3e Grensbataljon

Inleiding

Op 11 mei had 3.GB het flink te verduren gehad. Nadat het grensbataljon een tumultueuze eerste oorlogsdag doormaakte met een zeer inspannende verplaatsing, waarbij ze vrijwel al haar motorisatie verloor en veel uitrusting en munitie, had het op 11 mei een aanval over de Oude Maas uitgevoerd, die in alle opzichten was mislukt.

Op de linkerzijde was met anderhalve compagnie getracht de Oude Maas over te steken bij Goidschalxoord en nadien richting een afwachtingsgebied onder Waalhaven op te marcheren. De oversteek was – hoewel sterk vertraagd – geslaagd. Nadien echter had de plaatselijke commandant ervoor gekozen eerst fourage te laten aanrukken alvorens door te stoten naar het bevolen opwachtingsgebied. Patrouilles om de omgeving op aanwezigheid van de vijand te toetsen had hij niet uitgezonden. Zo kon het gebeuren dat een Duits piket nabij de Nederlandse oversteekplaats zich ongezien kon terugtrekken en de Nederlandse aankomst kon melden. Daarop werd een snelle aanvalsgroep geformeerd van mortieristen en mitraillisten, die de Nederlanders bij verrassing overvielen tijdens het ontbijt. Een panische vlucht was het gevolg. Tientallen manschappen raakten het verband kwijt met hun eenheid, enkele werden door het Duitse vuur gewond of gedood. Hals over kop trok men terug ten zuiden van de Oude Maas. Veel uitrustingstukken en wapens werden achtergelaten.

Eiland van Dordt centraal

Op de rechterflank, waar 3.GB zijn hoofdaanval zou uitvoeren over de brug bij Barendrecht, gingen de zaken nog minder crescendo. Weliswaar slaagde een compagnie op de uiterste rechterflank erin om tegenover Puttershoek ongezien de Oude Maas over te steken, maar de compagniescommandant liet zich op de eerste de beste burgermelding van Duitse aanwezigheid dusdanig intimideren dat hij niet – zoals afgesproken – het Barendrechtse landhoofd vanuit het oosten aanviel, maar simpelweg terugtrok en weer de Oude Maas overstak. De onderwijl op de rechtercompagnie wachtende aanvalsgroep aan de zuidzijde van de Barendrechtse brug, wachtte dus vergeefs. Inmiddels was de chef-staf Groep Kil kapitein Calmeijer gearriveerd om de aanval te schouwen, maar deze constateerde al spoedig dat het hoger kader ter plaatse faalde. Hij greep actief in, liet twee luitenants een aanvalsplan ontwikkelen, en sommeerde de aanval alsnog in te zetten toen de rechter compagnie niet verscheen. Ondanks een kort voorbereidend artillerievuur door een batterij 7 veld, liep de treurig slecht ontworpen aanval over de 400 meter lange brug al direct vast in Duitse mitrailleur- en mortiervuur. Meer dan een dozijn manschappen werd uitgeschakeld, vier waren gesneuveld. Een artilleriebarrage op het fabriekscomplex achter de brug, waar de voornaamste Duitse posities werden vermoed,  werd als nagerecht geserveerd. Hoewel die barrage een veel betere voorbereiding was geweest van de voorgaande aanval, werd geen nieuwe aanvalspoging ondernomen.

3.GB nam nadien posities in langs de Oude Maas, waarbij de hoofdmacht zich dieper opstelde. De twee laagste compagnieën werden rondom Blaak opgesteld. De 3e Compagnie, die een belangrijke rol bij de aanval over de brug had gespeeld, werd teruggetrokken van de brug en iets achterwaarts van de oever opgesteld. Het detachement Van Urk, met uitzondering van de zware mitrailleurs, evenzo. De zware wapens bleven nabij het landhoofd opgesteld staan, waarbij de beide PAGs de kunstweg afsloten, gestaffeld achter mekaar opgesteld. De 4e Compagnie, die zich nogal smadelijk had onttrokken aan haar verantwoordelijkheden op de uiterste rechterflank, had zich teruggemeld in Puttershoek, alwaar de CC een donderpreek van de kolonel Van Andel kreeg. De eenheid werd ter plaatse ter beschikking gehouden. Zo was de tweede oorlogsdag geëindigd met een vuurdoop voor de meeste mannen van het bataljon. Het moreel was zwaar aangeslagen door vermoeidheid en de eerste serieuze oorlogservaringen.

In de avond van 11 mei had C-Groep Kil het voornemen de aanval op de Barendrechtse overgang de volgende ochtend te herhalen. Daarom werden de drie compagnieën (inclusief het detachement Van Urk) aan de Oude Maas oever vastgehouden. De 4e Compagnie bleef bij Puttershoek aangetrokken, om over Heerjansdam de mislukte poging van de 11e te herhalen en zo de aanval te ondersteunen vanuit de flank. De BC diende zich voor te bereiden op een stormaanval over de brug en het Barendrechtse Veer in te nemen in de ochtend van 12 mei. 1-II-23.RA zou ter ondersteuning aanwezig blijven.

In dit hoofdstuk wordt tevens gekeken naar een actie, die in dezelfde sector zou plaatsvinden, waarbij een verkenningsgroep van 2-2.RHM betrokken was.

Nieuwe orders voor 4-3.GB

[1, 70, 122] Gedurende de nacht en vroege ochtend werden nieuwe orders uitgegeven aan 4-3.GB. De compagnie werd naar Maasdam gedirigeerd, waar zij ter beschikking van Groep Kil zou blijven als reserve. [122] De CC werd te verstaan gegeven dat er drie mogelijke inzetten konden volgen: (1) bezetting van het zuidelijke landhoofd bij de Barendrechtse brug, (2) een opstelling nabij ’s Gravendeel of (3) een opstelling nabij De Wacht (schuin tegenover Catherinahoeve).  Rond 0800 uur werd de kapitein Manders in Puttershoek ontboden op het stafkwartier. Opdracht werd gegeven om onverwijld naar ’s Gravendeel te verplaatsen waar de CC zich met zijn compagnie onder bevel van de majoor Houtman [C. III-34.RI] zou stellen. De majoor zou de kapitein van een specifieke opdracht voorzien.

[70] De plannen op het bureau van de chef-staf Groep Kil waren ’s nachts veranderd. Er was bericht ontvangen dat de Lichte Divisie met een deel van haar sterkte het Eiland van Dordrecht zou overtrekken richting Wieldrecht. Daarnaast kwam men tot de conclusie dat het dispositief van de Groep hoognodig diende te worden geherorganiseerd. Hoe vervolgens de overwegingen van kapitein Calmeijer en zijn chef kolonel Van Andel precies aanleiding vormden tot een wijziging van de plannen voor 4-3.GB, maken de bronnen niet expliciet. Het lijkt echter tamelijk veilig te concluderen dat het afblazen van het plan om de Lichte Divisie over de Noord richting Waalhaven te doen opmarcheren, het (onverwijld) hernemen van de brug bij Barendrecht minder noodzakelijk maakte. Steun aan de Lichte Divisie bij Wieldrecht leek meer opportuun en was ook verzocht. Toch moet bij die overwegingen sprake zijn geweest van ongewisheid. De eerste opdracht die C 4-3.GB kort na het nachtelijk uur kreeg was om zich op drie mogelijke missies voor te bereiden, zoals hierboven weergegeven. Pas rond 0700 uur is blijkbaar besloten – de exacte overwegingen zijn dus uit de bronnen niet te isoleren – om 4-3.GB te laten assisteren bij het veiligstellen van het overgangspunt bij Wieldrecht, waartoe de kapitein Manders rond 0800 uur opdracht kreeg. Duidelijk is wel dat de voorgenomen aanval bij Barendrecht, een gedurende de nacht (wegens berichten van langs de Kil geplaatste troepen) gevreesde Duitse oversteek over de Kil en de vernomen plannen van de Lichte Divisie de Kil over te steken de belangrijkste argumenten vormden voor de drie potentiële opdrachten waar de kapitein Manders zich op voor diende te bereiden. Men mag voorts vermoedelijk wel vaststellen dat specifiek 4-3.GB hiertoe werd ingeschakeld om (tenminste) twee voorname redenen. De eerste zal zijn geweest dat de compagnie als enige van de vier van 3.GB nog ongeschonden was. De tweede zal hoogst waarschijnlijk zijn geweest dat men zich diende te revancheren voor de lichtvaardig afgebroken opmars door Heerjansdam richting Barendrecht op de 11e. Zoals duidelijk uit de verslagen van Groep Kil [192] en de memoires van Calmeijer [70: blz 303 en 308] spreekt, waren de chefs van Groep Kil immers ernstig verbolgen geweest over de houding van de reserve kapitein Manders [C. 4-3.GB].

[1, 70] Gedurende de nacht werd het dispositief van de Groep Kil opnieuw georganiseerd.  De details van die herschikking zullen elders worden besproken. In het kader van de bespreking alhier is van belang dat het nieuw gevormde Noordvak – het vak tussen ‘s Gravendeel en grofweg Mookhoek (De Wacht, schuin t.o. Catherinahoeve) – bezet werd door een samengesteld verband dat als het detachement Houtman werd aangeduid. [70, 101c] De majoor A.C. Houtman was beroepsofficier en commandant van III-34.RI. Zijn bataljon – min de 1e Compagnie – was oorspronkelijk de groepsreserve geweest van de Groep Kil, maar al op 10 mei aangetrokken richting front. [101c] Van het bataljon was voorts het zwakke 2-III (min een sectie) met een stuk MC op 10 mei al verloren gegaan toen ze werd ingezet als snelle interventiemacht tegen de eerste gemelde Duitse parachutisten onder Amstelwijk. Het detachement van de luitenant Van Urk, bestaande uit een sectie van 3-III en een sectie MC (later met een andere sectie uitgebreid), was bij Barendrecht ingezet.  [101c] In de avond van 11 mei formeerde men nog wel een extra verband uit teruggetrokken troepen van het overigens (op drie secties infanterie en twee secties MC na) vernietigde bataljon Ravelli. Twee secties infanterie en anderhalve sectie zware mitrailleurs werden zodoende als versterking ingedeeld. Dit verband werd tegenover de Krabbepolder (eilandje in de Kil ten noordoosten van ‘s Gravendeel) geplaatst. [101c] Een ’s nachts nog opgevangen sectie van 2-III-28.RI werd bij de watertoren opgesteld. [70, 101c] Het betekende dat van III-34.RI – waarvan de MC slechts vijf werkende mitrailleurs had op 10 mei – op 12 mei in de vroege ochtend nog  een sterkte van twee compagnieën (zeven secties) ondersteund door zes (drie eigen, drie ‘vreemde’) zware mitrailleurs tot de sterkte van het Noordvak behoorde (1). Het geheel werd ondersteund door een sectie mortieren van 28.RI – dat overigens vrijwel al haar munitie had verloren door een vernielde opslagplaats – en de op 11 mei aangetrokken versterking van Groep Spui bestaande uit een sectie mortieren van 34.RI. De batterij 2-I-23.RA stond als directe steun ten noorden van ’s Gravendeel opgesteld. [1, 70, 101c] Majoor Houtman kreeg gedurende de nacht van 11 op 12 mei – het exacte tijdstip ontsluiten de bronnen niet – opgedragen het zogenaamde Noordvak onder zijn bevelen te nemen. [1] Hij zou rechtstreeks onder de kolonel Van Andel komen, in plaats van onder de overste Stroink (C. 28.RI), zoals tot dan toe het geval was. In die fase was 4-3.GB nog als onderdeel van de opnieuw gevormde Groepsreserve te Maasdam ingedeeld.

(1) De gegevens van de exacte cijfers alhier gegeven – zijnde zeven secties infanterie en zes zware mitrailleurs – komt voort uit de reproductie van de majoor Houtman [101c], die (kennelijk) ook door het stafwerk [1] werd gevolgd. Calmeijer komt in zijn memoires [70] uiteindelijk tot het getal van tien secties en zes zware mitrailleurs. Het waren volgens majoor Houtman (en het stafwerk) een sectie van 2-III-34.RI (tegenover Krabbepolder, driesprong van rivieren), drie secties van 3-III-34.RI (twee tegenover Catharinahoeve, één bij veerpunt ’s Gravendeel-Wieldrecht), een sectie van 2-III-28.RI (watertoren zuid van ’s Gravendeel) en twee secties van samengestelde II-28.RI troepen (tegenover het Mallegat en eiland Krabbepolder). Voorts drie zware mitrailleurs van de MC-III-34.RI nabij het veerpunt en drie zware mitrailleurs van de MC-II-28.RI tegenover Krabbepolder.

[101c] Het Noordvak was vanaf de eerste oorlogsdag vrijwel constant in gevechtsaanraking met de Duitsers, die zich aan de Kiloever en zelfs – naar verluid – met enige parachutisten op het eilandje Krabbepolder (in de Kil) hadden verschanst. De wederwaardigheden rond die vuurduels, waarbij ook de Nederlandse artillerie met direct vuur zou bijdragen, worden elders besproken. In deze bespreking wordt teruggekeerd naar de perikelen rond 4-3.GB.

[122] De reconstructie van de handelingen van 4-3.GB is summier weergegeven in de verslagen van de eenheid. Nadat 4-3.GB zich had gemeld bij de majoor Houtman, die zijn CP in ’s Gravendeel had ingericht, kreeg het opdracht met het veer over te steken en Wieldrecht te bezetten. Het diende de directe omgeving ‘schoon te vegen’ en een stevig bruggenhoofd te formeren. De compagnie slaagde erin reeds rond 1100 uur posities in Wieldrecht in te nemen. Dat zij daarbij geen directe tegenstand ondervond, kwam omdat de Duitsers de omgeving Wieldrecht hadden verlaten, vermoedelijk omdat dit door Nederlandse vuurorganen werd beheerst. Dat zij dit punt daarentegen nauwlettend in de gaten hielden, behoeft geen nader betoog.

Gevecht ten zuiden van Wieldrecht

[122] De commandant 4-3.GB, reserve kapitein G.J.A. Manders, informeerde zijn drie sectiecommandanten omtrent zijn plan. De 1e Sectie (reserve 1e luitenant C.J.P. Stoetzer) zou na oversteek Wieldrecht bezet houden. De 2e Sectie onder de reserve 1e luitenant P.M. Gouverneur zou langs de dijk zuidwaarts gaan tot aan het stoomgemaal (tussen Wieldrecht en Tweede Tol) en aldaar een zuidelijke afgrendeling vormen. De 3e Sectie onder de reserve vaandrig Busch kreeg als opdracht de directe omgeving van het veer te beveiligen, en met name noordwaarts een front te vormen. [1, 142] De compagnie zou vuursteun kunnen krijgen van 2-I-23.RA dat een afsluitingsvuur op de (toenmalige) Reeweg-Zuid voorbereid had. Dat was de verbindingsweg tussen het linker uiterste van de Zuidendijk en het Wieldrechtse veer.

De lezer bedenke zich bij het lezen van deze beschrijving dat het bewuste gemaal – hoewel “Motorgemaal Wieldrecht” genaamd – dichter bij Tweede Tol dan bij Wieldrecht lag [zie voor een helder perspectief de indicatie op de stafkaart waar het motorgemaal met naam is afgedrukt]. Het gemaal (met betonnen sluis) lag daar waar het stroompje Westkil in de Kil stroomde [ter hoogte van het huidige industrieterrein Dordtse Kil III] (2). Daarmee kwam men dus op een steenworp afstand van de Duitse posities ter beveiliging van de Kil, west van Tweede Tol, ten noorden van de locatie waar de Wieldrechtse Zeedijk landinwaarts buigt. Bekend mag zijn dat rond Catharinahoeve een stevige Duitse beveiliging lag. De afstand van het gemaal tot Catharinahoeve was een fractie meer dan 500 meter. De hemelsbrede afstand tot het barakkenkamp te Tweede Tol, waar de Duitse regimentscommandopost zat, was 1,25 km. De afstand van het veerpunt bij Wieldrecht tot aan het gemaal was 2,5 km. Men verwijderde zich dus een flink stuk van Wieldrecht om tot het gemaal te geraken.

(2) Zoals bij de bespreking van de gebeurtenissen op 13 mei 1940 nog zal blijken, was er voor deze sluis met gemaal interesse getoond door de staf van Groep Kil. Men zou op 13 mei plannen ontwikkelen om de sluis op te blazen en daarmee het Eiland van Dordrecht aan de westzijde onder water zetten. Zo hoopte men dan alsnog een Duitse opmars te hinderen. Na vergeefse pogingen de sluis alsnog met militairen te bereiken, zou men artillerie inzetten om het trachten te vernielen.

[122] In de ochtend van 12 mei, rond 0930 uur, werd  4-3.GB met het pontveer overgezet naar Wieldrecht. Als eerste de 3e Sectie, daarna de 2e en 1e Sectie. Direct ontplooiden de 1e en 2e Sectie zich, na aan de oostzijde van de Kil te zijn geraakt, mede daartoe verleid door onderwijl neerkomend mortiervuur. Door dat vuur werd de dienstplichtig sergeant C.M.A. Hardus bij het verlaten van het veer dodelijk gewond. Tijdens de ontplooiing oost- en zuidwaarts werd steeds meer infanterievuur ontvangen. Het was de 2e Sectie onder de reserve 1e luitenant P.M. Gouverneur die onder de bezielde leiding van de luitenant zelf, het gebied ten zuiden van Wieldrecht moest trachten te zuiveren en tot het gemaal diende op te trekken. Aan weerszijde van de dijk [Wieldrechtse Zeedijk] langs de Kil trok de sectie zuidwaarts, spoedig buiten de bebouwing van het gehucht Wieldrecht gerakende.

[122] Tot aan de Kildijk ontving men relatief weinig vuur, maar na de knik in de dijk aldaar te zijn gepasseerd, veranderde dit. Een viertal manschappen was voor vuurdekking achtergelaten bij de Kildijk. De rest van de sectie was in tweeën gesplitst door de luitenant. Een deel ging aan de rechter- een ander deel aan de linkerkant van de dijk verder zuidwaarts. De luitenant moest bij voortduring zijn mannen aansporen voorwaarts te gaan, omdat de kogels die over hun hoofden floten menigeen deden dekken in plaats van optrekken. Doel bleef om tot het stoomgemaal op te trekken en daar een veiligheidsopstelling naar het zuiden en zuidoosten in te richten, zodanig dat de Zeedijk langs de Kil zou worden afgesloten. Tussen de Kildijk en het gemaal controleerde men nog een enkele woning, in het overigens vrijwel open terrein, maar vond behalve schuilende burgers, niets bijzonders. Nabij het gemaal aangekomen, trachtte men het gemaal zelf te benaderen, maar een Duitse positie in een boerenhuis nabij – naar schatting van de luitenant Gouverneur door circa acht Duitsers bezet – verhinderde verder oprukken. Een woonhuis werd op Duitsers gecontroleerd, maar daar vond men slechts schuilende burgers. Luitenant Gouverneur en de soldaat Franken trachtten vervolgens met handgranaten de Duitsers uit hun posities in en om het genoemde boerenhuis te krijgen, maar dit lukte niet. [122] Twee pogingen werden ondernomen bij het gemaal te geraken waarbij echter door Duits vuur een soldaat [J.A. van Dorst] gedood werd en vier man [korporaal Kaan en de soldaten Rademaker, Ditmar en later de soldaat J.C. van Hees] gewond raakten, zodat nieuwe pogingen achterwege bleven. Opmerkelijk is de vermelding van de gewonde soldaat J.C. van Hees in zijn verslag, die van enig onsoldatesk gedrag aan Nederlandse kant, kennelijk zonder schroom én zonder censuur achteraf, melding maakte in zijn verslag [122] van 31 oktober 1946:

»Wij probeerden nog de Duitschers uit hun tent te lokken door met een witte zakdoek te zwaaien welke aan een bajonet was bevestigd. Hierop werd echter niet gereageerd. «

[122] Tijdens het voortdurende vuurgevecht rond het huis en de boerderij nabij het gemaal werden ook de soldaten W. Gijzen en P.J. Luijks dodelijk getroffen, evenals de soldaat Jonkers, die zich overmoedig bloot gaf. [122] Een groot deel van de sectie was ondertussen geweken, zodat tenslotte slechts de luitenant vergezeld door drie man [soldaten Franken, Visser en Levolger] bij het stoomgemaal achterbleven om met de lichte mitrailleur vuurdekking te geven. Nadat de munitie was verschoten en alle voorhanden handgranaten richting de Duitsers waren gegooid, trokken zij met de rest van de sectie terug. [122] Daarbij werd de sergeant Elst eerst in de onderarm geschoten en vervolgens in de buik getroffen, aan welke verwondingen hij kort nadien overleed.  Tegen de schemering was men in Wieldrecht terug. De sectie, waarbij naar zeggen van de luitenant enige ‘sectievreemden’ waren aangesloten, had volgens de luitenant vijf gesneuvelden en tien gewonden. [31, 122] Inclusief mogelijk elders in Wieldrecht omgekomen mannen en na het overlijden van enkele gewonden waren het negen doden: de sergeants C.M.A. Hardus en C.J. Elst alsmede de soldaten J.A. van Dorst, W. Gijzen, M.J.C. Jonkers, P.J. Luijks en  C. Verdult. De soldaten M.P. Plompen en H.M. Withagen van 4-3.GB sneuvelden eveneens, maar daarvan is onbekend of zij ook tot de sectie Gouverneur behoorden.

[122] Gedurende de avond werd met de handvol resterende manschappen van de sectie de dijk richting zuiden afgesloten. De enige nog voorhanden lichte mitrailleur van de sectie werd daarbij ingedeeld. Een aan de kapitein Manders als ordonnans toegevoegde sergeant werd – na enige ferme aandrang door luitenant Gouverneur wegens de door de sergeant vertoonde onwelwillendheid – opdracht gegeven dat groepje te leiden. Gedurende de nacht zou men in die positie blijven. Bij de verhandelingen op 13 mei zal de sectie opnieuw in beeld komen. Een aanzienlijk deel van de 2e Sectie had zich tijdens het gevecht op 12 mei onder leiding van haar sectiecommandant buitengewoon doortastend gedragen (3).

(3) Voor zijn daadkrachtige optreden op 12 mei 1940 kreeg de reserve 1e luitenant Gouverneur bij KB van 17 maart 1947 de Bronzen Leeuw toegekend.  Voor eveneens daden van moed werd de soldaat en helper lichte mitrailleurschutter A. Franken bij hetzelfde KB eveneens onderscheiden, in zijn geval met het Bronzen Kruis.

[450] Uit Duitse bronnen, waaruit ten aanzien van de gebeurtenissen rond het hoofdkwartier van het 1e Fallschirmjäger Regiment en de beveiliging rondom Tweede Tol helaas bijzonder weinig relevante informatie valt te isoleren, kan slechts uit een verslag van de Unterstab II (onderdeel van de bataljonsstaf van I./FJR.1, dat de eerste vier oorlogsdagen als beveiligingsverband rondom Tweede Tol en Catharinahoeve werd ingezet) worden opgemaakt, dat de Gefreiter Czora door een schot door het hoofd nabij Catharinahoeve sneuvelde in de ochtend van 12 mei. Het is mogelijk dat hij tot de Duitsers behoorde die de beveiliging nabij het gemaal vormden, hoewel de mogelijkheid open blijft dat hij door toedoen van andere beschietingen omkwam. Andere slachtoffers komen niet onmiddellijk in aanmerking aan dit gevecht te worden verbonden.

Gebeurtenissen ten oosten en noorden van Wieldrecht

[122] Van de andere gevechten in en om Wieldrecht waarbij 3.GB was betrokken is vanuit Nederlandse bronnen bijzonder weinig bekend. Dat is opmerkelijk, want de gevechten waren dusdanig hevig dat ze in elk geval aan Duitse kant tot commotie en de nodige verliezen aanleiding gaven.

[122] De formaties van de vaandrig Busch en die van de luitenant Stoetzer raakten ook in gevecht. De laatstgenoemde formatie kwam in eerste instantie in aanraking met troepen van III./FJR.1. Welke Duitsers dit waren is niet eenduidig uit de bronnen op te maken, maar het is vrijwel zeker dat het hier in elk geval delen van 10./FJR.1 betrof. [462] Het beknopte verslag van 11./FJR.1 geeft aan dat men op 12 mei in de vroege ochtend – nog voor de komst van 4-3.GB – de omgeving Wieldrecht-Amstelwijk zuiverde [letterlijk in het verslag: ‘Reinigen des Dorfes 300 m ostwärts ‘Gravendeel’] en daarbij enige korte vuurcontacten had. De compagnie trok zich noordoostwaarts terug rond 0830 uur, waarbij zij voorposten liet liggen in het gebied tussen Zeehaven en Amstelwijk. Onduidelijk is of ze dit ook deed in Wieldrecht en Gravestein. Het verslag meldt dat men rond 0900 uur (moet 0930 uur zijn volgens het verslag van I-23.RA) kort onder licht artillerievuur was gekomen, wat inderdaad door I-23.RA op de omgeving van het viaduct bij de Zeehaven (iets noordelijker) werd afgegeven [142]. Kort na 1000 uur werd men gealarmeerd door een aanval van motorrijders, die een voorpost beschoten. Dit was het gevecht – zie daarvoor later – met een voorhoede van het eskadron 2-2.RHM waarvan de hoofdmacht bij Dubbelsteijn verkeerde.

[481] Bij dat gevecht zouden meer Duitse eenheden betrokken raken. Onderwijl was namelijk het restant van III./FJR.1 (4) door Oberst Bräuer naar de omgeving Amstelwijk gestuurd omdat de Duitse regimentscommandant samen met Hauptmann Schulz meende Nederlandse artillerie waar te nemen. Toen men vaststelde dat de waargenomen artilleriestukken in feite hooiwagens waren, keerde men om. Die veranderde koers duurde kort, want het telkens neerkomende artillerievuur [I-23.RA legde tweemaal een intensief vuur op de omgeving van de Zeehaven, om 0932 en 1035 uur [142]] werd verondersteld te worden geleid vanuit Wieldrecht of Amstelwijk. Daarop werd een deel van het (halve) bataljon ter zuivering de bebouwing weer ingestuurd, terwijl de kopgroep van het bataljon (staf, verbindingspeloton en een Sanitätsgruppe onder leiding van de bataljonsadjudant Oberleutnant Schmücker) inclusief een deel van 11./FJR.1 richting noorden toog omdat daar zojuist een formatie Nederlandse motorrijders bij het viaduct met een voorpost van 11./FJR.1 in gevechtsaanraking was gekomen. De bataljons kopgroep was nabij dit punt, zodat zij zich naar voren wierp, onder directe leiding van Hauptmann Schulz, en de huzaren trachtte te verdrijven, die op hun beurt de para’s in hun voorpost hadden gedood of verdreven. Schulz zelf raakte bij de stormaanval over het viaduct aan zijn elleboog gewond en zou de rest van de strijd vanuit een veldhospitaal meemaken. [481] Ondertussen was echter 10./FJR.1 in gevecht geraakt bij Wieldrecht. Of hierbij nog andere eenheden waren betrokken is onzeker, maar vermoedelijk niet.

(4) Het ‘restant’ van III./FJR.1 wordt hier nadrukkelijk gesteld. 9./FJR.1 was bij het 1e Bataljon nabij de bruggen achtergelaten [481] en 12./FJR.1 – de zware compagnie van het bataljon – beveiligde het noordfront van de positie Moerdijk [464, 481]. Daarnaast was 11./FJR.1 een Zug verzwakt wegens de inzet van de III.Zug (onder Oberleutnant Kerfin) in Rotterdam. [32, 462, 481] Voorts hadden 10./ en 11./FJR.1 aanzienlijke verliezen geleden bij de strijd om Waalhaven en de dag nadien bij Dordrecht (10 gesneuvelden, naar schatting 40 gewonden). Dat betekende dat de beide compagnieën nog een gezamenlijke sterkte hadden van ca. 150 man. [481] Zij werden gesteund door de commandogroep van het bataljon, waarbij een klein verbindingspeloton en een kleine formatie als Jäger ingezette Sanitäter uit eigen bataljon en van het regiment. Vermoedelijk was van dit heterogene verband de sterkte ongeveer 40 man. 

[462, 481] De bataljonsadjudant Oberleutnant Schmücker verhaalt in een officieus verslag uit 1988 [481] aan onderzoeker (wijlen) Jan van der Vorm dat gevechten volgden in een ‘Ortschaft’ dat slechts als de omgeving Wieldrecht of Amstelwijk kan doorgaan. Het was volgens hem nabij de Zeehaven, richting ‘kust’. [32] Bij dat gevecht, waarbij met nam 10./FJR.1 lijkt te zijn ingezet, sneuvelden twee parachutisten van 10./FJR.1 [Unteroffizier W. Schröder en Jäger H. Lausen] en raakten er een aantal gewond. [481] Onder die gewonden de reeds als vervangend compagniescommandant optredende Oberleutnant Specht – die een schot door de borst kreeg – en de Feldwebel Wallner, die een oog verloor. Beide zouden hun verwondingen overleven. 11./FJR.1 was tegelijkertijd in gevecht met de Nederlandse huzaren bij het viaduct. [462] Het verslag vermeldt vier doden en een gewonde (verwijzend naar Hauptmann Schulz), hoewel aannemelijk is dat 11./FJR.1 ook bij gevechten met 4-3.GB betrokken raakte en hun gesneuvelden dus ook daaraan gekoppeld zouden kunnen worden. [32, 462] Van 11./FJR.1 vielen de Gefreitetene Johannes Barty, Hans Graband en Leonard Kramer alsmede Obergefreiter Josef Tillmann. Naar hun eigen zeggen doodden zij tien Nederlanders, verwonden er drie en waren er twaalf krijgsgevangenen, die te Dordrecht (vrijwel zeker de School met de Bijbel aan de Rijksstraatweg) werden afgeleverd. De tien doden die men in het eigen gevechtsverslag noemde kunnen niet worden bevestigd. Van de huzaren die men trof bij het viaduct sneuvelde er in elk geval slechts één, althans op die locatie en in gevecht met 11./FJR.1. Het is heel goed mogelijk dat het Duitse verslag - dat ook de buit van 14 motoren en zeven zware mitrailleurs beschrijft - Nederlandse slachtoffers meetelde die weliswaar op het slagveld ter plaatse lagen, maar in feite al op 10 mei vielen, toen op dezelfde locatie gevochten was. Wellicht is het echter nog waarschijnlijker dat men in feite ook het gevecht met 4-3.GB meetelde bij de geconstateerde doden aan Nederlandse (en eigen) zijde. Het gevecht van de huzaren zal later hieronder worden besproken. Op deze plaats wordt verder gegaan met het verhaal van 4-3.GB. 

[453] Het peloton van Oberfeldwebel Hoffmann, dat samen met een Gruppe parachutisten die op 10 mei het gevecht in de Polder hadden overleefd nog het restant van 3./FJR.1 vertegenwoordigde, had onderwijl opdracht gekregen als stoottroep op te treden tegen de gerapporteerde motorhuzaren, die ook door de beveiliging van de I./FJR.1 perimeter waren opgemerkt en waarvan zij bericht naar de CP van Hauptmann Erich Walther (C-I./FJR.1) had gegeven. Op twee vrachtwagens werd het geheel vanuit Zwijndrecht naar de Zeehaven gereden. Het verslag meldt dat men de afrit van de brug afrijdende reeds de geluiden van een zwaar vuurgevecht kon ontwaren richting zuiden. Behoedzaam reed men voorwaarts, maar na ontladen te zijn en contact gemaakt hebbende met kameraden nabij de Zeehaven, vernam men van 11./FJR.1 - dat 12 krijgsgevangenen en drie gewonde Nederlanders afleverde aan I./FJR.1 [462] - dat de strijd al beslist was. Toen kort nadien de gealarmeerde Hauptmann Walther zelf verscheen, kreeg het circa 40 man parachutisten sterke 3./FJR.1 de opdracht om zich op de beide vrachtwagens verder zuidwaarts te verplaatsen en rond het park Amstelwijk (door de Duitsers stelselmatig als ‘Bunkerlinie’ of ‘Bunkerpark’ aangeduid) een egelopstelling in te nemen. In de loop van de middag nam men deze positie in. Terwijl de versterke Zug van 3./FJR.1 zich dus aan de kop van de Zuidendijk bij Amstelwijk positioneerde, kreeg 11./FJR.1 om 1700 uur opdracht terug te keren richting Tweede Tol. [462] De compagnie zou kort daarna, aan het begin van de avond, richting Willemsdorp worden gedirigeerd, waarvan het grotendeels weer terugkwam voor middernacht om de beveiliging rondom Tweede Tol te versterken. De eenheid bestond toen nog uit 51 man [1 off, 6 onderofficieren en 44 man] - plus drie man en een MG gedetacheerd bij de Kompanie Moll - vechtwaardige troepen onder leiding van één officier, Oberleutnant Wehner [462]. Wat er met 10./FJR.1 gebeurde is echter onduidelijk. Een gevechtsverslag van 10./FJR.1 of III./FJR.1 is helaas niet voorhanden, zodat onduidelijk is of 10./FJR.1 ook werd teruggetrokken van de omgeving Wieldrecht. Het wordt wel aangenomen dat dit gebeurde.

[453] Oberfeldwebel Hoffmann meldde in zijn gevechtsverslag dat vanuit de omgeving van Park Amstelwijk groepjes Nederlandse militairen, die vanuit het westen trachten richting Zuidendijk op te trekken, werden afgewezen. Het moet in dat geval om acties of verplaatsingen zijn gegaan van de 1e Sectie van de luitenant Stoetzer van 4-3.GB. Die sectie had opdracht de oostelijke invalsweg van Wieldrecht te verdedigen, terwijl de vaandrig Busch en zijn sectie de omgeving van het veerpunt moesten veilig stellen. Helaas is van de wederwaardigheden van deze Nederlanders niets bekend, zodat het tamelijk unieke feit zich voordoet dat de Duitse verslagen meer informatie ontsluiten dan de Nederlandse. [453] In de loop van de namiddag kreeg de Oberfeldwebel Hoffmann versterking van twee PAK’s van ‘de infanterie’.  Dit duidt op PAK’s van de luchtlandingstroepen, maar onbekend is van welke eenheid, hoewel er aanleiding is te denken dat het 14./IR.47 betrof (5). Er waren er diverse voorhanden bij de heterogene verzameling ondersteuningsmiddelen die op Waalhaven geland waren en door de staf van Student beschikbaar werden gehouden. Mogelijk echter betrof het hier enige middelen die waren ‘ontkoppeld’ van de inmiddels aangevoerde Gruppe de Boer. Die taakgerichte eenheid, een verband dat in hoofdzaak bestond uit manschappen van I./IR.72 ondersteund door PAK en enige berghouwitsers, waren intussen in de middag door het Duitse bruggenhoofd getrokken richting de begraafplaats nabij de spoorwegvork, ten zuidoosten van de stad. Indien werkelijk van die formatie is ‘afgesnoept’, dan is het ook mogelijk dat deze beide stukken PAK in feite tot de PAK Versuchskompanie van de parachutisten behoorden. Die waren met reguliere uniformen en helmen uitgerust en dus niet aan hun kleding als behorend tot de Fallschirmjäger herkenbaar. Het gros van hen wás ook geen parachutist overigens. [453] In elk geval betekende de versterking een aanzienlijke toename van de vuurkracht van de Duitsers ter plaatse. Deze werd echter spoedig door de Nederlanders overtroefd. [142] De Duitse concentratie nabij de kruising met de Rijksweg werd in de late avond door I-23.RA gedurende langere tijd onder vuur genomen (duurvuur). [453] Dat leidde ertoe dat de PAK bemanningen er met stukken en al vandoor gingen. De Oberfeldwebel zelf moest hen achterna en overreden, ongetwijfeld met grote overtuiging, terug in stelling te gaan. Als remedie tegen de spanning wegens de beschietingen mochten ze zich veelvuldig verplaatsen en storend vuur afgeven in de lengte van de (toenmalige) Reeweg-Zuid. Volgens het verslag werkte het. Over voor het artillerievuur – dat slechts 100 m breed in intensief lagenvuur werd afgegeven en dus gemakkelijk als zwaar vuur ervaren kan zijn – wegrennende parachutisten rept de Oberfeldwebel niet. Ze zullen er echter beslist geweest zijn, maar men bevuilde het eigen nest niet. Gewonden of doden had het verband onder de Oberfeldwebel in elk geval niet [453].

(5) Uit het feit dat een dag later, op 13 mei, twee PAK manschappen van 14/IR.47 (22.ID) omkwamen bij Wieldrecht, spreekt wel nadrukkelijk de mogelijkheid dat het daarbij om dezelfde PAK eenheid ging als op 12 mei in de avond werd aangevoerd naar Wieldrecht en bij 3./FJR.1 aansloot. Er is echter geen enkele andere aanwijzing uit de bronnen. Daarbij zij aangetekend dat luchtlandingstroepen voor parachutisten gewoon landmacht waren die ingevlogen werden. Feitelijk was met die redenatie niet al te veel mis, zij het dat met een opmerking als 'gewone infanterie' nadrukkelijk door parachutisten 'minderwaardige militairen t.o.v. parachutisten' werd bedoeld.

[122] Het dossier van 3.GB zelf geeft weinig prijs over de latere uren van de 12e mei. Duidelijk is - het voorgaande resumerende - dat men gedurende de ochtend in aanraking kwam (2e Sectie) met de verdediging langs de Kil nabij Tweede Tol, dat een gevecht met in elk geval 10./FJR.1 volgde in de middag, vermoedelijk ook met delen van 11./FJR.1 en dat men later in de middag en avond werd geconfronteerd met de circa 40 man van 3./FJR.1 onder de Oberfeldwebel Hoffmann. Ondanks het feit dat de Oberfeldwebel spreekt over uitvallen van groepjes Nederlandse militairen, lijkt dit onwaarschijnlijk. De verslagen van de luitenant Gouverneur en de CC kapitein Manders – die zijn provisorische CP had ingericht nabij het veerpont – geven duidelijk blijk van ingetogen verzet gedurende de late middag, avond en opvolgende nacht. Men hield vast aan het veerpunt, maar toonde – terecht gezien de opdracht tot beveiligen van het veerpunt – geen offensieve dadendrang. De drie secties, waarvan die van de luitenant Gouverneur nog slechts een groepssterkte had overigens, verscholen zich gedurende de avond en nacht vooral in de kelders van de weinige huizen die tot Wieldrecht behoorden. Enkele posten waren uitgezet op de directe uitvalswegen (dijken en Reeweg-Zuid) ter beveiliging.

De bezetting door 4-3.GB van Wieldrecht was ingegeven geweest door de strategie dat een sterke vertegenwoordiging van de Lichte Divisie gedurende de dag onder Dordrecht langs contact zou maken met het belangrijke overzetpunt aldaar en vervolgens de Kil zou oversteken. Dat er van die plannen niets terecht kwam, zal worden belicht als de bespreking van Vak Wieldrecht aan de orde is.

Analyse van de inzet van 4-3.GB

Als men kijkt naar de gebeurtenissen zelf, en men zou die moeten beoordelen op verstandig tactisch handelen, dan is helaas wederom de conclusie dat daarvan geen sprake was. Men handelde tactisch onverstandig en niet in lijn met de opdracht.

4-3.GB had opdracht gekregen het veerpunt veilig te stellen, zodat de formaties van de Lichte Divisie die er gebruik van zouden moeten maken, zich niet eerst (ook) nog meester moesten maken van het Wieldrechtse veer. Dat was het enige tactische doel dat de reserve kapitein Manders meekreeg. Ze was dus uitdrukkelijk geen opdracht tot een offensieve actie persé; slechts tot inzet van die mensen en middelen die benodigd waren om het veerpunt duurzaam veilig te stellen.

Vervolgens werd de uit drie kleine secties (de vierde was in Noord-Brabant) bestaande en dus zwak te noemen compagnie 4-3.GB - die hoogstens bestond uit een honderd man met vermoedelijk slechts zes lichte mitrailleurs (twee per sectie) bovendien niet ondersteund door zware mitrailleurs of overige zwaardere wapens – verondersteld haar opdracht uit te voeren door Wieldrecht duurzaam veilig te stellen. Credo zou moeten zijn geweest om met een dergelijk zwak verband een beperkt bruggenhoofdje te vormen met overlappende schootsvelden. Wat men een halve egelstelling zou mogen noemen, tegen de Kil aan. De opnieuw uiterst zwak optredende kapitein Manders besloot echter dat zijn 2e Sectie ruim buiten Wieldrecht een voorverdediging naar het zuiden moest vormen. Hij had de mensen en middelen echter niet om die uiterst rechterflank te verbinden met zijn centrale sectie, die het veerpunt zelf richting noorden verdedigde. Slechts zijn 1e Sectie was over om een voorwaartse verdediging richting Amstelwijk te bouwen, maar daarmee zou het gat met de rechter sectie niet kleiner worden. Met een dergelijk ruim opgerekt dispositief kon van onderlinge samenhang en dus gebundelde vuurkracht van de zwakke eenheid geen sprake zijn, waarmee men dus tactisch niet verstandig handelde. Bovendien – en dat was tactisch gezien wellicht het meest kwalijk – werd met de ruime voorverdediging, met name die richting Tweede Tol, onnodig vijandelijke reactie uitgelokt. Doel was niet om de vijand te binden of te alarmeren (zoals dat bijvoorbeeld wel het geval was bij een aantal patrouilles dat vanaf De Wacht die dag werd uitgezonden over de Kil), maar om een cruciaal logistiek punt veilig te stellen. Met een dergelijk doel alarmeert men de vijand juist liever niet.

Dat gezegd hebbende, kan men niet anders dan concluderen dat tegelijkertijd de sectie Gouverneur, vooral dankzij de bezielende leiding van deze officier zelf, in het gevecht uitstekend optrad. De vraag die men de luitenant voor de voeten kan werpen is slechts waarom hij zijn positie niet verstandiger, bijvoorbeeld langs de Kildijk, inrichtte en waarom hij persé de omgeving van het gemaal wilde zuiveren. Daartoe had hij geen opdracht gekregen en bovenal leek het niet aan te sluiten bij de tactische opdracht voor de compagnie. Anderzijds spreekt de wijze van optreden, met durf en inzet, tot de verbeelding. Dat werd ook door de commissie onderscheidingen erkend, zodat de luitenant en zijn meest onderscheidende mitrailleurschutter beide werden erkend met een dapperheidsonderscheiding. Het was vooral dit optreden, van de sectie Gouverneur, dat later als een rehabilitatie voor 4-3.GB werd gezien. En vermoedelijk niet onterecht. Het is echter tegelijkertijd niet onverdiend, om vast te stellen dat de offensieve handelingen van de sectie Gouverneur contraproductief jegens het doel  van de opdracht aan de compagnie hadden gewerkt. Immers, de vijand was door zijn handelingen gewaarschuwd voor de Nederlandse aanwezigheid én de sectie werd, door het (met de opdracht strijdige) vasthoudende optreden ver van haar doelgebied, vrijwel geheel uitgeschakeld. Die vasthoudendheid mocht dan qua dapperheid hebben aangesproken, in tactische zin was ze onjuist en had die houding moeten worden getoond binnen de werkelijke bruggenhoofdbeveiliging van het veerpunt. Die conclusie doet te meer opgeld, omdat er van, als afgrendeling in te zetten, reserves in de rug van de sectie geen sprake was en de handelingen een (counter)offensieve Duitse reactie hadden kunnen uitlokken.

De conclusie kan dan ook niet anders zijn dan dat men weliswaar een uitstekende gevechtshouding had laten zien, maar dat men tactisch onverstandig had gehandeld.

De huzaren bij Amstelwijk

Zoals in de inleiding al aangegeven wordt een korte zijsprong gemaakt door onder deze bespreking van het 3e Grensbataljon ook een actie van een kleine formatie huzaren te bespreken, die bij het viaduct over de nieuwe rijksweg bij Amstelijk in gevecht kwamen met dezelfde parachutisten als waarmee 4-3.GB vocht.

[1, 105] Gedurende de nacht was een samengesteld verband van 2.RHM over de Merwede gezet met het pontveer te Papendrecht en de stad Dordrecht binnengereden. De eenheid bestond uit een samenstelling van vijf groepen motorrijders van 1-2 en 2-2.RHM [het 1e Peloton van 1-2; een groep van zowel het 1e als het 3e Peloton van 2-2] [105]. Het was aangevuld met een deel van het PAG-eskadron van het regiment, dat bestond uit een sectie zware mitrailleurs en twee stukken PAG [105]. 2.RHM had op 10 mei bij Mill gevochten en was pas op de 12e weer bij de divisie aangesloten. Naast in de strijd bij Mill geleden verliezen, eveneens uitgedund door eenheden die het verband waren kwijtgeraakt, waarvan een groot deel te Gouda zou arriveren [105]. Het eerder gespecificeerde deel dat al beschikbaar was, was onder bevel gesteld van de commandant van het mitrailleur en pantserafweer-eskadron [hierna PAG-esk] van 2.RHM, de ritmeester T.L.A. Steenkamp. De eenheid kreeg opdracht zich naar Wieldrecht te begeven om aldaar - het zal in de bespreking van de perikelen rond de Lichte Divisie nader besproken worden - Wieldrecht te bezetten om zo de voor overtocht van een regiment van de Lichte Divisie benodigde pont veilig te stellen. Zij waren in de vroege ochtend van 12 mei, na te zijn overgestoken naar Dordrecht, geïnformeerd door militairen langs de route dat de Duitsers zuid van het spoor zaten en bovendien franc-tireurs uit huizen op iedereen schoten die in beeld kwam. Desondanks wilde men via de kortste weg naar Wieldrecht en zodoende reed een spits formatie overmoedig door de spoortunnel naar de Krispijnseweg. Eigen troepen rond de spoortunnel zagen met lede ogen aan hoe een kleine formatie motorhuzaren over de Hugo de Grootlaan reed en daar onder zwaar vuur kwam. De rest van de colonne van 2.RHM maakte rechtsomkeert. Zodoende raakte de doorgereden groep motorrijders geïsoleerd en zou vervolgens een provisorische schuilplaats vinden bij het Shell tankstation op het Hugo de Grootplein. Ook die gebeurtenis wordt in een andere bespreking voortgezet. Na deze onthoofding van de toch al bescheiden 2.RHM formatie, werd de rest van het verband door de ritmeester teruggenomen.

[1, 105] Ritmeester Steenkamp, geschrokken van de Duitse weerstand ten zuiden van het spoor, nam vervolgens (vanaf een aan auteur dezes onbekend gebleven locatie) contact op met de staf van Groep Kil. Dat was volgens het stafregister van de Groep Kil om 0921 uur [192]. Hij meldde de hevige Duitse weerstand in het zuiden van Dordrecht, waarop de ritmeester (volgens het citaat van het dagboek van Groep Kil) als volgt werd geadviseerd:

»Tusschen Zeehaven en NO daarvan zijn Duitschers. Ik raad u aan door te stooten over Dubbeldam-Zuiddijk, recht op Wieldrecht aan. U moet snel doorstooten. «

Daarop vertrok de ritmeester met zijn verband naar Dubbeldam, waar een verkenningsgroep (ter sterkte van een sectie) werd uitgestuurd om richting Wieldrecht de route langs de Zuidendijk te verkennen en zo mogelijk contact met eigen troepen bij het pontveer te maken. De eenheid bestond - vermoedelijk - uit een groep van het 3e Peloton van 2-2.RHM en de sectie zware mitrailleurs van PAG-esk 2.RHM onder bevel van de wachtmeester W. Kersten (C. 3-2-2.RHM) [1004]Meer dan een man of 20 sterk was het vermoedelijk niet.

Huzarenactie Amstelwijk

Het nu volgende verslag van de gebeurtenis komt geheel uit het ooggetuigenverslag van de wachtmeester Gommans [1004]. Nadat men zich opstelde op de Zuidendijk om richting Wieldrecht te rijden, schoot een burger de wachtmeester Kersten aan en waarschuwde hem dat de Duitsers verderop de dijk zaten. Dit werd voor kennisgeving aangenomen en men ging op weg. Nabij de nieuwe rijksweg gekomen - ter hoogte van het buiten Amstelwijk - werd een autowrak met een dode Duitser ernaast waargenomen. Men nam de toerit naar het viaduct over de rijksweg en reed vervolgens over het betonnen viaduct naar de overzijde. Plotseling sloeg mitrailleurvuur in en raakte de voorste motorrijder, de huzaar Zuiderwijk, in het hoofd toen deze net de overzijde bereikt had. De huzaar, met de sectiecommandant in de bijwagen, reed dodelijk gewond de weg af. De overige huzaren namen de voor het dodelijke salvo verantwoordelijke Duitse mitrailleurpost waar en openden direct het vuur, waarbij de Duitse mitrailleurschutter werd gedood en een andere Duitser zich overgaf. De mitrailleur was echter door de Duitsers kennelijk gesaboteerd zodat die geen dienst meer kon doen. Terwijl er met het mitrailleurnest was afgerekend, kwam opeens uit zuidwestelijke richting vuur van een grote formatie Duitsers die richting viaduct oprukte. Snel werd dekking gezocht op de betonnen brug, achter de borstwering. Tientallen Duitsers kwamen hierna snel langs de rijksweg opdrongen richting de positie van de huzaren. Daarop ontstond een fel vuurgevecht, waarbij enkele Duitsers trachten de huzaren vanaf de westzijde te benaderen en anderen onder het viaduct positie kozen en handgranaten op het dek trachtten te gooien. Enige granaten werden weer naar beneden gegooid, waarna de Duitsers het werpen van granaten staakten. Nadat nog enige tijd een vuurduel was volgehouden, besloot wachtmeester Kersten dat het verstandig zou zijn om richting het noordwesten te verplaatsen en zodoende de oever van de door de Nederlanders beheerste Kil te bereiken. Zo geschiedde. Onderwijl vurend richting de Duitsers, en zelf nagejaagd door kogels, trok men dwars door het veld naar de Zeehaven, waar tenslotte de oever van de Kil werd bereikt. De wachtmeester Riemens, stukscommandant van een zware mitrailleur, was onderweg gewond geraakt en achtergebleven.

Het gevecht - dat hierboven omschreven is op basis van het door de wachtmeester Gommans in een verslag aan E.H. Brongers opgesteld relaas - had aan één huzaar het leven gekost en (minstens) drie man verwond. Enkele huzaren zullen gevangen zijn genomen, zoals het Duitse verslag van 11./FJR.1 meldde. Tevens zouden vier Duitsers zijn gedood en raakte de bataljonscommandant, Hauptmann Schulz gewond aan de arm [462, 481], hoewel het goed mogelijk is dat het gesneuvelde aantal Duitse militairen inclusief gevechten met 4-3.GB (bij Wieldrecht) bedoeld is. Volgens de Duitsers werden 12 motoren buit gemaakt (zeven met bijwagen) en maar liefst zeven zware mitrailleurs alsmede een tas met tien kilo springstof [462]. Opvallend, want meer dan een sectie zware mitrailleurs was niet aanwezig, dus hoogstens drie stuks kunnen in Duitse handen zijn gevallen. Aangezien ook geen andere eenheden in de omgeving waren met deze bewapening en op 10 mei slechts één zware mitrailleur in Amstelwijk voorhanden was, zijn vermoedelijk enige lichte mitrailleurs tot zware gerekend. Feit is dat het lokale gevecht vier Duitse en één Nederlands slachtoffer(s) hadden geëist. Bovendien dat de roemruchtige commandant van III./FJR.1 gewond was geraakt en voor de rest van de meidagen zou zijn uitgeschakeld. Hij zou naar Rotterdam worden vervoerd en over de opvolging van hem als commandant zou op de staf van FJR.1 nog een robbertje worden gevochten, aldus Oberleutnant Schmücker in zijn verslag [481]. Punt was dat men bij III./FJR.1 nauwelijks nog officieren over had. Alle compagniescommandanten en de meeste pelotonscommandanten waren gewond en 9./FJR.1 was aan I./FJR.1 uitgeleend en 12./FJR.1 was bij Willemsdorp ingezet.

Het leek dan na het eerste verlies van een huzaar allemaal verder goed afgelopen voor wachtmeester Gommans en zijn strijdmakkers, maar schijn bedriegt. [1004] De mannen die het gevecht bij het viaduct te Amstelwijk hadden overleefd, waren uiteindelijk nabij de Kiloever aangekomen. Aldaar probeerden ze een schipper met zijn boot te praaien, maar die weigerde hardnekkig naar de oostoever te varen, doodsbang beschoten te worden. Daarom moest er besloten worden dan maar over de afrastering langs de Zeehaven te klimmen en via de oever zuidwaarts te gaan naar het veerpunt bij Wieldrecht. Zo geschiedde, maar nauwelijks zuid van de Zeehaven gekomen werd de groep motorrijders ineens onthaald op fel mitrailleurvuur vanaf de westzijde. Eigen troepen hielden de in leren jacks en motorlaarzen gekleede huzaren voor Duitsers! Binnen korte tijd liep de zaak uit op een tragedie. Talloze huzaren raakten gewond, anderen sneuvelden. Ondanks gebaren en geroep bleef het vuur van de overzijde in de gelederen vallen. Wachtmeester Gommans, die zelf maar liefst vier keer werd geraakt in rug, onderbeen en arm, zag dienstplichtig korporaal Hoebers half in het water dodelijk geraakt worden in de buik. Gommans wist Hoebers nog in veiligheid te brengen, maar de korporaal zou in 's Gravendeel de volgende dag aan zijn verwondingen overlijden. Wachtmeester Kersten werd aan de schouder geraakt, anderen vrijwel direct gedood. Vijf man zouden uiteindelijk het leven laten door dit eigen vuur. Naast de korporaal Hoebers (overleed op 13 mei), waren dit huzaar 1e klas Brons en de diensplichtige huzaren Debets, Hardij (overleed op 15 mei) en Leijten.

[1004] Uiteindelijk lukte het de buitengewoon moedige Gommans om langs de oever - waar men aan de overzijde inmiddels de fout had ontdekt - contact te maken met 4-3.GB bij het veerpunt. Aldaar werd hij eerst argwanend bekeken, maar toen men overtuigd was met een Nederlander van doen te hebben, werd Gommans snel overgezet naar 's Gravendeel waar hij achter op een fiets (!) naar het noodhospitaal werd vervoerd. Andere gewonden en ongedeerden werden ook opgehaald en naar 's Gravendeel overgebacht.

De troepen aan de overzijde kregen snel lucht van de tragedie, die ook aan de commandant van de sector, de majoor Houtman, werd gemeld. Deze maakte er rapport van naar de Groep Kil. Het waren de zware mitrailleurs van MC-II-28.RI (bataljon van de majoor Ravelli) geweest die de huzaren zo hadden aangepakt. Het was daarmee wel overduidelijk dat het bataljon Ravelli onder alles behalve een gelukkig gesternte opereerde, die meidagen van 1940.

De tragedie kreeg overigens in de krijgshistorie een bijzonder staartje. De gebeurtenis werd zo slecht opgetekend dat ze in de memoires van Calmeijer - een belangrijke bron voor het latere stafwerk - werd toegedicht aan 4-3.GB, dat toch al niet gunstig bij de chef-staf van de Groep Kil te boek stond. Calmeijer merkte in zijn memoires op [70]:

»Voor de inrichting van het bruggenhoofdje bij Wieldrecht was aangewezen 4-3.GB, onder reserve kapitein Manders. (…) De compagnie trad daarbij onder bevel van majoor Houtman, commandant van het Noordvak der Kilbezetting. Zij had haar stelling pas een uur bezet toen uit de richting van Dordrecht een aantal motorrijders naderden (sic), die, door de donkere motorkleding, voor Duitsers werden aangezien en onder vuur genomen. Helaas veroorzaakte dit zeven doden, want het was een doorgereden deel van het detachement Steenkamp. (…) Het resterende deel werd over de Kil gezet en door majoor Houtman weer ingedeeld. Het was een onprettig bericht dat deze ons over een en ander berichtte. «

Dat was een wel erg curieuze weergave van feiten. Het was vrijwel zeker veroorzaakt door de weinig heldere weergave van majoor Houtman in zijn rapport, dat echter zorgvuldig lezende, toch wijst op vuur door zijn eenheden op de Kiloever en niet op vuur door 3.GB [101c]:

» De actie van de compagnie 3.GB  waar mogelijk met vuur gesteund. Daarbij helaas ook gevuurd op een terugkeerende sectie motorrijders, die door zijn donkere kleeding en wijde laarzen den indruk maakten (sic) van Duitscher te zijn

In het Stafwerk, dat in feite later is gedateerd (doch eerder is uitgegeven) dan de memoires van Calmeijer op schrift waren gesteld, raakt de voormalige chef-staf van Groep Kil echter nog verder van huis met zijn reproductie, als hij stelt [1: blz 120]:

» Bij de tunnel in de spoorweg Dordrecht/Zwijndrecht, waar II-1.RW in gevecht was, had de voorhoede hevig vuur ontvangen, doch was doorgereden, terwijl de hoofdmacht had halt gehouden. Een gedeelte van de voorhoede had te 11.50 Wieldrecht bereikt, was aldaar aanvankelijk door de troepen van Groep Kil onder vuur genomen – hetgeen zeven gesneuvelden en enkele gewonden had veroorzaakt – en was daarna bij deze troepen aangesloten. Een ander gedeelte had bij de Zeehaven dekking gezocht (…) en was er tegen het vallen van de avond in geslaagd, grotendeels naar Papendrecht terug te keren

Calmeijer maakte in het Stafwerk onterecht van twee onafhankelijke acties opeens één. Hij beschreef hier de actie van de kopgroep van het verband van ritmeester Steenkamp dat doorbrak bij de spoortunnel, maar maakt daarbij de (nieuwe) fout te suggereren dat een deel van dit verband doorstootte en bij Wieldrecht terecht kwam om aldaar door eigen vuur te worden getroffen! Ook de suggestie dat een 'ander' gedeelte van die uitgebroken formatie bij de Zeehaven terecht kwam, is incorrect, maar werd evenzo door E.H. Brongers in 'Opmars naar Rotterdam' [30] overgenomen (hoewel Brongers i.t.t. Calmeijer overigens de andere actie bij Wieldrecht wel juist beschreef). Zoals zal worden gezien, als deze actie vanuit de spoortunnel in detail besproken wordt in een ander hoofdstuk, kwam men echter met het geheel aan doorgebroken mannen vanuit de spoortunnel niet verder dan de even verderop gelegen Shell pomp op het Hugo de Grootplein. In het voorgaande citaat uit het stafwerk valt echter wel weer ten positieve op dat inmiddels het eigen vuur in algemene zin aan 'troepen van Groep Kil' wordt opgehangen en niet langer expliciet aan 4-3.GB. Desondanks is dit onfortuinlijke (en wegens de kleding van de huzaren zelfs begrijpelijke) eigen vuur incident sterk aan 4-3.GB blijven hangen. Het mag inmiddels duidelijk zijn, uit de gedetailleerde beschrijving hierboven, dat dit zeer onterecht is. 

Tenslotte is er nog één correctie te maken. Dat betreft het toch wel vrij bekende register (van de hand van kolonel b.d. De Leeuw en overste b.d. Brongers) van Nederlandse slachtoffers in mei 1940 [31]. Dat vermeldt ten onrechte bij vijf van de zes slachtoffers dat zij bij 'het Wilhelminaboompje' - een café nabij het viaduct te Amstelwijk - vielen. Dat gold (dus) slechts voor de huzaar Zuiderwijk, die aldaar door het hoofd werd geschoten. De overige vijf vielen aan de Kiloever (6).

(6) De herziening van de reconstructie van de huzarenactie vanuit de spoortunnel, die eindigde bij het Shell tankstation op het Hugo de Grootplein, alsmede het onterecht vermelden van sneuvellocatie 'het Wilhelminaboompje' bij vijf van de zes slachtoffers van het verband van wachtmeester Kersten, is voorafgaande aan publicatie alhier bij E.H. Brongers onder de aandacht gebracht. Overigens evenzo bij de auteur J.A. Bom, die over de kwestie rond het gevecht van het verband Kersten eveneens schreef in zijn boek over de Huzaren Motorrijders. E.H. Brongers en J.A. Bom hebben beide hun gegevens over het geval belangenloos beschikbaar gesteld aan auteur dezes. Het zij dan ook uitdrukkelijk alhier aangetekend dat de correctie op uitgegeven werk van voornoemde auteurs slechts ziet op reeds verschenen uitgaven en niet sec ter correctie van auteurs zelf is bedoeld; nog los van het feit dat correcties op reeds verschenen werken, die op deze website regelmatig te lezen zijn, a priori gelden als corrigerende aantekening op het werk en niet op auteurs.                    

De hoofdmacht van 3.GB langs de Oude Maas

[1, 122] Langs de Oude Maas, waar de hoofdmacht van 3.GB nog immer de Oude Maas nabij het Barendrechtse veer bezet hield, was de situatie als volgt. Het twee secties en drie zware mitrailleurs sterke detachement van reserve 1e luitenant Van Urk alsmede 3-3.GB [reserve kapitein J.A.T. Verhulst] lagen nabij het zuidelijke landhoofd van de brug, ondersteund door in totaal twee stukken PAG en zes zware mitrailleurs. Achter hen lag op een kleine kilometer afstand het restant van 1-3.GB [kapitein T. van Leuven] alsmede de anderhalve sectie mortieren bij het kruispunt Gorzenweg/veerweg, waarvan overigens de werking uiterst beperkt kon zijn wegens de vrijwel uitgeputte munitievoorraad. Langs de Gorzenweg naar links, parallel aan de Oude Maas, maar circa 1 km daaronder, lag het circa twee secties sterke restant van 2-3.GB [reserve kapitein A.J. Dorreman] met twee stukken PAG en twee zware mitrailleurs. Zij vormden een formatie die ingezet kon worden ter afgrendeling richting het westen, voor in geval de Duitsers bij Goidschalxoord de rivier over zouden komen. In Blaak had de majoor Reijers zijn commandopost ingericht. Nog steeds was 1-II-23.RA op 3 km achter de Oude Maas opgesteld om 3.GB te kunnen ondersteunen. Ze was zijdelings iets verplaatst naar een positie langs de dijk (Binnenbedijkte Maas) bij Sint Anthonypolder.

Stafkaart Barendrecht

[122] Het detachement Van Urk en 3-3.GB (inclusief ondersteuningswapens) wordt gemakshalve als het ‘brugdetachement’ aangeduid. Dat detachement had op 12 mei twee volledige dagen oorlogsspanning achter de rug, waarbij men nauwelijks tot enige rust had kunnen komen. Gedurende de nacht en ochtend werd door de Duitsers – al dan niet bewust – storend vuur op het detachement gelegd. Regelmatig ging aan de overzijde een lichtkogel omhoog, regelmatig gevolgd door een vuurstoot door mitrailleurs. Het volkomen open terrein maakte zodoende de logistiek vrijwel onmogelijk – en daar waar mogelijk – een bijzonder langdurig en risicovol proces. De commandant van 3-3.GB – en het brugdetachement als geheel – was de kapitein Verhulst. Deze kreeg in de loop van de morgen van de BC te horen dat zijn detachement, in elk geval 3-3.GB, zou worden vervangen door een hem toegezegde compagnie, die van Groep Spui zou komen. Die toezegging was door het stafkwartier van Groep Kil gedaan, maar was of een zoethoudertje of een fopspeen. Een verzoek dat door de Groep Kil aan het stafkwartier van Groep Spui werd gedaan was om een versterkte compagnie vrij te maken ter versteviging van het front langs de Kil. Men zag in, dat de langs dat front sterk opgerekte eenheden van de Groep geen capaciteit overlieten om enige tactische manoeuvre toe te passen als de Duitsers ergens ambities vertonen zouden om over de Kil te komen. Van aflossing van de troepen bij de brug tegenover Barendrecht was geen sprake; zou die er wel zijn geweest, dan zouden die afgeloste troepen hun posities inruilen voor die van actieve reserve, wat alles behalve de verdiende rust beloofde. [1, 101b] In elk geval werd het verzoek van de Groep Kil vanuit Groep Spui beantwoord door drie secties van 1-II-34.RI met vier stukken zware mitrailleurs van 11.MC richting Maasdam te sturen. Die compagnie kwam vroeg in de middag aan, maar werd vervolgens in reserve gehouden en niet ter aflossing naar 3.GB gestuurd. [122] Kennelijk werd de majoor Reijers van deze ‘wijziging van plannen’ niet op de hoogte gesteld, want de majoor – en als zodanig de C. 3-3.GB – bleef de gehele 12e mei in de veronderstelling dat zijn brugdetachement zou worden afgelost door verse troepen. Quod non.

[122] Met uitzondering van schotenwisselingen, waarbij ook de Nederlanders dus zo nu en dan de wapens lieten spreken en waaraan enkele storende vuren van 1-II-23.RA een bijdrage leverden, was er sprake van een status quo. Opvallende gebeurtenis in dat licht was nog slechts de verschijning van de brugwachter bij de BC, die meldde dat hij samen met een onderhoudsman door de Duitsers naar het zuiden was gestuurd en gesommeerd was daar te blijven. Een humaan gebaar. De man gaf inlichtingen over de Duitse aanwezigheid op 10 mei en nadien. Zo kon hij vertellen dat op 10 mei eerst enkele tientallen parachutisten bij het industrieterrein waren verschenen, later gevolgd door enige vrachtwagens met gewone militairen. Men had een 5 cm mortier opgesteld. Hij gaf eveneens inlichtingen over het bestaan van een aanzienlijke schuilkelder op het fabrieksterrein, kennelijk aangelegd voor de oorlog door de directie. Omdat de brugwachter over de jongste situatie geen inlichtingen bleek te hebben, was zijn informatie beperkt van waarde. De BC stuurde de man naar de C. 3-3.GB om hem inlichtingen te verschaffen over vermeende Duitse posities. Aangezien zowel de batterij van 23.RA als de mortieren groot munitiegebrek hadden, werd er niets gedaan met de ontvangen informatie.

[122] 1-3.GB lag aan de Gorzenweg, nabij het kruispunt met de veerweg, die naar de brug leidde. Het bleef daar tot diep in de middag liggen en had zodoende alle kans te foerageren. Rond 1430 uur kreeg de CC kapitein Van Leuven opdracht nieuwe posities in te nemen. De compagnie zou een oostelijke beveiliging van het bruggenhoofd gaan vormen door langs een zuid-noord front posities in te nemen in de Oost Zomerlandse polder, ten westen van Puttershoek. Die posities werden ingenomen. Voor het overige zijn er geen bijzonderheden bekend gemaakt in de rapporten van de compagnie. Dat is curieus, want de sergeant capitulant P.J. Migchielsen van 2-3.GB, werd door zenuwachtige wachtposten van 1-3.GB op de Gorzenweg neergeschoten. Onderweg naar het militair noodhospitaal in Oud-Beijerland overleed hij.

[122] 2-3.GB onder de kapitein Dorreman werd ingezet om het westelijke deel van het bruggenhoofd te beveiligen. De posities werden ingenomen en zouden deze derde oorlogsdag niet meer wijzigen.

Slotwoord

Met bovenstaande verhandeling van de gebeurtenissen is de bespreking voor wat betreft 3.GB voor de 12e mei afgerond. Met uitzondering van de gevechten rond Wieldrecht, bleek de derde oorlogsdag – achteraf gezien als enige dag tijdens de vijfdaagse oorlog – een onverwachte gevechtspauze voor het bataljon. Desondanks een dag waarop tien man van het bataljon het leven hadden gelaten.

[De bronnen vindt u hier]