22.ID

Inleiding

In dit subhoofdstuk wordt gekeken naar de organisatie van 22.(LL)ID als geheel en het deel dat werd ingezet in het zuidelijke operatiegebied, Fall Festung Süd. Daarbij is het onvermijdelijk een aantal eenheden te bekijken die oorspronkelijk in het Fall Festung Nord scenario zouden participeren, maar vanwege de versperring van de bases rondom Den Haag uiteindelijk rechtstreeks of indirect op IJsselmonde aankwamen. Bovendien werd de divisie versterkt met een tactische reserve van 46.ID, en wel het 1e Bataljon van IR.72.

In dit hoofdstuk wordt een betrouwbaar beeld geschapen van de werkelijke SOLL Stärke [= organieke sterkte] van 22.ID aan de vooravond van de meidagen 1940. Het brononderzoek van de voorhanden bronnen is zeer grondig verricht en met gebruik making van zulke sterke bronnen, dat met gerust hart kan worden gesteld dat hieronder een beter en betrouwbaarder sterktebeeld van de luchtlandingscomponent van 22.ID wordt gegeven dan ooit eerder in Nederlandse publicaties - tot op heden [januari 2009] - weergegeven. Het mag duidelijk zijn dat menig publicatie de sterkte van die divisie sterk heeft overdreven.

Twee bronnen zijn in deze doorslaggevend geweest. De eerste is de winter 1939/1940 KStN [Kriegstärkenachweisung] van het LL deel van 22.ID [434]. De tweede is het Verladeplan voor de divisie uit december 1939, dat tot en met april 1940 is aangepast [435], en dat een zeer hoge mate van detail geeft van de samenstelling, bewapening en sterkte van de luchtlandingseenheden. Voor zover mogelijk zijn de uitkomsten van de samenstelling van de luchtlandende delen vergeleken met de KTB met bijlagen [401-404] en het Erfahrungsbericht [400] van 22.ID. Daaruit blijkt dat de zaken die geverifieerd konden worden qua aantallen meestal een min of meer exacte 'match' geven.

Erd Staffel en Fliegende Staffel

22.(Luftlande) Infanterie Division – de officiële naam voor deze Erste Welle infanteriedivisie – geeft al aan dat er sprake is van een bijzondere eenheid. Als Erste Welle eenheid had men in oorsprong een oorlogsbezetting van 17,750 man. Dat had 22.ID in 1939 al niet meer, wegens haar bijzondere rol. Ze had vermoedelijk rond de 15,000 man voordat eind 1939 de gehele divisie tot luchtlandingseenheid werd omgebouwd.

In het najaar van 1939 ontstond een tweede officiële parallelle organisatie van de divisie. Daarbij werden de eenheden ingedeeld in een – voor luchtlandingen – operationeel inzetbaar deel en een achterblijvend deel. Het laatste deel werd aangeduid als de Erd Staffel of Erd Truppe, het luchtlandende deel als Fliegende Staffel. Beide organisaties werden ook als geheel aangeduid, en dan als 22.(LL)ID. Zodoende ontstond een Kriegsstärkenachweising [KStN] van de gehele divisie en een voor het luchtlandende [434] deel alleen.

Er ontstond een uitgebalanceerde luchtlandingseenheid waarbij zeer scherp was gekeken naar de verwachte behoefte tijdens de operatie. Afgewogen concessies werden gedaan ten aanzien van motorisatie, overige vervoersmiddelen, zwaarder materieel, de infanteristische bewapening en vooral de ondersteuning. In de eenheden werd zodoende flink gesneden, zonder dat dit de werkelijke gevechtskracht substantieel mocht verminderen. Daarbij kan men de vergelijking maken met het Sovjet leger. Daarin was nauwelijks ruimte voor faciliterende en verzorgende eenheden binnen een gevechtseenheid. Zij waren in de hoogste echelons geconcentreerd. In het Nederlandse en Duitse leger anno 1940 werden gevechtseenheden aan alle kant ondersteund door verzorgende eenheden. Daar waren in de lagere echelons daarom ook veel ondersteunende eenheden. Binnen een Duitse divisie was er op iedere vechtende man een verzorgende man. Een divisie van 15,000 man had dan ook circa 7,500 man die geen combat-functie hadden [zogenaamde non-com's].

Zo bestond 22.ID in oorsprong – als Erste Welle divisie – uit circa 17,750 man. De vliegende eenheid was echter de helft van die sterkte. Ze bestond uit circa 8,700 man. Die vrijwel gehalveerde sterkte ontstond door het soms geheel soms voor het grootste deel wegsnijden van de ondersteunende en verzorgende eenheden. Zo bleef van het artillerie regiment [normaliter 2,750 man] slechts een zeshonderd man over, van de Nachschub [normaliter circa 800 man] een tweehonderd manschappen, verdwenen de trossen en treinen en van de Sanitätsabteilung bleven eveneens slechts een 120 man over. De afdeling pioniers verloor zijn zwaardere materiaal en bijbehorende manschappen en ook de non-com's in de gevechtseenheden bleven goeddeels thuis. Aan infanteristische vuurkracht boette men echter nauwelijks in ten opzichte van een reguliere divisie. De eenheden die aanwezig bleven worden in dit subhoofdstuk beschouwd.

Als eerste vielen [t.o.v. een reguliere ID] vrijwel alle artillerie eenheden weg, alsmede de zware infanterievuurmonden. Daarvoor in de plaats kwam een klein artillerieregiment [slechts zeven batterijen] dat met paarden getrokken 7,5 cm berghouwitsers was uitgerust. Die paarden waren dwergpaarden geworden. De infanteriegeschutseenheden – de 13e compagnie in de oorspronkelijke organisatie – verloor de 15 cm vuurmonden, werd teruggebracht tot vier vuurmonden zonder tractie. De PAK eenheden – de 14e compagnie in de oorspronkelijke organisatie – verloor zijn motortractie en werd van 12 naar 9 vuurmonden teruggebracht. De verkenningseenheid werd teruggebracht tot een enkele compagnie met inklapbare lichte fietsen en verloor haar gemotoriseerde deel grotendeels. De pioniers verloren hun 3e (gemotoriseerde) compagnie, lichte colonne en brugslaggroep. Een klein deel der motoren werd over de overblijvende compagnieën pioniers verdeeld en een sterkte die normaal twee companies vormden werd in drie kleinere companies ondergebracht. De geneeskundige dienst verloor al zijn eenheden met uitzondering van één grote geneeskundige compagnie. Veterinaire dienst, veldpostdienst, intendance, kwartiermakers en het gros der veldpolitie werden geschrapt. Verbindingseenheden geminimaliseerd. De grote logistieke tros werd vrijwel geheel teruggebracht tot een chauffeurs-pool die met universele sleutels gevorderde voertuigen in het landingsgebied moest gaan besturen en een handvol zijspanmotoren met grote trekkracht. Desondanks werden zij aangeduid als Nachschubkompanie. Dat waren zij, echter grotendeels zonder middelen.  

De gevechtseenheden werden ook substantieel verminderd in aantal, maar slechts minimaal in vuurkracht. In plaats van 12 le.MG per compagnie, werden dat er 9. De drie lichte mortieren [5 cm] behield men. De Schwere Kompanies werden teruggebracht van 12 mi.MG en 6 mortieren [8cm] naar 8 mi.MG en 6 mortieren. Op het laatste moment werd echter wederom 12 mi.MG ingedeeld. 

Ook de staven van de diverse eenheden werden flink ingekrompen. Zelfs de staven van de regimenten werden beperkt in aantallen (onder)officieren, manschappen en beambten. Kortom, er was sprake van een unieke organisatie ten bate van de luchtlandingsinzet. Uniek in de organisatie, maar evenzo uniek in de tijd. Want de inzet in Nederland zou de Duitsers leren dat luchtlandingsoperaties met zo weinig 'body' als een lichte en kleine eenheid als de 22e Fliegende Staffel te velde kon brengen, nauwelijks opgewassen was tegen een zeer bescheiden tegenstander. Dat zou (dus) tegen een goed voorbereide en geoefende tegenstander tot catastrofes kunnen leiden. Tot hernieuwde luchtlandingsinzet zou het uiteindelijk niet komen, maar men bleek ook al kort na de strijd spoedig te concluderen dat als het wel tot nieuwe inzet zou komen, de ondersteuning en gevechtskracht van het luchtlandingsonderdeel veel en veel sterker zou moeten worden gemaakt door toepassing van betere transportvliegtuigen alsmede aangepaste middelen en wapens.

Het is voor de focus van deze website slechts van belang te kijken naar de eenheden die volgens de KStN van de Fliegende Staffel [434] en met name het Verladeplan [477] tot de Luftlande Organisation van 22.ID behoorden.

Daarbij moet men niet uitsluiten dat wegens verliezen de Erd Staffel alsnog zou worden aangesproken voor versterking. Een zaak die immers voor de hand zou liggen.

22.ID LL samenstelling en transportcapaciteit

In het onderstaande overzicht wordt een vrijwel volledig overzicht gegeven van de samenstelling, sterkte en benodigde transportruimte [Ladeeinheiten] voor het luchtlandende deel van de 22.ID. Daarbij is gebruik gemaakt van het beschikbare belandingsschema uit april 1940 [477] dat ten bate van de logistieke planning door de Luftwaffe was opgesteld. Met uitzondering van één onleesbaar stafonderdeel, is het gehele schema goed leesbaar en geeft het een volgend overzicht:

aantal onderdeel Ju-52 per eenheid man per eenheid tot. Ju tot. man per Ju
             
1 Div Stab + Krad Meld Zug 12 110 12 110 9
             
3 Reg. Stab + NaZug 5 40 15 120 8
3 Leichte Kolonne 12 90 36 270 7,5
3 Gemischte AufklZug 2 20 6 60 10
3 Panzerjägerkompanie 24 120 72 360 5
             
1 Stab AufklAbt 22 + MG st. 6 36 6 36
1 Gemischte Aufkl Schw 23 184 23 184
             
9 Btl Stab 3 30 27 270 10
27 Schützen Kp 12 154 324 4,158 13
9 Schwere Kp 21 160 189 1,440 7,5
3 Inf Gesch. Kp (4 x IG 7,5) 12 75 36 225 6
3 PzJg Kp (9 PAK) 19 105 57 315 5,5
             
Stab AR.22  30  30  10 
Stab AR.22 Abt.  20  60 
7 AR.22 Batt (4 hw)  18  80  126  560  4,5 
             
1 2 cm FLAK MG Kp (8 x MG) 23 115 23 115 5
             
Stab NachrAbt + gemischte Kp  10  90  10  90 
1   Gemischte Nachsch. Kp  19  120  19  120 
1   Sani Kp  13  120  13  120  9,5 
             
Stab Pionier Btl 20  20  10 
Pi Kp  14  120  52  360  8,5 
             
  Totalen      1.060  9,023   

Een aantal opmerkingen bij deze indeling.

  1. De gemiddelde bezetting per toestel kan misleidend zijn. Sommige toestellen waren met 12 man, anderen met 3 man bezet. De zwaardere stafonderdelen en gevechtsondersteunende onderdelen namen veel zwaar materiaal en zware munitie mee, waardoor de efficiëntie qua manschappen per toestel sterk afnam.
  2. Toen het schema werd samengesteld was er nog geen officieel besluit ten aanzien van de inzet van watervliegtuigen voor de landing van twee pelotons van 11./IR16.
  3. In het schema is één stafonderdeel - ter sterkte van vermoedelijk 75-120 man - niet opgenomen. Het door brand aangetaste verladingsschema geeft dit ene onderdeel helaas niet prijs.
  4. Het schema is gebaseerd op SOLL Stärke. Dat betekent de hoogste sterkte. De feitelijke sterkte bij aanvang van de operatie heeft beslist lager gelegen.
  5. De zware compagnies bestonden - in tegenstelling tot de KStN van de winter 1939/1940 - niet uit 8 maar uit 12 zware MG alsmede 6 GrWf 8 cm. De Schützen Kp had 9 le.MG en 3 le.GrWf 5 cm.
  6. De 13e Kp had slechts 4 stukken IG van 7,5 cm. De 14e Kp - Panzer Jäger Kp - had 9 stukken PAK.
  7. De 1.060 Ju-52 [waarvan later 12 zouden afvallen voor 11./IR16 dat uiteindelijk per watervliegtuig zou landen en waarvan het resterende deel vermoedelijk niet ingezet is] vluchten voor het invliegen van 22.ID laten van het totaal aan geplande vluchten [1,290 vluchten, voortkomend uit 430 x 3 - 1.048] dus 242 vluchten over om de eenheden van 7.FD in te vliegen.

22.LL.ID aan het zuidfront

Het is zinvol om aan te geven welk deel van 22.LL.ID aan 7.FD op het zuidfront beschikbaar werd gesteld. Want zo was het. De 22e was in wezen de eenheid die was aangewezen om de operatie rond Den Haag uit te voeren, terwijl de operatie rond de bruggen tussen Rotterdam en Moerdijk door 7.FD zou worden gedragen. Om operationeel praktische redenen werden eenheden uitgewisseld. 7.FD leverde I./FJR2 en een compagnie van II./FJR2 voor de verovering van de drie vliegvelden op de Nederlandse verdedigers en 22.ID leverde aan het zuidfront IR.16 met enkele kleine ondersteunende onderdelen, globaal een derde van de sterkte van de divisie.

De voor het Fall Festung Süd vanuit 22.ID geleverde onderdelen waren de volgende:

• Staf IR.16, tevens gevechtsstaf voor de gehele 22.ID 'Abschnitt Süd’.
• Geheel IR.16, met drie bataljons infanterie, de IG compagnie en de PzJg compagnie
• Twee compagnies van PiBtl.22
• II./AR.22, met de 4e, 5e en 6e batterij van AR.22 met elk vier stukken 7,5 cm houwitsers en twee le.MG alsmede een afdelingsstaf
• Deel Na.Kp.22, een logistieke eenheid die grotendeels lokaal vervoermiddelen moest regelen. Een derde deel van deze compagnie zou op Waalhaven landen.
• Deel Sani.Kp.22, een geneeskundige compagnie voor de inrichting van een noodhospitaal. Een derde deel van deze compagnie zou op Waalhaven landen.      

Daarnaast had Generalleutnant Kurt Student de beschikking over een regiment infanterie van 46.ID, dat (vrijwel) geheel ongeoefend was in luchtlandingen en daarom alleen als tactische reserve zou worden ingezet. Het kreeg met andere woorden in de eerste fase van de landingen geen eigen tactisch doel dat ze zelfstandig dienden te bereiken, maar ze zouden in een latere fase (kunnen) worden ingevlogen om een beveiligingstaak op zich te nemen. Als eerste zou daartoe – des benodigd – het 1e bataljon van IR.72 met bataljonsstaf worden ingevlogen.

Over de samenstelling van dit regiment zie de volgende sectie IR.72.

Infanterie Regiment 16 [IR.16]

Er is inmiddels met de KStN Fliegende Staffel winter 1939/1940 [434] en het Verladeplan 22.Div van april 1940 [477] zoveel zekerheid over de SOLL sterkte van de luchtlandingseenheden, dat met enige trots kan worden gesteld dat de gegevens van de eenheden met grote nauwkeurigheid en betrouwbaarheid kunnen worden gegeven. Vanzelfsprekend zijn kleine wijzigingen op het laatste moment mogelijk geweest en dient ten aanzien daarvan te allen tijde een voorbehoud te worden gemaakt. Maar de sterkte van de 22e ID voor luchtlandingen zal niet tussen april 1940 en mei 1940 substantieel zijn veranderd. Daar mag de lezer vanuit gaan.

Hoe de SOLL Stärke van 22.ID zich vertaalde naar de sterkte van bataljons en regimenten, wordt thans bekeken.

Een Schützenkompanie had 154 man en zag er zeer waarschijnlijk als volgt uit:

Eenheid Samenstelling Sterkte Wapens
       
Kp Trupp Cmdt, plus ca. 9 man 10  
       
1e Sch. Zug Zugfr, Zugtr, 4 x Gruppe van 9 man elk 42 3 x le.MG
2e Sch. Zug Zugfr, Zugtr, 4 x Gruppe van 9 man elk 42 3 x le.MG
3e Sch. Zug Zugfr, Zugtr, 4 x Gruppe van 9 man elk 42 3 x le.MG
       
Schwere Zug Zugfr, 2 x Grpfr, 3 x leGrWf Tr met 3 man elk, 2 x PzBu met elk 3 man 18 3 x leGrWf, 2 x PaBu
       
Totaal   154  

Dat vertaalt zich in de navolgende uitleg.

De Kompaniestrupp bestond uit de compagniescommandant, een Kompanietrupp van een man of vijf en een klein aantal ondersteunende functies zoals een verbindingsman en een Sanitätsunteroffizier met enkele Hilfskrankenträger.  Een sterkte van ca. 10 man.

Voornaam aandachtspunt is dat voor de luchtlandinginzet het aantal le.MG binnen de infanteriecompagnie van 12 naar 9 werd teruggebracht [434, 477], waarmee men de reguliere drie pelotons met vier groepen elk dus geen vier maar drie lichte mitrailleurs beschikbaar stelde. De negen man in een Gruppe waren allen met een geweer uitgerust met uitzondering van de twee MG Schützen, die naast de MG als persoonlijke bewapening een pistool hadden. De Gruppeführers hadden een MP. Het geheel had een Zugtrupp met de Zugführer en een kleine Zugtrupp.

De compagnie ondersteuningsgroep werd voor luchtlandingen tot een klein ondersteuningspeloton opgevoerd [434]. Er waren drie lichte mortieren van 5 cm en twee pantserbuksen 7,92 mm. De 5 cm mortier werd door twee man bediend, met een Truppführer en de drie mortiergroepen hadden een eigen Unteroffizier als Gruppeführer. Deze manschappen waren allen met pistool uitgerust, de Gruppeführer met geweer of MP. De PaBu had waarschijnlijk twee man plus een stukscommandant per wapen en een Gruppeführer. Daarmee zou de ondersteuningsgroep een sterkte van om en nabij 18 man hebben gehad. Het is overigens heel goed mogelijk dat deze kleine ondersteunende eenheid werd verdeeld over de reguliere pelotons en niet als autonoom geheel opereerde.

De Schwere Kompanie – waarvan ieder regiment er drie had [4e, 8e en 12e] – was vermoedelijk even groot.

Eenheid Samenstelling Sterkte Wapens
       
Kp Trupp Cmdt, plus circa 9 man 10  
       
1e mi.MG Zug Zugfr, Zugtrupp, 2 x Gruppefr, 4 x Truppfr en 4 x 6 man 34 4 x mi.MG
2e mi.MG Zug Zugfr, Zugtrupp, 2 x Gruppefr, 4 x Truppfr en 4 x 6 man 34 4 x mi.MG
3e mi.MG Zug Zugfr, Zugtrupp, 2 x Gruppefr, 4 x Truppfr en 4 x 6 man 34 4 x mi.MG
       
miGrWf Zug Zugfr, Zugtrupp, 2 x Gruppefr, 6 x Truppfr en 6 x 6 man 48 6 x miGrWf 8,1 cm
       
Totaal   160  

Men voerde 12 middelzware mitrailleurs mee, ingedeeld in drie pelotons van elk vermoedelijk ca. 34 man en een peloton met twee Granatwerfergruppen met elk drie mortieren. Ieder van die mortiergroepen [8,1 cm] had circa 22 man. Een Kompaniestrupp van circa 10 man completeerde het geheel. De sterkte van deze zware compagnies was rond de 160 man en vroeg bovendien meer verladingruimte wegens wapens en munitie.

De bataljonsstaf met 30 man completeerde een bataljon dat bestond uit: bataljonsstaf, drie infanteriecompagnies en een zware wapencompagnie. Dit betekent dat een bataljon met 30 man staf, drie compagnies infanterie met elk 154 man en een zware wapens compagnie van 160 man een SOLL sterkte had van 650 man.

De reguliere sterkte voor een 13e Kompanie [2 x 15 cm, 6 x 7,5 cm IG] was 181 man. Die voor een 14e Kompanie [12 x PAK 35/36 AT vuurmond] bestond uit 145 man. Dat waren sterktes op basis van complete infanteriedivisie Gliederung, dus inclusief motorisatie, lichte colonne en - in het geval van 13.Kp - inclusief de voor LL inzet uitgesloten stukken van 15 cm IG. Voor de LL inzet werden beide compagnies nogal ingrijpend aangepakt. De 13e Kp verloor de beide 15 cm vuurmonden alsmede twee van de zes 7,5 cm vuurmonden, en werd qua bezetting tot 75 man teruggebracht. De 14e Kp verloor drie PAK's, haar tractie en 40 man bezetting, zodat nog 105 man resteerden. Tesamen hadden de beide compagnies dus nog 180 man. Voor iedere PAK plus munitiewagen, tractie en manschappen, waren twee Ju-52 nodig.

Over de samenstelling van de regimentsstaf rond Oberst Kreysing is geen volstrekte duidelijkheid. De regimentsstaf was echter 60 man sterk, inclusief een integrale verbindingseenheid.

Een regiment bestond dus qua SOLL Stärke uit drie bataljons van 650 man die gezamenlijke 1,950 man telden. Daarbij geteld 180 man voor de beide gevechtsondersteunende compagnies plus een regimentstaf van 60 man. Daarmee komt men in totaal uit op een SOLL Stärke van 2,190 man voor een geheel regiment. In verhouding tot de organieke sterkte van een infanterieregiment in een Erste Welle divisie [3,050 man] een bezetting van tweederde.

Volgens de gegevens vanuit de KTB [401-404] en het Erfahrungsbericht van 22.LL.ID [404] is IR.16 vrijwel compleet geland en bestond het gelande deel uit 1,934 man. Daaruit wordt duidelijk dat de SOLL Stärke van 2,190 man niet gehaald werd. Een zaak die overigens niet bevreemdt, omdat geconstateerd kan worden dat ook het Duitse leger zelfs binnen haar eerstelijnsonderdelen heel vaak de organieke sterkte niet haalde.

Ondersteunende eenheden

Hieronder worden de ondersteunende eenheden van 22.ID besproken die ook ten bate van IR.16 [ten dele] in Waalhaven zouden landen volgens het operatieplan. De divisieonderdelen van het Fliegende Staffel zijn slechts ten dele te duiden qua sterkte. Het Verladeplan [477] is echter zeer duidelijk in de sterkte der onderdelen. Bij de samenstelling wordt zwaar geleund op de gegevens vanuit de KTB en het Erfahrungsbericht van 22.ID [400-404] alsmede de officiële KStN van de Fliegende Staffel [434] en het Verladeplan van april 1940 [477].

Artillerie

Artillerieregiment 22 bestond organiek uit drie afdelingen met 36 stukken le.FH.18 houwitsers [105 mm] aangevuld met een afdeling met 12 stukken 15 cm houwitsers van I./AR.58. Die laatste afdeling viel buiten de LL organisatie, vanwege voor de hand liggende vervoersproblemen, terwijl voor LL inzet de le.HF18's werden omgeruild voor 7,5 cm houwitsers [Gebirgskanone 15/15 Skoda]. Deze stukken hadden een bereik van 8 km maximaal.

De tractie voor deze lichte en zeer gedateerde houwitsers werd door een dwergpaardje [Hafflinger] verricht. Eén zo’n sterk paardje kon een stuk van circa 600 kg trekken. Eén transportvliegtuig vervoerde een stuk, een paard en twee man of een munitiewagen (met rantsoen voor 15 schoten) en vijf man. Per batterij was er een kleine lichte colonne met extra munitie, onderhoudsmiddelen en noodzakelijke hulpmiddelen.

AR.22 bestond uit een staf met drie afdelingen die ieder een afdelingsstaf en drie batterijen hadden. Een batterij bestond uit een batterijstaf, vier stukken 7,5 cm Skoda berghouwitsers, 2 le.MG en een lichte colonne. In mei 1940 waren echter twee batterijen niet paraat, waardoor het artillerieregiment met slechts zeven batterijen werd uitgerust. Alleen de bij Waalhaven geplande II./AR.22 had de volledige bezetting van drie batterijen. I./AR.22 en III./AR.22 bestonden slechts uit twee batterijen, waarbij telkens de middelste batterij uit de organisatie was gevallen.

Een stuksbemanning bestond uit een paardendrijver, een stukscommandant en vijf manschappen. Samen met een kleine lichte colonne en batterijstaf waren de batterijen elk 80 man sterk.

AR.22 had een relatief geringe staf van 30 man, waarin ook een vuurleidingorganisatie en verbindingsorganisatie. Alle drie de afdelingen hadden een afdelingsstaf met 20 man, waarin tevens een vuurleidingscomponent.

Het artillerieregiment - dat organiek binnen een Erste Welle divisie uit 2,750 man bestond - had slechts 650 man in haar luchtlandende gelederen overgehouden

Sanitätstruppen

De Sanitätsabteilung [gezondheidsafdeling, ofwel geneeskundige eenheid] bestond in de Fliegende Staffel samenstelling uit slechts één samengestelde Sanitätskompanie, die bovendien in drie delen zou worden opgedeeld. Telkens een derde deel zou landen bij Valkenburg, bij Ypenburg en op Waalhaven. Voor ieder regiment dus een deel van de enige voor LL inzet beschikbare compagnie. Volgens de KStN FS [434] zou slechts 2./Sani de compagnie voor luchtlandingsinzet vullen. Uit het in bezit van auteur zijnde verschepingsprogramma [478] wordt echter duidelijk dat in de Dritte Welle [11 mei] wel degelijk ook een peloton van de 1./Sani.22 op de rol stond om ingevlogen te worden. Daaruit blijkt dan weer dat de KStN FS [434] niet geheel betrouwbaar is.

De normale samenstelling van de Sanitätsabteilung [c.q. Sanitätsdienst] was als volgt: een gemotoriseerde compagnie Sani’s, een tweede compagnie bereden Sani’s en een gemotoriseerde veldhospitaalgroep [met ambulances] met twee ziekendragerspelotons. Daarvan bleef slechts een samengestelde compagnie bestaan bij de luchtlandinginzet.

Een reguliere Sanitätsabteilung [laagst genummerde Welle divisies] werd geleid door een divisiearts. Zo’n afdeling bestond organiek uit een (arts) commandant plus 20 officieren [vrijwel allen artsen], 10 Beamte, 71 onderofficieren en 429 manschappen. Een sterkte van ongeveer 530 man. De organieke sterkte voor een niet-gemotoriseerde Sani Kp kwam op 165-170 man.

Aangezien het vrij zeker is dat in plaats van de veldhospitaaleenheid er sprake zou zijn van het gebruik maken van Nederlandse faciliteiten, zullen vermoedelijk alle – of vrijwel alle – artsen en een deel der Beamte en onderofficieren van die eenheid mede zijn geland.

De sterkte van de Sani compagnie voor luchtlandingsinzet was 120 man [477]. Als de sterkte van circa 120 man wordt aangehouden, dan was een derde deel dus 40 man. Een dergelijke eenheid diende aldus bij Waalhaven [en Ypenburg en Valkenburg] te landen, vermoedelijk met enkele artsen, beambten en extra onderofficieren versterkt.

Werkelijk geland in de volledige sterkte is de voorziene compagnie niet. Uit de KTB van 22.ID blijkt dat slechts 39 man inzet vonden aan het zuidfront. Dat is inderdaad volgens het Verladeplan [477] de bedoelde sterkte geweest. Aan het noordfront [Den Haag e.o.] landde er echter (vrijwel) niemand. Het is daarmee duidelijk dat de inzet van deze eenheid elders niet tot wasdom kwam, wat overigens goed verklaarbaar is, daar bij zowel Valkenburg als Ypenburg de Sani's in de derde transport Welle pas zouden landen [478]. En de geinformeerde lezer weet dat het bij deze beide vliegvelden na de eerste landingsgolf voorbij was met landingen op de vliegvelden. Overigens dient men aan te tekenen dat er ook bij de reguliere eenheden en staven Ärzte, Sanitäter en Hifskrankenträger waren ingedeeld. Zij behoren nadrukkelijk niet tot de besproken autonome Sanitätsabteilung.

De ook tot de Sani afdeling behorende Veterinärkompanie, die uiteraard voor de gezondheid van de paarden zorgde, was organiek 237 man sterk. Deze eenheid was in de Fliegende Staffel geheel geschrapt. Mogelijk dat enkele veeartsen in de staven waren opgenomen, maar dat beperkte zich dan tot enkelingen.

Nachschubtrupp

De sterkte van de Fliegende Staffel eenheid die de Nachschub voor zijn rekening diende te nemen, was 120 man [477].

De Nachschub was eenvoudig gezegd de bevoorradings- en intendance-eenheid. Daaronder vielen de Kraftwagenkolonne [vrachtwagen- en auto eenheid], Betriebstoffkolonne [brandstoffen afdeling], bespannte Kolonne [bereden eenheid], Nachschubkompanie [aan- en afvoereenheid], Werkstattkompanie [herstelcompagnie], Bäckereikompanie [bakkerij] en Schlächtereizug [vlees en slachthuis eenheid]. Een eenheid die bij reguliere [laag genummerde] divisies een grootte had van circa 800 man.

De grote Nachschubdienst trad vrijwel geheel buiten de orde van de Fliegende Staffel. Deels is dat logisch – de bevoorrading werd uit de lucht verricht en was vooral de verantwoordelijkheid van de eenheden zelf, mede doordat voorraden op door eenheden gemarkeerde plaatsen nabij de posities moesten worden gedropt – maar deels is dat minder logisch. Er werden immers ook voorraden regulier ingevlogen op de veroverde vliegvelden, onder meer wegens een (vooraf bekend) groot tekort aan dropcontainers en parachutes.

De gegevens en KStN 1939/1940 FS [434] maken niet duidelijk hoe groot de Nachschubdienst was volgens planning. Het is zeker dat er chauffeurs invlogen met universele sleutels om de meest gangbare automobielen van die tijd aan de praat te kunnen krijgen. Voor motorisering waren zij dus volledig van gevorderde voertuigen afhankelijk. Het heeft er echter de schijn van dat deze vorm van Nachschub per onderdeel was georganiseerd en dus ingebouwd in staforganisaties en niet in een aparte Nachschubdienst. Een autonome samengestelde compagnie stond op de rol om - verdeeld in vier pelotons - te landen. Daar is het echter niet van gekomen, zo blijkt uit de KTB [401-404]. Die indruk wordt verder versterkt door het feit dat van deze afdeling slechts 4 man (!) geland zijn in Nederland [400].

Aufklärungs componenten

Uit de samenstelling van de luchtlandingsdivisie zoals hierboven gegeven komt duidelijk naar voren dat op twee niveaus sprake was van verkenningseenheden.

Ten eerste had ieder regiment een kleine verkenningspeloton uitgerust met fietsen. Dat was een schamele 20 man. Ten tweede was er de grote verkenningscompagnie - aangeduid als verkenningseskadron. Deze eenheid was een divisie eenheid die dus viel onder de divisiestaf. Met 184 man was het een opvallend grote eenheid, die bovendien geheel voor Den Haag was bedoeld. 

De Gemischte Aufklärungsschwadron [184 man] was uitgerust met vooral fietsen, maar eveneens motoren voor ordonnansen en verbindingsteams. Het had als bewapening - naast de persoonlijke wapens - negen lichte mitrailleurs, twee zware mitrailleurs en drie pantsergeweren.

Het eskadron was opgedeeld in drie met fietsen uitgeruste pelotons [met ieder drie groepen verkenners] en een zware wapenspeloton. Daarnaast met motoren uitgeruste Kradmeldern en Funktruppen, waarvan de organisatorische indeling [apart of opgedeeld over de pelotons] onzeker is.

IR.47 en IR.65

De beide andere regimenten van 22.ID waren volgens de KStN [434] hetzelfde ingericht als IR.16. Of dit ook daadwerkelijk al zo tot uitdrukking was gekomen in de feitelijke sterkte op 10 mei 1940, is nog maar de vraag. Zeker is dat het Erfahrungsbericht [400] nadrukkelijk spreekt van het feit dat alleen IR.16 werkelijk LL gereed en uitgerust was. Vermoedelijk wordt daarbij vooral een verwijzing gemaakt naar de matige geoefendheid van de beide hogere regimenten. Men mag er vanuit gaan dat zij even sterk waren, omdat dit nu eenmaal vooral ook door transportcapaciteit c.q. planning werd ingegeven. Er is in die planning namelijk geen onderscheid gemaakt in de sterkte en bewapening per onderdeel, althans niet in de SOLL Stärke!

Met het uitgangspunt dat de beide hogere regimenten dus ongeveer gelijke sterkte en bewapening kenden als IR.16, lijkt voor het zuidfront voldoende gezegd over deze eenheden. In ieder geval zouden van IR.47 [tenminste 76 man] en IR.65 [tenminste 237 man] niet onaanzienlijke delen op Waalhaven terecht komen.    

IR.72 »