Gliederung 7.FD

Inleiding

De Gliederung van 7.FD die hieronder wordt weergegeven is zeer nauwkeurig. In die zin nauwkeurig dat zij is samengesteld door terug te werken van de organieke sterkte [SOLL Starke] naar de daadwerkelijk vastgestelde sterkte die is ontleend uit de Gefechtsberichte van de eenheden zelf. Daarbij zij gezegd dat vooral van het 1e Regiment inmiddels door uitgebreid onderzoek een sterktebeeld kan worden gegeven dat zeer betrouwbaar mag worden geacht.

Bronnen zullen te zijner tijd worden gecodeerd achter de sterktegegevens. Voor het moment mag wellicht worden volstaan met het stellen dat gegevens van de Bund Deutsche Fallschirmjäger [separaat FJR archief onder franchise van het BA/MA in Freiburg] zijn verkregen en de gevechtsverslagen en KTB’s van de eenheden zijn gebruikt. Deze geven een zeer gedetailleerd beeld van aanwezige eenheden tot op pelotonsniveau.

Tot op heden wordt slechts de Gliederung weergegeven van I. en II./FJR1. Deze is zeer grondig bestudeerd en geanalyseerd naar aanleiding van de inmiddels aanwezige Duitse bronnen. Voor de overige eenheden volgt pas een Gliederung specificatie nadat dezelfde exercitie is afgerond.

Fallschirmjägerregiment 1

Er wordt voor FJR1 eerst gekeken naar de bataljons. Daarna volgen de ondersteuningseenheden en tenslotte de staf.

I.Batallion

Het eerste bataljon werd geleid door Major Erich Walther. Deze had een adjudant officier [Oberleutnant Zuber], een Ordonnanz [annex Gas] officier [Leutnant Graf von der Schulenberg], een Nachrichtenoffizier [Oberleutnant Gerhold] en een bataljonsarts [Stabsarzt Albers]. Voorts een Nachrichtenzug en een Stabstrupp. Pioniers ontbraken, maar er zijn er vermoedelijk bij 3./FJR1 wel enkele ingedeeld geweest vanwege de bruggen over de Oude Maas. Bij elkaar was de bataljonstaf circa 35-40 man sterk.

Uit de gevechtsverslagen blijkt voorts dat de zware pelotons bij de Jäger compagnieën anders vormgegeven waren, omdat de lichte mortiergroepen door zware mitrailleurgroepen waren vervangen. Het is vrijwel zeker dat slechts een handvol Leichte Granatwerfers beschikbaar waren. Hoewel helaas in alle verslagen werkelijke duidelijkheid hieromtrent ontbreekt, wordt wel duidelijk dat de oorspronkelijk voorziene Schwere Gruppen [een SOLL sterkte van zo'n Gruppe was oorspronkelijk: 3 lichte mortieren van 5,4 cm en één of twee Panzerbuchse, ca. 20-24 man] niet als zodanig bij de Jägers waren ingedeeld. Zij leken - in elk geval bij I./FJR1 - te zijn samengesteld uit twee PaBu Truppen en twee sMG Truppen. Hoogstwaarschijnlijk was op bataljonsniveau wél een lichte mortiergroep voorhanden.

De 1ste compagnie ontbrak volledig. Deze was in Noorwegen bij Dombas tijdelijk uitgeschakeld en kon op de korte termijn niet worden vervangen [450].

De 2e compagnie [Hauptmann Grötscke] bestond uit drie pelotons plus een Halbzug sMG en een Panzerbuchsgruppe [samen Schwere Zug genoemd], en had daarmee een volwaardige SOLL Starke. De drie Jäger pelotons hadden een sterkte van tussen de 32-36 manschappen. Een Schwere Waffen Gruppe [twee PaBu] met sMG Halbzug vormde het vierde peloton van circa 24-26 man. Een groep van het eerste peloton [ca. 12 man] ontbrak echter op 10 mei doordat hun Ju-52 tijdens de start in Duitsland motorschade kreeg en terug moest keren. Zij zouden pas op 12 mei weer aansluiten. De complete compagnie met Kompanie Trupp [12 man] had een organieke sterkte van 144 man. Op 10 mei landde een eenheid van maximaal 132 man [451].

De 3e compagnie [Oberleutnant Freiherr von Brandis] bestond uit drie pelotons plus een halbzug sMG en een Panzerbuchsgruppe [samen Schwere Zug genoemd], en was dus exact op SOLL Starke. Deze eenheid bestond uit circa 144 man.[452, 453]

De 4e compagnie [Hauptmann Gericke] bestond uit twee pelotons zware mitrailleurs met elk vier wapens, alsmede een peloton zware mortieren met vier stukken van 8,1 cm. Zeker is dat een aanzienlijk deel van het derde peloton onder Oberleutnant Eckleben op 10 mei verkeerd werd afgezet en bij Ypenburg terecht kwam. Onduidelijk is nog of alle vier de mortieren wel op het Eiland van Dordt werden afgezet. Zeker is dat tenminste twee mortieren aanwezig waren. Compleet bestond de compagnie uit 149 officieren en manschappen, echter zonder het volledige derde peloton is het op 10 mei met 112 man op het eiland van Dordrecht geland [454].

Het eerste bataljon was daarmee ruimschoots onder sterkte. De gehele eerste compagnie ontbrak, en bovendien was een sterkte van ongeveer 35-40 man niet of verkeerd afgezet. De sterkte van het eerste bataljon zoals het op 10 mei landde was daarmee niet meer dan ongeveer 430 man.

II.Batallion

Het tweede bataljon [Hauptmann Fritz Prager] bestond uit vier compagnieën. Ook deze had een adjudant officier [Leutnant Hädrich], een Ordonnanz [annex Gas] officier, een Nachrichtenoffizier [Leutnant G. Hofmann] en een bataljonsarts [Oberarzt Hartmann]. Voorts een Nachrichtenzug [dubbelfunctie Leutnant Hofmann] en een Stabstrupp. Alle vier de Kompanies hadden een Pionierstosstrupp van 8-10 man [464]. Bij elkaar dus circa 40 man. Zij hadden de taak de springladingen bij de Moerdijk verkeersbrug te ontmantelen. Bij elkaar bestond de bataljonsstaf uit circa 25-30 man. De sterkte van de pioniersgroep is onbekend, maar was circa 8 man.

Bij II./FJR.1 was tevens ingedeeld Hauptman (b.Stabe) Hans Pelz. Het is vrijwel zeker dat Pelz als bataljonscommandant was aangetrokken, maar dat Prager vlak voor de 10e mei (hij was voor behandeling van darmkanker in het ziekenhuis opgenomen) zijn plaats opeiste en zodoende op het tweede plan werd gezet. Zekerheid hieromtrent Pelz zijn positie als hiervoor geschetst is er niet, omdat geen bron dit bespreekt.  

Voor deze eenheden is het onzeker of er wel een volwaardige Schwere Gruppe aanwezig was. Uit de inzetverslagen blijkt wel dat enkele Schwere Truppen [stukseenheid van bijvoorbeeld één Panzerbuchs of één Leichte Granatwerfer] aanwezig waren en ingezet werden. Vooralsnog wordt er vanuit gegaan dat volwaardige [=SOLL Starke] Schwere Gruppe aanwezig waren.

De 5e compagnie [Oberleutant Strähler-Pohl] bestond uit drie Jäger pelotons met een Schwere Gruppe. De sterkte van de eenheid was circa 130 man.

De 6e compagnie [Oberleutnant Strangenberg] was identiek aan de 5e compagnie, en dus eveneens circa 130 man.

De 7e compagnie [Oberleutnant Pagels] was vermoedelijk even groot als de voorgaande compagnieën. De eenheid bestond ook uit ca. 130 man.

De 8e compagnie [Oberleutnant Böhmler] bestond uit een Nachrichtenstaffel [detachering vanuit Battalionsnachtrichtenzug], twee Züge met in totaal acht zware mitrailleurs en een Zug voor bediening van vier 8 cm mortieren. Hauptmann Prager had echter besloten de mortieren niet mee te nemen, omdat 8./FJR1 zich als Jägerkompanie moest nuttig maken in de eerste cruciale fase van de operatie [464]. Alle manschappen waren dus wel aanwezig. De Schwere Kompanie was daarom vrijwel zeker op organieke sterkte met ca. 140 man.

Zodoende was het 2e bataljon vrijwel zeker op SOLL Stärke of daar net iets boven (wegens de extra pioniers), met circa 600 man.

III.Batallion

Het derde bataljon [Hauptmann Karl-Lothar Schulz] bestond uit vier compagnieën. Ook deze had een adjudant officier [Oberleutnant Schmücker], een Ordonnanz [annex Gas] officier [Oberleutnant der Reserve Schramme], een Nachrichtenoffizier [Oberleutnant Hühne] en een bataljonsarts [Stabsarzt von Nordheim]. Voorts een Nachrichtenzug en een Stabstrupp. Een pionier eenheid ontbrak, hoewel de aanwezigheid van een Pioniertrupp bij de staf aannemelijk lijkt.

Voor deze eenheden is het onzeker of er wel een volwaardige Schwere Gruppe aanwezig was. Er zijn over de inzet van mortieren door dit bataljon bijzonder weinig meldingen bekend, hoewel bekend is dat wel enkele lichte mortieren zijn meegevoerd. Vooralsnog wordt er vanuit gegaan dat volwaardige [=SOLL Starke] Schwere Züge aanwezig waren.

De 9e compagnie [Oberleutant Gessner] bestond uit drie Jäger pelotons met een Schwere Gruppe. De sterkte van de eenheid was circa 130 man.

De 10e compagnie [Oberleutnant Dunz] was identiek aan de 9e compagnie, en dus eveneens circa 130 man.

De 11e compagnie [Oberleutnant Becker] was vermoedelijk even groot als de voorgaande compagnieën. De eenheid bestond vermoedelijk ook uit 130-140 man. Nota bene: de 3e Zug van deze compagnie werd gedropt bij het Feyenoord stadion. Het stond onder bevel van Oberleutnant Kerfin. Van dat peloton is zeker dat het volledig op sterkte was, vermoedelijk zelfs enkele manschappen boven sterkte wegens toevoeging van een of twee zware wapens.

De 12e compagnie [Hauptmann Schmidt] bestond uit twee Züge met in totaal acht zware mitrailleurs en een peloton met vier 8 cm mortieren. Het was vrijwel zeker op organieke sterkte met 130-140 man. Onduidelijk is of alle vier de mortieren zijn meegevoerd.

Zodoende was het 3e bataljon vrijwel zeker nabij SOLL Stärke, met circa 540-550 man.

Ondersteunende compagnieën

De 13e Kompanie - normaliter de compagnie met infanteriegeschut - ontbrak bij het 1e Fallschirmjägerregiment

De 14e Kompanie - Panzer Abwehr Kompanie [rond mei 1940 qua benaming veranderd in Panzerjäger Kompanie] - werd gecommandeerd door Oberleutnant Reitzenstein. Het had de beschikking over twaalf stukken 3,7 cm PAK-35 anti-tank vuurmonden en 12 lichte mitrailleurs. Die waren verdeeld over vier pelotons met drie stukken PAK en le.MG elk.

Een compagniestaf van circa 15 man. Per vuurmond was een bezetting van 5 of 6 man inclusief commandant alsmede twee man voor de le.MG. Er was een Zugtrupp plus een munitieteam, bij elkaar circa 8-10 man.

De sterkte van de compagnie lag rond de 140 man.

Van de Kompanie zijn slechts zes stukken (op 10 mei) geland, terwijl de rest niet meer zou worden ingevlogen [500: blz. 125]. Duitse krijgsverslagen bespreken het verder niet, maar er lijkt een aanwijzing te bestaan dat tenminste een Zug naar de Moerdijkbruggen is gestuurd.

Naast deze reguliere 14e Kompanie was er nog een tweede Panzerabwehrkompanie, die als Panzer-Versuchs-Kompanie werd aangeduid (wegens het experimentele karakter) en eveneens de beschikking had over twaalf stukken PAK.36. Deze eenheid was een divisie-eenheid, die door Hauptmann Hermann Götzel gecommandeerd werd en op 10 mei voor de helft ingevlogen werd. Bovendien werd één stuk van de tweede Halbkompanie ingevlogen met III./IR.16. De overige vijf stukken werden niet ingevlogen [500: blz. 125].

Ersatz Kompanie

Zoals iedere groot Duits verband, had ook 7.FD een toegewijd (en dus eigen) Ersatz Battalion. Een dergelijk bataljon zorgde ervoor dat vanuit de eigen Wehrkreis en organisatie een directe - geoefende - reserve paraat stond om verliezen op te kunnen vangen en direct als aanvulling te kunnen optreden. In mei 1940 was er echter geen sprake van een volwaardig Fallschirmjäger Ersatz Battalion, maar resteerde slechts een compagnie grootte. De veldtocht in Noorwegen, waar het 1e Regiment substantieel aan had bijgedragen, had teveel verliezen opgeleverd. En zelfs die konden niet vervangen worden, waardoor 1./FJR1 aan de veldtocht in Nederland niet kon meedoen. Bovendien was de organisatie nog klein en werd er tegelijkertijd zoveel van haar gevraagd voor het operatieplan in Nederland, dat alle parachutisten die 7.FD kon inzetten in Noorwegen, België en Nederland aan de bak moesten. Zelfs de instructeurs.

De enige Ersatz Kompanie die men had, zou worden ingezet in het taakgebied van FJR.1, vandaar dat zij bij dit regiment wordt besproken. Ze kwam op 11 mei deels aan de grond bij Dordrecht, onder bevel van Oberleutnant Moll. Om precies te zijn afgezet door zes Ju-52. De andere zes toestellen van de Staffel leden verliezen door luchtafweer (3 toestellen) en drie Ju-52 keerden terug naar Duitsland. Er is aanleiding te twijfelen of die opnieuw werden ingezet. Want op 14 mei werd het inmiddels in Noorwegen door de Duitsers bevrijdde en opgelapte restant van 1./FJR1 aangevuld met 35 man van de Ersatz [609]. Mogelijk waren die 35 man de parachutisten aan boord van de drie toestellen die op 11 mei 1940 terugkeerden naar hun vertrekbasis nadat hun toestellen door slecht weer onderweg waren teruggekeerd. Uit het feit dat men in Noorwegen slechts 35 man uit de Ersatz kreeg, blijkt omstandig dat er dus inderdaad niet meer vervangingsreserve was opgebouwd dan de Kompanie Moll.

De compagnie bestond uit circa 120 man en was daarmee bijna een volwaardige compagnie in aantal. Compagniescommandant was Oberleutnant Moll. De compagnie was vermoedelijk ingedeeld als Jägerkompanie, echter zonder Schwere Waffen. Het lijkt er althans op dat zij louter uit Jäger bestond en dus mogelijk uit vier in plaats van drie Züge. De Kompanie is ook wel als 15./FJR1 aangeduid.

Regimentstaf

Het 1e Fallschirmjäger Regiment werd gecommandeerd door Oberst Bruno Bräuer. Diens adjudant was Hauptmann Rau, Ordonnanzoffizier was Oberleutnant Schemeitat en Nachtrichtenoffizier was de Oberleutnant Schuller. Dr. Müller was de regimentsarts, in de rang van Stabsarzt.

Er bestaat onduidelijkheid over de sterkte en exacte samenstelling van de staf in mei 1940. Zeker is dat de staf naast de officieren en onderofficieren - alsmede de onvermijdelijke Beambten - van de regimentstaf zelf, over een Nachrichtenzug, een Ordonnanz verband en wellicht een uitgekleedde vorm van een Leichte Kolonne, vermoedelijk vooral bestaande uit chauffeurs die op te vorderen voertuigen dienst zouden doen, beschikte. Daarnaast vermoedelijk een kleine Sanitätsgruppe. De grootte van dit geheel is onzeker, maar zal tussen de 50 en 70 man hebben gelegen. Gezien het feit dat de regimentsstaf met vijf vliegtuigen werd ingevlogen en dat daarbij ook enig zwaarder materieel aanwezig was, lijkt de sterkte van rond de 60 man het meest voor de handliggend.

Er waren een aantal lichte mitrailleurs voorhanden. 

Divisie eenheden

De divisie had een beperkt aantal divisie eenheden. Degene die daarvan niet in het vorige hoofdstuk de revue passeerden worden hieronder kort besproken. Detailinformatie ontbreekt vrijwel geheel, omdat helaas het divisie KTB ontbreekt. De PVK - de divisie Panzerabwehr Kompanie - werd hierboven reeds behandeld omdat zij identiek aan de 14./FJR.1 Kompanie was.

Luftnachrichten Kompanie

De verbindingsafdeling van de 7e Fliegerdivision is lange tijd een enigma geweest. Haar samenstelling is dat in zekere zin nog steeds.

Voor 10 mei stond de experimenteel vormgegeven eenheid nog te boek als '1e Kompanie Luftnachrichten Abteilung 7', maar op exact 10 mei 1940 werd zij omgedoopt in '1e Kompanie Luftnachrichten Abteilung 41' (volgens het WASt). De eenheid heeft in elk geval bestaan uit een samenstelling van pelotons voor kortegolf, middellange golf en lange golf zenders/ontvangers. De laatste bestond uit twee zenders/ontvangers die aan boord van twee Ju-52 waren geinstalleerd. Eén van die twee ging op 10 mei 1940 verloren op Waalhaven [500: blz 125].

Commandant van de Kompanie was de Oberleutnant (mgl. Hauptmann) Schleicher.

Division Aufklärungsstaffel

De divisie had een eigen bescheiden vliegende verkenningseenheid, bestaande uit kleine en grote verkenningstoestellen, die niet alleen luchtverkenning maar eveneens verbindingen moesten verzorgen. Uit Luftwaffe bronnen is enige duidelijkheid te verkrijgen over de globale samenstelling van de eenheid, die volgens verwijzingen in diverse bronnen gedurende de gevechtsdagen (vrijwel) geheel moet zijn uitgeschakeld.

Het Fliegerkorps beschikte over de Aufklärungsstaffel (Fernaufklärung) des II.Flakkorps, gestationeerd te Köln-Ostheim. Het was op 10 mei echter volledig gedetacheerd bij het Luftlandekorps (7e Fliegerkorps) en als zodanig in menige bron aangeduid als het Aufklärungsstaffel 7.FD, wat strikt organiek dus onjuist is, maar wel direct de link met Kurt Student zijn luchtlandingskorps legt. De eenheid bestond uit 4 of 6 Do-17M verkenners en enige Hs-126. Van het Staffel was Oberleutnant G. Langguth de chef.

Zeker is dat gedurende de meidagen de Hs-126 (en Bf-108 verbindingsvliegtuigen) regelmatig op Waalhaven geland zijn en er weer vertrokken, om tactische redenen. De lange afstandverbindingen werkten slecht en vaak lange tijd niet. Door waarnemingen op de grond te melden en te kunnen toelichten of afstemming te zoeken waar waarneming gewenst was, kon tactisch het bedoelde profijt worden getrokken van de eigen verkenners. Het gebruik van Waalhaven voor de verlangde afstemming is in elk geval enige keren gebeurd, zo blijkt o.m. uit aantekeningen van de staf van 7.FD. Foto's van een geparkeerde (beschadigde) Hs-126B op Waalhaven zijn overigens ook bekend.

Aan de divisie luchtmacht verbanden - los van de beide grote transportgroepen KGzbV1 en 2 - was nog een onbekend transportverband toegevoegd. Wellicht werd dat onder meer gevormd door de twee Ju-52 voor de verbindingsdienst. Er is geen enkele duidelijkheid te verkrijgen over dit onderdeel behalve dat het door Oberleutnant F. Schäfer werd gecommandeerd.  

Overige eenheden

De overige divisie-eenheden werden al bij de algemene bespreking van de 7e Fliegerdivision besproken.

Kaderlijst

Onderstaand vindt men de kaderlijst van de 7.Fallschirmjäger Division op 10 mei 1940 alsmede van Fallschirmjägerregiment 1. Hoewel de vermelde namen en rangen door onderzoeken een accurate weergave van namen, functies en rangen zouden moeten zijn, wordt desondanks een voorbehoud gemaakt. Tevens is het Sonderverband Koch - voor de inzet tegen Eben Emael - niet opgenomen, noch de beperkte verbanden die in Noorwegen waren ingezet, zoals (de restanten van) 1./FJR.1 en enige tientallen Ersatz mannen. Omdat van II./FJR.2 - dat zonder haar 6e Kompanie op het Zuidfront werd ingezet - behalve de positie van commandant Hauptmann Pietzonka geen samenstelling bekend is, wordt ze buiten geschouwing gelaten.

Niet alle officieren in deze staf behoorden tot het in te vliegen deel van de divisie. Zo werd tevens een verbindingsstaf in Duitsland georganiseerd onder de Oberstleutnant Von Fichte, waar diverse stafofficieren van de divisiestaf onder ressorteerden gedurende de inzet van de divisie in Nederland (en Eben Emael).  

Functie Betekenis Rang Naam Bijzonderheden
         
7.FD staf        
         
Div. Kommandeur Div cmdt Generalleutnant K. (Kurt) Student  
Ordonnanz Offz Verbindingsoff Oberleutnant H. (Harry) Herrmann Ook wel O.1 
         

Führungsstab

 

       
Ia Chef-staf  Major i.G. H. (Heinrich) Trettner  
Ia (op 1, Op.Offz) Off. Operatiën Hauptmann J. (Hans) Kroh  
Ia (op 2. Op Offz tgv) tgv Off. Operatiën  Hauptmann E. (Edward) Hübner  
Ic Hoofdinlichtingenofficier  Oberleutnant H. (Hans) Lampertsdörfer  
Ic (Abwehr Offz) Extern Inlichtingenofficier   Major Bock Wehrmachtsoffizier
Iw (Wetter Beamte) Meteoroloog Regierungsrat Brand Legerambtenaar
Nachrichtenführer Chef verbindingsdienst  Major O. (Otto) Schostag  
         

Ajudantur

 

       
IIa Personeelszk officieren  Oberstleutnant H. (Hans) von Fichte Verbindingstaf Gütersloh (D.)
IIb Personeelszk minderen  Major Ehrlich  
III Anwalt Divisie jurist     Onbekend
         

Quartiermeister

 

       
Ib Kwartiermeester Hauptmann H. (Hans-Joachim) Osterroth  
Ib/WuG Bewapeningsofficier Hauptmann B. Käthler Verbindingsstaf Güterloh (D.) 
Ib/Flg Technisch officier Stabsingenieur Stock Voor vliegend materieel
IVa Divisie intendant Amtmann Vitztum Legerambtenaar
IVb Divisie arts  Oberfeldarzt Dr Knäbel  
IVd Kapelaan / aalmoezenier     Onbekend
         

7.FD stabstruppe

 

       
Aufklärungsstaffel Luftw. Verkenningssquadron Oberleutnant G. Langguth Toegevoegd aan Ic
Transportstaffel Luftw. Transportgroep Oberleutnant F. Schäfer  
Luftnachrichtenkp Luchtverbindingseenheid Oberleutnant Schleicher Mogelijk Hauptmann 
Kradschützenzug Motorinfanterie Leutnant Geyer  
Geschützbatterie Artillerie batterij Oberleutnant B. (Bruno) Schram Berghouwitsers Skoda
Leichte Flakbatterie Lichte luchtafweer Oberleutnant E. Timm 2 cm Flak
Panzerabwehrversuchskp Antitank eenheid Hauptmann H. (Hermann) Götzel 12 PAK 3,7 cm
Sanitätskp Geneeskundige eenheid Oberstabsarzt Dr H. (Heinrich) Neumann  
Transportkp Transporteenheid Hauptmann Roloff Hauptmann Manner tgv.
         

FJR.1

       

Regimentsstab

 

       
Regimentskommandeur Regimentscmdt Oberst B. (Bruno) Bräuer  
Adjutant Adjudant  Hauptmann E. (Eberhard) Rau  
Begleitsoffz Off. verzorger Leutnant W.W. (Wolf Werner) Graf von den Schulenburg  
Ordonnanzoffz Verbindingsofficier Oberleutnant Schemeitat  
Regimentsarzt Regimentsarts  Stabsarzt Dr G. Müller  
Nachrichtenoffz Cdt verbindingspeloton Oberleutnant G. (Gerhard) Schuller  
         

I.Btl

 

       
Batallionskommandeur Bataljonscmdt Hauptmann E. (Erich) Walther  
Adjutant Adjudant Oberleutnant H. Zuber  
Batallionsarzt Bataljonsarts Stabsarzt  Albers  Onzeker 
Nachrichtenoffz Verbindingsofficier Oberleutnant Gerhold  
2.Kompanie Compagniescmdt Hauptmann K. (Kurt) Gröschke  
3.Kompanie Compagniescmdt Oberleutnant H. (Henning) Freiherr von Brandis  
4.Kompanie Compagniescmdt Hauptmann W. (Walter) Gericke  
         

II.Btl

 

       
Batallionskommandeur   Hauptmann F. (Fritz) Prager  
Adjutant   Leutnant J. Hädrich  
(Stlv) Btl Kdr    Hauptmann H. (Hans) Pelz Plv Btl Cmdt
Batallionsarzt   Stabsarzt Dr R. Weizel of Dr Hartmann 
Nachrichtenoffz   Oberleutnant W. (Willi) Rohrbach  
Ordonnanzoffz   Leutnant G. Hofmann  
5.Kompanie   Oberleutnant G. (Günther) Strähler Pohl  
6.Kompanie   Oberleutnant F. (Franz) Stangenberg  
7.Kompanie   Oberleutnant R. Pagels  
8.Kompanie   Oberleutnant R. (Rudolf) Böhmler  
         

III.Btl

 

       
Batallionskommandeur   Hauptmann K.L. (Karl-Lothar) Schulz  
Adjutant   Oberleutnant H. (Heinz) Schmücker  
Batallionsarzt   Stabsarzt Dr Werner  
Nachrichtenoffz   Oberleutnant Hühne of Otto Schramme Onzeker
9.Kompanie   Oberleutnant O. (Otto) Gessner  
10.Kompanie   Hauptmann W. (Werner) Dunz  
11.Kompanie   Oberleutnant K.H. (Karl-Heinz) Becker  
12.Kompanie   Hauptmann W. (Werner) Schmidt  
         

Regimentstruppe

 

       
14. Kompanie   Oberleutnant E.H. (Ernst Hermann) Reitzenstein 12 x PAK 3,7 cm
         

FJR Ersatz Kompanie

 

       
Kp chef Compagniescmdt Oberleutnant Moll Gecombineerde Cie
         

 

Fallschirmjägerregiment 2 (Fall Süd)

Het Fallschirmjägerregiment 2 was nog in opbouw in mei 1940. Die opbouw lag ver achter op schema, hetgeen vooral was veroorzaakt door de operatie in Polen, de nadien volgende gereedstellingen en vervolgens de inzet in Scandinavië. Daar waar het opbouwschema zomer 1939 nog voorzag dat FJR.2 en FJR.3 in de lente van 1940 operationeel zouden zijn - en daarmee de 7e Fliegerdivision compleet met gevechtseenheden gevuld - was in werkelijkheid de opbouw van FJR.2 nog in volle gang. het beschikte nog niet eens over regimentseenheden en naast het wel volwaardige I./FJR.2 [475] was II./FJR.2 nog in opbouw. III./FJR.2 bestond zelfs alleen nog maar op papier.

I./FJR.2 en 6./FJR.2 werden bij de voorbereiding op de operatie in Nederland, het plan Fall Festung, uitgeruild tegen IR.16 van 22.ID. De basisgedachte hierachter was duidelijk. De door 22.ID geleide operatie (Fall Nord) had behoefte aan parachutisten voor de eerste overval, terwijl de door 7.FD geleide operatie rond Rotterdam (Fall Süd) juist behoefte had aan ervaren grondtroepen voor de bezetting van veroverde posities. Het nog in opbouw zijnde II./FJR.2, waarvan nog slechts een fractie het parabrevet had gehaald, zou met uitzondering van het wel gebrevetteerde 6./FJR.2 conventioneel worden ingevlogen op Waalhaven op de eerste oorlogsdag.

Hauptmann Pietzonka was de commandant van II./FJR.2. Al zijn ervaren en gebrevetteerde parachutisten waren geconcentreerd in 6./FJR.2 dat bij Valkenburg werd ingezet. Het restant van zijn eenheid was volgens meerdere bronnen [454, 481, 500] incompleet, maar geen enkele bron geeft de exacte sterkte vrij. Er wordt slechts gesuggereerd dat er een beperkte sterkte van II./FJR.2 beschikbaar was. Vele Duitse bronnen geven aanwijzingen dat het een strijdmacht was van ca. twee compagnieën. Het is echter mogelijk dat dit zelfs al een overdreven voorstelling van zaken was, omdat II./FJR.2 gedurende de eerste twee gevechtsdagen geen enkele operationele opdracht kreeg. In tegendeel zelfs. Het was na haar landing direct naar Barendrecht gestuurd om het front daar te zekeren, maar werd spoedig door troepen van II./IR.16 afgelost. Op 12 mei werd de eenheid naar Tweede Tol gestuurd, waar het enige tijd verbleef om vervolgens naast de Gruppe de Boer te worden ingeschoven zuid van Dordrecht. Ook daar lijkt het aan de strijd niet te hebben deelgenomen, hoewel dat slechts wordt geconstateerd door het feit dat haar inzet nergens wordt gemeld en dat de eenheid (min 6./FJR.2) geen enkel slachtoffer had in mei 1940.  

Een andere opvallende zaak is dat uit de bronnen die zien op de inzet van de Einsatzgruppe Koch (Eben Emaël) blijkt dat vlak voor de inval een peloton van 8./FJR.2 werd ingezet bij Koch. Dat kan duiden op een direct uit de Ersatz komende eenheid, maar ook op het kanibaliseren van het toch nog in opbouw zijnde II./FJR.2. Duidelijk is echter wel dat dit hoe dan ook ten koste ging van 8./FJR.2 bij de inzet op het Zuidfront. 

Het is zeer verleidelijk om aan te houden dat II./FJR.2 uit anderhalf tot twee compagnieën heeft bestaan bij haar inzet op het Zuidfront. Het zou dan gaan om 5./ en 7./FJR.2, eventueel nog ondersteund door een peloton zware mitrailleurs van 8./FJR.2. Mortieren heeft men vrijwel zeker niet over beschikt. Omstandig blijkt dit uit de kaarten bij het IR.16 dossier [411] die met symbolen de zware wapens weergeven. Aangezien II./FJR.2 op 10 en 11 mei bij Barendrecht lag, en geen 8 cm mortieren aldaar zijn ingetekend, lijkt het veilig om vast te stellen dat die wapens sowieso ontbraken.  

Voor het overige participeerde geen enkel onderdeel van FJR.2 op het Zuidfront en daarom houdt de bespreking van dit regiment hier op.