De Lichte Divisie - 1e fase

Inleiding

Op 12 mei 1940 was de Lichte Divisie prominent vertegenwoordigd op het Eiland van Dordrecht. Zoals eerder beschreven werd de C-LD op 11 mei, na de niet geslaagde pogingen van de divisie om over de Noord te geraken nabij Alblasserdam, geïnstrueerd om met de sterkte van ruim een regiment wielrijders en ondersteunende eenheden via het Eiland van Dordrecht naar de Hoekse Waard op te rukken en vanuit die sector de Oude Maas over te steken om uiteindelijk tegen de Duitse aanwezigheid op Waalhaven en Rotterdam Zuid op te treden.

Het was niet alleen achteraf beschouwd een ridicuul plan. Het gaf nog maar eens fijntjes weer hoe incompetent een deel van de hogere legerleiding in die dagen was; de Commandant Vesting Holland in de hoofdrol, maar ook de C-LD had zich volkomen incompetent getoond door dit bevel kennelijk te prefereren boven nog een (serieuze) poging wagen om de Noord over te komen. Als een ‘eenvoudige’ operatie van de hoofdmacht van de Lichte Divisie tegenover een paar honderd verdedigers in de sector Hendrik Ido Ambacht - Ridderkerk al werd afgeblazen nadat men enkele dodelijke slachtoffers had te betreuren, met welk recht dacht men dan een veelvoud complexere operatie via een veel sterker door de vijand bezette sector met bovendien slechts de helft van de divisie wél te kunnen laten slagen? Het antwoord op die vraag zal nooit komen. Er is echter alle aanleiding om met een vergrootglas te kijken naar de gevolgen, die de eenheden van de Lichte Divisie wegens dit dolende krijgsbeleid op het Eiland van Dordrecht zouden moeten ondergaan. En daarbij zal de incompetentie van beide voornoemde autoriteiten nog heel nadrukkelijk in beeld komen. De bespreking wordt gefaseerd gepresenteerd, zoals de lezer inmiddels gewend is.

Omdat de betrokkenheid van de Lichte divisie op 12 mei bij de strijd in Dordrecht en op het Eiland zo groot was dat zij in feite bij alle gevechtshandelingen die plaatsvonden – m.u.v. Wieldrecht – betrokken was, wordt de gehele bespreking van de 12e mei van de gebeurtenissen op het Eiland van Dordrecht geschaard onder de noemer ‘De Lichte Divisie’. De bespreking van de perikelen van deze eenheid ten noorden van de Merwede wordt onder de reeds bekende noemer (‘Alblasserwaard’)  gevat.

Het bevel 7B (LD)

Om 1355 uur op 11 mei was bevel 7B van de C-LD uitgegaan aan zijn ondercommandanten. Dit bevel werd reeds ten dele geciteerd bij de bespreking van de gebeurtenissen rond de Lichte Divisie op 11 mei in de Alblasserwaard. Voor de goede orde – en als referentie voor de lezer – wordt het bevel hieronder nogmaals, maar dan in zijn geheel, weergegeven. Het is het bevel [1, 106] waar alle gebeurtenissen die op 12 mei op het Eiland van Dordrecht zouden plaatsvinden in feite mee begonnen: de nieuwe operatieplannen voor de Lichte Divisie.

»
Cmdt Lichte Divisie, bevel, Sectie I, no. 7B, St.K., 11 mei 1940 13.55 uur, aan (zie verdeler)

1.

De vijand heeft zich aan den Westoever van den Noord ter verdediging ingericht en o.m. bezet de bruggen bij Zwijndrecht, de burg bij Alblasserdam en het pontveer, Zuid van Kinderdijk. Pogingen om bij verrassing den Westelijken oever te bereiken, hebben tot nu toe geen voldoende succes gehad.

2. Eigen voornemens

Voorshands is afgezien van het voornemen dezen overgang te forceeren en heeft de Lt.D. opdracht, het geheele eiland van Dordrecht van vijand te zuiveren, om daarna over Wieldrechtsche Veer – ’s Gravendeel op te rukken in de richting van Barendrecht – Rotterdam.

3. Plan van uitvoering

Er zal worden gevormd:
a. een vasthoudende groep aan de Noord
b. een hoofdgroep, waarmee over Dordrecht zal worden opgerukt.

4.

a. Vasthoudende groep:
C. is C-1.R.W.
Troepen: 1.R.W. (min II) en I-KRA
b. Hoofdgroep
C. is C-Afz.St.
Troepen: II-1.R.W.; 2.R.W.; II-KRA
c. Divisiereserve
2.RHM; ME-Lt.D. en 1-11.RA.

5. Uitvoering

A. De overgang van de hoofdgroep over de Merwede vangt aan bij het invallen van de duisternis op heden 11 mei. De organisatie van de verdediging van de vasthoudende groep moet alsdan geheel zijn beëindigd. (Vuurvoorbereiding, enz.). Het vorenstaande geldt eveneens voor de overige verplaatsingen.
B. Taak vasthoudende groep:
Het doordringen van den vijand over de Noord te beletten.
C. Taak van de hoofdgroep:
a. het zuiveren van het eiland van Dordrecht; o.m. dient Willemsdorp te worden heroverd;
b. daarna op mijn nader bevel oprukken over het Wieldrechtsche Veer – ’s Gravendeel – brug over de Oude Maas, Zuid van Barenrecht (onder vermeestering van de brug aldaar) – Barendrecht;
c. verder doorstooten richting Rotterdam.

6. Artillerie

I-11.RA, onder commando van den D.A.C., steunt de taak van de hoofdgroep.

7. Divisiereserve

a. 2.RHM komt voorloopig te Oud-Alblas en wordt, naarmate de zuivering van het eiland van Dordrecht voortschrijdt, bestemd voor:
- het bezetten van het veer bij Wieldrecht naar ’s Gravendeel
- het bezetten van de brug over de Oude Maas, Zuid van Barendrecht;
b. ME-Lt.D. beveiligt den overgang van de hoofdgroep over het Papendrechtsche Veer tegen overvallen uit de lucht.

8. Bevelsverhouding

De twee Bats. Van 2.R.W., welke zich reeds te Dordrecht bevinden, treden onder de bevelen van C-2.RW., zoodra dit regiment de Merwerde heeft overschreden.

9. Treinen

Gn.Tr. blijven voorloopig ter plaatse, waar zij thans zijn, een en ander te regelen door de betrokken commandanten. Lm.Tr. worden meegevoerd. Zie verder Verplegingsbevel. St-D.T., IMT, AMT en Aut.Comp. blijven voorloopig ter plaatse.

10.

C.Pn. Blijft te Bleskensgraaf. C.P. wordt verzameld te Wijngaarden (NO van Sliedrecht). 

11. Vb.A. blijft voorloopig ter plaatse

C-Vb.A. zendt echter 8 gewondenauto’s en 1 autobus met 1 Off.v.Gez. en 20 ziekendragers naar Sliedrecht. Zoodra de overgang van de hoofdgroep is beëindigd, volgt deze colonne en komt ter beschikking en meldt zich bij den C-Hoofdgroep. Bovendien wordt de Off.v.Gez. der 2e klasse Rooijaards (met één personenauto van de Vb.A.) bij ontvangst van dit bevel gedirigeerd op Staf C.-Hoofdgevechtsgroep te Oud-Alblas.

12.

Mijn St.K. blijft voorloopig te Oud-Alblas. Ik verwacht zoo spoedig mogelijk plaats van cp., en tfn. nummer van: C-Vasthoudende Groep, C-Hoofdgroep, C-C.Pn, C-C.P., C-St-D.T., C-M.E., C-2.R.H.M., C-Vb.A., C-5 C.A.A.T., C-Aut.Comp., C-I.M.T., C-A.M.T. en C-Vbd.A. (1)  

13. Verbindingen

Telefonische verbindingen langs het bestaande net. Mijn tfn. is Oud-Alblas nr. 14.

W.g. de Kolonel, cmdt der Lichte Divisie, H.C. van der Bijl
«

(1) Betekenissen der afkortingen: Pn = Pioniers, C.P. = (geen officiele afkorting maar vermoedelijk Pontonniers), St-DT = staf divisietrein, ME = Mitrailleur Eskadron, RHM = Regiment Huzaren Motorrijders, Vb.A = Verbindingsafdeling, CAAT = Compagnie Aan en Afvoer Troepen, Aut.Comp = Autocompagnie, IMT = Infanterie Munitie Trein en AMT = Artillerie Munitie Trein 

Hieronder worden systematisch de gebeurtenissen beschouwd, die als gevolg van de uitvoering van dit bevel, op 12 mei op het Eiland van Dordrecht zouden plaatsvinden. Om te beginnen bij de eerste gevechtsactie, die door de nieuw gearriveerde troepen zou worden ontwikkeld: een verkenning door de huzaren motorrijders van 2.RHM. 

Huzaren en infanterie naar Wieldrecht

Bij de bespreking van de gebeurtenissen rond Wieldrecht op 12 mei, waarbij 4-3.GB prominent in beeld kwam, is tevens een zijstap gemaakt naar een bescheiden actie van een kleine sectie huzaren motorrijders van 2.RHM, die via de Zuidendijk een verkenning richting het veerpunt bij Wieldrecht trachten te realiseren. Zij kwamen daarbij in gevecht met parachutisten nabij het buiten Amstelwijk, maar wisten zich van hen los te maken en de Kil oever te bereiken. Daar werden zij deels slachtoffer van tragisch eigen vuur. Voordat deze actie, die rond 1030 uur Nederlandse tijd nabij het buiten Amstelwijk speelde, tot stand kwam, was eerder van hetzelfde huzarenverband een andere voorhoede met de Duitsers in aanraking gekomen. Die actie werd eveneens zijdelings besproken in het voornoemde hoofdstuk. Hieronder zal die gebeurtenis nader worden besproken. Een bescheiden herhaling van feiten is, voor het juiste overzicht, onontkoombaar.

Sectie zware mitrailleurs van de Huzaren Motorrijders

[105] Op 10 mei was 2.RHM door de C-III.LK (na goedkeuring AHK), zonder tussenkomst van de C-LD, naar Mill gestuurd om de aldaar binnengedrongen bezetting van de Duitse pantsertrein te helpen neutraliseren. Daarbij werd men onder direct bevel van de C-Peeldivisie gesteld. Na in gevechten nabij het spoor te Mill betrokken te zijn geweest, maakte het regiment (min 3-1-2.RHM, dat later volgde) zich in de avond van 10 mei los van de strijd bij Mill, trok over Den Bosch westwaarts en kreeg vervolgens de opdracht zich naar Tilburg te begeven. Pas op 11 mei werd men terug gedirigeerd naar de Lichte Divisie. Door allerlei Duitse luchtaanvallen op de colonnes werd het onderlinge verband verbroken. Het leidde ertoe dat een groot deel van 2.RHM het verband met de hoofdmacht kwijtraakte.

[105] Commandant van 2.RHM was de luitenant-kolonel A.J.E. Mathon. Op 9 mei 1940 had het regiment bestaan uit een staf met staftroepen en treinen, twee eskadrons huzaren motorrijders (elk met drie pelotons met per eskadron totaal negen lichte cavalerie-mitrailleurs Lewis) en een gecombineerd eskadron MC en PAG, dat beschikte over twee secties zware mitrailleurs (totaal 6 stuks) en twee secties PAG (totaal 4 stukken) en dat gezamenlijk als Eskadron PAG werd aangeduid. De mortiersectie ontbrak. (2) De gevechtseenheden waren voorzien van motoren, veelal met bijwagen. De PAG werd door PAG-trekkers gemotoriseerd. De benaming als ‘regiment’ was erg misleidend, nu de sterkte van de eenheid in werkelijkheid slechts ongeveer twee derde van een reguliere bataljonssterkte bedroeg met haar ca. 550 man.

(2) Volgens de opbouwplannen voor de Lichte Divisie, die in maart 1939 werden ingezet, zou een regiment Huzaren Motorrijders organiek gaan bestaan uit drie eskadrons motorhuzaren (met elk drie pelotons), een eskadron zware mitrailleurs (12 zware cavalerie mitrailleurs Schwarzlose, geheel gemotoriseerd), een eskadron pantserafweergeschut (4 stukken PAG, 6 geweren tegen pantser (gtp), geheel gemotoriseerd) en een sectie mortieren van 8 (gemotoriseerd). Op 10 mei ontbrak het 3e Eskadron geheel, ontbraken tevens de gtp en waren de beide zware wapens eskadrons samengebracht in één eskadron. De mortieren ontbraken alleen bij 2.RHM, wegens onderhoud. 2.RHM was pas eind februari 1939 opgericht, toen het proces ingezet werd dat de Lichte Brigade tot Lichte Divisie verwerd.  Overigens kwamen de Regimenten Motorhuzaren voort uit de cavalerie, waar het begrip peloton vrij algemeen werd aangewend voor het equivalent ‘sectie’ bij de overige landmacht onderdelen. Opvallend genoeg behielden de ondersteuningseenheden de benaming ‘sectie’. 

[105] Na in de late avond van 10 mei eerst (grotendeels) op het terrein van de Isabella kazerne (Vught) te zijn gehergroepeerd, werd in de ochtend van 11 mei bevel van kolonel Schmidt (TBB) ontvangen dat het regiment zich naar Tilburg diende te begeven en de C-2.RHM zich aldaar bij de staf Peeldivisie zou moeten aanmelden voor nadere afstemming. Aldus werd het regiment verplaatst naar Tilburg, alwaar de commandant te horen kreeg zich in Gorinchem te moeten melden met zijn eenheid. Hierop werd besloten dat eerst de regimentstreinen zich naar het noorden zouden verplaatsen, kort nadien gevolgd door de eskadrons en staf. Het was de bedoeling bij Keizersveer de Maas over te steken. Vervolgens ging er veel mis. De in marsgroepen opgedeelde gevechtseenheden raakten eerst door een luchtaanval nabij het plaatsje Hulten (nabij Gilze-Rijen) uiteengeslagen. Naast het feit dat tientallen gewonden vielen, was de chaos groot. Ook het verlies aan materieel was aanzienlijk. De achterhoede o.l.v. de ritmeester W.R. van Mierlo (C. 2-2.RHM) werd bovendien door een artillerieofficier van de Peeldivisie (vrijwel zeker C. 20.RA, luitenant-kolonel C.P. Granpré Molière (3)) terug naar Tilburg gestuurd. De ritmeester protesteerde tegen deze instructie, waarop de overste telefonisch ter verificatie contact zocht met de staf Peeldivisie en na enige tijd de achterhoede formatie alsnog haar weg liet vervolgen. Onderwijl had de voorste marsgroep grotendeels de tocht richting Oosterhout – Keizersveer voortgezet, hoewel één groep en een stuk PAG na de luchtaanval abusievelijk de weg richting Breda hadden ingeslagen. De rest van de voorste marsgroep bereikte echter om 1800 uur Gorinchem. Uiteindelijk miste men aldaar de sterkte ter sterkte van twee secties en een sectie PAG. Vijf groepen waren abusievelijk naar Gouda doorgereden, een zes groep zoals gezegd samen met een sectie PAG (waarvan één stuk een onbekende bestemming heeft bereikt) naar Breda. Daarmee was de sterkte van 2-2.RHM teruggebracht tot vier secties huzaren motorrijders, een sectie PAG en twee secties MC. Met die sterkte alsmede de in Gorinchem aangetroffen tros, werd vervolgens naar Bleskensgraaf verplaatst, waar men ca 2000 uur aankwam. Daar had men, het was inmiddels donker geworden, de grootste moeite alle voertuigen gedekt tegen luchtverkenning en –aanvallen goed onder te brengen.

(3) Luitenant-kolonel G.P. Granpré Molière zou op 20 mei bij het Franse plaatsje Allaines, nabij Amiens, sneuvelen. Hij bestuurde een auto waarmee hij richting het Nederlandse gezantschap in Parijs was gegaan om geld te halen voor de troepen, die na de Nederlandse capitulatie zonder fondsen zaten. Onderweg kwam hij echter met een Duitse verkenningseenheid in aanraking waarbij een pantserwagen de auto onder vuur nam, waarbij de overste dodelijk gewond raakte en naast de auto overleed. Uiteraard is zijn sneuvelen er mede debet aan dat zijn betrokkenheid bij het onverstandige bevel aan ritmeester Van Mierlo niet geverifieerd kon worden.   

[105] De commandant van het eskadron PAG (ritmeester T.L.A. Steenkamp), waarbij tijdens de gevechtsdagen het halve eskadron zware mitrailleurs ingedeeld was, had samen met vijf groepen huzaren motorrijders, zijn enige overgebleven sectie PAG en twee secties MC de nacht doorgebracht te Wijngaarden. Dit verband, gemakshalve hierna als ‘Verband Steenkamp’ aangeduid, was al voor de staf en treinen van 2.RHM in de Alblasserwaard aangekomen en de ritmeester had zich omstreeks 1600 uur bij C-LD gemeld [106: dagboek staf LD]. In eerste instantie kreeg de ritmeester Steenkamp, functionerend als plaatsvervangend commandant van 2.RHM bij ontstentenis van de C-2.RHM, van C-LD de instructie (conform het divisiebevel no. 7B van 11 mei 1355 uur) dat 2.RHM tot de divisiereserve zou behoren en zodoende in de Alblasserwaard zou blijven, tot dat de progressie van de Hoofdgroep (versterkte 2.RW) op het Eiland van Dordrecht zich zodanig zou ontwikkelen dat een bezetting van het veerpunt bij Wieldrecht opportuun zou worden. Dat zou dan door (een deel van) 2.RHM worden uitgevoerd. De tweede fase van de voor 2.RHM bedachte taak zou pas opportuun worden als de gehele eerste fase van het divisie operatieplan – zijnde de succesvolle doorstoot over het Eiland van Dordrecht naar de Kil – zou zijn geslaagd (4).

(4) In de betreffende order – zie hierboven voor de gehele instructie – was artikel 7 met name van toepassing. 

Deze voorwaardelijke instructie aan 2.RHM om het Wieldrechtse Veer te bezetten, hield uiteraard verband met de doelstelling van de operatie van de Lichte Divisie, zoals eerder beschreven. Deze instructie was kort na het middaguur op 11 mei geformuleerd. In het hoofdstuk over 4-3.GB bij Wieldrecht wordt besproken dat (ook) deze compagnie – zij het van Groep Kil – opdracht kreeg het Wieldrechtse Veer te bezetten en te verdedigen. Het is daarom interessant te kijken hoe de instructies aan 4-3.GB en die aan 2.RHM – beide dus opgedragen om het Wieldrechtse Veer te bezetten – zich tot elkaar verhielden.

[192] In de late middag van 11 mei werd Groep Kil telefonisch verwittigd door het commando Vesting Holland dat de Lichte Divisie op 12 mei op het Eiland van Dordrecht zou worden ingezet met als doel het Eiland zo goed als van Duitsers schoon te vegen en vervolgens oversteek te zoeken bij het Wieldrechtse Veer, waarna men van plan was via Barendrecht de Oude Maas over te steken. Op 12 mei om 0850 uur was er contact tussen de chef-staf Lichte Divisie en Groep Kil, waarbij de mededeling werd gedaan dat de divisie op het punt stond met vier tot vijf bataljons op te rukken over het Eiland, richting Wieldrechtse Veer. [192] C-Groep Kil besloot toen dit offensief te steunen door met 4-3.GB Wieldrecht reeds te bezetten en te beveiligen, door patrouillegang de Duitse posities nabij Willemsdorp te verkennen en door middel van artillerievuur de bekende Duitse concentraties bij Tweede Tol en tussen Zeehaven en Dordtse bruggen te verstoren. De eerste maatregel betekende dus de basis voor de actie van 4-3.GB. [192] Ritmeester Steenkamp, die op 12 mei om 0921 uur telefonisch contact maakte met chef-staf Groep Kil te Puttershoek, kreeg te horen dat Groep Kil een bruggenhoofd bij Wieldrecht zou vormen ter voorbereiding op de aansluiting die met troepen van de Lichte Divisie zou moeten volgen. Tevens werd Steenkamp gemeld dat de Duitsers in bezit waren van de sector rond de bruggen en dat de Zeehaven in Duitse handen was; bovendien dat dit beschoten zou worden door de artillerie. Dit alles om hem duidelijk te maken dat hij richting Wieldrecht diende door te stoten door over Dubbeldam en de Zuidendijk op te marcheren. [192] Ook het bureau van overste Mussert in Dordrecht, dat meldde inmiddels contact te hebben met de overste Van Diepenbrugge (cmdt Hoofdgroep), werd gemeld van het voorgenomen artillerievuur op het gebied ten NO van de Zeehaven en de ambitie een bruggenhoofd bij Wieldrecht te slaan, met het dringende verzoek dit bericht aan de commandant van de Hoofdgroep door te geleiden. Nadrukkelijk werd door Groep Kil meegegeven dat de Lichte Divisie haast moest maken. [192] Rond 1030 uur ontstond vanuit Dordrecht mogelijk ook nog contact met Groep Kil doordat de aantekeningen van Calmeijer aangeven dat de majoor N.C. Kloppenburg (C. II-1.RW) meldde dat de Hoofdgroep om 1115 uur vooruit zou gaan met als doel uiteindelijk het Wieldrechtse Veer te bereiken.  Dit gesprek is echter alleen in aantekeningen van kapitein Calmeijer teruggevonden, maar wordt noch door het berichtenregister (van Groep Kil) noch door het verslag van majoor Kloppenburg [103b] bevestigd.

In elk geval waren de Lichte Divisie en Groep Kil beide op de hoogte van hun wederzijdse voornemen om Wieldrecht veilig te stellen. Zoals vastgesteld was dit voor 2.RHM ook het geval, want ritmeester Steenkamp had zelf contact gehad met kapitein Calmeijer. De vraag is hoe deze bevelhebbers omgingen met het delen van hun informatie. Hebben zij hun eenheden ingelicht omtrent de voornemens van eigen troepen of bleef die informatie steken bij de hoogste ondercommandanten? Het is duidelijk uit het tragische en verliesrijke eigen vuur incident langs de Kil, hoe onwetend de troepen langs de westoever van de Kil waren van mogelijk spoedig tegenover hen verschijnende eigen troepen van de Lichte Divisie.

Het is onduidelijk in de bronnen van de Lichte Divisie [106] en 2.RHM [105] wanneer precies het sein werd gegeven aan het Verband Steenkamp om de Merwede over te steken en zich van Wieldrecht te vermeesteren. [106] Het gereconstrueerde dagboek van de LD is hierin ronduit verwarrend en bovendien inconsistent. [105] Het dagboek van ritmeester Steenkamp meldt slechts het aan hem overhandigen van het bevel 7B (waarin slechts de voorwaardelijke opdracht aan 2.RHM is gestipuleerd), maar vervolgens dat men zich op weg begeeft om in de late avond reeds over te steken. Vervolgens constateerde de ritmeester grote vermoeidheid bij de troep, welke hij aan C-LD meldde. [105] Van C-2.RHM kreeg hij daarop toestemming de nacht in Wijngaarden (Alblasserwaard) door te brengen en in de vroege ochtend het veer bij Papendrecht te gebruiken om in Dordrecht te geraken en vandaar ‘de opdracht uit te voeren’. Die opdracht is dus niet te isoleren uit de bronnen, maar kan vrijwel niet anders zijn geweest dan de effectuering van de in bevel 7B nog voorwaardelijke instructie om ‘na voldoende progressie op het Eiland door de Hoofdgroep’ richting Wieldrecht op te marcheren en dit veilig te stellen.  Die effectuering zal vermoedelijk mondeling zijn verricht en de verslagen niet gehaald hebben.

Duitse luchtfoto de Polder

De formatie die Steenkamp aanvoerde bestond volgens zijn reconstructie van 22 mei 1940 [105] uit een pelotonssterkte van het 1e Eskadron en twee groepen van het 2e Eskadron, ondersteund door een sectie zware mitrailleurs en een sectie PAG. Bij elkaar was dit een sterkte van hoogstens 80 man. Toen het geheel was overgezet met de pont, werd men bij binnenkomst van de stad Dordrecht door de overste Van Diepenbrugge (C-Hoofdgroep) nadrukkelijk gewaarschuwd voor sluipschutters in de huizen. [106] In een dossier met meldingen over subversieve elementen in de stad Dordrecht, dat in het stafdeel van het NIMH dossier van de LD zit, zaten ook enkele meldingen van 2.RHM van beschietingen uit huizen tijdens de doortocht door de stad. [105] Ritmeester Steenkamp instrueerde alle mannen op de duozit en in de bijwagens de mitrailleurs en karabijnen schietklaar te houden tijdens de rit naar de spoortunnel. Inderdaad werd hier en daar op (vermeende) schutters vuur uitgebracht hoewel men onverminderd doorreed. Het is vrijwel zeker dat men op spoken of eigen mensen c.q. burgers schoot, want de route die men reed was vast in handen van eigen troepen. [105] Vooraf had de ritmeester besloten om de kortste route naar Wieldrecht te nemen dwars door de stad, leidende door de spoortunnel (Spuistraat) en via de Hugo de Grootlaan naar de rijksweg. Zijn verslagen melden nergens hoe hij deze route had vastgesteld en vooral met wie ze was doorgenomen. Het leek tamelijk roekeloos om niet de lokale situatie te verkennen, terwijl er genoeg personeel te vinden was dat tenminste had kunnen uitleggen dat de Duitsers tegenover de spoorlijn lagen en de route langs de bruggen dwars door het Duitse bruggenhoofd zou voeren. Opnieuw zien we hier echter het ronduit armzalige C3I (Command, Control, Communications and Information) bewustzijn in het toenmalige Nederlandse leger, terwijl in casu toch over de beste soort (beroeps)officier in dat leger wordt gesproken. Daarentegen kan moed en doortastendheid de ritmeester niet worden ontzegd, want zijn besef was er terdege dat hij zich door de vijandelijke verdediging zou moeten heenslaan om Wieldrecht te bereiken.

[105] Volle vaart reed de voorhoede, vermoedelijk bestaande uit een groep van het 3e Peloton van 2-2.RHM (volgens het verslag van ritmeester Van Mierlo, C. I-2.RHM), rond 0800 uur door de spoortunnel om vervolgens (via de Spuiweg) rechtsaf de Hugo de Grootlaan op te draaien. Volgens het verslag van de ritmeester Steenkamp kreeg de voorhoede dusdanig zwaar vuur terwijl het onder de tunnel doorreed, dat de rest van de formatie halt hield en omkeerde. Een versie die in de geschiedenisboeken vast verankerd werd [o.a. bronnen  1, 30]. Steenkamp stelt letterlijk in zijn verslag van 22 mei 1940:

» Het regiment (…) zou marcheren van Dordrecht naar Wieldrecht. Onder het viaduct kreeg de voorhoede hevig vuur. Besloten werd om over Dubbeldam naar Wieldrecht te marcheren, waarbij een andere voorhoede werd uitgezonden. Doordat de voorhoede verkeerd reed raakte deze de hoofdmacht kwijt. Aangezien de vijand zich sterk verschanst had achter de spoorbaan, kon 2.RHM niet verder

Er wringt echter het een en ander Steenkamp’s weergave. De spoortunnel omgeving was vast in Nederlandse handen, en was niet of nauwelijks te beschieten door andere dan Nederlandse vuurorganen. Men bedenke dat deze tunnel geen viaduct was maar dat het spoor zich op maaiveld bevond en de Spuiweg werkelijk onder het spoor (en de Havenstraat) door ging. Vuur in de tunnel geven kon dus slechts vanuit bebouwing, als men die beheerste, of vanuit de tunnelingangen. Hoe was de situatie bij de spoortunnel op dat moment?

Spoortunnel (Spuitunnel) Krispijn

[150] Het detachement van reserve 2e luitenant C.P. Beernink [det. 3e Cie Torpedisten] had een positie nabij de spoortunnel. Zijn detachement, voorzien van enige zware Vickers mitrailleurs, had posities in villa Weizicht en twee huizen op de kop van de Hugo de Grootlaan. De tunnel, Spuiweg (zuid), Hugo de Grootlaan en de bocht met de Krispijnse weg werd daarmee bestreken. De luitenant omschreef wat hij zag gebeuren als volgt:

» Ik ging mijzelf (evenwel) nogmaals met enkele manschappen overtuigen en bevond den tunnel geheel in onze handen. Omstreeks tusschen middernacht en 4 uur ’s morgens [AG: 12 mei] was de toestand volgens mijn eigen bevindingen en die, mij door mijn patrouillecommandanten gemeld, als volgt: de tunnel, de Hugo de Grootlaan, het Krispijn tot en met de Bosboom Toussaintstraat, de Brouwersdijk tusschen deze straat en de Hugo de Grootlaan, Weizicht met het zogenaamde Boschje van de Roo, het Boonepaadje, het daarnaast gelegen weiland, de spoorbaan tot ongeveer bij de bocht, en het station waren in Nederlandsche handen. Het Sportfondsenbad was ontruimd, doch niet door den vijand bezet. De Noordzijde van de tunnel werd eveneens door eigen troepen bezet gehouden.

In de loop van den dag – het tijdstip is mij ontschoten – werd door wielrijders een aanval langs de Krispijnscheweg ondernomen, zonder dat de commandant zich tevoren met de bezetting Weizicht in verbinding had gesteld. Hetzelfde was het geval met een afdeling motorrijders, die het bij een benzinepomp zeer hard te verantwoorden kregen, hetgeen bij voorafgaand overleg had kunnen worden vermeden. Vanuit Weizicht werd duidelijk waargenomen, hoe de motorrijders werden neergeschoten.  «

Deze opmerkelijke (en gedecoreerde) luitenant, die niet slechts in zijn verslagen een bijzonder heldere geest tentoonspreidde, zal vaker worden aangehaald wegens zijn nuchtere en uiterst realistische kijk op de zaken, die zich rondom hem afspeelden. Zijn verslag maakt echter duidelijk, alleen al vanwege de posities die zijn detachement innam (naast pontonniers en spoorwegtroepen, die eveneens in deze sector de spoorwegverdediging vorm gaven), dat van Duits vuur op de tunneluitgang helemaal geen sprake zal zijn geweest! Daar komt nog eens bij dat er geen enkel slachtoffer onder de huzaren viel bij de tunnel. Het verhaal van vuur op deze formatie in de tunnel komt dan ook erg ongeloofwaardig over en als het er al is geweest, dan kwam het vrijwel zeker van eigen troepen!  Het is echter waarschijnlijker dat het vuur pas in de colonne sloeg toen men de hoek Spuiweg – Hugo de Grootlaan nam. De Hugo de Grootlaan lag (en ligt) in het verlengde van enkele posities die de Duitsers in het talud van de brugoprit hadden ingenomen. Vanaf die posities kon men de rechterbaan van de Hugo de Grootlaan uitstekend dekken. Bomen obstrueerden Duits zicht op villa Weizicht, maar het noordoostelijke uiteindelijk van de Hugo de Grootlaan lag op slechts 500 meter van de meest oostelijke Duitse positie. Dat was voor een op het doel ingeschoten zware mitrailleur een uitstekend te dekken afstand. Als het dus Duits vuur was, wat de rest van de colonne van ritmeester Steenkamp terugsloeg, dan was het vuur vanaf het talud van de brugoprit, afgegeven door 2./FJR.1 [451]:

» In der Nacht vom 11. Zum 12.5.1940 verlief alles ruhig. Der Gegner scheint am Vortage derart erschüttert, dass ein Angriff nicht mehr versucht wird. 9.00 Uhr stößt wieder ein Kradschützenzug aus der Stadt heraus nach Süden vor. Es blieben nach einem Feuerüberfall 12 Maschinen und 5 Tote auf der Straße liegen «

De Duitse weergave was tamelijk accuraat. Het waren weliswaar ‘slechts’ vier gesneuvelden, maar vermoedelijk telden de Duitsers, die op zo’n 250 m afstand van het pompstation zaten waar zij uiteindelijk de Nederlanders tot stoppen wisten te dwingen, een gewonde mee. De dpl korporaal G. Spandonk en de dpl huzaren A.D. van der Kuijl, J.M. Lamboo en J. Snijders (overleed op 15 mei) verloren hun leven op het Hugo de Grootplein. De overige manschappen slaagden er niet in om overdag weg te komen en bleven de rest van de dag in dekking bij het pompstation. Pas toen het donker was geworden slaagden zij erin om weer binnen eigen linies te komen, hun motoren achterlatende.

Ook rond deze gebeurtenis ontstond een misverstand in de literatuur. Dat werd vooral veroorzaakt door het gevechtsverslag van de ritmeester W.R. van Mierlo, commandant van 2-2.RHM. In zijn verslag van 1 juni 1940 omschreef de ritmeester het geval als volgt [105]:

» Deze opdracht werd vervangen door: rijdt over Dordrecht naar Wieldrechtse Veer en verken dit veer. C-3e Pel. heeft de Zeehaven bereikt (vt. 103-423), doch werd daar onder mitr. vuur genomen van ca. 0830 tot 2100 in welken tijd ook een luchtbombardement viel . Eerst om 2100 uur lukte het hem onder het mitr. vuur uit te komen en te voet terug te trekken (…)

Het leidde ertoe dat in de literatuur gesteld wordt dat deze kleine formatie, welke zeker niet uit het complete 3e Peloton bestond (slechts de pelotonscommandant en een groep van het 3e Peloton waren aangesloten bij het Verband Steenkamp), de Zeehaven bereikte. [1] In het Stafwerk, zo werd al gezien bij de bespreking van het onfortuinlijke eigen vuur incident aan de Kil oever wat de sectie zware mitrailleurs van het Verband Steenkamp later zou treffen, werd zelfs gesteld dat het deze formatie was die de Zeehaven bereikte en vervolgens aan eigen vuur ten prooi viel. Daar was geen sprake van. Men kwam niet verder dan halverwege de Hugo de Grootlaan, waar men dus op het Hugo de Grootplein bij de Shell pomp strandde (5).

(5) Er is nader onderzoek gedaan naar deze pomp, waarover in de literatuur nogal verwarrend wordt gesproken. Er is een foto bekend van dit Shell benzinestation (waarvan de oorspronkelijke afbeelding niet in het bezit is van auteur dezes en dus niet wordt getoond), waarbij één gesneuvelde huzaar en enkele motoren zichtbaar zijn. De locatie waar de foto is genomen is geverifieerd met de Shell archievendienst.  De Dordtse WOII onderzoeker Cor Muilwijk heeft zich zeer verdienstelijk gemaakt door identificatie van de foto met de Shell archiefdienst af te stemmen, waardoor –naast eerdere vermoedens en het heldere verslag van de luitenant Beernink van 3e Cie. Torp. – inmiddels onomstotelijk vaststaat dat het eindstation voor de uitgebroken groep motorhuzaren het thans nog bestaande benzinestation op het Hugo de Grootplein was. 

[30, 105] Toen de hierboven beschreven onfortuinlijke huzaren waren doorgebroken, werd een even nadien door de tunnel rijdende PAG met trekker op de hoek Spuiweg - Hugo de Grootlaan door mitrailleurvuur getroffen. De bemanning in deze half open wagen sprong eruit en zocht dekking. Stukscommandant (dpl) wachtmeester H.L.M. Holten kreeg daar spijt van en rende terug naar de wagen en keerde deze om. Het was vermoedelijk niet ombelangrijk dat de groep huzaren die de Hugo de Grootlaan wel afreed richting Duits bruggenhoofd de aandacht van de Duitse vuurorganen opeiste. De wachtmeester slaagde erin om de wagen te keren en terug door de tunnel te rijden. Nadien maakte de resterende colonne ook rechtsomkeert. Ergens rond die tijd maakte ritmeester Steenkamp contact met Groep Kil [192] en kreeg vervolgens het telefonische advies over Dubbeldam en de Zuidendijk naar Wieldrecht te rijden, omdat de Duitsers de Zeehaven en de sector ten noordoosten daarvan bezet hielden. Zodoende vertrok de formatie huzaren onder de ritmeester naar Dubbeldam, van waaruit een sectie zware mitrailleurs opdracht kreeg naar Wieldrecht te verkennen. De daarop volgende gebeurtenis is uitgebreid beschreven bij de bespreking van 4-3.GB in Wieldrecht. De uitgezonden verkenningsformatie kwam bij het viaduct nabij het buiten Amstelwijk in gevechtsaanraking met parachutisten, waarbij één huzaar werd gedood en de rest, na een kort lokaal gevecht, naar de Zeehaven wist te ontkomen, onder achterlating van motoren en zware wapens. Aldaar aangekomen trachten zij langs de oever van de Kil naar het veerpunt bij Wieldrecht te komen, maar trof hen het noodlot. Zware mitrailleurs van een sectie MC-II-28.RI vuurden op de met leren jassen en zwarte laarzen gekleedde huzaren in de veronderstelling met Duitsers te maken te hebben, waardoor vijf huzaren door eigen vuur omkwamen en enkele zwaar gewond raakten, voordat het misverstand was opgelost. De overlevenden werden tenslotte naar ’s Gravendeel overgevaren. Macaber genoeg zouden zij de enige manschappen van de Lichte Divisie blijken te zijn die de Hoekse Waard zouden halen. Ze hadden daarvoor een hoge tol betaald.

PAG met trekker

[105, 106] Nadat de verkenners niet terugkeerden naar Dubbeldam, en vermoedelijk uit krijgsgeluiden wel duidelijk zal zijn geweest dat zij op vijand waren gestuit, bleef het magere restant van het Verband Steenkamp ter plaatse, om later die dag een beveiligende taak te krijgen rondom de CP van de commandant Hoofdgroep (later cp van C-LD) te Dubbelsteijn. Aan het einde van de dag zou men zelfs via de spoorbrug bij Baanhoek het Eiland van Dordrecht weer verlaten, omdat de C-LD – die naar Dordrecht toe was gedirigeerd – de terugweg niet vertrouwde wegens berichten dat die zou zijn afgesneden (wat deels het geval was). Zodoende verliet men het Eiland van Dordrecht om vervolgens via Papendrecht pas de volgende ochtend weer in Dordrecht terug te keren. Deze gebeurtenissen zullen later nog uitgebreid in hun context worden geplaatst.

Tien huzaren motorrijders van 2.RHM verloren op 12 mei rond Dordrecht het leven. Dat waren al meer doden dan de mislukte oversteek over de Noord de commandant Lichte Divisie had doen nopen zijn directe superieur C-VH te verzoeken om verlossing van zijn taak om de Noord te moeten oversteken. Vier huzaren sneuvelden bij het Shell station, één bij het viaduct nabij Amstelwijk en vijf man door eigen vuur langs de Kil. Hun op zichzelf moedige acties hadden niets opgeleverd, maar waren een toonbeeld van de zwakte van het krijgsbeleid in het Nederlandse leger te velde in mei 1940. De eerste actie was roekeloos geweest. Een gevolg van zwakke planning en onbegrijpelijk gebrek aan afstemming. Nadat al op 11 mei een groep huzaren (sectie vaandrig Blok) exact dezelfde fout had gemaakt en op vrijwel dezelfde locatie in Duits vuur reed met dodelijke gevolgen, werd op 12 mei, met een inmiddels veel duidelijker vijandbeeld, opnieuw een offer gevraagd wegens roekeloos beleid. Vervolgens werd een groep huzaren op een zinloze verkenning naar Wieldrecht gestuurd door dezelfde ritmeester, die allang op de hoogte was van zowel de Duitse aanwezigheid in de sector als de ambitie van Groep Kil om Wieldrecht te bezetten. Wat er dus in dat opzicht te verkennen viel zonder dat de hoofdmacht kort achter die verkenners volgde, is volstrekt onduidelijk. Tenslotte was er dan de tragedie van eigen vuur, omdat kennelijk weliswaar de chef-staf van Groep Kil de Lichte Divisie aan de Kil verwachtte, maar zijn troepen langs het water van niets wisten. Toen die onbekende uniformen zagen, was de eerste reflex het vuur te openen. Al met al was het offer wat 2.RHM op 12 mei rond Dordrecht bracht, een tragisch offer.

De oversteek van de Hoofdgroep

Zoals uit het bevel 7B – eerder alhier geciteerd – blijkt, bestond de Hoofdgroep uit vier bataljons en een afdeling van het KRA (Korps Rijdende Artillerie), het geheel geleid door de commandant van de Afzonderlijke Staf van de Lichte Divisie, luitenant-kolonel J.J. van Diepenbrugge. Het betrof geheel 2.RW alsmede II-1.RW, ondersteund door II-KRA. Ter inleiding wordt eerst beknopt gekeken naar de specifieke samenstelling en eigenaardigheden van deze Lichte Divisie eenheden.

De Lichte Divisie was opgebouwd binnen een zodanige structuur dat de divisie twee autonome gevechtseenheden kon vormen van ieder een versterkt regiment. Daarom waren van alle gevechtseenheden twee identieke entiteiten in de divisiestructuur opgenomen: twee wielrijderregimenten, twee eskadrons pantserwagens, twee regimenten huzaren motorrijders, twee afdelingen infanteriegeschut en twee afdelingen veldgeschut. Slechts het zelfstandige Mitrailleur Eskadron en de divisie tros (6) – inclusief de compagnieën pontonniers en pioniers – was enkelvoudig uitgevoerd, maar vanzelfsprekend pelotonsgewijs in te delen bij de gevechtseenheden. Om voorts beide gevechtsformaties een goede gevechtsleiding te kunnen garanderen, was er naast de divisiestaf een extra staf – genaamd de Afzonderlijke Staf – die gevormd werd door een (luitenant-kolonel) commandant afzonderlijke staf, een (kapitein) chef-staf en een toegevoegd officier, alsmede enige minderen. Hoewel uit bovengenoemde organisatie enkele eenheden elders waren gedetacheerd voorafgaande aan de Duitse inval (beide eskadrons pantserwagens, één regiment Huzaren Motorrijders en de KRA Afdeling 6-Veld), bleef de gespiegelde organisatie grotendeels intact.  

(6) Tros - van het Franse trousse -  is militair jargon voor de logistieke en verzorgende eenheden binnen grootverbanden. In het Duitse leger werd dezelfde term gebezigd: ‘Tross’. Het had betrekking op de eenheden die non-combattant ondersteuning leverden. Een tros was samengesteld uit verzorgende eenheden en treinen, een militair jargon dat oorspronkelijk voor een serie huifkarren stond, maar dat met invoering van motorisatie ook voor gemotoriseerde wagenparken gold. De meeste eenheden hadden een eigen kleine ‘trein’, maar stafeenheden zoals munitietreinen, aan en afvoertroepen en autocompagnieën hadden grote wagenparken. Zij werden onder de tros gesorteerd.

De gevechtseenheden werden reeds besproken in de Proloog. Dat wordt niet herhaald. Het enige dat zinvol is alhier nog te bespreken is de feitelijke sterkte waarmee men het Eiland van Dordrecht betrad.

[106] De commandant van de Afzonderlijke Staf – die het operationele bevel over de Hoofdgroep had gekregen – was de luitenant-kolonel J.J. van Diepenbrugge, die zijn kleine staf van drie officieren zag uitgebreid worden met de kapitein J.L.M.A. Antoni (als fungerend chef-staf), ritmeester G.V.T. Cohen Stuart en een officier-arts. De opdracht voor de Hoofdgroep was verwoord in artikel 5 sub C van het (hierboven geciteerde) bevel 7B. Overste Van Diepenbrugge werd zeer summier geïnformeerd omtrent de status van het front in en om Dordrecht. De informatie die hem werd gevoed, was voortgekomen uit contacten tussen de C-VH en C-LD. Dat betrof informatie op hoofdlijnen, die bovendien verre van accuraat was. Veel meer informatie dan dat de Duitsers de bruggen bij Dordrecht en Moerdijk bezet hielden, een Duitse aanwezigheid tussen die beide bruggenhoofden was geconstateerd en dat Dordrecht en omgeving door franc-tireurs alsmede kleine groepjes parachutisten werden geteisterd, werd niet gegeven. Het bestaan van een spoorlijndefensie was bijvoorbeeld geen gedeelde informatie, evenmin was enig beeld geschapen rondom de Duitse sterkte. Vanuit die perceptie werd door de overste een uitgangsstelling gedefinieerd voor de eenheden, welke in een volgend hoofdstuk zal worden besproken. Rond 1830 uur reed de Afz.St. van Oud-Alblas naar Papendrecht. Daarbij werd echter de ene na de andere omweg genomen, omdat de smalle dijkwegen in de gehele sector stampvol waren met voertuigen van de Lichte Divisie. Het resultaat was dat men pas rond 0200 uur te Papendrecht arriveerde en twee uur later aan de overzijde Dordrecht binnen reed. Vervolgens werd van daaruit in eerste instantie doorgereden naar een locatie vlak onder de treinhalte 't Visschertje te Dubbeldam (thans sector Vissersdijk), waar de commandopost zou moeten worden ingericht. Daarmee bleek men echter ver voor de troepen uitgegaan te zijn en dat leidde ertoe dat spoedig daarop de commandopost naar het noordelijker gelegen sportpark in Dordrecht werd verplaatst. 

[104] De commandant van 2.RW, overste H. Mijsberg, was wegens de praktische uitwerking van het bevel 7B, feitelijk zonder werkelijk commando komen te zitten. Opmerkelijk is dat het bevel 7B de positie van de C-2.RW niet bespreekt, terwijl van het artikel 8 (bevelverhouding) het valse beeld uitgaat als zou C-2.RW zijn eigen regiment blijven aanvoeren. Met de inmiddels ontwikkelde plannen om met de Hoofdgroep in drie aanvalsrichtingen breed over het Eiland van Dordrecht aan te vallen – hetgeen in een volgend hoofdstuk nader zal worden besproken – viel iedere operationele verantwoordelijkheid voor de C-2.RW weg, nu de Hoofdgroep onder bevel van de C-Afz.St. kwam te vallen. C-2.RW resteerde niet veel anders dan als ‘nestor’ van zijn bataljons op te treden, zoals hij ook door C-Afz.St werd geïnstrueerd rond 1315 uur (11 mei) op de commandopost van C-LD te Oud-Alblas, toen de praktische uitwerking van bevel 7B op het hoogste divisieniveau werd besproken. De overste coördineerde zijn regiment en dirigeerde hen volgens de bevelen van de C-Afz.St. In de vroege ochtend van 12 mei zou hij een commandopost (met zijn ca. 40 man sterke staf- en verbindingstroepen) innemen bij het veer te Papendrecht, om zodoende de oversteek te kunnen monitoren. Vervolgens stak de overste met zijn staf in de late ochtend van 12 mei over naar Dordrecht en werd een commandopost ingericht in een kantoor bij de gasfabriek (Riedijk), nabij het veerpunt.

[103b] II-1.RW [C. majoor N.C. Kloppenburg] was op 12 mei nog ongeschonden. Het had pas in de loop van 11 mei aansluiting kunnen vinden met de Divisie, omdat het door logistiek oponthoud pas in de vroege uren van de tweede oorlogsdag te Gorinchem geraakte. Later werd doorgemarcheerd naar de Alblasserwaard, maar het bataljon onder de Afzonderlijke Staf werd gesorteerd. Eind van de middag kreeg het daar orders om als reserve voor de Hoofdgroep te fungeren en als zodanig naar Dordrecht over te steken. Daar gedurende de nacht aangekomen. Het bataljon had wegens ongevallen en enkele luchtaanvallen enkele gewonden, geen dodelijke slachtoffers. Wel werd voordat men te Papendrecht arriveerde contact verloren met een deel van MC-II-1.RW alsmede het eskadron PAG. Twee secties van 2-II-1.RW kregen bovendien beveiligende taken in Sliedrecht toegewezen nadat aldaar parachutisten waren gemeld.  De MC sloot in de vroege ochtend van 12 mei weer aan in Dordrecht. Een sectie PAG zou op 12 mei rond het middaguur eveneens alsnog aansluiten, de andere sectie werd in de Vasthoudende Groep opgenomen. Een en ander hield in dat van 2-II-1.RW slechts de 3e Sectie en compagniesgroep aanwezig was en een sectie PAG ontbrak.

[104a] I-2.RW [C. reserve majoor J. Eggens] had op 10 mei  het verband met grote delen van de 2e en 4e Sectie van 2-I verloren  – waarvan een deel op 12 mei alsnog zou aansluiten – doordat dit taken had uitgevoerd oost van de Maas, bij Venlo/Blerick. Uiteindelijk zou ruim een sectie sterkte niet meer in de gelederen terugkeren. De overige onderdelen van het bataljon verloren slechts een handvol manschappen (w.o. één gesneuvelde, dpl korporaal J.J. Schellekens te Schelluinen) op de eerdere gevechtsdagen, ondanks dat een tweetal secties bij Alblasserdam (succesvol) was overgezet naar de westoever van de Noord. Het had echter zonder verliezen later op de 11e kunnen terugkeren. Het betekende dat het bataljon naast haar staf en verbindingspeloton beschikte over haar intacte compagnieën 1-I, 3-I en MC-I, drie secties van 2-I, de sectie PAG en de sectie Mr. Toen men op 11 mei om 1400 uur bevel tot de oversteek naar Dordrecht kreeg, ging de commandogroep vooruit om inkwartiering in Dordrecht te regelen en zich op de hoogte te stellen van de status in Dordrecht. Het bataljon zelf zou met veel moeilijkheden (wegens Duitse bombardementen in de Alblasserwaard) volgen. Daarbij zou de 3e Sectie MC zich naar Sliedrecht begeven en niet weer aansluiten. Zodoende was het bataljon voor het tot inzet bij Dordrecht kwam, twee secties (een sectie 2-I, een sectie MC) onder haar sterkte.

[104b] II-2.RW [C. majoor J. de Bie] had een belangrijk aandeel in de acties die wel met enig succes tot stand waren gekomen bij pogingen de Noord over te steken op 11 mei. De twee kleine secties (o.l.v. resp. de lt Falkenburg en lt Boerman) van dit bataljon onderscheidden zich bij die gebeurtenissen en deelden niet in de malaise die de Lichte Divisie typeerde bij deze (vanuit de divisie en regiment) hopeloos slecht geleide operatie. Het betekende wel dat 3-II twee groepen van een sectie wielrijders verloor, die onder de uitstekende leiding van de reserve 1e luitenant L. Falkenburg aan de noordzijde van de brug (westzijde Noord) door de Duitsers werden uitgeschakeld, waarbij enkele doden en gewonden vielen en de meeste overige sectieleden gevangen werden genomen. Slechts een enkeling lukte het ’s avonds terug te keren naar de oostoever. De kleine sectie onder de reserve 1e luitenant D.J. Boerman leed ook enige verliezen maar kon overigens veilig terugkeren. Ongeveer een groepssterkte was verloren gegaan. Andere delen van het bataljon werden geteisterd door de beide Duitse bombardementen op de divisie posities aan de Noord. Daarbij werden delen van de 1e en 3e Compagnie (tijdelijk) uit elkaar geslagen. Enige tientallen manschappen van beide compagnieën zouden niet meer terugkeren in bataljonsverband. Nadien werd bevel ontvangen een teruggetrokken positie te verdedigen, waarna om ca. 2300 uur het bevel werd gegeven naar Dordrecht over te gaan. Pas de volgende morgen (12 mei) slaagde men erin de Merwede over te steken, waardoor niet eerder dan rond het middaguur het laatste deel van het bataljon uiteindelijk overgezet was.  Het bataljon was ruim drie secties wielrijders aan sterkte verzwakt, door de verliezen en vermisten, zijnde 4-1-II en ruim twee secties van 3-II. Daarmee was dus een kwart van de wielrijder sterkte niet aanwezig in Dordrecht. De MC, PAG en Mr compagnieën hadden echter hun volledige bewapening behouden en waren voltallig in Dordrecht gearriveerd.

[104c] III-2.RW [C. res. majoor Jonkheer W.A. van den Bosch] was reeds in de nacht van 10 op 11 mei in Dordrecht aangekomen. Het was – zoals op de eerdere gevechtsdagen beschreven – al in de vroege ochtend van 11 mei in actie gekomen in de stad. Daarbij leed het direct een verlies van de 4e sectie MC-III, onder de vaandrig Blok, die op de Weeskinderendijk pardoes het Duitse bruggenhoofd was binnengereden. Op enkele gewonden en ontsnapten na, werd de sectie gedood of gevangen genomen.  Nadien werd door twee wielrijdercompagnieën via het zuiden van Dordrecht opgetrokken richting Zeehaven, om aldaar verwachtte Duitse progressie te stuiten, waarbij men met eigen troepen van II-28.RI ongelukkig is aanraking kwam. Een kort nadien volgend lafhartig Duits optreden leidde tot verraderlijke gevangenneming van enige manschappen alsmede van de commandant van 1-III nabij het viaduct over de rijksweg (bij de Patersweg). Deze beide verliezen, betreffende een sectie MC en een groep wielrijders, waren echter de enige. De overige eenheden inclusief de compagnie PAG en de sectie Mr, waren onaangetast. Wel gold voor het bataljon als geheel, dat ze onder sterkte was (zoals alle 3e bataljons bij de wielrijders waren) en dat een groot aantal aspirant officieren en recent (onvolkomen) opgeleide militairen in de 3e bataljons waren opgenomen. Dat had niet alleen gevolgen voor de geoefendheid van de derde bataljons der beide regimenten, maar tevens had vrijwel geen sectie zijn organieke sterkte van 44 man. Hoeveel men onder de organieke sterkte was, is echter in de bronnen niet ontsloten.  

[145] II-KRA [C. majoor C.L.W. Baron van Boetzelaar], bestaande uit de 3e en 4e Batterij 7-veld, kwam op 11 mei in een gedekte afwachtingsopstelling langs de weg Bleskensgraaf – Oud Alblas met de bedoeling op aanvraag opstellingen nabij in te nemen om de actie langs de Noord te (kunnen) ondersteunen. De Afdeling werd niet ingezet omdat men hogerop meende dat artillerievuur teveel risico’s voor eigen troepen zou meebrengen. In de middag werd de Afdeling van bevel 7B op de hoogte gesteld en bereidde men zich voor op de verplaatsing naar Papendrecht. Doordat in de late avond luchtalarm te Papendrecht werd gegeven werd de Afdeling hals over kop weer de polder in gestuurd, om aldaar te dekken. Pas na het middernacht uur werd wederom naar het veerpunt bij Papendrecht gestuurd. Rond 0400 uur waren beide batterijen, afdelingsstaf en verbindingsgroep overgezet. Men had twee gewonden (wegens ongevallen), maar was overigens ongeschonden. Zodoende kwamen acht stukken van motortractie voorzien 7-veld in Dordrecht aan.

Ter resumé dan het volgende. Naast de in het kantonnement verblijvende eenheden van het Depot Pontonniers en Torpedisten en daaraan toegevoegde kleine verbanden alsmede restanten van I-28.RI en III-14.RA, waren er dus vier min of meer complete bataljons van de Lichte Divisie en een twee batterijen sterke afdeling artillerie op het Eiland van Dordrecht beschikbaar. Met de circa 1.500 man van de kantonnementstroepen en ca. 250 overige restanten van andere eenheden, was er daarmee een sterkte van circa 3.250 man van de Lichte Divisie beschikbaar. Dat was een op papier aansprekende troepensterkte.

Afstemming tussen militaire autoriteiten

De laatste kwestie die ter voorbereiding op de operatie van de Lichte Divisie op het  Eiland van Dordrecht speelde was die van de cross unit communications. Ofwel in normaal Nederlands, hoe afstemming en coördinatie werd gezocht tussen de militaire autoriteiten in het operatiegebied. Dat waren er twee, naast de Lichte Divisie zelf. Het kantonnement Dordrecht – met zeggenschap over de stad binnen de stadsgrenzen – viel onder auspiciën van de C-Kant, luitenant-kolonel Josephus (Jo) Mussert. Het Eiland van Dordrecht in overige zin, was het operationele terrein van het Vak Wieldrecht dat onder Groep Kil viel, gecommandeerd door reserve kolonel Van Andel en zijn sterk op de voorgrond tredende chef-staf kapitein Calmeijer. Het zou in de lijn der logica hebben gelegen indien in elk geval met beide autoriteiten uitvoerige afstemming zou zijn gezocht door de LD. Het lag nog meer in de rede om in elk geval met de C-Kant volstrekt heldere afspraken te maken over de operationele mandaten binnen de stad Dordrecht, te meer daar de C-Kant een autonome autoriteit had. Bovendien, door bij diens staf actief en vroegtijdig te zoeken naar zo accuraat mogelijke informatie omtrent het ‘front’ en de dispositie van de diverse eenheden in en om de stad. Het stafwerk stelt dat terzake geen afstemming werd gezocht [1: blz. 100]:

» Omtrent de toestand op het Eiland van Dordrecht beschikte C-Afz.Staf slechts over vage gegevens, die hoofdzakelijk berustten op hetgeen C-Vg.Holland aan C-Lt.Div. had medegedeeld. De Kantonnementscommandant te Dordrecht was niet onder bevel van C-Lt.Div gesteld, die ook geen contact met hem had doen opnemen. Ook met de Commandant van de Groep Kil, in wiens gebied de actie moest plaats hebben, doch waarvan het bestaan bij C-Lt.Div. aanvankelijk niet bekend was, werd geen verband opgenomen

Deze weergave lijkt accuraat, hoewel over goede gegevens van de telefonische overleggen tussen C-VH en C-LD (door auteur dezes) niet wordt beschikt. C-Kant noch C-Gr Kil stond op de verdeler van bevel 7B. Het artikel 8 (Bevelsverhouding) in voornoemd bevel gaf niets weer over de omgang met (de twee) andere militaire autoriteiten in het operatiegebied. Onduidelijk is in welke mate C-VH en C-LD in hun uitvoerige telefoongesprek aan het einde van de ochtend van 11 mei de afstemming tussen de militaire autoriteiten bespraken, maar als die zaak al besproken werd, dan had het volledig in de reden gelegen dat de staf van C-VH de communicatie – in elk geval de informatie – overgebracht zou hebben aan C-Kant en C-Gr Kil. De reden waarom zo geoordeeld wordt is tweeledig. De eerste is dat C-VH en zijn staf sinds april – sinds het opheffen van het stafkwartier Zuidfront Vesting Holland – de functie van stafkwartier Zuidfront waarnamen. De gehandhaafde delen van het stafkwartier zagen slechts op ondersteunende diensten terwijl de stafsectie I (Operaties) door C-VH zelf werd waargenomen. Omdat C-LD en C-Kant (op 11 mei) beide tevens rechtstreeks onder diens bevel ressorteerden, en bovendien C-LD in het operationele plan (volgend uit bevel 7B) leidend was maar geen rechtstreeks contact had met C-Gr Kil en C-Kant, was de staf VH coördinatief verantwoordelijk binnen die tripartite van militaire autoriteiten te velde. Dat gold niet alleen ten aanzien van het informeren van C-Gr Kil en C-Kant n.a.v. de ophanden zijnde operatie, maar tevens ten aanzien van hun (bijgestelde) autoriteit ten opzichte van de binnen hun respectievelijke gezagsgebieden opererende autoriteit in de vorm van de C-LD.

[1, 192] Desondanks was er in de avond van 11 mei wel zijdelings (tijdens bespreking van een andere zaak, namens de munitiebehoefte van Gr Kil) contact tussen chef-staf Gr Kil en C-VH over de ophanden zijnde operatie. Het citaat uit het stafwerk is wat dat betreft niet helemaal juist genuanceerd. Weliswaar werd door C-LD of C-Afz.St geen contact met hen opgenomen, maar de C-VH had wel in de avond van 11 mei de Groep Kil geïnformeerd dat de Lichte Divisie een operatie over het Eiland van Dordrecht zou uitvoeren, zelfs dat daarbij Wieldrecht een belangrijk logistiek schakelpunt zou zijn (7). Onwetend was men dan ook niet, maar essentiële zaken als afstemming van operationele en tactische finesses ontbraken geheel. Juist dergelijke details zouden door actief verkennen van de verbindingen met zowel C-Gr Kil als C-Kant door de operationeel leidende C-LD (of diens C-Afz St) gezocht moeten worden. Dát gebeurde echter niet.

(7) [106] Opvallend is dat het verslag van 20 mei 1940 van overste Van Diepenbrugge (C-Afz.St.) meldt dat C-LD meedeelde – tussen 1300 en 1415 uur (11 mei) – dat Wieldrecht door troepen van de Groep Kil bezet zou zijn. Het is een raadselachtige aantekening, mogelijk aangetast door de kennis achteraf. Onduidelijk is waar de informatie omtrent Wieldrecht vandaan komt en waar ze op duidde. Ondanks de veelheid aan verslagen en aantekeningen van de staf LD is de herkomst van deze informatie omtrent Wieldrecht niet op te maken. Het is echter vermoedelijk een onderdeel geweest van de informatie van C-VH aan C-LD in het gesprek in de late ochtend van 11 mei. Men bedenke dat toen het bataljon Ravelli via Wieldrecht en Amstelwijk naar Dordrecht in opmars was gegaan en dat men bij Groep Kil van de tragedie die zich daarna ontspon (nog) geen weet had. Als de aantekening echter duidt op het pas in de ochtend van 12 mei door Gr Kil gevormde plan om Wieldrecht met 4-3.GB te bezetten, dan is de aantekening met datering 11 mei 1415 uur door kennis achteraf aangetast, want Groep Kil besloot pas op 12 mei rond 0900 uur tot het herbezetten van Wieldrecht. Bezwaarlijk is dat door deze aantekening (zonder proeve van herkomst) niet met zekerheid kan worden gesteld dat de afstemming die volgens het Stafwerk zo goed als afwezig was, feitelijk ook inderdaad afwezig was.

[1, 170] Hoe de afstemming met de C-Kant is verlopen, is grotendeels een zwartboek voor de historisch onderzoeker. Van het bureau zelf is nauwelijks een fractie informatie bekend. Er was vanuit Oud-Alblas een werkende telefoonverbinding met de overste Mussert, zoals wel bleek uit afstemming die gezocht werd (zie Alblasserwaard 11 mei) ten aanzien van artilleristische interventies binnen het kantonnement door C-11.RA. Anderzijds is duidelijk dat de C-Afz.St ook tijdens de eerste uren van zijn aansturingen vanaf het Eiland van Dordrecht zich weinig gelegen liet liggen aan het bestaande gezag dat het bureau van de Kantonnementscommandant toeviel. Desondanks moet overste Mussert ergens – vermoedelijk zelfs vroegtijdig – gemeld zijn dat de tot dan toe (11 mei 2400 uur) onder zijn bevelen ressorterende twee bataljons wielrijders [I-2.RW en III-2.RW] weer onder eigen LD commando werden genomen. Dat leidde ertoe dat de overste tot tweemaal toe telefonisch contact zocht met de C-Afz.St, maar overste Van Diepenbrugge beantwoordde de hem voorgehouden verzoeken tot afstemming met de C-Kant niet. Het verslag van de Afzonderlijke Staf [106: verslag dd. 20 mei 1940] meldt terzake op dat dit afwijkende gedrag bij de C-Afz.St. voortkwam uit de informatie die deze inmiddels had gekregen van vermeend onverklaarbaar gedrag van overste Mussert én het feit dat de wijze waarop Mussert overste Van Diepenbrugge bevroeg omtrent de plannen en afstemming, de laatste niet beviel; althans hem wantrouwen inboezemde. Luitenant-kolonel Van Diepenbrugge verwoordde het als volgt in zijn krijgsverslag van 20 mei 1940 [106]:

» [Zondag 12 mei 1940: 05300 uur] (…) Op dat oogenblik reeds indruk gekregen dat in Dordrecht verraad schuilde, berichten ontvangen van beschieten der troepen uit de huizen en van het ontvangen door de reeds op het eiland aanwezige troepen van eigenaardige bevelen.

[Zondag 12 mei 1940: 0600 uur] Op cp. I-2.RW aan allen bovenstaande bevelen herhaald, de Btas. versterkt met de onderdelen van Inf. en  Art. der oude bezetting van het eiland. Aldaar 2 maal telefonisch ontboden bij Luit-Kol. Mussert, mijn cp niet op diens kantonnementsbureau (Achterhakkers) gevestigd, omdat dit bureau op ± 200 meter van het voor den vijand belangrijkste bezette punt lag, nl. de bruggen bij Zwijndrecht hoewel (of juist daarom?) vrij van te verwachten bombardement.
 
Voorts ook dien officier, op diens telefonische persoonlijke vraag aan mij, de door mij ontvangen en uitgegeven bevelen niet medegedeeld, omdat de wijze waarop dit door Luit-Kol. Mussert telefonisch gevraagd werd, mij wantrouwen inboezemde. Dit wantrouwen werd versterkt door de uitlatingen mijner B.Cn. en het feit dat Luit-Kol. Mussert reeds eenige minuten nadat ik bij cp.-C-I-2.RW was aangekomen (school HBS) Westzijde park ‘Merwestein’ mij reeds wist te vinden en ik nog aan niemand zoowel mijn cp. als mijn kort oponthoud op cp-C-I-2.RW had medegedeeld.
«

Hoewel het oordeel (c.q. sentiment) van de overste Van Diepenbrugge menselijkerwijs begrijpelijk was, was het niet informeren van overste Mussert door de C.Afz.St. ronduit onprofessioneel en bepaald risicovol. Deze immers niet op de hoogte stellen van de plannen was – zeker gezien het feit dat de kantonnementscommandant zijn autonomie behield – voor de duidelijkheid van beleid zeer onverstandig. Hierdoor bleef immers de mogelijkheid levensgroot dat de overste Mussert autonoom troepen zou aansturen, die hem, gezien zijn hoge rang, mogelijk zouden volgen in zijn instructies. Daarnaast kan men aantekenen dat de achterdocht van de overste Diepenbrugge ook elementen vertoonde van een vorm van panische achterdocht. Men kan zich bijvoorbeeld afvragen hoe men zijn panisch aandoende suggesties nu zou moeten wegen in relatie tot het zo snel vinden van de overste Van Diepenbrugge in het HBS gebouw. Die verbinding, die voordien met C-I-2.RW al 24 uur bestond, was immers een beproefd communicatiemiddel tussen het bureau van Mussert en de commandant van het tot dan toe onder Mussert vallende bataljon. Bovendien is de vraag legitiem welke conclusies overste Diepenbrugge nu eigenlijk kon trekken uit die kennelijk snelle ‘ontdekking’ van zijn aanwezigheid? Toch bezwaarlijk dat een Duitse spion de overste Mussert even snel een tip had gegeven? Hoe dan ook is het geval niet alleen typerend voor hoe men wegens allerlei sentimenten en overwegingen – al dan niet – onderling afstemde, maar evengoed voor de samenzweerderige sfeer die al was ontstaan jegens Mussert. Opnieuw was het niet Mussert die faalde in zijn pogingen zijn ‘werk’ goed te doen (en dus afstemming te zoeken), maar zijn wederpartij die hem bewust buiten de informatiestroom hield. Tenslotte is een aantekening op zijn plaats dat de verslaglegging van de overste Van Diepenbrugge uiteraard een reproductie was van een week na dato. Het is bepaald niet uitgesloten dat zijn verwoordde sentimenten ten dele achteraf werden geformuleerd, maar op het moment zelve wellicht andere zaken, zoals een grote mate van werkdruk, een grotere rol speelden. Achteraf is dan een manco in het beleid eenvoudig te versimpelen of te camoufleren met de jokerkaart 'Mussert'.

[1, 70, 192] Met Gr Kil ontstond wel in de ochtend van 12 mei enige afstemming. Opvallend is dat het eerste gesprek niet in het log van geregistreerde telefoongesprekken (van Gr Kil) is terug te vinden, maar in de aantekeningen van kapitein Calmeijer en in diens memoires wel wordt geduid. Eerst had men om een of andere reden op 12 mei ca. 0830 uur een sergeant van de verbindingsdienst van de LD aan de lijn. Vrijwel zeker om een werkende verbinding te testen, die overigens via het rijksnet verliep. Vermoedelijk om die redenen niet in het log opgenomen. Kort nadien had Calmeijer contact met 'een' ritmeester van de staf Lichte Divisie. Dat was om 0853 uur (0850 uur volgens telefoonregister [192]). Het zal terzake gegaan zijn om de toegevoegd stafofficier reserve ritmeester B.J. Buma, die op de Sectie I (Operaties) van de St-LD werkzaam was. Tijdens dat gesprek werd Gr Kil gemeld dat verbinding met de St-LD via station Sliedrecht moest worden gezocht. Tevens meldde men in Bleskensgraaf zwaar gebombardeerd te worden. Belangrijker was dat werd gemeld dat de Lichte Divisie over het Eiland van Dordrecht zou optrekken, met vier tot vijf bataljons. Calmeijer op zijn beurt meldde dat ca 500 parachutisten op het Eiland actief waren, waarvan de concentraties zich op de as Dordrecht - Moerdijk bevonden met een commandopost te Tweede Tol. Dat de Gr Kil met artillerievuur Tweede Tol zou bestrijden, patrouilles zou uitsturen nabij Willemsdorp om gevoel te krijgen bij de vijandelijke sterkte en Wieldrecht zou bezetten met een compagnie. Het is aannemelijk dat op basis van dit telefoongesprek de instructie aan 4-3.GB ontstond om Wieldrecht te hernemen. [1, 70] Pas om 1125 uur kreeg Gr Kil verbinding met de C-Afz.St. Daarover later meer. Opvallend was natuurlijk de schromelijke onderschatting van Calmeijer van de Duitse sterkte. Het toont aan hoe men zelfs nog op de derde oorlogsdag qua veldinlichtingen onwerkelijk weinig concrete informatie verzameld had. Anderzijds ook de onbestaanbare analyse dat duizenden Nederlandse militairen kennelijk door een soort 'Vliegende Hollander' tegenstander werden bestreden, want hoe zouden slechts 500 parachutisten tussen Moerdijk en Dordrecht twee bruggen kunnen houden en overigens zo agressief kunnen optreden dat ze zoveel successen boekten tegen een overmacht aan Nederlanders. Calmeijer onderschatte dan de sterkte van de Duitsers (zoals hij naoorlogs erkende overigens), maar hij overschatte ook schromelijk de zwakte van de Nederlanders. De werkelijke Duitse sterkte bedroeg ca. 700 man bij Dordrecht [verzwakte II./FJR.1 en III./FJR.1 min 12./, 7./IR.16, pel. Pi.22, pel. PAK, twee hw], ca 125 man bij Tweede Tol en ca. 700 man bij Moerdijk en Willemsdorp [II./FJR.1, 12./FJR.1, pel. van Pi.22, pel. PAK, twee hw]. Bij elkaar ruim 1.500 man. Dat was dus driemaal zo veel als Calmeijer inschatte.   

Hoe het ook zij, de afstemming tussen de Lichte Divisie en de andere militaire autoriteiten verliep alles behalve gunstig. Naast ongelukkige sentimenten als hiervoor besproken, was er ook op het niveau van coördinerend commando (C-VH) onvoldoende naar de juiste afstemming gezocht, in elk geval geen juiste uitwisseling van informatie op gang  gebracht.

De hogere krijgsvorming in relatie tot onderlinge afstemming 

In het kader van de voorgaande bespiegeling rondom de opvallende lacune is het afstemmingsbeleid, is het zinvol om een korte thematische zijstap te maken om dit aspect eens nader te verklaren. Het is immers eenvoudig achteraf bevelvoerders af te rekenen op zaken, maar de vraag die zich dan opwerpt is vooreerst in welke mate (beroeps)officieren in het Nederlandse leger 'afgericht' waren in dit soort coördinatieve afstemming. Men bedenke dat naast de doctrine van de bevelstaktiek (het leidende gedicteerde bevel; als tegenhanger van de Duitse opdrachttactiek), die in ons leger imperatief was, het kader nog in sterke mate met de oorlogswerkelijkheid van WOI en eerder was opgeleid. Dat gold in bijzondere mate voor het hogere kader, dat zijn basale en nadere scholing juist rondom WOI had gekregen. In de legers van voor 1918 was de onderlinge afstemming en coördinatie van weinig belang, omdat legers nog sterk hiërarchisch geleid werden, en de dynamiek te velde beperkt was.   

[1517] Typerend is dat de hoofdofficieren, die spinnen in het web rondom Dordrecht vormden, voor een voornaam deel hun Hogere Krijgsvorming genoten hadden (als ze die al hadden genoten) voor of kort na WOI. De Hogere Krijgsschool, waar beroepsofficieren met potentie hun hogere staf- en krijgsvorming genoten en, na geslaagd te zijn, zich voortaan officieren van de Generale Staf mochten noemen, was een elitair en zelfgenoegzaam instituut binnen het Nederlandse leger van voor 1940. De kleine ‘inner circle’ van uitverkoren carrière officieren, die zich door alle opgeworpen barrières wist heen te vechten om de gouden zon (het teken van de Generale Staf officier) te behalen, onderscheidde zich nauwelijks tijdens de meidagen van 1940 van de niet zodanig gevormde officieren. Eén van de redenen daarvoor was dat de toenmalige hogere krijgsvorming niet alleen erg wetenschappelijk en theoretisch van aard was, maar dat men – zeker gedurende het interbellum – een richtingenstrijd had gekend. Die gold zowel de waarde die men aan internationale doctrines diende te hechten als de inrichting van de opleiding zelf. Feit is echter dat binnen een hoofdvak als tactiek het tactisch en operationeel leiding geven aan grote verbanden nauwelijks tot de uitgewerkte lesstof behoorde. Vrijwel alle vereisten op dit vlak die wel werden behandeld, werden middels kaartoefeningen of ander theoretisch lesmateriaal verricht. De auteur (en onderzoeker) van het terzake uiterst boeiende boek ‘De Gouden Zon – de hogere vorming van officieren der KL 1868-1992’ – Willem Bevaart (ondersteund door de toenmalige IMG en vele meelezers w.o. pikant genoeg de zoon van overste J.J. van Diepenbrugge, toenmalige overste J.A. van Diepenbrugge) – beschrijft een typerend contemporain oordeel over het onderwijs in de (late) interbellum periode [1517: blz 100]:

» Het vak Stafdienst, zo betoogt Van Ermel, bestaat uit drie hoofdzaken: de eerste is het omzetten van een tactische opvatting in beknopt duidelijke bevelen. De vorm is gestandaardiseerd, maar het onderwijzen van die vorm hoort niet thuis aan een inrichting van hoger onderwijs, zodat het eerste overblijft. En juist daaraan schortte het vele jaren in het Nederlandse leger: men verstond, aldus de directeur, wel de dubieuze kunst wijdlopige tactische beschouwingen te houden, maar het veel nuttiger vermogen die beschouwingen in puntige bevelen te vertalen, was de meeste officieren niet gegeven. De tweede hoofdzaak, de samenwerking der officieren, die een onderdeel van dit vak is, ligt besloten in het eerste punt daar behoorlijke bevelen anders niet eens tot stand kunnen komen

Een treffend oordeel. De HKS opleiding speelde zich in het hoge(re) theoretische spectrum af, terwijl in het Nederlandse leger juist aan basale stafwerkzaamheden kennisbehoefte bestond. Het was echter een kip en ei verhaal. De HKS voelde zich elitair, haar docenten en leerlingen zo mogelijk zelfs nog in overtreffende vorm, en dus haalde men de neus op voor het basale werk. Men liet zich liever lenen om wereldbeschouwelijk te debatteren over krijgsgeschiedenis en veldslagen uit het verleden en het kritisch toetsen der strategische mogelijkheden ten aanzien van de landsdefensie, dan dat men zich verdiepte, vooral in praktische zin, in het leiden van grootverbanden in een complexe tactische ruimte. Juist bij leerstukken van laatstgenoemde soort kwamen de kwaliteiten van essentiële C3I elementen als communicatie en afstemming aan de orde. Zij vormden echter details in de algemene hogere krijgsvorming in plaats van fundamentele lesstof. Het waren de vruchten van die gebrekkige hogere krijgsvorming – gecombineerd met de ook al zeer gebrekkige reguliere vorming van (infanterie)officieren – die in het basale Command and Control spectrum van het Nederlandse leger anno 1940 zo pijnlijk ontbraken.

De armzalige afstemming tussen de militaire autoriteiten op het Zuidfront – de C-VH, C-LD, C-Gr Kil en C-Kant – was een typerend product van de ondermaatse opleiding, kennis en kunde van de Nederlandse officier. Naast de verwijtbaarheid die men de hoofdrolspelers voor de voeten mag werpen - het afstemmen met andere autoriteiten is immers geen hogere wiskunde - geldt als verzachtende omstandigheid tegelijkertijd dat men voor zijn taak, zeker als die zag op het leiden van complexe operaties, totaal niet voldoende was opgeleid. Zelfs niet ten aanzien van wat men vandaag de dag basaal 'battlefield management' zou noemen.  

[De bronnen vindt u hier]