Het Maasfront (Ardennen)

Inleiding

De Ardennenregio werd op 11 mei verlaten met grofweg de volgende stand van zaken. Er opereerden twee grote pantserverbanden in het zuiden van België. Het noordelijke – Panzerkorps Hoth – bestond uit de 5e en de 7e Panzerdivision. Beide divisies slaagden er op 11 mei reeds in om vlakbij de Maas te geraken. De 5e stond bij Ciney, vlakbij Dinant, terwijl de 7e PD tot aan Houyet was gekomen, op 8 km van de Maas. Ten zuiden van het Panzerkorps Hoth, opereerde de Panzergruppe Kleist, bestaande uit vijf tankdivisies, enkele infanteriedivisies en een gemotoriseerd regiment infanterie. Daarvan was het voorste element het 19e Armeekorps, geleid door Heinz Guderian, en bestaande uit (van noord naar zuid) 2.PD, 1.PD en 10.PD. Daarachter trokken de beide andere tankdivisies op, 6.PD en 8.PD [Panzerkorps Reinhardt], alsmede twee gemotoriseerde infanteriedivisies, 2.(mot.)ID en 29.(mot.)ID en het regiment (mot.) Gross Deutschland. Panzergruppe Kleist trok door de buik van Luxemburg richting de Maas in het zuidoosten van België en het uiterste noordoosten van Frankrijk. 2.PD trok grofweg over Nives pal westwaarts, 1.PD onder de Sauer via Martelange en 10.PD via de loop van de Samois op de meest zuidelijke koers. 2.PD maakte de minste progressie op 11 mei, terwijl 1.PD de zwaarste gevechten had gevoerd, omdat Belgische Ardeense Jagers plaatselijk uitstekende verdediging voerden, met name bij Bodange. De divisie zou desondanks tot Mouzaïve geraken, waar een vooruitgeschoven eenheid brutaal een brug intact veroverde op de Fransen. Bovendien werd met een afdeling de strategische plaats Bouillon veroverd, wat de gehele Franse voorverdediging deed terugdeinzen. In het kader van de doctrine van het nastreven van aaneengesloten linies [front continu], nam de commandant van het Franse 2e Leger de voorverdediging terug tot achter de Maas en liet als overgebleven afweer de artillerie spreken. Zo had 1.PD met twee brutale acties de Franse voorverdediging achter de grillige Semois doorbroken. 10.PD was door Panzergruppe Kleist op de linkerflank ingezet om een mogelijke Franse flankaanval te kunnen pareren, maar korpscommandant Guderian reviseerde die opdracht eigenhandig op 11 mei. Hij stuurde 10.PD westwaarts en meldde dit pas achteraf aan zijn superieur. Von Kleist sanctioneerde echter het besluit van Guderian en stuurde Gross Deutschland naar de linkerflank voor de noodzakelijke beveiliging. 10.PD bleef schuin achter 1.PD liggen toen de tweede oorlogsdag ten einde liep.

De stand van zaken betekende kortweg het volgende. Zowel het Panzerkorps Hoth als het Panzerkorps Guderian lagen op het einde van de 11e mei op steenworp afstand van de Maas. Daar waar Gamelin verwacht had dat tenminste vijf dagen zouden verlopen voor de Duitsers een dergelijke progressie zouden kunnen boeken, had het Duitse tankwapen Gamelin’s zijn eigenzinnigheid gelogenstraft. Althans, dat was een vaststelling achteraf, want de Fransen waren zich in het geheel niet bewust dat zulke sterke Duitse verbanden al binnen het schootsbereik van hun artillerie onder de bomen van de Ardennen schuil gingen. Verkenners van de Franse luchtmacht, die berichten van dergelijke strekking aan de commandanten van het 2e en 9e Leger hadden doen bezorgen, waren niet geloofd. Zelfs toen bij het 2e Leger berichten binnenkwamen dat Duitse tankformaties al aan de Semois stonden, werd dit niet als alarmerend ervaren. Luchtverkenningen op 11 mei en zelfs in de ochtend van 12 mei, waarbij kilometerslange gepantserde colonnes werden gerapporteerd, werden als ‘ridicule’ afgedaan door de gevechtsstaf van het 9e Leger. Dat er tevens voor gekozen werd om de verdediging van de Semois, en een cruciale locatie als Bouillon, zo snel op te geven, toonde slechts het grote verschil in denken tussen de Fransen en Duitsers. De grillige loop van de Semois met al zijn uitstekend verdedigbare glooiingen en smalle wegen, had zich uitgelezen geleend voor een vertragend gevecht. Op enkele voorposten na werd het gebied oost van de Maas echter door de Fransen verlaten. Daarmee kocht men zich dus geen tijd, maar schonk zij het juist aan de Duitsers. Zo kon het gebeuren dat al op 12 mei 1940 het Duitse leger zich kon gaan opmaken voor een geconcentreerde aanval op de – ook al zwakke – Maasverdediging.

De Franse verdediging aan de Maas

Het Duitse aanvalsplan kende twee zwaartepunten. Het meest noordelijke werd door Panzerkorps Hoth gevormd, dat de sector ten noorden van het Belgische Dinant als aanvalsrichting had. Bij Dinant splitste de Maas zich zuidwaarts in een zuidwestelijke hoofdstroom (Maas) en een oostelijke zijstroom (Lesse). Het gebied ten noorden van Dinant was daarom het meest aantrekkelijk voor een oversteek. De sector werd verdedigd door het zwakke 9e Leger, dat haar verdediging positioneerde in het Maasvak tussen de steden Namen en Sedan. Enkele kilometers ten noorden van Sedan lag de vakgrens met het 2e Leger, dat tussen Sedan en Montmedy (nabij de grens met Luxemburg) de schakel vormde tussen veldleger en Maginotlinie, waarvan de verdediging onder de 2e Legergroep van Général d’Armee Prételat viel. Markant genoeg was het diezelfde Prételat geweest – toen nog als commandant van nota bene het 2e Leger – die in de zomer van 1938 Gamelin gewaarschuwd had dat een geconcentreerd en doortastend opererend Duits leger zich in 60 uur naar de Maas zou kunnen manoeuvreren en binnen 24 uur nadien een belangrijk bruggenhoofd zou kunnen slaan op de westelijke oever. Als dank was deze Franse generaal tijdens de schemeroorlog weggepromoveerd naar het commando over de statische 2e Legergroep, waarvan de commandant na het hopeloze Franse Saaroffensief het veld had moeten ruimen. Prételat zou zijn tragische gelijk echter spoedig krijgen.

De defensie in de sector Dinant

Het 9e Leger [Général Corap] bestond uit twee reguliere legerkorpsen en een vestingkorps. Het 2e en 11e Legerkorps en het 41e vestingkorps. Het 2e Legerkorps was in eerste instantie slechts 5.DIM, een actieve gemotoriseerde infanteriedivisie, toegewezen en het 11e had slechts de A-type reserve infanteriedivisies 18.DI en 22.DI onder haar vleugels. De B-type reserve divisie 61.DI was onder bevel van het vestingkorps. Men had als vrije eenheden twee lichte cavaleriedivisies (het actieve 1.DLC en het in de winter uit reservisten opgerichte 4.DLC), een brigade Spahi (3.BS), een Noord-Afrikaanse infanteriedivisie (4.DINA) en een reguliere B-type reserve infanteriedivisie (53.DI). Een ronduit zwak geheel, dat een frontbreedte van 80 km diende te verdedigen. Daarvan werden de lichte cavaleriedivisies en de brigade Marokkaanse huzaren gebruikt voor de voorverdediging. 5.DIM lag in het noorden onder Namen, met erachter 4.DINA. 18.DI kwam bij Dinant in positie met daarnaast 22.DI onder Givet. Vestingtroepen werden in het deel west van Sedan gepositioneerd, waarbij ook 61.DI een rol kreeg.

De defensie in de sector Sedan

Het 2e Leger [Général Huntzinger] bestond uit het 10e en 18e Legerkorps, met een reserve van een reguliere infanteriedivisie (71.DI), twee lichte cavaleriedivisies (2.DLC en 5.DLC), waarvan 5e DLC pas in de winter was opgericht uit reserves, en een lichte cavaleriebrigade. De beide DLC’s beschikten over enige tientallen lichte tanks en pantserwagens. Het 10e Legerkorps lag in de noordelijke sector, waartoe Sedan behoorde. Het had slechts één actieve koloniale infanteriedivisie (3.DINA) en een zwakke B-type reserve infanteriedivisie (55.DI) ter beschikking. Het 18e Leger lag daaronder en beschikt over een A-type reserve infanteriedivisie (41.DI) en twee actieve koloniale infanteriedivisies (1.DIC en 3.DIC). De drie lichte cavalerie eenheden waren bedoeld voor de voorverdediging. Bij Sedan lag 55.DI met rechts daarnaast 3.DINA. Achter de sector lag 71.DI, een B-type infanteriedivisie, als reserve. De beide koloniale divisies lagen in de rechter sector van het legervak. Zodoende had het 2e Leger voor een circa 80 km front een totaal van slechts zes divisies, waarvan niet één van de beste soort die de Fransen konden voortbrengen. Opvallend genoeg was het in de historie van Frankrijk zo kritische Sedan, bezet door de eenheden van het 10e Legerkorps onder Général Pièrre Grandsard, de zwakst bezette en voorbereidde sector van het gehele legervak. De chef-staf van het 10e Legerkorps noemde Sedan “une zone anit-char de toute première qualité”. Ofwel, de geostrategische waarde van de Ardennen, glooiingen en de Maas zelf, waren volgens hem het best denkbare tankobstakel dat de verdediging zich kon wensen. Daarom had het 10e Legerkorps dan ook zijn veldversterkingen vooral laten verrichten in de sector die hen meer zorgen baarde, nabij Mouzon, waar de Maas smal en ondiep was. Zoals de legercommandant Général Huntzinger nog enige dagen voor de Duitse invasie zijn vertrouwen aan zijn staf uitte met de woorden “ik geloof niet dat de Duitsers er ooit aan gedacht hebben om de in sector Sedan aan te vallen”, zo expliceerde hij daarmee tegelijkertijd de onbegrijpelijke Franse gemakzucht ten aanzien van de defensie bij de in de geschiedenis juist al zo vaak bevochten Maasstad.

De artilleriecomponent was – haast traditioneel – wel sterk te noemen. In de sector Sedan had 55.DI [Général Lafontaine] zelf negen afdelingen artillerie en het 10e Legerkorps leverde nog artillerie van niet minder dan vijf regimenten, waarvan overigens slechts een deel in het legerkorpsvak vuur kon uitbrengen (34 vuurmonden). Toch waren er in eerste instantie reeds 140 vuurmonden onder divisiecommando in staat de sector Sedan te ondersteunen, wat voor een 6 km breed vak een uitstekende capaciteit was. Ook waren er relatief veel bunkers gebouwd. Op 10 mei 1940 waren er ca. 60 gereed, binnen een sector van ca. 6 km. Het grootste deel daarvan was van het type ‘Barbeyrac’. Dat was een standaard bunker met een schietgat voor een licht antitankkanon en een mitrailleur, maar wel met een weerstandsvermogen dat hoog te noemen was, vergelijkbaar met de Nederlandse rivierkazematten met één bouwlaag. Ook voor de artillerie waren enige verbunkerde posities gebouwd. Bezwaarlijk was dat veel bunkers niet afgebouwd waren. Men miste niet alleen zaken als luiken en deuren, maar vaak ook het voorziene lichte geschut. Het gevolg was dat veel bunkers slechts met een mitrailleur waren bezet. Daarnaast had 55.DI nauwelijks antitankmijnen uitgereikt gekregen, en de 400 die ze wel hadden ontvangen, waren nog niet gelegd, ook niet in de gevechtsdagen voordat de Duitsers aan de Maas verschenen. Een kwestie die voor de gehele sector tussen Namen en Montmedy gold, waar in totaal slechts zo’n 2.000 mijnen waren gelegd, terwijl het Franse defensievoorschrift niet minder dan 1.400 mijnen per kilometer voorschreef! Eerder had een kwaliteitskwestie ervoor gezorgd dat al gelegde mijnen waren verwijderd. Mogelijk vertrouwde men de 400 mijnen die voorhanden waren ook niet, of waren die nog van de afgekeurde soort. Tussen, voor en achter de bunkers waren loopgraven gegraven, hoewel te weinig om de gehele divisie goed te kunnen onderbrengen. Langs de rivier, die grotendeels ten zuiden van Sedan stroomde, lag de frontlijn, terwijl in de saillant, die Sedan stad vormde achter de meander in de rivier, nog een tweede frontlijn was geconstrueerd die beide rivierbochten weer verbond. Daaromheen was een stadsdefensie gebouwd als een egelstelling, waarbij de hoogtelijnen van de stad waren gebruikt om een sterke rondom beveiliging te construeren.

55.DI was een B-type reserve divisie, wat zoveel inhield dat het een laagwaardige reserve divisie was, met een zwakke standaard bewapening, oude reservisten en dat vrijwel alle kaderleden ook reservisten waren. De divisie bestond uit vier regimenten: 213.RI, 295.RI, 331.RI en vestingregiment 147.RIF (gedetacheerd bij 55.DI, bestaande uit slechts zes compagnieën). Het was voorts voorzien van een zware mitrailleurbataljon (11.BM) en een klassieke verkenningseenheid, 64.GRDI. Het regiment 213.RI werd achter de vesting Sedan in reserve gehouden, terwijl de andere drie waren verdeeld over de hoofdweerstand. Frontaal en centraal het vestingsregiment, op de rechtervleugel 295.IR (met een voorpost tegen Sedan aan) en 331.IR verdeeld over de stoplijn en de linkerflank. Het mitrailleurbataljon lag eveneens op de linkerflank. Van 295.IR waren manschappen en materieel verloren gegaan bij Bouillon, waardoor één bataljon aanzienlijk onder sterkte was. De divisie had slechts 20 antitankkanonnen, van verschillende kalibers, grotendeels in bunkers ondergebracht. Luchtafweer ontbrak geheel. De artillerie was vrijwel geheel in de diepte opgesteld met enkele lichte stukken vlak achter de Maasdefensie.

Analyse van de Maasdefensie

De Maasdefensie zelf was zwak. De troepen die er in de verdediging lagen waren van tweede garnituur en de gemotoriseerde en overige snelle eenheden voor de voorverdediging waren slecht uitgerust. Tegenover de Duitse tankdivisies waren ze geen partij. De Franse defensieve paradigma’s speelden met name parten bij de zwakte van de Maasdefensie. De sector tussen Namen en Montmedy werd gezien als uiterst onaantrekkelijk voor een aanval, zeker als de dragende legermacht zich met grote massa’s voertuigen en gevechtswagens zou moeten verplaatsen. De Franse legerleiding – althans zij die het voor het zeggen hadden – was ervan overtuigd dat de Ardennen en de Maas op zichzelf een offensief van grotere proporties onmogelijk maakten. Voor een wel verwachte bescheiden nevenaanval door de Ardennen leek de defensie de legerleiding sterk genoeg. Bovendien, zo meende Gamelin en gelijkgestemden, zou een eenmaal ontketend Duits offensief door de Ardennen nog ruim de tijd bieden om verse krachten achter de Maas te positioneren. Het paradigma dat de hoofdaanval door het centrale deel van België zou komen en hoogstens een nevenaanval via de Ardennen was zo hardnekkig, dat alle signalen die men opving – en ten dele bewust door de Duitsers werden 'verzonden' – ideaal leken te passen bij het Franse paradigma; ja, ze leken dit paradigma slechts te bevestigen.  

Achter de halvemaanvormige frontsector – tussen Namen en Montmedy – lag geen enkele sterke tank- of gemechaniseerde eenheid paraat om een onverhoopt vroegtijdige Duitse doorbraak te kunnen ‘counteren’.  Het was zelfs zo dat de werkzaamheden aan de versterkingen langs de Maas achter de zuidelijke Ardennen regio niet met eerste prioriteit waren aangepakt, omdat Gamelin de Ardennen en de Maas als een dusdanig onaantrekkelijk gebied voor Duitse tanks aanmerkte, dat hij de prioriteit voor versterkingswerkzaamheden liever elders zag. Hij had echter niet kritiekloos tot dat besluit kunnen komen. Onder meer zijn tweede man, Général Georges, had forse kritiek op de onderschatting die Gamelin naar zijn maakte t.a.v. de kwetsbaarheid van de sectoren van het 2e en 9e Leger. Georges drong sterk aan op in elk geval een sterke reserve aan de Franse noordgrens, nadat het als zodanig bedoelde 7e Leger in de Dyle-Breda variant als zodanig wegviel, waarmee direct handelend zou kunnen worden opgetreden als het Maasfront in gevaar zou komen. Gamelin beloofde die te formeren, maar verzuimde dat op 10 mei 1940 met verve op te pakken. Dat zijn hoofdkwartier, onder meer door de curieuze analyses die op de hoofdkwartieren van het 2e en 9e Leger t.a.v. verkenningsrapporten werden gemaakt, zeer slecht van de situatie voor de Maas op de hoogte was, zij daarbij aangetekend. Het gevolg van een afwezige snelle gemechaniseerde reserve betekende echter wel dat een snel antwoord op een doorbraak via de zuidelijke Maassector daarom alleen maar vanuit de noordelijke flank zou kunnen komen, ofwel van het leger dat achter de Dyle stelling lag. Daarvan waren de voor een dergelijke handeling best geschikte eenheden, de drie DLM’s, echter niet in staat snel ter plaatse te kunnen zijn. 1.DLM was veel te noordelijk gepositioneerd, terwijl de beide andere DLM’s bezig waren de Duitse tankaanval op Gembloers te vertragen. De veel slechter verplaatsbare en beduidend minder goed toegeruste drie beschikbare tankdivisies waren niet in staat een snelle verplaatsing uit te voeren en bovendien ongeschikt om onverwijld de tegenaanval in te zetten. Gamelin speelde dus met vuur. En zonder dat er een brandblusser bij de hand was!

De Duitse aanval

Aan Duitse kant was de spanning enorm. Zouden de Fransen inderdaad in de val trappen of waren de grote formaties ontdekt en de opzet van het offensief onthuld? Ondanks de onzekerheid aan Duitse kant – die nog veel meer bij het op afstand meekijkende OKH en OKW speelde dan bij de troepen te velde – zette men zonder omzien door. Zowel de formatie van Hoth als die van Guderian stoomden op richting Maas, buitengewoon gebrand op een spoedige oversteek van deze zo strategische barrière.

Hieronder worden beide operaties gevolgd, om te beginnen die van het Panzerkorps Hoth, nadien het Panzerkorps Guderian.

Dinant

De sector Dinant lag in het verdedigingsvak dat was voorzien voor 18.DI, een A-type reserve divisie, ingedeeld bij het 11e Legerkorps. De divisie bestond uit 66.RI, 77.RI en 125.RI als infanterie onderdelen en 19.RAD [36 x 7,5 cm – 8 x 4,7 cm AT] en 219.RALD [24 x 15,5 cm houwitsers] als artillerie eenheden. Alleen 66.RI had een compagnie pioniers en compagnie antitankgeschut, wat de andere twee regimenten misten. Het 11e Legerkorps beschikte over II/142.RAL [12 x 10,5 cm kort houwitser] en 111.RALHC [12 x 15,5 cm houwitsers] als korpsartillerie. Het vak net ten noorden van Sedan viel vanaf Houx onder het 2e Legerkorps, dat 5.DIM, een actieve gemotoriseerde infanteriedivisie, als verdediging aan de Maas had vooruitgeschoven. Het beschikte over de drie gemotoriseerde infanterie regimenten 8.RIM, 39.RIM en 129.RIM alsmede 11.RAD [36 x 7,5 cm – 8 x 4,7 cm AT] en 211.RALD [24 x 15,5 cm houwitzers]. Het 2e Legerkorps had 102.RALT [12 x 10,5 cm houwitsers en 12 x 15 cm houwitsers] als korpsartillerie. Op 12 mei was 5.DIM grotendeels in haar Maasvak gearriveerd, maar van 18.DI waren nog slechts vijf bataljons op de plaats van bestemming, zonder artillerie. 

Het 4e Leger [Generaloberst Von Kluge] opereerde in het noordelijke deel van Luxemburg en had met het Panzerkorps Hoth twee tankdivisies in de voorste lijn, op de rechterflank van de tanks van Von Kleist. De 5e Panzerdivision werd gecommandeerd door Generalleutnant Von Hartlieb-Walsporn, de 7e door Generalmajor Rommel. Beide divisies waren weliswaar relatief goed van tanks voorzien, maar vooral de lichte versies. [611] De 5e Panzerdivision [Pz.Rgt. 15 en 31] had 97 Pz.I, 120 Pz.II, 52 Pz.III en 32 Pz.IV alsmede 26 Befehlswagen. Dat waren 301 gevechtstanks. [611] De 7e Panzerdivision [Pz.Rgt. 25, bestaande uit drie Abteilungen] had 34 Pz.I, 68 Pz.II, 91 Pz.38T en 24 Pz.IV alsmede 8 Panzerbefehslwagen type 38T. Bij elkaar 217 gevechtstanks, wat veel was voor één tankregiment. De 7e Panzerdivision was, ondanks de relatief grote hoeveelheid tanks voor één regiment, in feite samen met de 9e Panzerdivision de zwakste Duitse tankdivisie. De Pz.38T was weliswaar voorzien van een uitstekende bewapening, maar zeer licht gepantserd. Daarmee bezat de divisie naast de schamele 24 middelzware Pz.IV slechts lichte tanks. Ter vergelijking: de 9e Panzerdivision had weliswaar minder tanks [141 gevechtstanks], maar daarvan waren er naast 16 Pz.IV wel 41 van het middelzware type Pz.III.

Het doel van het 4e Leger was eenzijdig. Het dekken van de flank van het Ardennenleger, zo’n 40 km ten noorden daarvan opererende. Dat gold uiteraard vooral in de tweede fase van de veldtocht, als de Maas overgestoken zou zijn en de Entente vanuit de ‘Kessel’ in België in de flanken van de voortrazende tankdivisies van Von Kleist zou willen reageren. Het was dan zaak dat de 4e Armee de Entente eenheden zou binden en flankaanvallen zou voorkomen en/of beantwoorden. De Maas was voor de tanks van het korps van Hoth eenvoudiger te bereiken dan voor de divisies van Guderian. Het terrein dat men moest doorkruisen, hoewel evenzo voorzien van inferieure wegen en al behorende tot het grote gebied dat als de Ardennen werd aangemerkt, was een stuk minder uitdagend. De oversteek van de Ourthe was, ondanks tijdige Belgische vernielingen, geen al te grote hindernis, omdat het riviertje eenvoudig doorwaadbaar was en de ondiepte vernielde bruggen soms overschrijdbaar liet. Het was daarom zo dat al op 12 mei de Maassector werd bereikt door beide divisies. Van de voorverdediging van de Fransen, vooral vormgegeven door de 1e en 4e lichte cavalerie divisie [DLC], had men weinig last. De Ardeense Jagers boden meer uitdaging, vooral overigens wegens de vele vernielde bruggen en opgerichte versperringen. Doel van Hoth was om de Franse van het 9e Leger, dat de Maassector onder Namen verdedigen moest, voor te zijn. Althans, om dit leger dat zich uit Frankrijk zo’n 100 km noordoostwaarts diende te verplaatsen, geen kans te geven zich rustig te ontplooien.

Tijdens de opmars naar de Maas was het de 7e Panzerdivision die de snelste progressie maakte. Rommel, telkens in de voorste gelederen te vinden, zweepte zijn ondercommandanten op en dat leverde op dat hij op een zeker moment op de 11e ruim voorlag op de rechts van hem opererende 5e Panzerdivision. Op 12 mei was Rommel al zo dicht bij de Maas, dat zijn voorste eenheid - de van de 5e toegewezen Vorausabteilung Werner - door kon stoten naar Dinant. Daar vond men rond 1700 uur Duitse tijd echter de brug vernield en nam waar dat de brug bij het nabij gelegen Houx eveneens was opgeblazen. Daarop draaide de voorste afdeling, bestaande uit een eskadron tanks en een compagnie gemotoriseerde infanterie, om. De Vorausabteilung van 5.PD, geleid door de commandant van Pz.Rgt. 31 Oberst Werner, werd echter laat in de middag door een luchtverkenningsrapport geïnformeerd dat een brug bij Yvoir, 6 km noordelijk van Dinant, nog intact was. Daarop stuurde de kolonel een tweetal pantserwagens met een peloton tanks richting Yvoir. Dat zou één van de meest dramatische scenes van de meidagenoorlog opleveren, zeker in de Belgische militaire geschiedenis. Boeiend genoeg om in iets meer detail naar de gebeurtenis te kijken.

In Yvoir was een genieluitenant verantwoordelijk voor het vernielen van de brug, die iets ten zuiden van Yvoir de Maas overkluisde. Reserve 1e luitenant René de Wispelaere commandeerde een peloton van het 31e Geniebataljon. De brug was voorzien van een springlading en gereed voor vernieling, maar men wachtte op de terugtrekkende Franse lichte cavalerie voordat de vernieling zou worden verricht. Naast de pioniers was een schaars Belgisch 4,7 cm antitankkanon van de 10e Compagnie van het 5e Regiment Ardeense Jagers [2e Divisie Ardeense Jagers] voorhanden, dat aan de linkerzijde van de brug was opgesteld. Ardeense Jagers en Fransen van 5.DIM vormden de rivierbeveiliging. Hoewel in de omgeving alle bruggen al waren vernield en de Duitse nabijheid duidelijk was, kwam voor de Belgische brugverdedigers in Yvoir om 1730 uur (Duitse tijd) toch nog onverwacht ineens de door Oberst Werner gestuurde kleine formatie Duitse pantserwagens en tanks op volle vaart op de brug afgereden, waarbij een SdKfz. 231 met daarachter de tweede pantserwagen niet twijfelde en direct de brug op reed. Enige paniek maakte zich van de Belgen meester, maar een korporaal van de Ardeense Jagers vuurde het antitankkanon af dat de voorste Duitse pantserwagen op de rechtervoorzijde trof, terwijl het volgende schot de wagen midden op het frontpantser doorboorde. Eén van de bemanningsleden van de pantserwagen, uitgestegen nadat de wagen was uitgeschakeld, trachtte onder vuur de ontstekingsdraad van de lading te grijpen, maar werd gedood door vuur van de verdedigers. Onderwijl was de buitengewoon moedige Belgische genieluitenant de brug op gestormd om de lading te ontsteken, wat hem gelukte. Op de terugweg naar de westzijde van de brug werd hij echter door vuur van de op de oostelijke oever staande tanks getroffen en sneuvelde. De brug ging desalniettemin met de pantserwagens erop de lucht in. Deze moedige daden van twee militairen aan beide zijden schetsen de dramatiek van die dagen treffend.

Al met al was het de Duitsers niet gegeven een brug intact in handen te krijgen. Anderzijds had men een groot voordeel. Onder Houx lag een waterbouwkundig werk – aangeduid als sluis no. 5 – dat niet kon worden vernield wegens de effecten wat dit zou hebben op de waterstand in de rivier. De Maas was op dat punt extra breed door een zijloop in de plaatselijke bocht van de rivier, waarin een eilandje lag. Daar was het kleine waterwerk tussen aangebracht. Bijzonder genoeg was dit werk, dat te voet was over te steken, totaal onbewaakt. Het lag precies op de scheidslijn tussen 18.DI en 5.DIM. Zoals zo vaak zou blijken in mei 1940, verwaarloosden de Franse eenheden juist de bezettingen van hun vakgrenzen. Ook in dit geval. De overgang viel precies in het uiterste linker deel van de nog incompleet aan de Maas gearriveerde 18.DI, waarvan een voorhoede van 66.RI de uiterste vleugel bezet hield. De meest noordelijke positie van deze infanteristen was echter 1.500 meter ten zuiden van het eilandje gelegen. Toen 18.DI – nog voor de Duitse ontdekking van het sluisje – ontdekte dat de linkervleugel onbezet was, en troepen voor de bezetting daarvan nog niet waren gearriveerd, werd contact gemaakte met de naburige 5.DIM staf. Deze gaf het bericht door naar boven met als gevolg dat een bataljon van 39.RIM, dat voordien als reserve fungeerde, naar het eilandje werd gestuurd. De commandant van dat bataljon had echter besloten op een hoogte zuidwestelijk van het eilandje posities in te nemen, zodat het eilandje zelf niet kort gedekt werd. Het zou een fatale blunder van de Fransen blijken.

Tegen de avond ontdekte een patrouille verkenners van Aufklärungsbatallion 8 [5.PD] het waterwerkje in de Maas. Ze constateerden dat het niet was vernield of versperd en het ook niet van een directe bewaking leek te zijn voorzien. Hoewel menige Duitse veldcommandant in mei 1940 direct de oversteek zou hebben gemaakt, durfden de Kradschüzen dat niet aan. Ze wachtten tot het donker werd, hoewel onderwijl wel een bericht naar Oberst Werner was gestuurd met de bevindingen. Die regelde direct een versterking van een compagnie van Kradschützenbatallion 7, een compagnie van I./SR.13 [5.PD] en een tankcompagnie van de Vorausabteilung Von Steinkeller [7.PD]. Om 2300 uur hadden de eerste Duitsers de overzijde bereikt en voerden zij voorzichtige verkenningen naar het westen en zuidwesten uit, maar liepen daarbij in het zicht van Franse verdedigers van 6./39.RIM, waardoor vuurcontact ontstond. De Duitsers braken direct het gevecht af, terwijl de Fransen verrassend genoeg niet nadrongen. Direct werd een egelstelling ingenomen door de manschappen van AA.8, terwijl snel meer manschappen naar de westzijde werden verplaatst om het bruggenhoofdje zo spoedig mogelijk te versterken. Een Franse aanval, door alle Duitse officieren spoedig verwacht, kwam er niet. Artillerievuur bleef evenzo uit.

De Duitsers deden er – men zou zeggen ‘vanzelfsprekend’ – alles aan ook deze in de schoot geworpen kans te verzilveren. De Schützenbrigade van 5.PD werd met grote spoed naar voren gemaand en naar Houx gedirigeerd, waar onverwijld (te voet) moest worden overgestoken. Reeds voor het ochtendgloren zou het eerste bataljon zich naar de westzijde begeven. Het zou pas op dat moment zijn, ca. 0500 (Duitse tijd) in de ochtend van 13 mei, dat de Franse artillerie wakker werd. Hoe deze oversteek verder verliep, zal bij het verslag van de 13e mei nader worden besproken. Onderwijl had de 7e PD in zijn vak niet het fortuin dat de aanleunende divisie trof. Desondanks beval Rommel zijn ondercommandanten hun troepen te concentreren bij twee punten. Het rechterpunt bevond zich precies tegenover de posities van het Franse II./39.RIM, dat het met enige bunkers versterkte plateau zuid van de sluis bezet hield. Kradschützen 7 en SR.6 dienden daar een oversteek te forceren. De linker oversteek wilde Rommel ten noorden van Dinant inzetten, bij het dorpje Leffe. Daar zou SR.7 onder dekking van opgestelde tanks moeten oversteken tegenover de defensie, die het Franse 77.RI [18.DI] had ingenomen, met op de linkerflank een bataljon van 66.RI [18.DI]. De Luftwaffe zou nauwelijks kunnen bijdragen, omdat die op 13 mei vrijwel geheel geconcentreerd zou worden op de “Kleist Abschnitt” waar immers de Duitse hoofdaanval zou worden ingezet. Artillerie had Rommel nauwelijks. Naast enige gemechaniseerde stukken infanteriegeschut, slechts twee afdelingen 10,5 cm houwitsers. Voor directe vuursteun vertrouwde de generaal volledig op de tanks. Voor het ochtendgloren zou de aanval op beide punten moeten worden ingezet.   
  
Aan het eind van de dag waren de 5e en 7e Panzerdivision er dus niet in geslaagd een vaste rivierovergang te veroveren. Ze hadden echter wel bereikt dat nog op 12 mei 1940, Duitse militairen over de Maas waren gekomen. Zo hadden de verkenners van 5.PD als eerste militairen van het Duitse aanvalsleger de westoever van de Maas weten te bereiken. Opnieuw ging aan een mijlpaal binnen de operationele geschiedenis van de Westfeldzug een blunder van de verdedigers vooraf en wederom werd niet of nauwelijks een poging gewaagd, de blunder snel te repareren. Enerzijds was er de doortastendheid en stoutmoedigheid van de Duitsers die aanleiding gaf tot het ontstaan van kansen, maar anderzijds werd het kunnen verzilveren van die kansen nadrukkelijk door de Entente gefaciliteerd. De geslaagde oversteek onder Houx was een sprekend voorbeeld hiervan.      

Sedan

De strijd om de Maas bij Sedan kan niet goed worden geduid, als de eerste grote controverse tussen Heinz Guderian en zijn superieur Ewald von Kleist niet vrij uitgebreid wordt besproken. Een conflict tussen twee generaties Duitse bevelhebbers bovendien. De degelijke Von Kleist, een operationeel expert, en een vooruitstrevende Guderian, een tacticus van formaat met een ontzettend goede kijk op de moderne oorlogsvoering en vooral de zich sterk ontluikende doctrine van gecombineerde en verbonden wapenen. Het conflict geeft bovendien weer dat de vermeende ‘vooropzet’ van de later als Blitzkrieg betitelde veldtocht in België en Frankrijk, in feite niet aan de orde was, maar een gevolg was van feitelijk zodanig operationeel en tactisch handelende veldcommandanten. Daarom besteedt de Duitse historisch Karl-Heinz Frieser [503] ook relatief zoveel aandacht aan deze buitengewoon interessante ‘clashes’ tussen de diverse autoriteiten, zoals die overigens ook onomstotelijk blijken uit de archieven in Freiburg.

Een onderling duel der generaals

General Guderian liet zijn staf een hoofdkwartier inrichten in het hotel ‘Panorama’ in Bouillon. Aldaar werd hij bijna slachtoffer van een Brits bombardement, dat een munitiecolonne trof en zijn hotel zwaar beschadigde en de generaal zelf bijna door een van de muur vallende jachttrofee deed uitschakelen. Belangrijker was dat Guderian ’s middags een flinke aanvaring had met zijn meerdere, General von Kleist. Guderian beklaagde zich over de traagheid van de bevoorrading en de achterblijvende artillerie. Veel fundamenteler was een twist omtrent de plaats van, en de voorbereiding op de aanval tegen de Franse Maasverdediging. Die twist vond zijn oorsprong al in april 1940, bij de voorbereidingen op het plan voor de Ardennen operatie. General von Kleist legde Guderian op om circa 10 km westelijk aan te vallen, bij de bocht in de Maas te Nouvion sur Meuse. Von Kleist voerde daarvoor operationeel zeer logische argumenten aan. Ten eerste betekende de oversteek bij Sedan dat het achtergelegen Ardennenkanaal tweemaal zou moeten worden overgestoken. Dat kanaal liep immers in een boog vanaf de Maas boven Sedan (en onder Nouvion) door Rethel, het wegenknooppunt 40 km ten zuidwesten van de Maas, dat sowieso als logistiek sleutelpunt vanuit iedere positie moest worden bereikt. Von Kleist redeneerde dat als bij Nouvion zou worden overgestoken het kanaal alleen bij Rethel moest worden gekruist, terwijl dit vanuit Sedan door de meeste eenheden tweemaal moest worden overgestoken. Belangrijk vond Von Kleist voorts dat een aanval bij Nouvion precies zou vallen op de vakgrens van het Franse 2e en 9e Leger, wat gezien de logge Franse bevelketen zeer voordelig zou kunnen uitpakken. Guderian bracht daar tegenin dat het naderingsgebied van Nouvion veel opener was dan dat van Sedan, zodat de Duitsers voor artillerievuur van de Fransen buitengewoon kwetsbaar zouden zijn. Bovendien was Nouvion een positie dat een zwaartepunt in de Franse artilleriestrategie vormde. Op 12 mei in de bespreking voerde Guderian aan dat het opnieuw in positie brengen van zijn drie divisies, die reeds kort voor de Maas stonden, een zodanig bezwaar gaf dat hij aangaf dat als Nouvion inderdaad het zwaartepunt zou vormen, de hoofdaanval pas op 14 mei zou kunnen plaatsvinden. Als belangrijkste tegenargument voerde Guderian tenslotte aan dat het juist Sedan was dat maandenlang als zwaartepunt was bestudeerd en in krijgsspellen uitgewerkt. Deze controverse te velde tussen beide bevelhebbers op 12 mei, was al de derde keer dat de kwestie tussen hen speelde. Vooroorlogs had Von Kleist al aan Guderian opgedragen zijn Panzerkorps richting Nouvion te sturen, maar bij de operationele aansturing liet Guderian zijn divisies desondanks richting Sedan oprukken. Daarmee was direct de Achilleshiel van de Auftragstaktik zichtbaar geworden, zoals deze al ruim een eeuw lang door tegenstanders van de liberale Auftragstaktik was gevreesd. Guderian permitteerde zich operationele vrijheden die sec genomen niet voldeden aan de kaders van zijn opdracht. Het feit dat hij zijn superieur voor een voldongen feit stelde, zal bij Von Kleist buitengewoon veel wrevel hebben gewekt. Deze twist om het zwaartepunt van de aanval was niet de enige fundamentele kwestie tussen de twee kemphanen. Er waren er nog twee, beide mogelijk net zo fundamenteel.

General von Kleist instrueerde Guderian dat een bruggenhoofd aan de westzijde van de Maas slechts ca. 6-8 km doorsnede mocht hebben. Daarbinnen dienden de eenheden zich te verzamelen en hergroeperen voor de volgende fase van de veldtocht. Von Kleist wilde een solide basis voordat er zou worden uitgebroken. Guderian was het opnieuw – zeer fundamenteel – oneens met Von Kleist. Ook dit was een onderwerp dat voor de invasie reeds besproken was tussen de heren. Guderian meende dat de hoogte zuid van Stonne essentieel was om te veroveren en te behouden, alvorens van een veilig bruggenhoofd west van de Maas zou kunnen worden gesproken. De hoogte rond Stonne zou namelijk een belangrijke logistieke route voor Franse tegenmaatregelen vanuit de sector Reims beheersen. Daarom wilde hij dat er al in een veel vroegere fase direct met kracht naar Stonne zou worden opgerukt en de hoogte ten zuiden van dat stadje stevig in bezit zou worden genomen. Dat betekende een diepte van 20 km en een dus drievoudige oprekking van het bruggenhoofd ten opzichte van het behoudende plan van Von Kleist. De laatste had bij zijn plan overigens de chef-staf landmachtstaf, Franz Halder volledig mee. Ook die drong vooroorlogs al aan op een beperkt bruggenhoofd west van de Maas, waar eerst een hergroepering zou moeten plaatsvinden alvorens uit te breken.    

Een laatste meningsverschil was dat Guderian met Luftflotte 3 een tactisch plan uitgewerkt had van de zogenaamde ‘rollende luchtaanval’, de luchtmacht equivalent van de artillerietactiek uit de Eerste Wereldoorlog, de ‘creeping barrage’, waarbij aanvalsvliegtuigen in een langdurig proces systematisch en met steeds verlegde diepte de Franse stellingen en wapenpunten in en om Sedan zouden aanpakken. Von Kleist zag daar niets in en had een instructie voorbereid voor een massief bombardement van een klein half uur waarin door honderden reguliere en duikbommenwerpers de stelling bij Sedan murw zou worden gebeukt. Von Kleist zette zijn zin door en bezwoer Guderian dat zijn instructie zou worden uitgevoerd en niet die van Guderian.

Om licht vooruit te lopen op de zaken: Guderian drukte overal zijn zin door of kreeg zijn zin ook. Dat zou niet alleen door geluk zo tot stand komen. Heinz Guderian wist heel goed waar hij mee bezig was en hij kende, zoals zoveel Duitse generaals, de tekortkomingen van zijn tegenstander. Toch kan niet worden uitgesloten dat Guderian zich ook vermaakte met de controverse die er leefde tussen zijn superieur en hemzelf.

De voorbereiding voor de aanval

Guderian liet zijn eenheden dicht tegen de Maas optrekken, maar hield ze onder dekking van de uitgestrekte bossen ten noorden van Sedan. De aanvalsrichting die zijn divisies opgedragen kregen waren duidelijk. Centraal zou de 1e Panzerdivision – aangevuld met Regiment Gross Deutschland – aanvallen oost van de meander in de Maas, op het punt waar het korte verbindingskanaal – dat de meander kortsloot – weer in de Maas stroomde. De locatie was beter bekend als Gaulier, een westelijke voorstadje van Sedan. Rechts van 1.PD zou 2.PD aanvallen op Donchery, 5 kilometer ten westen van Sedan. Op links zou 10.PD, als enige van de drie tankdivisies, aanvallen op Sedan zelf. Dat betekende dat drie divisies binnen een breedte van 6 km op de Maasdefensie zouden aanvallen in een vak dat slechts door één divisie, 55.DI, werd verdedigd. Het waren de Schützen en Sturm-Pioniere van de tankdivisies, die de spits moesten afbijten. De tanks bleven grotendeels buiten beeld. Een beperkt deel werd ingezet voor directe vuursteun, maar voor het overige bleven zij in dekking tot het moment van het uitbuiten van kansen en het onvermijdelijke oversteken van de Maas, als daartoe de faciliteiten gereed of gevonden zouden zijn. De slag om Sedan zou dan ook geen doorbraak van de Duitse tanks, maar een uitbraak van de tanks worden. De slag zelf was een grotendeels infanteristische aangelegenheid, waarbij ‘slechts’ de cavalerie in de lucht mede de hoofdrol zou mogen opeisen.

Qua artillerie had Guderian weliswaar relatief minder vuurkracht dan zijn opponent, maar desondanks waren er op papier 140 vuurmonden voorhanden. Daarvan werd het gros ingedeeld voor de 1e Panzerdivision, terwijl de beide vleugels slechts twee afdelingen artillerie (elk) ter ondersteuning kregen toegewezen. Punt van zorg was echter in hoeverre de ver achterliggende artillerie tijdig in een opstelling zou zijn gekomen om daadwerkelijk bij te dragen. Het Luftwaffe aanvalsplan dat Guderian met Luftflotte 3 had uitgewerkt zou ook zijn zwaartepunt in het middelste vak vinden. Een ander belangrijk doel van de ‘rollende luchtaanval’ zou zijn het onderdrukken van de Franse artillerie. Alleen zo zou de nadering en oversteek van de Maas kunnen slagen, zo was Guderian’s overtuiging.

Het operatieplan was overigens een eenvoudig verhaal. Guderian verraste zijn divisiecommandanten met het gegeven dat de in april uitvoerig geoefende aanval geheel volgens diezelfde beproefde draaiboeken zou moeten worden ontwikkeld. Slechts de tijden werden aangepast. Voor het overige kon het tijdschema van gereedstelling, logistiek, voorbereiding en overige sleutelafspraken volledig worden gehandhaafd. Dat zal allemaal niet voor niets zijn geweest. Het was waar Guderian al naartoe had gewerkt, zoals hij in zijn dispuut met Von Kleist al aangaf. Hij had zich bewust niets aangetrokken van de afwijkende denkbeelden van zijn superieur, maar zich tegelijkertijd gerealiseerd, dat de zorgvuldige punctuele voorbereiding tijdswinst zou opleveren op het moment dat hij ter plaatste zou aankomen. Frieser schrijft in zijn boek ‘Blitzkrieg legende’ dat dit een geneugte van de Auftragstaktik was, waarbij de divisiecommandanten dus naar vrijheid de tactische uitwerking konden bepalen en uitgebreide aanvalsplannen niet nodig waren. In feite lijkt in dit geval juist het tegendeel aan de orde te zijn geweest. De aanval was in krijgsspellen zodanig gedetailleerd uitgewerkt, dat van de vrijheid der Auftragstaktik voor de drie divisiecommandanten, die binnen een smalle breedte van 5 km moesten aanvallen, feitelijk niets overbleef. Guderian paste de Auftragstaktik voor zichzelf maximaal toe, maar liet bij de aanval op Sedan zo weinig aan zijn ondercommandanten over, dat in feite sprake was van oude vertrouwende Normaltaktik (1). Guderian had alles als het ware gedicteerd en kon door zijn divisiecommandanten haast niet verrast worden. Het enige dat mee- of tegen kon vallen, was het resultaat. Voor het overige was Guderians' wil, wet. Zijn geliefde zwaartepuntstaktiek was opgelegd aan zijn korps en zij hadden het maar uit te voeren.

(1) Vanaf 1806, toen de Pruisische militaire leer, onder invloed van Napoleon zijn successen, gekanteld werd en de eerste rudimentaire verschijnselen van een Generale Staf ontstonden, ontstond parallel binnen het Pruisische leger een discussie tussen decentrale en centrale denkers ten aanzien van de bevelvoering van zo'n groot en steeds professioneler leger. De eerste zouden zich ontwikkelen tot de discipelen van de Auftragstaktik (missie c.q. doelstelling tactiek), de laatste tot de bewakers van de klassieke Normaltaktik (traditionele taktiek). Deze ontwikkeling stond niet los van fundamentele vraagstukken omtrent de beheersbaarheid van de steeds verder groeiende legers en de - ook toen al - steeds complexere samenwerking tussen diverse wapenen en toenemende snelheid van de strijd en de oorlog. Om grote legers beheersbaar te houden ontwikkelden de Pruisen het fenomeen dat spoedig Generalstab ging heten. Daar diende men vanuit professionalisme en specialisme de strategie en de hoofdlijnen te bewaken, terwijl in het veld de lagere commandanten de tactiek moesten invullen op basis van de door de Generale Staf bepaalde doelstelling(en) en kaders. De voorstanders van de Auftragstaktik wonnen sterk aan argumenten, toen vanaf de tweede helft van de 19e eeuw het bereik van artillerie sterk toenam. Toen door metalurgische, industriële en scheikundige ontwikkelingen, vanaf 1860 een algemene wapen- en munitierevolutie een acceleratie van het militaire bedrijf betekende, terwijl men nog geen communicatiemiddelen had om te velde snel te anticiperen, werd duidelijk dat een conservatieve centralistische bevelvoering niet meer kon voldoen. De behoefte voor snelle besluitvaardigheid te velde groeide sterk. Dit zou nadien alleen maar toenemen. De Generale Staf en de missietaktiek gingen hand in hand in het Pruisisch/Duitse leger. Het eerste werd internationaal algemeen gekopieerd, het laatste niet, hoewel alle legers wel een ontwikkeling doormaakten waarbij lagere staven meer autonomie kregen.

Toen in 1919 het Verdrag van Versailles het Duitse leger minimaliseerde en de Generale Staf verbood - juist om de effectiviteit van de Duitse bevelvoering te minimaliseren, waardoor de toepassing van Normaltaktik in feite weer zou moeten groeien, ontstond juist een tegenovergesteld effect. De kleine kern beroepsmilitairen werd uitermate goed in zelfstandig tactisch denken en handelen onderricht, waarbij naast een uitstekend tactisch en operationeel inzicht ook veel werd gevergd van inzichten t.a.v. de taktiek van verbonden wapenen. Toch waren lang niet alle Duitse hoofd- en opperofficieren ongematigd enthousiast over de zeer grote mate van vrijheid die het Duitse leger van 1939/1940 kenschetste. Ten eerste zag men bezwaar in de zin van de relatieve importantie die carriere officieren van de GS nog zouden hebben, maar bovenal was men bang voor een anarchistisch effect bij brutale veldcommandanten. Daarnaast vreesde men dat naast de harde en degelijk opgeleide beroepskern, de grote schare reservisten onvoldoende kwaliteiten zouden hebben om de Auftragstaktik goed toe te passen. Een vrees die niet ongegrond was, zo bleek spoedig. De chef-staf van de Duitse landmacht, Franz Halder, was een van de opperofficieren in een belangrijke functie, die niet onverdeeld enthousiast was. Het waren eigenzinnige veldcommandanten als Rommel en Guderian, die de vrees van de cynische opperofficieren binnen de Generale Staf werkelijkheid zagen worden. De successen van de Westfeldzug misbruikte Hitler echter juist om de progressief denkende opperofficieren, de door Hitler zo verfoeide klassieke en behoudende officieren, uit de Generale Staf te werken of anderszins op een zijspoor te zetten. Voor die overmoed was in 1940 wellicht de ruimte, maar de repercussies zouden later de cynische oude vossen wellicht meer gelijk geven dan de zo succesvolle eigenzinnige voorhoede van mei en juni 1940 ...  

De gehele derde dag alsmede een groot deel van de vierde (13 mei) werd gebruikt om de hoofdmachten naar de Maas aan te trekken, de bevoorrading te verrichten en artillerie in stelling te krijgen. De voorbereiding van een dergelijke slag, zelden in geschiedenisboeken beschreven, was ongehoord omslachtig. Het Armeekorps van Guderian, met al zijn ondersteuning en de logistieke treinen, had een sterkte van circa 60.000 man en meer dan 20.000 voertuigen. Dat laatste getal gaat wellicht het meest spreken als men vijf meter voor ieder voertuig neemt en zich dan realiseert dat een file van 100 km wordt gevormd. Dat op de secundaire wegen in een dicht bebost gebied naar een aanvalsvak van 6 km leiden, is een heidenskarwei. Aanvalstijdstip zou zijn op 13 mei 1600 uur Duitse tijd. Dat aanvalstijdstip zou – het zal bij de bespreking op 13 mei blijken – voor 2.PD alsnog te vroeg komen. Deze divisie, die de langste afstand van de drie voorste divisies moest afleggen, zou niet op tijd gereed gesteld zijn voor de aanval en bovendien door Frans artillerievuur sterk worden gehinderd.

Voordien zou het zwaarste Duitse tactische bombardement van de gehele oorlog op zo’n klein doel worden uitgevoerd. Niet minder dan 1.500 Duitse gevechtsvliegtuigen zouden Sedan in het Jericho aan de Maas moeten veranderen. Luftflotte 2 en 3 wierpen alle tactische middelen tezamen en wisten ca. 600 oppervlakte bommenwerpers, 250 Ju-87, 500 Bf-109’s en 120 Bf-110’s bijeen te brengen om de ‘rolling thunder’ over Sedan en de rest van de aangevallen Maassector te laten rollen. Alle fronten moesten hiervoor zo sterk inleveren, dat de lucht boven Noord-België en Nederland na drie dagen onafgebroken Luftwaffe aanwezigheid merkbaar ineens een stuk leger werden. Alleen al het doelgebied Sedan – gecoördineerd door de Luftflotte 3 [Generalleutnant Lörzer] – had 23 Gruppen aanvalsvliegtuigen ter beschikking. Die hadden ca. 310 oppervlakte bommenwerpers, 200 Ju-87 en 300 jachtvliegtuigen te bieden. Volgens onderzoek zou dat uitwerken tot 1.215 bommenwerper sorties richting Sedan. Deze onwerkelijke zware luchtsteun was gefaseerd in vijf opeenvolgende golven. De eerste fase [0800-1200 uur Duitse tijd] begon met lage intensiteit bombardementen tegen verkende steunpunten van de defensie langs de gehele Maassector tussen Nouvion en Mouzon (15 km zuidoostelijk van Sedan). De tweede fase [1200-1540 uur ] bracht Ju-87 verbanden met enkele zwaartepunt aanvallen. De derde fase – vlak voor de aanval om 1600 uur – bracht de grootste massa bommenwerpers in de lucht, die als het ware het door Von Kleist gewenste bombardement zouden brengen. Een ‘shock and awe’ aanval, volledig geconcentreerd rond Sedan. De vierde fase [1600-1730] zag een verlegd doelgebied in de diepte van de aanvallende divisies, waarbij Stuka’s en andere aanvalsvliegtuigen de commandoposten en artillerie aan zouden aanvallen en onderdrukken. De vijfde en laatste fase, vol te houden tot het donker geworden was, bracht de grootste diepte, doordat Franse troepenbewegingen richting het verwachtte bruggenhoofd bij Sedan zouden worden aangevallen. De verdedigers bij Sedan stond - kortom - een hel te wachten!  

Analyse van het Belgische theater

Het is verleidelijk om met de naoorlogse kennis en overzichten te concluderen dat de verdediging van de Fransen en Belgen (de Britten waren nog nauwelijks in beeld) op 12 mei 1940 al op het punt van catastrofe was beland. Als men de landkaart voor zich neemt en daarop de posities der Duitse, Belgische en Franse eenheden intekenen zou, zoals die naoorlogs zo overzichtelijk zijn aan te tekenen, dan zou een ieder zich realiseren dat de situatie van de Entente reeds uiterst precair was geworden. Gemakshalve wordt die exercitie ter hand genomen en vervolgens gekeken hoe de feitelijke perceptie bij de Entente was aan het einde van de 12e mei.

De situatie was zodanig dat de Franse formaties en de BEF zich gestadig richting de beoogde Dyle doelgebieden bewogen hadden. Alle gemotoriseerde verbanden waren in de loop van de 11e en 12e mei goeddeels op hun posities aangekomen, terwijl de klassieke infanterie met belangrijke voorhoedes arriveerde. Van het 7e Leger, helemaal in het noorden, waren alle gemotoriseerde verbanden gearriveerd in hun doelgebied. 1.DLM was onder Turnhout opgesteld, 9.DIM daarachter en 25.DIM erboven. De beide ongemotoriseerde infanteriedivisies van het 7e Leger waren nabij Antwerpen. Daaronder was het Belgische veldleger in redelijke orde aan het inschuiven in de stellingen van de KW-stelling, waarbij het BEF, geheel gemotoriseerd, tijdig zijn posities innam tot aan Waver. Het cavaleriekorps van Prioux was al op 11 mei in staat geweest de sector Hannuit-Gembloers te bezetten, terwijl belangrijke delen van het 1e Leger, dat de sector Waver-Namen moest bezetten, op 12 mei waren aangekomen. De hoofdweerstand in deze cruciale sector vormde zich dus conform plan en het CC van Prioux wist de Duitsers af te houden van de hoofdweerstand. Het 9e Leger, dat onder Namen de Maasverdediging zou bezetten, kreeg haar lichte cavalerie eenheden voor de voorverdediging tijdig oost van de Maas en zag bovendien 5.DIM op 11 mei arriveren. Daarmee waren al zijn gemotoriseerde eenheden op hun plaats, maar de gewone infanterie, allen van reserve klassen, waren nog lang niet ter plaatse. Slechts kleine voorhoedes en kwartiermakers geraakten in de loop van de 11e mei aan de Maas. Op de 12e was nog niet de helft van de infanterie in staat de stelling aan de Maas in te nemen, met uitzondering van het uiterste zuiden van het legervak, waarvoor gold dat men slechts enkele kilometers verplaatsing voor de boeg had. Het 2e Leger was vanzelfsprekend reeds op haar plaats en roulerende eenheden werden eveneens naar de Maas gestuurd om de stellingen te bezetten. Op basis van het dispositief op 12 mei van alle eenheden van het expeditionaire deel van het Franse veldleger, gaf dus vooral de verplaatsing van het 9e Leger reden tot zorg. De overige verplaatsingen gingen zo voortvarend, of werden zo effectief gedekt door voorverdedigingen, dat met een relatief positivisme gekeken kon worden naar de ontwikkeling van het Belgische defensief achter de Dyle stelling en Maas.

Tegenover die redelijk gunstige ontwikkeling van de troepen achter Dyle en Maas, stond een grotere vijandelijke progressie dan verwacht. Zo was er in het noorden sprake van een schier ongeremde Duitse opmars door Zuid-Nederland gecombineerd met een opgegeven verdediging in noordoost België. De Duitse opmars oost van Tilburg en in de Belgische Kempen was verontrustend. Daar kwamen zes infanteriedivisies en een kleine tankdivisie in voorste lijn afgemarcheerd op één gemechaniseerde divisie [1.DLM] en twee infanteriedivisies [9.DIM en 25.DIM]. Weliswaar was de vesting Antwerpen voorzien van Belgische en Franse troepen, maar de vooruitgeschoven positie rond de sector Breda-Tilburg-Turnhout was in reëel gevaar. Bovendien was door de Duitse dreiging op die positie 1.DLM niet langer vrij voor herpositionering naar het centrum, althans, niet zonder de strategie ingrijpend te wijzigen. In het centrum van de verdediging in België ging, ten aanzien van de gebondenheid van de sterke gemechaniseerde troepen, hetzelfde op. Het cavaleriekorps van Prioux voerde zijn taak weliswaar tamelijk effectief uit, maar leed daarbij niet alleen zeer zware verliezen, maar het kon zich ook op 12 mei niet permitteren om zich los te maken van de tegenstander. Zodoende waren 2.DLM en 3.DLM als manoeuvre eenheden niet beschikbaar, laat staan voor een rol als strategische interventie eenheden in het zuiden van België. Datzelfde gold sowieso voor de zelfstandige tankbataljons, die bij de diverse legers waren ingedeeld. Deze eenheden, die slechts over lichte tanks beschikten, kregen over het algemeen de taak om als frontbrandweer op te treden, vlak achter de hoofdweerstand. Zij zouden lokale Duitse penetraties direct moeten attaqueren en het front herstellen. Deze bataljons waren niet alleen om die reden slechts zuiver tactisch te gebruiken, maar tevens te licht om ze voor tegenaanvallen met een strategische component te gebruiken. Daarvoor resteerden – binnen het expeditionaire deel van het Franse veldleger – in feite slechts de ene tankdivisie, die in België voorhanden was: 1.DCR.

1.DCR, ingedeeld bij het 1e Leger, had twee bataljons zware slagtanks (68 Renault B1 en B1bis) naast twee bataljons van de zwakke Hotchkiss H-39. De andere twee tankdivisies, 2.DCR en het in oprichting verkerende 3.DCR, waren op Frans grondgebied in de legerreserve opgenomen. Daarvan was in feite slechts 2.DCR echt slagvaardig en operationeel, hoewel ook die eenheid pas in januari 1940 was opgericht. De eenheid was gekantonneerd in Chalons-sur-Marne, ten zuidwesten van Reims, op 100 km afstand van Sedan. 3.DCR, sinds 20 maart 1940 in oprichting, lag gekantonneerd in Mourmelon, op steenworp afstand van 2.DCR. Het beschikte nog maar over een deel van haar tanks en stafeenheden. Tijdens de meidagen zou bovendien 4.DCR worden geformeerd, het tot mythische proporties opgeblazen bijeengeraapte onderdeel dat onder Colonel Charles de Gaulle een wanhopige tegenaanval zou lanceren tegen de doorgebroken Duitse tankformaties. Het was echter op 12 mei nog niet in beeld. Los van het feit dat de Franse tankdivisies niet erg sterk waren – de gevechtscomponent van ca. 70 Char B1 was de enige met slagkwaliteit – waren deze divisies bovenal zeer beperkt bewegelijk. In tegenstelling tot de Duitse tankdivisies waren de Franse tankdivisies niet bedoeld voor de bewegingsoorlog, maar voor tankslagen in ondiepe ruimtes. Het bereik van de zware slagtanks was dan ook bedroevend, het aftankproces dramatisch tijdrovend. De Duitse tankdivisies waren dan ook vooral te vergelijken met de drie voorhanden zijnde DLM’s, terwijl de DCR’s in feite alleen goed bruikbaar waren als ze inzet konden vinden nabij hun afwachtingsgebied.

Het mag duidelijk zijn dat, met de wetenschap van na de oorlog, de situatie voor de Fransen dramatisch was, nog voordat de Maas door de Duitsers feitelijk was overgestoken. De Franse formaties die in staat zouden zijn geweest een Duitse uitbraak vanuit de Maasregio met kracht en snelheid te pareren, waren bij uitstek de daarvoor specifiek ontworpen drie gemechaniseerde divisies [DLM’s]. Zij waren echter – zeer tegen de zin van Général Georges – alle drie diep op het Belgische territoir ingezet. Bovendien gold voor de beide meest zuidelijk ingezette DLM’s, dat ze zwaar te lijden hadden tijdens de slag om Hannuit (en vervolg). Général Prioux was het al op 12 mei duidelijk dat als hij op 14 mei zijn taak zou hebben afgerond, hij netto nog maar zou beschikken over maximaal de slagkracht van één DLM. Desondanks zou het restant van het Corps de Cavalerie van Prioux ‘slechts’ 50 km te overbruggen hebben om in de rechterflank van de Duitse tankvuist te kunnen aanvallen. Dat zouden dan wel 50 km zijn die over de weg moesten worden afgelegd én met een Luftwaffe, die niet langer de schijn hoefde op te houden dat zij zogenaamd geen capaciteit had om de Entente in de hogere echelons aan te vallen. In tegendeel. Na de doorbraak uit de Maassector, zou de Luftwaffe de taak krijgen de kwetsbare tankcolonnes te beveiligen. Naast maximaal één DLM zou het 1e Leger nog 1.DCR beschikbaar kunnen stellen voor een tegenaanval vanuit het noorden. Dat zou iets minder kilometers moeten afleggen, maar evenzo in de flank van de Panzers kunnen optreden. Daarmee was de koek voor de noordelijke legers op. Georges zou 1.DLM nooit tijdig kunnen terugbrengen tot beteugeling van de Duitse uitbraak vanuit de Ardennen en de lichte tankbataljons zouden door de Duitse tankformaties en hun ondersteuning direct worden overlopen. Daar komt nog bij dat juist voor dergelijke tegenmaatregelen vanuit het Belgische centrum, de Duitsers het Panzerkorps Hoth hadden, om de rechtervleugel van Von Kleist zijn formaties te dekken. De 5e en 7e Panzerdivision moesten het pad afsnijden, waarlangs de DLM’s en de DCR richting de Duitse penetratie onder de Franse grens zouden proberen te counteren. Er vanuit gaande dat de beide Duitse tankdivisies in die opzet zouden slagen, kan geconcludeerd worden dat dus slechts nog de twee DCR’s uit het zuiden resteren zouden voor een tegenaanval. Zij dienden echter evenals 1.DCR eerst een moeizame en in het oog lopende verplaatsing te maken, om dan vervolgens, zonder al te veel voorbereiding, de Duitse linkerflank te attaqueren. Men moet niet vergeten dat de enige van de twee DCR’s die operationeel was, op 13 mei nog uit zijn kanton moest vertrekken. Dat wat Gamelin kort voor de Duitse invasie aan Georges had beloofd – het gereed houden van een sterke en snelle reserve achter het 2e en 9e Leger – was in het geheel niet aan de orde. Alle plussen en minnen opgeteld, kan worden vastgesteld, dat de Fransen operationeel dus al zo goed als verslagen waren op 12 mei, voordat de Duitsers de Maas nog over waren. De vijf tankdivisies van Von Kleist, nog grotendeels onaangetast, zouden op hun rechterflank vermoedelijk niets en op hun linkerflank weinig hoeven vrezen.

Dan wordt een stap terug gemaakt. Er is hierboven voorgespiegeld wat met de overzichtelijke kennis van na de oorlog de status op het slagveld was en welke kansen en bedreigingen er voor de Entente waren. Dat overzicht was er op 12 mei niet op de bureaus van de Franse beslissers. Het voornaamste verschil was dat noch Général Georges, noch Général Bilotte, noch Gamelin zich bewust waren dat er zeven tankdivisies door de Ardennen kwamen zetten. Met name op het GQG, waar Gamelin de zaken nauwgezet volgde, heerste nog een gematigd optimisme. Dat wat naoorlogs werd uitgelegd als tekenen aan de wand dat een verrassing op til stond, werd op 11 en 12 mei op het GQG juist gezien als een bevestiging van de gedachte dat de Duitsers hun hoofdaanval door noord- en centraal België zouden voeren. De binnendruppelende meldingen van gemotoriseerde colonnes in de Ardennen werden gezien als een teken van een ondergeschikte Duitse nevenstoot, die vooroorlogs wel was voorzien. Dat kennelijke comfort op het GQG bij de situatie is echter onbegrijpelijk. Men zat kennelijk zo vast in de eigen paradigma’s dat weinigen de vraag stelden waar dan die 2.000 tanks waren, waarvan de Fransen wisten dat de Duitsers ze bezaten. Die vraag werd wel gesteld door een kolonel op het GQG, die zich hardop afvroeg of het comfort dat werd gevoeld bij de situatie niet juist betekende dat een verrassing in het verschiet lag. Zijn aandringen op duidelijkheid rond de waargenomen colonnes in de Ardennen werd eenvoudig terzijde gelegd. Ook werden op het GQG geen vraagtekens gezet bij het opvallend passief blijven van de overigens toch zeer actieve Luftwaffe ten aanzien van aanpak van de Franse eenheden op verplaatsing. Eén treetje lager – het vrijwel overbodige politieke instituut dat landmachtstaf heette gemakshalve overgeslagen – was er wel zorg ontstaan. Georges, de scepticus en grote opponent van Gamelin, begon zich wel zorgen te maken. Toen hij de berichten ontving van Duitse tankeenheden, die zich voor de Maas manifesteerden, liet hij in de middag van 12 mei een decreet uitgaan dat de noordoostelijke luchtmacht zich moest gaan concentreren op de Maassector. Het gevolg was inderdaad dat de BAFF en de l’Armee de l’air een serie zware aanvallen lanceerden op met name Bouillon, waarbij zoals beschreven bijna Guderian met zijn staf werd uitgeschakeld. Toch werd op 12 mei ook nog een flinke inspanning geleverd om de Duitse bruggen en brugslag rond Maastricht, Veldwezelt en Vroenhoven aan te vallen, wat kostbare missies bleken. Ook de aanvallen in de Ardennensector gingen gepaard met flinke verliezen, terwijl het effect van de missies minimaal was. Naast deze verplaatsing van de luchtmacht focus, handelde Georges nog afwachtend. Hij maakte zich echter wel degelijk grote zorgen. Het was alsof hij voelde aankomen dat het omslagpunt nabij was, bewust als hij zich was dat zijn legers in België een geconcentreerde Duitse aanval in het zuiden niet zouden kunnen pareren. Anderzijds kon Georges niet zoveel doen. Als hij bijvoorbeeld 1.DLM reeds uit het noorden zou terugtrekken, en zijn gevoel zou onjuist blijken, dan zou hij het noordelijke front voor Antwerpen te vroeg hebben opgegeven, met alle gevolgen van dien voor het Dyle plan. De beide DLM’s van Prioux los maken, kon niet. Hij had geen alternatief voorhanden, wist het 1e Leger nog in het proces van ontplooiing achter Gembloers, en moest de Duitse tankdreiging bij Hannuit keren. Georges was met handen en voeten gebonden. Toch was hij de enige hoge bevelhebber die het koud om het hart begon te worden. Zoals hij de enige was geweest – op hoog niveau – die op voorhand mordicus tegen de Breda versie van de Dyle strategie was geweest. Juist omdat hij een bewegelijke sterke reserve wilde hebben, die achter het zwakke 2e en 9e Leger zou kunnen worden ingeschoven. Hij had Giraud, commandant van het 7e Leger, mee gehad. Maar beide hadden zich roepende in de woestijn gewaand. Gamelin had buitengewoon handig, alleen maar serviele volgelingen om zich heen verzameld en criticasters, zoals Prételat, opzij geschoven. De kwalijke gevolgen zouden spoedig duidelijk worden.

Nu zou men denken dat aan Duitse kant de handen vergenoegend werden gewreven en men vol vertrouwen naar de ontwikkelingen op het slagveld keek. Daarvan was echter in het geheel geen sprake. De chef van de landmachtstaf Franz Halder maakte zich grote zorgen. Hij geloofde dat de Fransen de zaak allang moesten hebben doorzien en verwachtte dat er in noordoost Frankrijk ondertussen een flinke opbouw gaande was van troepen die de Maassector zouden aanpakken als daar een doorbraak zou plaatsvinden. Het was een gegeven dat de Fransen flinke reserves achterhielden, maar de kracht en kwaliteit daarvan werd door Halder zwaar overschat. Nog sterker overschatte de chef-staf van de Duitse landmacht de Franse daadkracht om tot een snelle opbouw van een effectieve veldleger reserve te komen. Een andere vrees die Halder nadrukkelijk had, en die was gekoppeld aan zijn overschatting van de gerede Franse reserves, was dat de zeven tankdivisies te snel over de Maas zouden uitbreken. In dat kader werd al gezien dat ook Von Kleist ambieerde om een gecomprimeerd bruggenhoofd te bouwen, in plaats van de door Guderian nagestreefde 20 km radius, waarbij de Maasoversteek van artillerievuur uit het westen en zuiden zou kunnen worden gevrijwaard en de hoogten rond Stonne konden worden beheerst. De traditionelere Von Kleist en Halder vreesden echter voor de kwetsbaarheid die deconcentratie met zich mee kon brengen, als de Duitse troepensterkte west van de Maas nog zwak zou zijn. Beide gingen echter uit van de preconceptie dat de Fransen grote, snelle en sterke reserves achter de Marne gereed hadden staan. De logica achter hun redenatie was groot, de werkelijkheid was echter weerbarstig. Een heel ander punt van zorg – zelfs van naar paniek neigende angst – was de hopeloos falende logistiek en verplaatsing van de tweedelijns troepen. Die zorg, die steeds groter werd naarmate men verder van het front verwijderd was, was mede de basis onder de sterke wens na een Maasovergang eerst in een beperkt bruggenhoofd te hergroeperen en de aansluiting van aanvoer van mensen en middelen af te wachten. Halder dacht daarbij aan minstens drie dagen. Het was een gegeven dat de logistiek aan alle kanten achterliep bij de progressie. In het centrale deel werd het Panzerkorps Höpner daarom zelfs met parachutes bevoorraad. Het was echter naast voorraden een even grote zorg dat pioniers, artillerie en infanterie zulke sterke vertraging opliepen. Dat was niet alleen in het zuiden het geval, maar evengoed in het noorden. De prioriteit die was gegeven aan gevechtseenheden, die in eerste lijn snelle progressie moesten maken en de val open dienden te zetten voor de Entente, had gezorgd voor een structurele achterstand in de verzorging en aanvoer van tweedelijns eenheden. Dat was nergens zo goed zichtbaar als op de plottafels op het OKH. Daar zag men dus ook een grote operationele draak voor zich opdoemen van een haast ongebreidelde vergroting van de afstanden tussen de fronteenheden en de tweedelijns eenheden, die indachtig het concept van de bewegingsoorlog, noodzakelijk waren voor de flankbeveiliging. De wereld van verschil die bestond tussen de frontgeneraals als Guderian en Rommel enerzijds en stafgeneraals als Franz Halder, was dus alleszins te begrijpen. Dat de werkelijkheid uiteindelijk de eerste twee gelijk zou geven, zou niet verblindend moeten werken voor de wezenlijke en waardevolle overpeinzingen van de Duitse chef landmachtstaf. De kansen, die werden geroken door de opportunisten, zoals Guderian en Rommel zonder enige twijfel waren, zouden ervoor zorgen dat de eerstvolgende dagen een heuse crisis in het Duitse kamp zou ontstaan. Een crisis met een geheel andere signatuur dan die zich spoedig in het kamp van de Entente zou voordoen overigens.