De 'Gruppe de Boer'

Inleiding

Op 12 mei 1940 werd door Kurt Student opdracht gegeven voor het vormen van een gevechtsgroep onder de Oberstleutnant Johann de Boer, commandant van Artillerie Regiment 22, de enige artillerie eenheid van 22.ID welke voor luchtlandingen geschikt was. De Gruppe de Boer zou prominent in beeld komen bij de gevechten met de Lichte Divisie in en om Dordrecht, nadat de eerste delen van het verband na de middag van 12 mei nabij Dordrecht zouden arriveren.

Rond dit door Student ad hoc geformeerde taakgerichte verband is veel onduidelijkheid geschapen in de gedrukte reconstructies van de slag op het Zuidfront. In deze bespreking wordt nader ingegaan op dit bewuste verband.

Dit hoofdstuk beschrijft slechts omtrent de samenstelling van de Gruppe de Boer. De inzet van dit taakgerichte verband wordt uitgebreid beschreven in de bespreking van de strijd die de Lichte Divisie op 12 mei op het Eiland van Dordrecht voerde.

Johann de Boer

Op 5 september 1897 werd Johann de Boer te Hamburg-Altona geboren. Naar verluidt is zijn overduidelijk Nederlands klinkende naam verbonden met voorouders die uit de aan Nederland grenzende provincie Ostfriesland kwamen. Toen hij 17 jaar oud was meldde hij zich als oorlogsvrijwilliger bij het Duitse leger waar hij bij de veldartillerie werd ingelijfd. Zijn kaderopleiding kreeg hij te velde, tijdens WOI, wat leidde tot zijn aanstelling tot Leutnant der Reserve in oktober 1917. Als Oberleutnant der Reserve werd hij, met zo vele anderen, in 1920 gedemobiliseerd. Hij werd aangenomen bij de politie en zou daar tot aan het jaar 1935 als officier dienen. In oktober 1935 werd hij geheractiveerd door het leger en bevorderd tot Hauptmann, met aanstelling bij de staf van AR.56. Een jaar later volgde de bevordering tot Major en kreeg De Boer een batterij van AR.56 onder zijn bevel.

Oberstleutnant Johann de Boer

In oktober 1937 werd Johann de Boer aangesteld tot commandant van I./AR.58. Deze in oktober 1936 opgerichte zware artillerie eenheid kwam voort uit de stam van AR.22, toen de 22e Infanterie Division nog een gewone Erste Welle infanteriedivisie was. I./AR.58 bestond uit drie bespannen batterijen 15 cm artillerie. In het voorjaar van 1940 werd de afdeling van het luchtlandingsdeel (Fliegende Staffel) van 22.ID losgemaakt, omdat de zware artillerie niet luchtvervoerwaardig was, zodat I./AR.58 tot het zogenaamde Erdstaffel bleef behoren (en op 14 mei 1940 via Noord-Brabant over land naar het westen werd verplaatst). Major De Boer was inmiddels in april 1939 tot Oberstleutnant bevorderd. Toen I./AR.58 uit de organisatie van het Luftlande deel van 22.ID werd genomen, werd de overste aangesteld als commandant van Artillerie Regiment 22, dat wel tot luchtlandingswaardige eenheid was omgevormd door uitrusting met berggeschut en lichte bergpaardjes voor tractie.

Tijdens de meidagen had de commandant met de staf van AR.22 - drie afdelingen, bestaande uit zeven batterijen 7,5 cm berghouwitsers Skoda GebK.15 - bij Ypenburg moeten landen, maar kwam wegens de mislukte operatie aldaar, in de late ochtend van 10 mei op Waalhaven aan. De overste werd in eerste instantie ingezet als ondersteuning van de gevechtsstaf van Student, maar op 12 mei kreeg hij opdracht een taakgericht verband te leiden in een offensieve operatie waarbij het doel was om de stad Dordrecht vanuit het zuidoosten binnen te dringen en de defensie aldaar op te rollen dan wel deze aldaar te binden. Een eenheid ter sterkte van een klein bataljon, ondersteund door PAK en zes 7,5 cm berghouwitsers, werd zodoende onder De Boer zijn leiding ingezet. Het zou leiden tot zware gevechten in de stad Dordrecht op 12 en 13 mei. Voor zijn bijdrage aan deze operatie zou Oberstleutnant De Boer het Ridderkruis krijgen uitgereikt.

Na de meidagen kwam de overste tijdens de veldtocht in de Sovjet Unie op de Krim in actie als regimentscommandant van AR.22, waarbij hem in december 1941 de bevordering tot Oberst ten deel viel en kort nadien het Deutsches Kreuz in Gold werd toegekend. In het voorjaar van 1943 werd De Boer teruggehaald naar de Heimat en vanaf mei bijgeschoold voor de functie van divisiecommandant. Drie maanden later kwam hij bij 26.ID terecht, waarvan hij na zijn bevordering tot Generalmajor in oktober 1943, commandant werd.

Met 26.ID opereerde De Boer bij Gruppe Mitte in de Sovjet-Unie, toen het tij aan het oostfront inmiddels al beslissend was gekeerd. In juni 1944 werd zijn divisie in de Oekraïne vernietigd, hoewel De Boer zelf de dans ontsprong. Zijn toewijding als divisiecommandant had desondanks een zodanige indruk gemaakt dat bevordering tot Generalleutnant volgde en hij in Noorwegen het commando overnam van 280.ID, een bezettingseenheid. Voor De Boer ook zijn laatste functie, want hij werd in Noorwegen na de Duitse capitulatie gevangen genomen en zou tot 1948 in een Brits kamp voor opperofficieren worden vastgehouden.

Op 14 maart 1986 overleed Johann de Boer te Hamburg, 88 jaar oud.

AR.22 (Luftlande)

Het Artillerie Regiment 22 (LL) werd gedurende de winter 1939/1940 ‘umgegliedert’ van 10,5 cm leFH.18 vuurmonden naar de lichte 7,5 cm lang 13 Skoda GebK.15 berghouwitsers (elevatie -9/+50°). Deze uit 1915 stammende in Tsjechië [Skoda M.15 Obice da 75/13] gemaakte lichte houwitsers wogen slechts 630 kg. Het was een zeer compacte vuurmond,  eenvoudig uiteen te nemen in zeven hoofddelen en voorzien van een opvallend diagonaal geplaatst schild, met een scharnierbaar deel aan de onderzijde [431]. Het verschoot 6,3 kg zware brisantgranaten (gescheiden lading) bij een V0 van 386 m/sec met een maximaal bereik van 8,250 m (uitzonderlijke lading) [431]. Het normale bereik, zonder de uitzonderlijke lading (extra kruitzak), die bij de luchtlandingseenheden ook niet werd gebruikt, was ca. 6,700 m [431]. Het wapen was echter bij uitstek in gebruik voor de korte afstand (direct vuur). Hoewel de vuurmond compact was, was voor een inzet en verplaatsing van het wapen met munitierantsoen en accessoires een omvangrijke stukssectie noodzakelijk van ca. 12 man.

De Duitsers hadden deze stukken in 1915 aangeschaft als infanteriegeschut. Er waren 14 infanteriegeschützbatallions mee uitgerust. De Skoda houwitsers bevielen echter voor reguliere inzet maar matig. De grootste problemen ontstonden als de inzet van de vuurmonden intensief werd. De nadelen van de in losse delen samengestelde vuurmond kwamen duidelijk aan het licht, omdat de uitneembaarheid ertoe leidde dat er in de constructie beweging ontstond tussen de diverse delen. Dit leidde tot slijtage, maar bovenal gebrekkige accuratesse. Een ander groot nadeel was de smalle chassisbasis, ook al een gevolg van het ontwerp als berghouwitser. Die smalle rad-basis was ideaal voor de kleine ruimte die men in bergen had, maar bezwaarlijk voor vervoer op de weg of in het veld. De vuurmond kantelde bij het minste geringste kuiltje, zodat vervoer een zorgvuldige zaak werd.

7,5 cm GebK.15 - Skoda 15/L13 berggeschut

Voor de luchtlandingsinzet werden speciale kleine Tirolse dwergpaardjes, de zogenaamde ‘Haflinger’, gebruikt. Dit was een krachtig compact bergpaard, dat alleen in de voskleur (licht bruin) bestond. Het ras had veel voordelen. Het was relatief klein, maar krachtig, had weinig voeding nodig en had een groot uithoudingsvermogen. De gebruikte paardjes hadden een maximale schofthoogte van 1,4 m en wogen tussen de 500-600 kg. Als men nagaat dat één Haflinger een vuurmond van 630 kg diende te trekken, dan is duidelijk dat ze zwaar belast werden en de snelheid van het stuk bij vervoer laag lag. In een zwaar veld was het ondoenlijk voor de paardjes om de stukken voort te trekken. Ze waren dan ook slechts geschikt voor vervoer over de harde weg. Ook de munitiecaissons [15 ladingen] werden ieder door één paardje voortbewogen.

[431, 435] Organiek bestond AR.22 op 10 mei 1940 uit drie afdelingen met elk drie batterijen bestaande uit vier vuurmonden Skoda GebK15 en I./AR.58 met drie batterijen 15 cm geschut. Voor de luchtlandingsinzet viel I./AR.58 sowieso af, en resteerden oorspronkelijk de negen batterijen met hun 10,5 cm leFH.18 geschut. Echter ook de le.FH.18 bleek bij proeven met geen mogelijkheid practisch door de lucht vervoerbaar. Gedurende de winter van 1939/1940 werden daarom zeven van de negen batterijen omgefaseerd naar de GebK15, waarbij pas vanaf april 1940 de 2e en 8e Batterie ook volgden, maar deze waren nog niet inzet gereed op 10 mei 1940.  Onduidelijk is met exact welke sterkte het LL Staffel van AR.22 was uitgerust, maar zoals bij alle eenheden, zal dit teruggebracht zijn tot het minimale aantal mensen en middelen.

[434-436] Het verschil in sterkte tussen de ‘Erdeinsatz’ (grondinzet) en ‘Luftlande Einsatz’ (luchtlandingsinzet) was voor AR.22 erg groot. Los van het feit dat de zware vierde afdeling niet meevloog, werden de eenheden tot een minimale sterkte teruggebracht. Organiek bestond een batterij uit ca. 160 man, maar daarvan bleef ongeveer de helft in het Erdstaffel achter. Van de staven ging een nog geringer deel mee. Iedere luchtlandingsgerede batterij bestond uit vier houwitsers, vier munitiecaissons, acht paardjes en voorts een lichte colonne met extra munitiecaissons en accessoires, voorzien van enkele zware motoren die elk een trekgewicht van 500 kg aankonden. Er vlogen slechts 30 ladingen per vuurmond (=ca. 280 kg) mee bij de eerste inzet. Nadere rantsoenen munitie en drijfladingen diende daarom gescheiden te worden ‘nageleverd’.

[436] Het luchtmobiel maken van AR.22 was al met al geen sinecure. Een vliegtuiglading bestond uit een vuurmond met paardje, en twee man of uit een munitiecaisson (met 15 ladingen plus kisten met 15 extra ladingen), een paardje en vijf man. De overige stuksbemanningen werden met 12-14 tegelijk per Ju-52 vervoerd. Neemt men de  luchtvervoerde stukken (vuurmond, munitiecaisson en bespanning) in ogenschouw dan waren per batterij alleen al daarvoor acht Ju-52 benodigd. Dan resteerde er nog vijf Ju-52 (in een Staffel, dat organiek uit 13 toestellen bestond) voor ca. 60 man personeel en enige motoren. Zodoende waren dan vier vuurmonden, vier caissons (met totaal 60 ladingen), acht paardjes en ca. 70-80 man aan de grond gezet.  Het vervoer van de Leichte Kolonne (motoren, extra munitiecaissons, accessoires, manschappen) en trosmanschappen zal nog enige vliegtuigen hebben gevergd, zodat circa 18 Ju-52’s nodig waren voor het vervoer van één batterij. Volgens het verladingsschema van 22.ID van april 1940 [477] was voor het vervoer van de staf van III./AR.22, een peloton van de Nachschubkompanie en twee batterijen van III./AR.22 zelfs een gehele Gruppe Ju-52 met 53 toestellen noodzakelijk. Dat zou betekenen dat het vervoer van een volledige batterij zelfs mogelijk zelfs wel ca. 20 Ju-52 vergde. Het toont de massiviteit aan van de te verplaatsen eenheden.

AR.22 zou twee bekende inzetten kennen aan het Zuidfront. De eerste was bij beschietingen van Alblasserdam en omgeving. Een zogenaamde Halbbatterie (twee vuurmonden) was toegevoegd aan de Duitse infanterie die in de sector Ridderkerk - Hendrik Ido Ambacht de Noord verdedigde. Tegenover hen lagen troepen van de Nederlandse Lichte Divisie, die daar vanaf de avond van 10 mei waren aangekomen. Deze inzet van deze houwitsers werd opvallend genoeg aan Nederlandse kant vaak verward met mortiervuur. De tweede bekende inzet was als onderdeel van de Gruppe De Boer, op 12 en 13 mei 1940 te Dordrecht.

[431, 472, 555] Een derde en vierde inzet van de Skoda berghouwitsers was niet van AR.22, maar van de beide Halbbatteries van de Fallschirmjäger eigen artilleriebatterij. Dat betrof een aantal beschietingen van Dordrecht door een in Zwijndrecht opgestelde Halbbatterie en beschietingen van Nederlandse artillerie bij Strijen, vanaf de landtong bij Willemsdorp door de tweede Halbbatterie. De halve batterij bij Zwijndrecht zou zich mogelijk op 12 mei aansluiten bij de Gruppe De Boer, al is dit onzeker.

De Gruppe de Boer

Over de samenstelling van het taakgerichte verband Gruppe De Boer bestaan allerhande theorieën en weergaven in de literatuur. Het gaf tot op heden aanleiding tot een nogal uiteenlopende sterkte opgave van dit verband. Hieronder zal worden gekeken naar de bronnen en literatuur om daarmee een betrouwbare opgave van de sterkte van het taakgerichte verband voor de lezer inzichtelijk te maken.

In de memoires van Kurt Student, naoorlogs opgetekend door Hermann Götzel, [500] wordt op bladzijde 133/134 over de Gruppe de Boer gesproken. Het volgende citaat is uit voornoemde bron ontleend:

» General Student entschloss sich, den Angriff in der geschilderten Weise durchführen zu lassen. An Kräften hatte er bereits zur Verfügung eine Batterie des Artillerieregiments 22, eine halbe Fallschirmbatterie und die in Reserve stehenden Teile der der Division unmittelbar unterstehenden Fallschirmpanzerabwehrkompanie 2. Der Regimentskommandeur des Artillerieregiments 22, Oberstleutnant De Boer, sollte den Angriff führen. Der Stab des I. Batallions des Infanterieregiments 72 sollte mit einigen Kompanien dieses Batallions am Vormittag des 12.Mai in Waalhaven gelandet werden. Nach deren Ankunft würden auch diese Verbände zur Angriffstruppe treten. «

Götzel wijst in deze op vier houwitsers van AR.22, twee van de Fallschirmjäger Geschütz Batterie en een peloton PAK van de Panzerversuchskompanie (= Fjr.Pz.Jgr.Abt.2), waarvan Götzel zelf commandant was in die dagen. Daarnaast op compagnieën van I./IR.72, die samen met de gelande bataljonsstaf [Kdr. Major Krüger] en 6./IR.72 tot de reserves van 22.ID behoorden en op 12 mei inmiddels voorhanden waren. Daarvan waren 1./IR.72 en 6./IR.72 niet beschikbaar, omdat de eerste zich in Hoogvliet ophield en de tweede in Rotterdam Zuid (west) en (vermoedelijk) ten dele onder het dorp Pernis lag. Aan 1./IR.72 was tenminste één Werfertrupp 8,1 cm uit 4./IR.72 toegevoegd.

Onduidelijker is Götzel dus over de ‘in reserve zijnde delen van de divisie’, wat een nogal open beschrijving is van een heterogeen geheel aan troepen, vele daarvan van IR.47 en IR.65, die in feite voor de sector Den Haag bedoeld waren geweest, alsmede enige elementen van Panzerjägerkompanies. Deze reserve was verspreid over Rijsoord en Hordijk.

Enige bladzijden verder gaat Götzel verder over de Gruppe de Boer [500: blz 138/139]:

» Der Bataillonsstab und die erwarteten Teile des I. Bataillons des Infanterieregiments 72 waren bis zum frühen Nachmittag des 12.Mai in Waalhaven eingetroffen. Oberstleutnant de Boer versammelte darauf die ihm unterstellten Angrifsgruppe in Deckung gegen Schuss und Sicht westlich der Autobahnbrücke von Dordrecht. Dort führte er eine kurze Befehlsaufgabe durch. Die Masse der Angriffsgruppe war mit Hilfe der bereits erwähnten Kraftfahrkolonne heranbefördert worden  Mit diesem Fahrzeugen wurde die Truppe bis in den Bereitstellungsraum gebracht. (…) Am Friedhof von Dordrecht wurden die Fahrzeuge verlassen und ohne Verzug der Angriff begonnen. (…) Die deutsche Angriffsgruppe zählte insgesamt nur 557 Offiziere, Unteroffiziere und Mannschaften. «

In totaal dus slechts 557 man. Desondanks worden aan die getallen in diverse bronnen bijzonder veel eenheden verbonden. In ‘Opmars naar Rotterdam’ [30: dl. 1, blz 254/255] wordt gesuggereerd dat het gehele 1e Bataljon van IR.72 ‘in ruime mate voorzien van antitank- en infanteriegeschut, terwijl twee batterijen artillerie vuursteun konden geven’ werd ingezet. Een overdreven voorstelling van zaken, zo zal blijken. De in hoofdstuk 10 van ‘Mei 1940 – de strijd op Nederlands grondgebied’ [52: blz 353] weergegeven omschrijving is wel accuraat. Andere bronnen voeren aan – Brongers suggereert het ook (1) – dat ook II./FJR.2 (min 6./) tot de Gruppe de Boer behoorde, maar daarvan was geen sprake. Wel werden 5./ en 7./FJR.2 aan Oberst Bräuer beschikbaar gesteld op 12 mei en zouden zij in het Duitse bruggenhoofd, dat zich inmiddels rond de gehele west en zuidzijde van Dordrecht begon te vormen, worden ingeschoven tussen Gruppe de Boer en III./FJR.1. In die zin is er daarom niet direct sprake van onjuistheid bij Brongers zijn weergave (de betreffende troepen waren wel aanwezig), maar eerder van een nuance verschil. De troepen vielen niet onder De Boer, maar beveiligden wel zijn linkerflank. Brongers' suggestie is wel onjuist dat bij de Gruppe de Boer ruime inzet van antitank- en infanteriegeschut aan de orde was (er waren drie PAK; infanteriegeschut behoorde in het geheel niet tot het verband) en waren niet twee maar slechts één batterij berghouwitsers voorhanden, met eventueel de twee stukken van de Fallschirmjäger Halbbatterie in Zwijndrecht nog achter de hand.

(1) Brongers gaat er in zijn 'Opmars naar Rotterdam' [30] vanuit dat II./FJR.2 (min 6./) compleet landde. Dat is een onjuist uitgangspunt, hoewel er geen enkele bron is die uitdrukkelijk de samenstelling van deze eenheid noemt. Reden voor Brongers om de voorstelling van zaken van auteur dezes vooralsnog niet te aanvaarden. 

Uit bronnen is op te maken dat de vertegenwoordiging van II./FJR.2 in feite ongeveer twee compagnieën sterk is geweest, niet (veel) meer en vermoedelijk zelfs nog minder dan dat. Dat is uit de samenhang van de sporadische benoeming in de Duitse bronnen van deze eenheid op te maken. Götzel spreekt in de memoires van Student [500] over ‘Teile des 2.Batallions des Fallschirmjägerregiments 2‘. Ook het krijgsverslag van IR.16 spreekt ten aanzien van de omgeving Barendrecht, waar II./FJR.2 op de eerste twee strijddagen was ingezet, over ‘Teile’ van dit bataljon. Het was voor officiële Duitse krijgsrapporten en verslagen alleen gebruikelijk over ‘Teile’ te spreken als er sprake was van aanzienlijk onder sterkte zijnde eenheden. Spreekt men van een bataljon dat een compagnie mist dan noteert men dit als 'batallion (ohne ...)' en niet als 'Teile'. Het bij Ypenburg zonder 3e Kompanie gelande I./FJR.2 werd als bataljon en niet als ‘Teile des 3.Batallions’ aangeduid.

Een concretere aanwijzing levert het krijgsverslag van 4./FJR.1 [454], dat op 12 mei meldt dat ‘2 Kompanies des II./FJR.2’ over de brug kwamen en naast de Gruppe de Boer werden ingezet. De adjudant van III./FJR.1 Oberleutnant Heinz Schmücker stelt in een brief [481] dat II./FJR.2 'noch nicht ganz aufgestellt (war)'. De 'Geschichte der Fallschirmjäger Regiments 2' [476] spreekt zich ook non-specifiek over de zaak uit: "Jedoch kam Hptm. Pietzonka nicht mit all seinem Männern zum Einsatz. Der Verlust an Transportmaschinen im Raum um Den Haag machte sich bemerkbar. Nur ein Teil des Batallions konnte am frühen Vormittag des 10.Mai von Werl aus startend in 2.Welle nach Waalhaven geflogen werden." Overigens stelt het weinig accuraat verhalende boek - abusievelijk - voorts "Diese wurde am Nachmittag einer Angriffsgruppe unter Oberstlt de Boer (...) unterstellt." Daarvan was geen sprake. Er zijn teveel gezaghebbende bronnen die juist aangeven dat de Gruppe de Boer, met uitzondering van enkele ondersteuningseenheden, geen parachutisten elementen kende. Overigens was anders de lage sterkte van de eenheid van 557 man ook onverklaarbaar. Er wordt terzelfdertijd door auteur dezes in onderhavige bespreking wel een goede verklaring gegeven waarom II./FJR.2 desondanks in sommige bronnen aangemerkt wordt als onderdeel vormende van de Gruppe de Boer.

Uit een geheel andere bron [zie MFH: verslagen Einsatzgruppe Koch], het dossier over de operatie tegen Eben-Emael, wordt duidelijk dat vlak voor de inzet tenminste een peloton mitrailleurs van 8./FJR.2 aan de taakgerichte eenheid Koch werden toegevoegd. Het ligt daarom in de reden te denken dat slechts 5./ en 7./FJR.2 zijn ingevlogen (zoals bekend was 6./FJR.2 bij Valkenburg ingezet), vermoedelijk ieder versterkt met een half peloton zware mitrailleurs van 8./FJR.2, wat indertijd een gebruikelijke indeling was.

Karl-Heinz Golla maakt het in het goed verkochte ‘Die Deutsche Fallschirmtruppe 1936-1941[501] heel erg bont bij zijn beschrijving van de Gruppe de Boer. Hij redeneerde sterk vanuit Götzel zijn reproductie waarin, zoals in het citaat hierboven werd gezien, gesteld werd dat ‘de in reserve gehouden delen van de divisie’ aan De Boer werden overgedragen. Daarom komt Golla met de volledige opsomming van die reserves en betrekt daarbij alle bij Waalhaven gelande delen van IR.47 en IR.65, 7./IR.16 (dat overigens helemaal niet tot de reserve behoorde maar aan de Noord lag tussen Zwijndrecht en Hendrik Ido Ambacht), II./FJR.2, vier pelotons infanteriegeschut, het luchtgelande deel van Sani.Kp.7, de gehele batterij para artillerie alsmede twee volledige batterijen geschut van AR.22. Daarnaast delen van de PVK en drie compagnieën van IR.72. Het zou een strijdmacht van ruim over de 1.000 man hebben opgeleverd, wat daarom dan weer opvallend inconsistent is met de eveneens door Götzel genoemde sterkte van 557 man.

Golla is in 2007 door auteur dezes o.m. op deze ronduit onjuiste becijfering en specificatie aangeschreven en ter onderbouwing van die kritiek voorzien van (voor Golla) aanvullende bronnen zoals de verslagen van de PVK en I./IR.72. Uit deze correspondentie ontstond overigens een voor beide partijen buitengewoon leerzame samenwerking ten aanzien van de reconstructie van gebeurtenissen op het Zuidfront Vesting Holland. Het leidde ertoe dat de in 2013 uitgegegeven Engelstalige versie van Golla zijn boek (voor de Britse en Amerikaanse markt) dezelfde samenstelling van de Gruppe de Boer zal weergeven als hieronder door auteur dezes wordt weergeven.

Waaruit bestond de Gruppe de Boer nu dus naar alle waarschijnlijkheid werkelijk? Het verslag van I./IR.72 geeft een helder overzicht. Het lijkt een zeer accurate weergave van de samenstelling van de Gruppe de Boer, te meer omdat een cijfermatige koppeling aan de opgesomde eenheden opvallend accuraat aansluit op de door Götzel aangegeven sterkte van 557 man [412]:

» Der Kampfgruppe gehörte an: Vom I./IR.72  Btl.-Stab,2 Züge 2.Kp., 3.Kp. sowie 5 s.M.G. und 2 Granatwerfer 4.Kp., ausserdem der Führer Oberstleutnant De Boer mit dem Rgt.Stab A.R.22, 1 Battr. 7,5 cm Gebirgsgeschütze, ½ Fallschirmjäger-Pak-Kp. sowie 1 Zug Fliegergeschütze . «

Uitgaande van de sterkte van deze luchtlandingseenheden, bestond het dus uit een bataljons- en regimentsstaf (inclusief verbindingspelotons), tezamen ongeveer 100 man; vijf pelotons infanterie en twee Kompanietrupps, tezamen ongeveer 240 man; vijf zware mitrailleur en twee mortierstuksgroepen, tezamen ongeveer 60 man; een batterij houwitsers van AR.22, bestaande uit circa 80 man; een halve batterij geschut van de parachutisteneenheid, ca 25 man, en één of twee pelotons antitankgeschut, bestaande uit ca. 30-60 man.

Dat geheel komt inderdaad rond de 560 man uit waar Götzel op duidde [500]. Infanteriegeschut, zoals door Brongers geduid, behoorde in het geheel niet tot de sterkte. Daar komt bij dat het nog maar sterk de vraag is of er wel zes stukken PAK waren aangesloten. De weergave van IR.72 [412] klopt ten aanzien van dit punt vermoedelijk niet. De uitgebreid verhalende kroniek van de PVK [479], door Götzel – die zelf het deel van zijn compagnie in de Gruppe de Boer leidde – geschreven, vermeldt dat slechts één peloton met drie stukken bij de Gruppe de Boer aansloot en dat dit bovendien alle PAK was die zich in de Gruppe de Boer bevond. Götzel onderschrijft overigens wel de samenstelling zoals deze in het gevechtsverslag van IR.72 werd vermeld. De afwijking is dus één peloton PAK.

Uiteindelijk houdt dit dus de volgende samenstelling van de Gruppe de Boer in, die men als zeer betrouwbaar zou kunnen aanvaarden:

Gevechtseenheid Onderdeel Sterkte Zware wapens
Regimentstaf (incl. verbindingspel.) AR.22 ca. 50-60 man
Bataljonsstaf (incl. verbindingspel.) St-I./IR.72 ca. 50-60 man
Twee pelotons infanterie incl. Cie staftroep 2./IR.72 ca. 90-100 man
Complete compagnie infanterie 3./IR.72 ca. 150 man
Peloton zMG, mitrailleurgroep plus half mortierpeloton 4./IR.72 ca. 60 man 5 x zMG, 2 x Mr 8,1 cm
Batterij berggeschut 5./AR.22 ca. 80 man 4 x Skoda GebK15 7,5 cm hw
Halve batterij berggeschut Fjr.Ges.Bt ca. 25 man 2 x Skoda GebK15 7,5 cm hw
Peloton antitankgeschut Fjr.Pz.Jgr.Abt.2 ca. 30 man 3 x PAK 36 vuurmonden


Bovenstaande samenstelling leidt tot een totaal van 535-565 man. De troepen van I./IR.72 werden geleid door de bataljonsstaf van I./IR.72 onder de Major Krüger (2) terwijl de gehele Gruppe werd geleid door Oberstleutnant De Boer. De hoofdmacht werd in twee min of meer gelijke delen vervoerd. Een klein laatste deel van de Gruppe werd pas in de avond aangevoerd. Uit het verslag van I./IR.72 [412] valt slechts te isoleren dat die laatste kleine formatie in elk geval bestond uit een peloton van 3./IR.72 en enige militairen van 4./IR.72. In de eerste fase werden er dus bij de begraafplaats onder Dordrecht slechts zo’n 250 man afgezet [ca. 1400 uur], gevolgd door ongeveer een gelijkwaardige groep [ca. 1530 uur] waarna nog een formatie van ca. 50 man rond 1645 uur arriveerde.

(2) Major Walter Krüger (*26 maart 1902, + 12 augustus 1958). Eindige de oorlog als Oberst (per 1 november 1943). Zou in Dordrecht zwaar gewond raken en EK.1 en EK.2 krijgen toegekend.

Tenslotte, ter vervolmaking van het overzicht, de overige inzet van daadwerkelijk gelande delen van IR.72. Zoals eerder besproken waren 1./IR.72 en 6./IR.72 elders geoccupeerd. [412] Eén Zug van 2./IR.72 werd als parate verdediging van Waalhaven aangehouden. Hoewel het een deductie door auteur dezes is, is het zeer aannemelijk dat voorts een Halbzug sMG en een Granatwerfergruppe van 4./IR.72 waren verdeeld over de twee compagnieën die in het westen en noordwesten van het eiland IJsselmonde opereerden. Bekend is bijvoorbeeld dat het bij Hoogvliet opererende 1./IR.72 de Nederlanders bij Spijkenisse met 8 cm mortieren bestookte. Aangezien de overige gelande delen van 22.ID nauwelijks over mortieren van 8 cm beschikten, is het onwaarschijnlijk dat deze schaarse middelen door 22.ID aan 1./IR.72 zijn afgestaan. De voornoemde dislocatie van de overige gelande onderdelen van IR.72 toont de logica aan achter hun ontbreken bij de Gruppe De Boer.

[De bronnen vindt u hier]