De verdediging van het zuidfront: algemene inleiding

Inleiding

De staat en omvang [landmacht ca. 240.000 man] van het leger anno 1939 noopte de legerleiding de ambities voor verdediging van het land bescheiden op te stellen. Zowel OLZ Generaal Reynders als de in februari 1940 aangetreden OLZ Winkelman was het direct duidelijk dat langdurige verdediging van de buitengewesten een schier onmogelijke opgave zou zijn. Het zou betekenen dat teveel troepen buiten de Vesting Holland zouden moeten worden geplaatst en daarbij - indien zij zich succesvol zouden kunnen losmaken van de vijand en terugtrekken - constant in de frontzone zouden moeten blijven zonder mogelijkheid op (voldoende) aflossing. Bovendien zou door de verdediging van een groot gebied een totaal gebrek aan tactische, en zeker strategische reserves ontstaan. Dat terwijl een klein leger tegen een superieure tegenstander is aangewezen op de tactiek van intensieve manoeuvres op de binnenlinies - ofwel - korte maneouvres binnen een klein gebied om meerdere vijandelijke eenheden te kunnen bestrijden.

De geostrategische defensie

Op basis van die dwingende overwegingen werd door OLZ Reynders gekozen voor een opbouw met een ijle buitenverdediging, een hardnekkige voorverdediging en een vasthoudende hoofdverdediging. Deze drie fasen en gradaties van weerstand werden vormgegeven door [kort gezegd] respectievelijk de verdediging tussen de grens en de grote rivieren [Yssel, Maas], de voorverdediging van de Vesting Holland langs de Valleistelling / Peel-Raamstelling / Afsluitdijk en tenslotte de hoofdverdediging langs de vier buitengrenzen van Vesting Holland waar de meest hardnekkige weerstand zou moeten worden geboden.

CV luitenant-generaal Baron J.J.G. van Voorst tot Voorst

De buitenverdediging was slechts bedoeld als vertragende weerstand. Het moest de troepen van het Veldleger - onder luitenant-generaal J.J.G. van Voorst tot Voorst - in de voorverdediging de kans geven zich volkomen gereed te stellen voor defensie van de stellingen in de voorverdediging. Deze buitenverdediging was in hoofdzaak gelegen in de sectoren waar de twee grote rivieren Yssel en Maas zuid-noord stromen. In het noorden [Drente, Groningen] was een provisorisch ijl verdedigingsscherm geconstrueerd om hetzelfde vertragende effect te sorteren voor de troepen in de Wonsstelling en Kornwerderzand [dat als voorverdediging gold]. De buitenverdediging was volledig georganiseerd als een cordonverdediging, zonder enige diepte en zonder enige reserves of artillerieondersteuning. Er werd vanuit gegaan dat deze buitenverdediging tot 48 uur kon standhouden.

De voorverdediging had een veel zwaardere opdracht. Voor de Valleistelling [Grebbelinie] en de Peel-Raamstelling moest de tegenstander zich compleet vastlopen op onze stellingen. De linies hadden een zekere mate van diepte, hoewel dit op sommige punten zeer beperkt was. In principe waren de stellingen zo gebouwd dat minimaal twee kort achter elkaar gelegen weerstandbiedende linies ontstonden. Daarvoor lagen inundaties, riviertjes of kanalen, van nature moeilijk begaanbaar terrein of tankgrachten. Daar waar deze hindernissen ontbraken waren voorposten gestationeerd, die enige mate van weerstand zouden moeten bieden.

Het Veldleger, met de jongste lichtingen in de gelederen, had als taak de voornoemde linies te verdedigen en had hiertoe een groot deel van de artillerie ter beschikking. De voorverdediging mocht niet leiden tot vernietiging van grotere eenheden, omdat deze te hard nodig waren om het laatste bolwerk – Vesting Holland – te verdedigen. Er waren uiteenlopende verwachtingspatronen omtrent de houdbaarheid van de voorverdediging, maar minimaal werd deze toch op circa 2 tot 3 weken geschat - hoewel er opperofficieren waren die drie maanden haalbaar achtten!.

De feitelijke hoofdverdediging was, net als in vorige eeuwen, geconcentreerd noordelijk van de grote rivieren [Hollands Diep, Maas] en achter de Nieuwe Hollandse Waterlinie. In het Noorden was de Stelling Den Helder met het fort bij Den Oever op de Afsluitdijk het slot op de deur, hoewel er langs de zuidoever van het Noordzeekanaal een feitelijk noordfront Vesting Holland was geprojecteerd, dat echter onbezet bleef zoland de vijand op afstand bleef. Het Ysselmeer werd bewaakt door een bescheiden marine flottielje. De westkust was voorzien van enkele kustbatterijen bij de grote havens en een scherm met bewakingstroepen. De marine hield met onderzeeërs en oppervlakte eenheden de wacht. Het zuidfront van de Vesting liep langs de noordzijde van het Hollands Diep met posities ten zuiden van het water bij Willemsstad, Moerdijk en Keizersveer. Het oostfront werd gevormd door de Nieuwe Hollandse Waterlinie. Daarop moesten de twee legerkorpsen en brigades A en B terugtrekken indien de voorverdediging zou worden geëvacueerd. Hoewel het oostfront enigszins was versterkt, waren er geen semi-permanente versterkingen aangelegd en leunde men vooral op de inundaties.

Opperbevelhebber H.G. Winkelman

Zoals hierboven beschreven was het plan vormgegeven, tot dat OLZ Reynders begin 1940 aftrad als gevolg van een reeks disputen met de Minister van Defensie Dijxhoorn. De meest voorname disputen tussen de beide heren betroffen de strategie ten aanzien van voor- en hoofdverdediging alsmede de omgang met mobilisatieclubs. Na het ontslag van Reynders werd spoedig de commandant van de Luchtverdedigingskring Utrecht-Soesterberg, luitenant-generaal Winkelman aangesteld als nieuwe OLZ. Deze ontwikkelde na inventarisatie van de mensen en middelen en de strategische analyse van te verwachten Geallieerde assistentie enigszins afwijkende strategische plannen.

Die nieuwe plannen waren in die zin afwijkend, dat de voorverdediging in het centrale deel van het land, nu voor- én hoofdverdediging werd waarbij het oostfront Vesting-Holland nog slechts een uiterste 'laatste redmiddel' werd, en geen formele verdedigingslinie bleef. Hoewel dit vooral een papieren intentieverschil werd, had het wel gevolgen voor de investering van geld en energie in de stellingen. Want na Winkelmans besluit werd geen spade meer in de grond gezet in het oostfront van Vesting Holland. Daarnaast werd door Winkelman besloten de voorverdediging in Noord-Brabant te devalueren tot buitenverdediging en de troepen in Noord-Brabant - op de versterkte Peeldivisie na - terug te trekken binnen Vesting-Holland binnen 24 uur na een Duitse inval. Voor het gehele zuidfront tussen Peel-Raamstelling en Bathlinie betekende dit dat de verdediging van de bruggen over de Waal van prominentere betekenis zouden worden. De vijand kon immers eerder verwacht worden. Hoewel die conclusie zou hebben moeten geleid tot versterking van die punten, kwam het daar tot 12 april 1940 niet van.

Het zuidfront in vogelvlucht

Tot medio april 1940 was het zuidfront Vesting-Holland slechts bezet met veiligheidstroepen. Met name het strategische belangrijke hart - de sector rond Willemsdorp en Moerdijk - was zwak verdedigd. Medio april 1940 werd daarin buitengewoon snel verandering gebracht. De OLZ en zijn staf zagen aan de hand van de Duitse operatie in Noorwegen in dat het zuidfront wel erg kwetsbaar was met de onbetekenende bezetting die het tot dan toe had. Troepen ter grootte van ongeveer een divisiesterkte werden naar het zuidfront verplaatst en kwamen vanaf 15 april 1940 in positie.

Het zuidfront Vesting Holland ter hoogte van het Hollands Diep was bezet met eenheden van de hogere regimenten, ofwel de oudere reservisten. Ten noordwesten van het Hollands Diep, in de Hoekse Waard, lagen aan de oostzijde de Groep Kil en aan de westzijde de Groep Spui. Groep Kil had oorspronkelijk de benaming Brigade C gedragen, maar was in april - na de Duitse inval in Noorwegen en Denemarken - vanuit het oostfront Vesting Holland [sector Utrecht-Naarden] verplaatst naar de sector aan het zuidfront waar zij de permanente bezetting [door de troepen van Groep Spui] van de Hoekse Waard versterkte. Onderdelen van Groep Kil droegen ook bij aan de versterking van de bezetting van het Eiland van Dordt en de stelling rondom Moerdijk.

Naast voornoemde eenheden waren er in de sector enkele grensbataljons [3.GB, sector Bergen op Zoom / Roosendaal, en 6.GB, sector onder Breda] aanwezig alsmede een vrij aanzienlijk contingent kantonnementstroepen in Dordrecht. Op het Eiland Ijsselmonde lag een bataljon Jagers bij en op het vliegveld Waalhaven, was er een compagnie infanterie gelegerd bij de olie installaties west van Pernis en had het kantonnement Rotterdam twee compagnieën troepen in het zuiden van de Maasstad gelegerd. Ten noorden van de Nieuwe Maas had het Kantonnement Rotterdam zo'n 6,500 man, voornamelijk non-combattante troepen en recruten onder haar vleugels.

Tenslotte was er een kleine uitloper van het zuidfront bij Keizersveer. Aldaar was een verdedigde brug, die al in de BOUV periode was bezet, en een veerdienst waar een bewaking bij was geplaatst.

Lokale legerorganisatie op hoofdlijnen

Luitenant-generaal J. van Andel

De Vesting Holland werd oorspronkelijk gecommandeerd door een separate staf. Maar nadat medio april het front was versterkt, werd deze afzonderlijke staf opgeheven, waardoor de beide Groepen Spui en Kil individueel rechtstreeks aan de C-VH rapporteren moesten. De beide prominente kantonnementen in het gebied, Dordrecht en Rotterdam, rapporteerden ook rechtstreeks aan de C-VH.

Dat was een monsterlijke constructie, die bedacht was door de commandant Vesting-Holland zelf, omdat hij geen geschikte commandant zuidfront meende te kunnen aanstellen. Het zorgde voor een chaotische bevelstructuur. Luitenant-generaal Jan van Andel was aangesteld als C-VH. Deze geheractiveede opperofficier was onder OLZ Reynders verantwoordelijk voor alle vier de zijden van de Vesting-Holland, zijnde het belangrijke oostfront, het noordfront, het westfront (kust) en het zuidfront. De vliegvelden vielen onder de commandant Luchtverdediging [luitenant-generaal P.W. Best], de depots onder de Inspecteurs der Wapenen (en rechtstreeks de OLZ) en het noordfront was in feite onbezet.

Toen generaal Winkelman de scepter overnam, raakte de C-VH formeel het commando over het oostfront kwijt. Het oostfront werd weliswaar door een onder de C-VH ressorterende opperofficier gecoordineerd, maar de feitelijke zeggenschap over de troepen die daar resteerden (deel van Brigade G) kwam onder de CV, luitenant-generaal J.J.G. van Voorst tot Voorst. Wat restte was het westfront met een eigen staf en - voor de bespreking alhier van belang - he zuidfront, dat dus als enige rechtstreeks door de C-VH werd aangestuurd, zowel in vredestijd als in oorlogstijd.

In geval van oorlog zouden echter alle operatieën binnen de Vesting Holland onder de C-VH worden aangestuurd en alle depots ook onder de C-VH komen. Het in VH liggende 1e Legerkorps zou bijvoorbeeld bij een aanval op het west- of noordfront ook al direct onder C-VH komen. Bovendien - zo was de C-VH bekend - zou de Lichte Divisie als strategische reserve vermoedelijk naar de VH komen op de tweede oorlogsdag en eveneens onder de C-VH komen. 

De potentiële chaos - die een dergelijke bevelsketen zou opleveren - moet vooroorlogs al diverse wenkbrauwen hebben doen fronzen. Want in vredestijd slechts troepen aanvoeren ter grote van ruim ca. 25,000 man, wat in oorlogstijd kon uitgroeien tot een strijdmacht ter grootte van zo'n 80,000 man, zou ongetwijfeld de piepkleine staf VH overbelasten! Voor zo'n grote legersterkte, waarbij bovendien regulerende structuren als divisie- en korpsstaven als tussenschakels vrijwel ontbraken, was de staf van C-VH totaal niet geoutilleerd. Niet qua aantallen stafofficieren en niet qua capaciteiten van die officieren. Het waren allemaal beleidsmatige voorbodes van een ramp in de dop ...