerste twee worden in dit artikel besproken; voor de SS VT Division is een apart artikel gereserveerd.

Andere divisies die in hun kielzog optraden en grotendeels buiten spel bleven de eerste oorlogsdagen, waren de 3.Welle divisies 208.ID en 225.ID. De nog tegen de Peel-Raamstelling agerende 30.ID en 56.ID behoorden aan het 6e Leger toe en zouden spoedig hun doelen in België zoeken. Zij speelden geen hoofdrol in het Nederlandse theater, hoewel daarmee hun inzet vanzelfsprekend niet gebagatelliseerd moet worden.

De Vierte Welle divisionen 254.ID en 256.ID

Zoals in de aanhef al duidelijk gemaakt waren de beide divisies die hier beschreven worden, zogenaamde Vierte Welle divisies. Deze lichting was 14 divisies groot en werd gestalte gegeven enkele dagen voor de inval in Polen. De eerste divisie van deze vierde lichting was 251.ID, de hoogste 269.ID [259, 261, 264, 265, 266 behoorden niet tot de Vierte Welle].

De Vierte Welle eenheden werden grotendeels opgebouwd rond de overdadig gevulde Ergänzungs Einheiten van het parate veldleger. Daardoor konden in alle Wehrkreisen met uitzondering van Köningsberg [WK.I, het huidige Kaliningrad] snel 14 nieuwe divisies worden opgebouwd, die spoedig gemobiliseerd én ingezet zouden kunnen worden. Dat gebeurde dan ook met beide divisies die hier worden besproken, die reeds halverwege september in de actieve reserve werden ingebracht. 254.ID kwam in de Eiffel te liggen, 256.ID in Bohemen.

Deze 4.Welle divisies waren v.w.b. kwaliteit vergelijkbaar met de B-type Franse divisies en de hoogste Nederlandse infanterieregimenten. Ze bestonden slechts voor een zeer beperkte deel uit (jong) actief personeel (9%) – grotendeels kader – en voor het overgrote deel uit 2e reserve (46%) en 1e Landwehr (24%). Het overige deel was van de 1e reserve (21%). Dat betekende dat de gemiddelde leeftijd binnen de divisie rond de 35 jaar lag en voor de eerstelijns gevechtseenheden rond de 30 lag. De 2e reserve manschappen waren oudere reservisten met een beperkte militaire opleiding, terwijl de 1e Landwehr bestond uit militairen die vaak nog in WOI hadden gediend en zodoende reeds veertigers waren. Vrijwel alle Landwehr reservisten hadden tussen 1918 en 1939 geen uniform gezien, laat staan enige oefening meegemaakt. Dat was immers een gevolg van de beperkingen van het Versailles traktaat.

De bewapening van de 4.Welle divisies was zeer pover. Het steeg niet uit boven de Franse B-type of Nederlandse hoge regimenten. Slechts een uitzondering voor de vier afdelingen veldartillerie (aan Nederlandse zijde was dat variërend, aan Franse zijde bij B-type divisies slechts twee of drie afdelingen veldartillerie) en een relatief sterk contingent pantserafweergeschut.

De 4.Welle divisies bestonden organiek uit 15,019 man, vrijwel identiek aan de 2.Welle divisies met hun organieke 15,273 man. Ze hadden 491 officieren, 2.165 onderofficieren en 12,264 manschappen. Daarnaast nog 99 Beambten [semi-militaire functionarissen in non-com functies]. Qua totale bewapening kwam men op 10,807 geweren, 343 lichte mitrailleurs en 114 zware mitrailleurs. Vergelijkt men die getallen bijvoorbeeld met een 3.Welle divisie [zoals 207.ID, 208.ID, 225.ID en 227.ID waren], dan ziet men daar 17,901 man, 11,423 geweren, 559 lichte mitrailleurs en 150 zware mitrailleurs. Substantiële verschillen in het nadeel van de 4.Welle divisies dus.

De drie regimenten in de 4.Welle divisies werden als volgt genummerd. Alle regimenten kregen een nummer vanaf 450, waarbij de 4 de Welle aangaf. Het eerste regiment kreeg hetzelfde volgnummer als de divisie [dus bij 254 ID werd dat 454.IR] zodat Welle en Wehrkreis direct duidelijk waren, terwijl het tweede regiment en derde regiment willekeurig – dat wil zeggen ‘onlogisch’ – genummerd werden tussen 459.IR en 500.IR (daarbij 500.IR niet inbegrepen).

De artillerieregimenten hadden over het algemeen het regimentsnummer dat gelijk was aan het divisienummer, 254.ID had AR.254, 256.ID dus AR.256. Met de zware afdelingen – bij de infanterie meestal de 4e Afdeling – werd echter flink geschoven.

De sterkte van de 4.Welle Infanterie Divisionen was organiek 15,019 man, waarbij zij werden gespiegeld aan de 2.Welle divisies waaraan zij met uitzondering van infanteriegeschut (twee pelotons minder) vrijwel identiek waren. Qua motorisatie waren de 4.Welle divisies nog slechter af dan de 2.Welle en 3.Welle eenheden. Dat gold evenzo voor paarden en karren. In beide gevallen had een 4.Welle divisie ongeveer 10-20% minder dan een 2.Welle divisie. Deze divisies waren dan ook – met uitzondering van tros en artillerie – grotendeels op verplaatsing per benenwagen toegewezen. Ook in dat opzicht kon de vergelijking met Franse B-type divisies en de hoogste Nederlandse regimenten infanterie worden volgehouden.

254.ID

De 254e Infanterie Division [Generalleutnant Walter Behschnitt, op 30 april 1940 aangesteld als C-254.ID] werd in Wehrkreis VI – Münster – op 26 augustus 1939 opgericht. Daartoe werd niet minder dan de helft van de Ergänzungseinheiten van deze Wehrkreis ‘eingegliedert’.

Het Ergänzungsbatallion van IR.18 vormde de basis voor IR.454, Erg-Btl IR 58 vormde IR.474 en Erg-Btl IR.37 de basis voor IR.484. Het Erg-Btl IR.79 werd over alle drie de regimenten verdeeld. Zodoende werd meer dan een derde van de nieuwe gevechtseenheden door Ergänzungseinheiten gevormd. Het overige deel van de Ergänzung reservisten werd in de divisietroepen geplaatst.

AR.254 was opvallend genoeg geheel homogeen intact op 10 mei 1940, een unicum. In de meeste Dritte en Vierte Welle divisies waren de zware en gemotoriseerde (IVe) afdelingen uitgewisseld met andere eenheden en waren daarvoor in de plaats oudere en/of ongemotoriseerde (dat wil zeggen, met paardentractie uitgeruste) zware afdelingen voor teruggekomen. Zo niet bij 254.ID dat over drie afdelingen met elk 12 stukken 10,5 cm FH.18 beschikte en een gemotoriseerde zware afdeling met 12 stukken 15 cm FH.18. Modern geschut dus.

De drie infanterieregimenten werden elk gevormd door drie bataljons plus regimentstroepen. Ieder regiment had een regimentstaf, een verbindingspeloton en een pionierspeloton (met drie MG.34’s).

Ieder bataljon bestond uit drie tirailleur compagnies met ieder slechts 9 lichte mitrailleurs alsmede een zware wapencompagnie met 12 zware mitrailleurs [vaak nog de oudere watergekoelde Spandau 08/15] en slechts één mortier van 8 cm. Lichte mortieren en pantsergeweren ontbraken geheel.

De IG Kompanie [13e Kp] had de beschikking over zes stukken le.IG.18 van 7,5 cm en twee stukken sIG.33 van 15 cm. De PzJgKp [14e Kp] beschikte over veertien gemotoriseerde stukken PAK 3,7 cm en vier MG.34's. Daarnaast had het regiment een verkenningspeloton (te paard of per fiets) en een kleine regimentstrein [Leichte Kolonne]. Panzerwagens [AFV's] ontbraken organiek. 

Zodoende was de vuurkracht van een infanterieregiment van 254.ID (die exemplarisch was voor de 4.Welle eenheden) niet bijzonder groot. Met 88 lichte mitrailleurs, 36 zware mitrailleurs (meestal Spandau 08/15), 3 mortieren van 8 cm, 8 stukken IG en 14 stukken PAK 3,7 cm een bewapening die – met uitzondering van het infanterie- en pantserafweergeschut – (relatief) gelijk was aan die van de hoge Nederlandse regimenten en wezenlijk zwakker dan de 1., 2. en 3.Welle eenheden van Das Heer.

De PzJgAbt waren voorzien van 36 stukken PAK 3,7 cm en 18 lichte mitrailleurs. De afdeling was geheel gemotoriseerd.

De Aufklärungsabteilung was mobiel. Het bestond uit een staf met een gemotoriseerd verbindingspeloton, twee Kradschützen compagnies [met negen lichte en twee zware mitrailleurs elk], een gemotoriseerd peloton met twee stukken le.IG.18 7.5 cm en een gemotoriseerd ondersteuningspeloton met 3 stukken PAK 3,7 cm en een lichte mitrailleur.

Naast deze gevechtseenheden waren er de standaard verzorging- en stafeenheden.

De afdeling pioniers  bestond uit twee ongemotoriseerde pionierscompagnies met ieder negen lichte mitrailleurs, een gemotoriseerde pionierscompagnie – met eveneens negen lichte mitrailleurs – en een pionierstrein.

De gemotoriseerde Nachrichtentruppe bestond uit een peloton radioverbindingstroepen, een peloton telefoonverbindingstroepen en een kleine verbindingstrein.

Daarnaast waren er de Nachschubdienst, bestaande uit drie paarden getrokken colonnes en drie gemotoriseerde colonnes, een compagnie aanvoertroepen, een compagnie onderhoudstroepen en een compagnie middelgrote tankwagens. Bovendien een geneeskundige eenheid – vrijwel geheel gemotoriseerd – met een ongemotoriseerde geneeskundige compagnie en een gemotoriseerde geneeskundige compagnie, twee ambulance compagnies en een mobiel noodveldhospitaal.

De overige kleine ondersteuningsdiensten zijn weinig relevant in deze. Ze blijven dan ook onbesproken.

256.ID

De 256e Infanterie Division [Generalmajor Gerhard Kauffmann, werd C-256.ID op 10 januari 1940] werd in Wehrkreis IV – Dresden – opgesteld op 26 augustus 1939. Ook bij deze divisie vormden in (en buiten) de Wehrkreis voorhanden Ergänzungsbatallionen de voeders van de nieuw opgerichte regimenten. De eigen regiment IR.456. IR.476 en IR.481 werden vooral opgebouwd uit Erg-Btl IR.11 (Eilenburg), IR.20 (Sulzbach), IR.31 (Glauchau), IR.41 (Weiden), IR.85 (Deggendorf), IR.101 (Döbeln) en IR.102 (Freiburg).

Opvallend is dat een aantal Beierse Erg-Btl voeders waren van deze divisie die toch een noordelijke Wehrkreis hoorde. Dat gold ook voor de basis van het artillerieregiment dat uit zuiver Beierse Ergänzungsbatteries werd opgebouwd.

Voor de inzet in mei werd de IV/AR.256 uitgewisseld. Deze zware (gemotoriseerde) afdeling verdween naar X.AK, terwijl daar IV./AR.214 (ongemotoriseerd) voor terugkwam (1). Dit betekende dat de gehele AR van 254.ID door paardentractie werd voortbewogen, zowel de eerste drie afdelingen (met elk 12 stukken 10,5 cm FH.18) als de zware afdeling (met 12 stukken 15 cm FH.18).

(1) Het is vooralsnog niet door meerdere bronnen bevestigd dat IV./AR.214 al op 10 mei 1940 bij 256.ID aanwezig was. Slechts één medium - met onbekende primaire bron - duidt hierop tot dusver. Verificatie wordt gezocht.

Qua sterkte en bewapening was 256.ID voor het overige identiek aan 254.ID.

Versterkingen

Tijdens de meidagen werden beide divisies ingezet met een aantal versterkingen, waarvan slechts een klein deel werkelijk onder haar bevelen trad.

254.ID trok voor een belangrijk deel op met eenheden uit de SS-VT divisie, met name de SS AA en MG.Btl.15. Deze drie eenheden vormden enkele taakgerichte eenheden die de bruggen over het Maas-Waalkanaal moesten veroveren en een coupe-de-main plegen tegen de bruggen bij Grave en Ravenstein. Grave was daarbij hoofddoel. Een specifieke taakgerichte eenheid die de brug bij Grave moest innemen viel onder de commandant van MG.Btl.15 [Major Einstmann] en zag eenheden van de SS AA en 254.ID betrokken. Deze operatie viel in wezen onder auspiciën van XXVI.AK en kreeg sterke ondersteuning vanuit het AOK.18.

254.ID kreeg op 10 mei versterking van een gemotoriseerde batterij met vier stukken 15 cm van de bij 9.PD besproken gemengde artillerie afdeling 629.

Resume

De beide 4.Welle divisies 254.ID en 256.ID waren divisies die matig uitgerust waren, nauwelijks van motorisatie waren voorzien en die de beelden genereerden – samen met 208.ID en 225.ID – in zuid Nederland van lange colonnes marcherende militairen met trossen die met houten karren en paarden waren toegerust. Huifkarren met watergekoelde zware mitrailleurs en huisvaders erop. De eenheden hadden weinig infanterie ondersteuningswapens, misten gemotoriseerde artillerie (op één afdeling na), hadden geen eigen pantserwagens, beschikten over verkenners op fietsen en paarden en een der beide divisiecommandanten was nog geen maand voor de invasie aangesteld.

Er wordt vaak in publicaties over de meidagen verzuimd te melden dat er in het hoofdtheater in Nederland geen enkele divisie van de betere garnituur participeerde, met uitzondering natuurlijk van de deelnemers aan de luchtlandingsoperatie in het westen. In het noorden van ons land opereerde de laatste traditionele Duitse cavaleriedivisie, in het zuiden de jongste en met afstand slechts uitgeruste tankdivisie. De vier meest prominent ingezette infanteriedivisies waren van Dritte en Vierte Welle. Beide lichtingen waren gemiddeld oud en met name de Vierte Welle was slecht bewapend en uitgerust. De zijdelings betrokken SS-VT divisie was weliswaar enigszins ervaren in Polen, maar werd in het hoofdtheater in Nederland slechts bescheiden ingezet. De SS Leibstandarte, ook in Polen in de strijd gedoopt, was de enige eenheid in het hoofdtheater die zowel goed was uitgerust als ervaren was. SS Standarte Der Führer was de jongste loot aan de nog kleine SS-boom en onervaren edoch goed uitgerust.

De overige eenheden die onder het 18e Leger vielen, zoals 208.ID en 225.ID waren eveneens Dritte Welle divisies. Slechts de eenheden van het 6e Leger die in Nederland een bijrol speelden omdat hun doelen in België lagen, waren van de hoogste lichtingen.

De Dritte en Vierte Welle divisies waren dus beslist niet de eenheden die debet waren aan de naam en faam die het Duitse leger verwierf tijdens de Westfeldzug. Toch worden zij vaak moeiteloos aangeduid als ‘overmachtig’, ‘superieur uitgerust en bewapend’ en ‘uitstekend opgeleide en geoefende eenheden’. In een publicatie als ‘Mei 1940’ [52] wordt deze goed bewaarde mythe – want dat is het met recht – al terecht ontkracht. Laat het duidelijk zijn, dat de Duitse Dritte en Vierte Welle infanteriedivisies die tegen het Nederlandse leger optraden niet die overmachtige, superieur uitgeruste alsmede uitstekend opgeleide en geoefende eenheden waren die menig publicist van hen maakte.