Overste Jo Mussert - een geval apart

Inleiding

Overste Jo (Josephus - roepnaam Jo of Johan) Mussert is een buitengewoon opmerkelijke centrale figuur in de strijd rond het zuidfront. De man, de functionaris en zijn context zijn daarom zeer interessant om uit te lichten. Dat wordt in twee delen gedaan. Het eerste deel is een zogenaamde proloog en behandelt de aanloop naar de Tweede Wereldoorlog. Het tweede deel zal de handel en wandel van de overste beschouwen tijdens de strijd en vooral het oordeel dat hem ten deel viel - en nog steeds valt. Want over dat (voor)oordeel in het publieke domein – dat hem vooral ook in de kringen van veteranen ten deel viel – kunnen we duidelijk zijn: Mussert was politiek niet fris!

luitenant-kolonel J.A. Mussert

Dat auteur daar na uitvoerig onderzoek een stuk genuanceerder over denkt, zal geleidelijk aan duidelijk worden. Overste Mussert zou zich in de bespreking van de meidagen profileren als een in menig opzicht uiterst ongelukkige leider, als een ongeschikte bevelhebber, maar eveneens als een functionaris die in essentie militair-tactisch helemaal niet  on-wijs dacht, die juist bijzonder plichtsgetrouw handelde en vooral als een persoon die de kop van jut van Dordrecht werd. En niet alleen dat laatste, want hij werd in feite het afwaterputje waar alle frustratie over de inval, de mislukte defensie en de staat van het leger, samenkwam. Hij was echter ook een offerlam dat nadrukkelijk zichzelf als zodanig aandiende door zijn profiel, door zijn narcistische houding, wegens zijn onwrikbare opstelling en door zijn curieuze optreden jegens anderen. Een man – in ieder geval – die wegens zijn nauwe familiebanden met de leider van de NSB bij voorbaat veroordeeld was toen het Duitse leger op 10 mei 1940 Nederland binnenviel. Jo Mussert werd net als Nicolaas Rost van Tonningen - broer van de partij-ideoloog van de NSB Meinoud Rost van Tonningen - slachtoffer van het vooroordeel dat het 'verraad' in het bloed zat. Zo werd kapitein-ter-zee Nicolaas Rost van Tonningen, Commandant Maritieme Middelen Amsterdam tijdens de meidagen, door een doorgedraaide kapitein der mariniers met pistoolschoten zwaar gewond op 13 mei, in de veronderstelling dat hij (net als zijn broer) wel een verrader zou zijn. Daar was echter geen sprake van. Van Tonningen kon het echter gelukkig navertellen en zou het nog tot vice-admiraal schoppen. Dat gold niet voor Jo Mussert, die op 14 mei zou worden vermoord wegens de vakkundige karaktermoord die tijdens de meidagen zou plaatsvinden en hem, voor menigeen, als gecertificeerde verrader afficheerde.

Zaken zullen vooral worden geplaatst in een zo eerlijk mogelijke context. Een context waar ze nadrukkelijk uitgerukt werden tijdens en vooral na de meidagen van 1940 door vele strijders en veteranen en, in hun navolging, een aantal auteurs. Daar waar Nierstrasz, de Jong en Calmeijer de overste nog ‘the benefit of the doubt’ gaven in hun conclusies, waren anderen – vooral ook vele veteranen – ervan overtuigd dat de overste een verrader was geweest. Nog in 2003 schreef de majoor [buiten dienst] Hans Kleingeld een beknopte ‘studie’ in eigen beheer waarbij hij overste Mussert min of meer identificeerde als een verrader. Althans hij formuleerde het voorzichtiger: ‘wat had er nog meer moeten gebeuren om een verdenking van verraad te rechtvaardigen?’ Het leverde Kleingeld een optreden voor de radio op in 2006, waarin hij zijn flinterdunne en helaas uiterst tendentieuze onderzoekje mocht uiteenzetten. Nog steeds wordt zijn onacademische onderzoekje als voorname bron gebruikt door allerlei media en instanties die de zaak bespreken.

Als zaken uiteindelijk in een nuchtere context worden teruggeplaatst dan zal blijken dat de conclusie van generaal Nierstrasz in 1963 uiteindelijk een hele accurate conclusie bleek: ‘Er was voor deze verdenking van verraad onvoldoende grond en het gehele optreden moet op rekening van overspannen zenuwen onder oorlogsinvloed worden gesteld’. Dat Nierstrasz daarmee de kern van de zaak raakte – en daarbij zowel Mussert als zijn entourage in één zin wist te typeren – is buitengewoon knap te noemen. Anderzijds kunnen wij ons afvragen of belangrijke gebeurtenissen het publieke domein wel hebben bereikt. En als dit niet zo is, in hoeverre het oordeel van Nierstrasz en Calmeijer dan 'geregiseerd' is geweest. Overigens zal net zo goed blijken dat de door Calmeijer zo juist getypeerde 'verdenking' ook sterk verbonden was met zijn eigen handelen tijdens de meidagen!

Bezwaarlijk bij de vorming van een goed portret van de overste is dat vrijwel alle informatie [Centraal Archief Bijzondere Rechtspleging] achter slot in grendel zit bij het Nationaal Archief. Het dossier Mussert is geheim en wordt voor een belangrijk deel niet ontsloten tot 75 jaar na datum van het verschijning van het naoorlogse onderzoeksrapport door de evaluatiecommissie [onderdeel van commissie 'Zuivering Officieren' onder voorzitterschap van luitenant-generaal J.J.G. van Voorst tot Voorst]. Deze geheimhouding impliceert overigens bepaald niet dat de overste een verrader was; zelfs niet dat er terzake informatie is die voor personen schadelijk is of gevoelige prive informatie bevat. Het nadeel van het geheel is dat er van diverse centrale figuren in de strijd rondom Dordrecht geen openbare verslagen te verkrijgen zijn. Dit geldt in het bijzonder voor de adjudant van de overste, de toenmalige kapitein G. van der Mark. Hierdoor ontbreekt helaas ten aanzien van het kantonnementsbeleid tijdens de strijd veel informatie.

Jo Mussert is in de geschiedenis weggezet als een uiterst dubieus figuur. De man was het slachtoffer van grotendeels opzettelijke karaktermoord. Hoewel hij na de meidagen uitdrukkelijk werd gerehabiliteerd, hebben de officiële (en populaire) geschiedschrijvers Mussert dat eerherstel nimmer zo onomwonden overgenomen. In tegendeel. Vele lieten tenminste een zweem van verdachtmaking hangen, anderen kwamen met ongefundeerde (volgehouden) beschuldigingen. Niemand maakte het overigens zo bont als Kleingeld, die niet alleen Mussert impliciet veroordeelde, maar bovendien zijn moordenaar expliciet vrijpleitte. Ten aanzien van Jo Mussert doet zich helaas de macabere wetmatigheid gelden dat als er maar lang en massaal genoeg karaktermoord wordt gepleegd, er uiteindelijk altijd een vorm van verankering van dergelijke beeldvorming ontstaat. Jo Mussert is een sprekend voorbeeld van een door karaktermoord onjuist (in de geschiedenisboeken) getypeerde persoon.

Carriere

Josephus Adrianus Mussert werd in december 1880 geboren in Werkendam. Nadat hij in 1904 als 2e luitenant der artillerie was aangesteld, diende hij tot 1918 bij dit wapen als werkelijk artillerist. Daarna maakte hij de overstap naar het korps Pontonniers en Torpedisten, dat echter tot 1927 onder het Korps Artillerie viel en pas nadien onder het Korps Genie zou worden gesorteerd. De koppeling torpedisten en artillerie kwam voort uit de betrokkenheid die beide dienstvakken met zogenaamd 'ernstvuurwerk' (springstoffen) te maken hadden.

Hij zou zich vanaf dat moment vrijwel uitsluitend met het torpedistenvak bezig houden en hij groeide daarin uit tot een autoriteit. Zo zeer zelfs dat hij (in de rang van majoor) Hoofdinspecteur van de Torpedisten was en in november 1937 aangesteld werd als commandant van het Korps Pontonniers en Torpedisten q.q. commandant van het korpsdepot te Dordrecht. Gelijktijdig kreeg hij in 1937 de strategische (oorlogs)staffunctie van Hoofd bureau Bruggen en Veren bij de Directie Etappen en Verkeersdienst, welke functie Mussert formeel innam toen de algemene mobilisatie in augustus 1939 werd afgekondigd. Van die functie werd hij echter op 5 maart 1940 ontheven. Medio maart 1940 werd hij (opnieuw) aangesteld als commandant van het Depot Pontonniers en Torpedisten te Dordrecht en daarmee tevens kantonnementscommandant.

Dat overste Mussert van zijn staffunctie ontheven werd, was geen toeval. Daaraan gaat een geschiedenis vooraf die deels duister is. Niet zozeer duister vanuit de persoon van overste Mussert zelf, maar doordat hij als persoon door de geschiedenis duister is weggezet. Dat duistere plekje zal worden verlicht.

Politiek in het interbellum

De politieke ontwikkelingen van de dertiger jaren vertonen enige overeenkomst met de ontwikkelingen die sinds midden jaren negentig waarneembaar zijn in de moderne politiek. Voor een beter begrip kan op sommige momenten een vergelijking helpen. Om een goed referentiekader te ontwikkelen wordt uitvoerig ingegaan op de politieke achtergrond waartegen zaken dienen te worden afgezet - als men tot een gewogen oordeel wil komen althans.

Rechtse politiek heeft zelfs vandaag de dag nog een zweem van verbondenheid met de nationaal socialistische politiek die de NSDAP voorstond in Duitsland en die mede de aanleiding zou worden voor de macht die Adolf Hitler in 1933 zou verwerven. In de actualiteit worden partijen, die zich anno nu nieuw aan het politieke front hebben gemeld en die een rechtse signatuur hebben, zonder enige gene door sommige (tegen)activisten vergeleken met Hitler Duitsland. Dat lot viel Ernst Janmaakt en Pim Fortuyn reeds ten deel en recenter nog Geert Wilders en Rita Verdonk. De laatste nota bene al als VVD politica. Het is ronduit bizar dat zelfs tegenwoordig rechts-populistische partijen met gebruik van nazi metaforen worden getypeerd. De theorie van Godwin doet daarbij volledig opgeld. Het zegt veel over een gebrek aan kennis, een gebrek aan inzicht en vooral een gebrek aan geschiedkundig besef van die individuen die een politiek verschil van inzicht zo willen (stereo)typeren. Het geeft daarbij - politiek historisch gezien - ook geen pas. Het waren bijvoorbeeld voornamelijk op socialistische moralen gestoelde ideologieën die de meeste politieke moorden in de 20ste eeuw op hun conto konden schrijven. Een gegeven dat menigeen gemakshalve schijnt te vergeten als men bij gebrek aan verfijnde redenaarskwaliteiten moderne rechtse politiek veel te gemakkelijk in een WOII context plaatst. Dezelfde denktrant doet sommige mensen helaas blokkeren om complexe kwesties - zoals die van overste Jo Mussert - zonder politiek vooroordeel te (kunnen) beschouwen.

Zoals links georiënteerde partijen vaak een antwoord willen zijn op een zeer kapitalistische samenleving of een samenleving met extreme ongelijkheid, zo zijn rechtse partijen juist vaak een antwoord op een overdreven nivellering van de samenleving, de sterke herverdeling van rijkdom en accelaratie van (progressief) beleid. In het huidige era lijkt de nieuwe opkomst van rechtse partijen een antwoord op vooral twee zaken: een integratieprobleem dat voor een deel van de samenleving vooral als een aanslag op de cultuureigenheid en het verlies van normen en waarden wordt gezien en het feit dat de samenleving hoe langer hoe meer bestuurbaarheid en gezagserkenning lijkt te verliezen. In de jaren dertig was de opkomst van rechts vooral een reactie op de voor die tijd bijzonder snelle verandering die de sociale revolutie teweeg had gebracht. De hogere klasse voelden zich bedreigd in hun verworvenheden, zagen hun rechten en aanzien slinken en weten de depressie en wanorde van de jaren twintig en dertig vooral aan die sociale omslag. Ook heel specifieke zaken speelden een rol, zoals de concessies die de Nederlandse politiek (voor een deel) wilde doen aan België ten aanzien van bijvoorbeeld de ontsluiting van de Antwerpse haven. In het bijzonder notabelen en mensen in de midden en hoge klasse voelden zich verbonden met het nationalistische denken. Het was de aanleiding begin jaren dertig voor relatief veel beroepsofficieren om zich actief met de nationalistische politiek in te laten. Het overwegend gematigd georiënteerde Den Haag zag de bui hangen en verbood snel de beroepsofficieren lid te worden van politieke partijen. Pas later in de jaren dertig werd de gewone man ook door het nationalistische denken gepakt. Dat was vooral het geval bij de zogenaamd nationaal-socialistische partijen die ontstonden en die sterk appelleerden aan de emancipatie van de arbeider, maar tegelijkertijd een sterke staat nastreefden met een duidelijke ontdemocratiserende ambitie.

Dit rechtse (en nationalistische) denken was niet zomaar ontstaan en ook zeker niet typerend voor Nederland, maar een vrij brede reactie op de linkse revolutie die over heel Europa en de Sovjet Unie spoelde. Geen land ontsprong de dans, hoewel vanzelfsprekend de gevolgen overal anders waren. In Frankrijk was een sterke linkse stroming aan de macht gekomen tijdens het interbellum (en reeds daarvoor actief geweest), in Duitsland was het zelfs aanleiding voor de capitulatie van 1918 geweest. In de Sovjet-Unie was de Novemberrevolutie [1917] de aanleiding voor een nieuw idealistisch - op Marxisme geschoeid - regiem geworden. De VS werd gedomineerd door sociaal en pacifistisch denken. Nederland deelde in die vloedgolf van sociale hervorming en herijking. De tamelijk milde Troelstra revolutie in november 1918 was al vooraf gegaan door muitende soldaten. De door de socialisten geïnitieerde opstand der arbeiders werd door het nog gemobiliseerde leger in de kiem gesmoord en was zelfs de aanleiding voor de oprichting van een politioneel beroepscontingent [Politietroepen] dat in mei 1940 zijn mannetje zou staan.

Hoewel de revolutie niet doorzette, was het Nederlandse 'establishment' geschokt. Er werden snel concessies gedaan om de sociale onrust te sussen. Vrouwenstemrecht werd ingevoerd, werktijden werden genormeerd en aangepast en sociale omstandigheden verbeterd. Helaas zou het economische tij tegen blijven zitten zodat de sociale onrust bleef sluimeren. Na een korte (matige) bloeiperiode in de jaren na 1918 was het vanaf 1927 over met de pret. Een ongekende wereldcrisis gloorde, en de sociale onrust groeide weer. Nederland moest ongekend bezuinigen, waarbij tientallen procenten salaris moesten worden ingeleverd en menigeen duurzaam op straat kwam te staan.

In Nederland bereikte de nieuwe malaise in de militaire sfeer zijn climax in 1933 met de muiterij op de kruiser Hr. Ms. Zeven Provinciën, die in februari van dat jaar plaatsvond in Indische wateren. De muiterij werd krachtig neergeslagen, maar het was voor heel militair Nederland een teken aan de wand. De socialistische beweging achtte men (de Regering) een levensgevaarlijke stroming, die het gezag en de eenheid in het land ondermijnde. Het gevolg van de muiterij op het marineschip was echter wel dat beroepsmilitairen zich niet meer openlijk mochten engageren met politieke bewegingen of partijen.

Dat een groot deel van het land links georiënteerd was, leidde evident ook tot een linkser beleid, althans een beleid waarbij bijvoorbeeld defensie bepaald geen prominente rol kreeg, behalve in de mate waarin men moest inleveren. Men was dit nieuwe, weinig sterke - en door conservatieven als non-autoritair bestempelde - beleid niet gewend. In feite was de landelijke politiek tot 1919 het alleenrecht geweest van de (al dan niet godvrezende) klassiek liberaal georiënteerde partijen en die hadden zich conservatiefrechts opgesteld. Met de invoering van het vrouwenstemrecht en de sociale revolutie in Europa kantelde de politiek mee. De verschrikkingen van de Eerste Wereldoorlog, de oprichting van een Volkenbond en de eerder genoemde elementen leidden tot een politiek die vrijwel iedere beroepsmilitair verafschuwde. Het leger werd ronduit afgeknepen, verloor ieder gezag in politiek Den Haag en het metier van beroepsmilitair werd inmiddels als een minderwaardig vak gezien. Werkelijk alle voorwaarden werden geschapen om beroepsofficieren in de handen van rechtse en nationalistische partijen te drijven. Partijen die streefden naar herstel van de oude normen en waarden en een veel sterkere nationale overheid. Er stonden regelmatig beroepsmilitairen (mede) aan de wieg van een nieuw rechts geluid …

Zodoende ontstonden in de dertiger jaren heel veel rechtse en nationalistische (splinter)partijen. Het gros is onbekend gebleven, maar een aantal bereikte de Tweede Kamer met een of meerdere zetels. Een partij die uiteindelijk als enige werkelijk grote bekendheid vergaarde was de Nationaal Socialistische Beweging, die halverwege de dertiger jaren kon rekenen op een aanzienlijk aantal stemmen en sympathisanten. Dat had de NSB niet alleen te danken aan het feit dat zij (ook) de hogere klassen aansprak met haar hang naar gezagsherstel, maar eveneens aan de beginjaren van de regering Hitler. Slechts weinigen zagen nog het kwaadaardige element in de nationaal socialistische politiek. Velen zagen het schijnbare wonder dat de nazi’s in Duitsland bewerkstelligden, de herijking van een sterk gezag en omdat de NSB bepaalde elementen van de nazi’s had geadopteerd (of al in haar oorspronkelijke streven kende), kreeg de partij enige tijd veel aanhang. Dat veranderde nadrukkelijk toen ook de NSB zich in het etnische aspect begon te verdiepen en enkele van haar voorlieden zich actief antisemitisch begonnen te profileren; althans sympathie toonden voor de nieuwe Duitse Rassenwetten. Anton Mussert zijn uitgesproken steun voor Italië in haar monsterlijke campagne in Ethiopië (toenmalig Abessinië) kalfde ook het NSB electoraat aanzienlijk af.

Toch waren zelfs de etnische passages voor veel nationalistisch georiënteerde officieren en notabelen geen aanleiding het overige deel van het NSB gedachtegoed te vergeten. Een relatief groot contingent beroepsofficieren bleef stil sympathisant van de partij. Een gegeven dat sommige hunner in latere tijden zou opbreken, anderen tot feitelijke collaboratie zou brengen toen de Duitse bezetting eenmaal was ingetreden. Weer anderen keerden zich echter juist af van de NSB na de inval.

De NSB werd op 10 mei 1940 in één klap een partij die gelijk stond aan landverraad. Al in de aanloop naar mei 1940 had de partij zich in toenemende mate sympathiek uitgelaten over het Hitler regiem, en de ‘armen over mekaar’ boodschap van voorman Anton Mussert vlak voor de oorlog had daarbij niet geholpen. Het leidde ertoe dat NSB’ers vanaf 1939 ook door de autoriteiten werden gezien als potentieel vijandig, wat zich ultiem vertaald zag in de arrestatie van een aantal prominente NSB leden tijdens de laatste fase van de mobilisatieperiode en de demobilisatie van reserve-kader met gekende NSB sympathieën. Overigens werden ook communisten toentertijd als subversieve elementen gezien, wat nadrukkelijk bleek uit de aandacht die zij van de inlichtingediensten kregen en de betrokkenheid van drie hunner bij de prominente (eenentwintig)gedetineerden in mei 1940.

Het feit dat de NSB uiteindelijk een foute organisatie zou blijken te zijn tijdens de oorlog, doet er niets aan af dat zij vóór de oorlog hoogstens als een politiek uitzonderlijke partij werd gezien. Zou de Tweede Wereldoorlog aan Nederland voorbij zijn gegaan dan zou de NSB, lang niet zo sterk als nu analoog geweest zijn aan een begrip als (land)verraad. Het is zelfs maar de vraag of de partij anno nu überhaupt een redelijke bekendheid had genoten als de zaken zo zouden zijn verlopen.

Officieren die sympathiseerden met de rechtse partijen in de jaren dertig – onder wie prominenten als de oud opperbevelhebber Snijders en de oud chef-staf Seyffardt – werden daarvoor vooral ver- en beoordeeld toen de inval reeds een feit was geworden. Voordien waren beide generaals eerder de meest voorname militairen die een voorhoede vormden van een aanzienlijke groep (voormalige) beroepsofficieren die in stilte – wegens het verbod op actieve steun en lidmaatschap – het rechtse gedachtegoed aanhingen. Hoofdrolspelers aan het zuidfront – die prominent betrokken waren bij nationalistische politieke partijen – waren bijvoorbeeld de chef-staf Groep Kil, de kapitein Calmeijer, en de kantonnementscommandant van Rotterdam, kolonel Scharroo. Niet verwonderlijk dat zij zich daarvoor niet schaamden, want de bij beroepsofficieren hoog in aanzien staande generaal Snijders was immers actief bij de zeer rechtse VNH [Verbond voor Nationaal Herstel], die in 1937 nog zocht naar samenwerking met de succesvollere NSB. Het is alleen met de kennis van nu – met de kennis vanaf mei 1940 – dat wij vooral veroordelend en veel minder beoordelend naar een dergelijke verbondenheid met rechts of nationalistisch gedachtegoed kijken. De vraag is of dit wel eerlijk is, of dit wel recht doet aan een juiste beschouwing van de waarde en aard van die verbondenheid, die toenmalige beroepsmilitairen voelden met het streven naar sterk gezag en het herstel van oude normen en waarden.

Het bovenstaande betoog is bedoeld om de sterke verbondenheid van veel beroepsmilitairen met het nieuwe rechtse en/of nationalistische gedachtegoed in hun eigentijdse context te plaatsen. Het achteraf puur op rechtse sympathieën veroordelen van officieren is onzuiver en oneerlijk. Zoveel zou duidelijk moeten zijn. Tegelijkertijd is het begrijpelijk dat juist zij die door de gemeenschap bij voorbaat al aan nationalistische partijen konden worden verbonden, in het bijzonder de openlijk met Hitler-Duitsland flirtende NSB, in mei 1940 door vrijwel de gehele gemeenschap bij voorbaat werden gewantrouwd. Overste Mussert was niet de enige die dat overkwam, wel de bekendste en dat verwondert niet, daar zijn broer natuurlijk de voorman was van de NSB.

Overste Mussert had bij voorbaat een stigma. Maar wat had hij daar zelf eigenlijk aan gedaan?

NSB en algemene statuur

De vader van Jo en Anton Mussert was directeur van een lagere school in Werkendam, terwijl moeder voor haar huwelijk met Mussert onderwijzeres was geweest. Vader stond bekend als autoritair, maar vooral als een conservatief liberaal, hoewel het gereformeerde geloof werd aangehangen en het Koningshuis hoog in het vaandel stond. Hij was lid van de Bond van Vrije Liberalen. Die partij was ontstaan in 1906, en voor WOI een zeer machtige politieke stroming in Nederland. In 1921 ging de Bond op in de 'Vrijheidsbond' ofwel de Liberale Staatspartij [ook wel LSP genoemd]. De partij zou in 1946 opgaan in de Partij van de Vrijheid. De Liberale Partij, hoewel ook op liberale leest geschoeid, was een concurrent van de LSP. De LSP was een uiterst conservatieve partij, die haar achterban vooral vond in de zakenwereld en de traditionele middenklasse. Vader Mussert zelf stond bekend als een man die conservatief en zeer streng was, die streefde naar een hoge mate van fatsoen, naar orde en tucht en als een fervent royalist bekend stond. Zoon Anton werd naar voorbeeld van vader eveneens lid van de LSP. Dat zou niet al te lang duren, zoals bekend. Hij zou eind jaren twintig de basis gaan leggen voor de NSB, waarbij zijn frustratie over de Nederlandse medewerking aan een ontsluitingskanaal door Noord-Brabant (ten faveure van de Belgische haven Antwerpen) hem vooral als motivatie voor stond. De NSB streefde in tegenstelling tot de Liberalen juist een grote sterke, haast alles bepalende staat na. Jo Mussert - oudste zoon in het gezin - koos kennelijk niet voor de LSP, maar voor de beduidend kleinere Liberale Partij, hoewel deze laatste partij veel klassiek liberale uitgangspunten zoals een zeer kleine staat met evident lage budgetten, grote individuele vrijheid en lage belastingen nastreefde. Uitgangspunten die merendeels haaks stonden op die van de NSB.

Jo Mussert was dan ook geen lid van de NSB. Dat kon ook niet, want het was beroepsofficieren (net als andere ambtenaren) in 1934 - kort na het oprichten van de NSB - verboden zich te liëren met politieke partijen. Dat hij zich met het gedachtegoed van de NSB sterk vereenzelvigde is zelfs twijfelachtig. Zijn broer Anton en hij hadden - voor zover na te gaan - een redelijk goede maar ook koele band. Zijn vrouw Dora [Theodora C.M. van der Kaaij] was echter veel gezien in NSB kringen en Jo's oudste dochter Thea was bij de Jeugdstorm, de jongerenafdeling van de NSB. De andere kinderen waren geen lid. Overigens verloor het gezin Mussert maar liefst drie kinderen op zeer jonge leeftijd in de jaren twintig en dertig. Geen sinecure!

Jo Mussert hing in de jaren twintig dus de Liberale Partij aan. Dat was geen fascistoïde beweging; in tegendeel. Hij was een overtuigd klassiek-liberaal en koningshuisgezind. Zijn vrouw Dora zou wel lid worden van de NSB in 1934 en zij was ook uitgesproken fanatiek. Ze liet zich regelmatig als activief lid zien, was bij diverse bestuurs- en commissiewerkzaamheden actief binnen de NSB en was betrokken bij het verspreiden van de partijorganen. Overste Mussert zal in beginsel wellicht ook geporteerd zijn geweest van de 'jonge' NSB, wat een partij was die zich conservatieve en autoritaire doelstellingen tot uitgangspunt had gesteld. Toen broer Anton zich onder invloed van extreme krachten binnen de NSB geleidelijk aan steeds meer fascistoïde uitgangspunten ging aanmeten en zich meer en meer aan de Duitse nazi's ging spiegelen, moet een schisma zijn ontstaan tussen Jo en Anton.

In december 1936 zou Jo Mussert zijn echtgenote nog voor enige opschudding zorgen doordat zij tijdens een defilé wegens een jubilieum van het Korps Pontonniers en Torpedisten, terwijl het Wilhelmus werd gespeeld, de NSB groet bracht. Dit was de kapitein-adjudant Van der Mark opgevallen en deze had dit aan de overste Vaillant, toenmalig Korpscommandant, gemeld. Het leverde Mussert een audiëntie op in Den Haag, waar hij samen met zijn echtgenote een ferme waarschuwing kreeg van de inspecteur der genie.

Uiteindelijk was het zo dat Jo Mussert in 1938 zijn vrouw oplegde haar lidmaatschap op te zeggen, omdat het zijn militaire carriere schaden zou. Dat dit enerzijds meer een handeling uit berekening dan uit overtuiging kan zijn geweest, is een gegeven, maar anderzijds getuigden Mussert zijn zoons naoorlogs van een daadwerkelijk schisma in het gezin. Woest kon Jo worden om uitlatingen of handelingen van zijn vrouw, hoewel tegelijkertijd de band tussen beide goed bleef. De zoons stellen - naoorlogs uiteraard - dat vader niet alleen wegens zijn carriere de denkbeelden van zijn vrouw bestreed. Het is uiteraard de vraag in hoeverre zij oprecht over deze gebeurtenissen getuigen, maar ze zijn vooralsnog de enige contemporaine bron die over deze materie iets melden. Er is wel een getuigenis over de een-na-oudste zoon van Jo Mussert, Joan (spreek uit als Johan zonder h). Deze deed in mei 1940 dienst als sergeant bij 2-10.RA, de batterij 10-veld, waarvan een sectie aan de Zalmhaven te Rotterdam werd ingezet voor vuur met directe richting op de Duitse luchtlandingssector. Een batterijgenoot van Joan Mussert - die overigens wegens een zeer moedige daad voor een onderscheiding werd voorgedragen - verklaarde dat Mussert zich uitsluitend misprijzend over zijn oom uitliet en tijdens de meidagen eens uitviel tegen iemand - na de zoveelste loyaliteitsvraag "je moest eens weten hoe ik mijn oom haat!". Een verklaring uit onverdachte hoek en eentje die ondersteunend is voor de bewering dat Jo Mussert en zijn zoons het niet op de NSB hadden, in die vooroorlogse tijd.

Jo Mussert noemde zijn jongste broer 'een dwaas' en wees Anton erop dat het met de NSB verkeerd zou aflopen als de Duitsers Nederland de oorlog zouden verklaren. Jo Mussert had zijn zonen in die zin mee, zo wordt door de familie zelf beweerd. Zijn twee oudste zonen, waarvan Joan dus als sergeant gemobiliseerd was en bij 2-10.RA diende, distantieerden zich evenzo van de NSB. Volgens een recent onderzoek naar zijn kinderen door het Nationaal Archief, was er zelfs sprake van een scheuring in de familie in politieke zin. Er werd gesproken van 'papa of mama kinderen', ofwel kinderen die de NSB een warm hart toedroegen (mama) en kinderen die zich daar juist uitgesproken van distantieerden (papa). Het bleek dat de dochters van Jo Mussert meer naar hun moeder trokken, en de zoons naar vader. De oudste zoon Dirk ontvluchtte het 'gespleten' nest al in de jaren dertig om via de KPM in Nederlands-Indië een nieuwe habitat te vinden. Desondanks zouden later twee zonen (Joan en Hans) dienst nemen bij de SS. Beide overleefden de oorlog en gaven aan dat ze hun besluit hadden genomen omwille van wat hun vader op 14 mei 1940 was overkomen. Dat is in elk geval voor één van de twee, Joan (die sergeant was bij I-10.RA in Rotterdam in de meidagen), waar geweest. Hij onderscheidde zich tijdens de meidagen, wat een indicatie was van zijn loyaliteit op dat moment. Die loyaliteit werd ook door batterijgenoten verklaard. Dora Mussert-vd Kaaij werd echter in september 1940 weer lid van de NSB, haar dochters waren al snel daarna ook aangesloten. De weduwe van overste Mussert stelde na de oorlog echter zeer uitdrukkelijk dat haar echtgenoot beslist geen NSB aanhanger was geweest en juist als 'Oranjeklant' in de familie bekend stond. Volkomen loyaal aan het vaderland, zo stelde zij. Het zal zo zijn geweest, naar alle waarschijnlijkheid, maar zo werd het niet ervaren door mensen, die de overste niet persoonlijk kenden, maar zich wel een oordeel permitteerden.

Zijn schijnbare verbondenheid met de NSB – die alleen al wegens zijn broer's positie in die beweging voor vrijwel een ieder boven enige twijfel verheven was – heeft hem zeker parten gespeeld in de laatste jaren vóór de oorlog, maar vooral vanaf het moment dat generaal Winkelman aantrad. Want het is zeer opvallend dat in de periode dat generaal Reynders chef-staf van het leger was [en per 28 augustus 1939 OLZ werd], overste Mussert een prominente staffunctie in Den Haag vervulde. Hij was in 1937 – toen Reynders de scepter zwaaide – aangesteld voor de oorlogsfunctie van Hoofd bureau Bruggen en Veren, terwijl hij als vredesfunctie in november 1938 voor het eerst depotcommandant van Dordrecht werd in opvolging van de kolonel Vaillant, die naar de Sectie V van het AHK werd gepromoveerd.

De oorlogsfunctie van de overste - van Hoofd bureau Bruggen en Veren - was een belangrijke functie in het toenmalige leger en een functie die gevoelige informatie ontsloot aan de ogen van de functionaris in kwestie. Hij was immers bij voorbaat op de hoogte van de locaties waar militaire bruggen en veerdiensten zouden worden ingericht voor de veldleger eenheden. Informatie die men toch bezwaarlijk openbaar wilde hebben.

Mussert stond qua persoonlijkheid bekend als een uiterst stijfkoppige en weerbarstige man. Norsheid, botheid, (af)blafferig, impulsiviteit, opvliegendheid, narcisme en bovendien een soms onwerkelijke eigenwijsheid waren karaktereigenschappen die aan hem werden toegeschreven in medische en overige beoordelingen voor- en naoorlogs. Bovendien werd hij ervaren als dogmatisch, dienstklopper en bijzonder clerikaal rechtlijnig in de benadering van regels en normen. Zaken die weliswaar aanleiding waren tot een vlekkeloos rapport als het aankwam op orde en netheid, maar die hem ook sorteerden als onbuigzaam en onpragmatisch. Het zijn zaken die tegenwoordig mogelijk zouden worden verbonden met een sortering onder de noemer 'narcistische persoonlijkheidsstoornis' of geestesaandoeningen met exponenten van dwangneurotische aard. Het zijn beoordelingen die met de noodzakelijke voorbehouden dienen te gaan, maar ze zijn zo talrijk en ook al in menig geval zo ver voor zijn naam door de meidagen werd besmet, dat ze vermoedelijk gepermitteerd zijn.

Mussert was zeer ernstig ziek geweest. In 1934 was bij hem een (goedaardig) gezwel verwijderd uit het hoofd, door een gedeeltelijke schedellichting. Op zich al opmerkelijk dat in die tijd een dergelijke complexe en risicovolle operatie succesvol verliep, maar het was zo. Er werd gemeld dat hij in de eerste periode na de operatie zekere geestesstoornissen vertoonde. Hij is van de eerste effecten van de operatie echter volkomen genezen, volgens zijn medische rapport. Onduidelijk is het in welke mate de ziekte en de daaropvolgende operatie een blijvend effect hadden, zeker als er sprake zou zijn van grote prestatiedruk. Duidelijk is wel dat ook voor de ziekte Mussert al een grote mate van overdreven autoritair gedrag vertoonde. Gedrag dat ook aan zijn vader reeds werd toegeschreven. Het is daarom zeer aannemelijk dat dit gedrag niet naoorlogs sterker is aangezet, te meer daar personen die met hem verkeerden en hem niet van disloyaliteit verdachten, ook aantekeningen maakten bij zijn karakter. Een 'ronduit stugge persoonlijkheid' was de meest positieve beschrijving. Anderzijds dient men zich bewust te zijn dat de autoritaire houding van beroepsofficieren met de paplepel was ingegoten in het Nederlandse leger. Normaal autoritair gedrag werd toentertijd beslist niet snel als een gebrek, eerder als een deugd aangetekend. Dat bij Mussert stelselmatig wel werd aangetekend dat hij uiterst autoritair was, moet dus als indicatie worden gezien van een opvallende karaktertrek.

Bij de mobilisatie werd Mussert aangesteld in zijn oorlogsfunctie en in Dordrecht opgevolgd door de reserve majoor De Stoppelaar-Blijdestein. Naar alle waarschijnlijkheid voldeed Mussert prima in zijn functie als Hoofd bureau Bruggen en Veren, totdat generaal Winkelman aantrad.

Ontheffing van functie

Men bedenke dat anno 1940 de NSB inmiddels ook bij de legertop een organisatie was die men sterk wantrouwde. Men was er huiverig voor officieren, die NSB sympathieën hadden, belangrijke functies te geven. Die overweging bij zijn meerderen was echter tot maart 1940 aan Mussert voorbij gegaan. Kennelijk was er voordien geen enkele reden geweest zijn loyaliteit in twijfel te trekken. Een nadere aanwijzing dat hij, in elk geval door zijn superieuren, niet van NSB sympathie werd verdacht.

Op 6 februari 1940 trad generaal Winkelman aan als de nieuwe OLZ. Dat betekende dat er veranderingen op til waren, hoewel men dat niet direct besefte. De nieuwe OLZ had echter opdracht de strategie aan te passen aan politieke verkoopbaarheid. Winkelman ging eerst op pad om samen met zijn eveneens nieuwe chef landmachtstaf [generaal-majoor H.F.M. van Voorst tot Voorst] de status van de stellingen te verkennen in den lande. Dat zou uiteindelijk een ruime maand later leiden tot een aangepaste strategie, waarbij de belangrijkste nieuwe troef de evacuatie van het Veldleger uit Noord-Brabant zou zijn. Een dergelijke evacuatie diende echter een goed bewaard geheim te blijven. Dat bleek ook wel uit het feit dat vrijwel niemand over deze evacuatie werd ingelicht, zelfs niet bij de onderdelen die deze nieuwe instructie zou betrekken in de grote verplaatsing die gepland werd. Alleen de hoogste veldcommandanten kregen in maart 1940 de nieuwe instructies te horen.

Een functionaris die over een dergelijke strategische component onweerlegbaar wél moest worden ingelicht, was het Hoofd bureau Bruggen en Veren. Die zou immers de grootschalige ter beschikkingstelling van mensen en middelen moeten coördineren voor de verplaatsingen van het 3e Legerkorps, de Lichte Divisie en de Brigades over de vele rivieren die ons land rijk was. En laat nu op die strategisch voorname stafpositie net de overste Jo Mussert zitten …

Het vergt niet al te veel fantasie om vast te stellen dat overste Mussert – toen hij op 5 maart 1940 een brief van zijn superieur [kolonel der GS H.H. Thoden van Velzen, Directeur Etappen- en Verkeersdienst] kreeg waarin hem werd medegedeeld dat hij weliswaar buitengewoon kundig was, maar dat zijn leiderschapstijl zijn commandant gebood hem elders in de organisatie van een passende functie te moeten voorzien – in feite zuiver omwille van zijn politiek kwetsbare profiel werd ontheven van zijn functie. Dat deze ontheffing niet werkelijk een kwestie was van zijn mankerende leiderschapstijl, maar een urgent ingegeven instructie ‘van bovenaf’, blijkt wel uit het feit dat pas twee weken later een nieuwe functie voor de overste beschikbaar kwam. Men heeft duidelijk even gewikt en gewogen met vermoedelijk de meest voorname overweging ‘kan hij de schade doen?’ als inzet van de casus. Dordrecht, waar de overste zijn vakmatige standplaats was, werd gezien als een locatie waar voorlopig geen vijandelijkheden zouden plaatsvinden en dus een veilige nieuwe habitat voor de plotseling omstreden overste. Bovendien had men weinig andere keuze gehad. De overste was een torpedist in hart en nieren, een specialist pur sang. Naar verluidt wilde generaal-majoor Vaillant hem als specialist niet missen. Men kon hem nauwelijks een andere functie bieden dan weer die van commandant Depot Pontonniers en Torpedisten in Dordrecht. Hij was dat tenslotte voordien ook al geweest. En aangezien de overste zelf een onbesmettelijke staat van dienst had, was ontslag in een tijd van een groot tekort aan beroepsofficieren niet aan de orde.

In een brief uit 1990 verklaart voormalig Mussert's kapitein-adjudant Gerardus van der Mark het vrij boud: 'Overste Mussert wordt teruggezonden naar het depot omdat hij niet vertrouwd werd.' Hoewel Van der Mark in zijn schaarse geschreven verklaringen zelden op eerlijke, rationele en betrouwbare vaststellingen te betrappen valt, lijkt deze 'analyse' aannemelijk. Anderzijds kan ze ook een stempel dragen van de sterke vooroordelen die specifiek deze officier voelde.

Jo Mussert werd dus uiteindelijk half maart (her)aangewezen als commandant van het Depot Pontonniers en Torpedisten. Een functie die gezien de importantie van zijn voorgaande verantwoordelijkheid ongetwijfeld als een degradatie c.q. demotie in crisistijd gevoeld zal hebben. In de tweede helft van maart 1940 nam de overste de functie op zich. In Den Haag was hij opgevolgd (1) door een reserve-majoor [die onmiddellijk tot reserve luitenant-kolonel titulair werd bevorderd, P.W. van Bleijswijk Ris]. Mussert zou nog verscheidene malen terugkeren naar Den Haag om zijn opvolger in te werken.

(1) In zijn brief uit 1990 stelt vm kapitein-adjudant van der Mark dat de overste Mussert werd uitgeruild tegen de reserve-overste de Stoppelaar-Blijdestein en dat deze laatste zijn functie overnam in Den Haag. Daarvan blijkt echter niets in de verslagen van het AHK, waar de reserve-overste - in feit was de man reserve-majoor - Blijdestein niet wordt genoemd. Volgens de toegankelijk verslagen was de tijdelijk overste van Bleijswijk Ris de vervanger van Mussert in Den Haag. Zeker is wel dat reserve-majoor de Stoppelaar Blijdestein tijdens de demobilisatie - dus na de meidagen - als commandant depot pontonniers en torpedisten fungeerde.

Het staat voor auteur dezes als een paal boven water dat het bureau van de opperbevelhebber de mutatie doorvoerde, die Mussert onthief van zijn functie binnen de staf. Voor dat besluit is overigens alle respect op te brengen. Men zou zich zelfs af kunnen vragen waarom generaal Reynders een hoofdofficier in deze functie had aangesteld – in elk geval had aangehouden – die zo duidelijk wegens zijn familiebetrekkingen een NSB signatuur had. Immers, onwillekeurig of die verdenkingen juist waren, was het juist beleid geweest om het risico op een gecompromitteerde aanstelling uit te sluiten.

Kantonnement

Overste Mussert nam in de tweede helft van maart 1940 het commando over het Depot op zich. Hij woonde met zijn gezin in een statig huis aan het Oranjepark no. 8 te Dordrecht [NB: abusievelijk wordt wel eens gesteld dat dit Groenpark no.10 was]. In de beginperiode was hij nog nauwelijks in Dordrecht aanwezig, omdat hij nog regelmatig in Den Haag vertoefde. Onbekend is het (auteur dezes) welke maatregelen Mussert nam binnen het kantonnement in de periode tot aan 10 mei 1940. Duidelijk is wel dat hij in april 1940 als kantonnementscommandant het Militair Gezag kreeg in Dordrecht, toen de Staat van Beleg werd afgekondigd.

Dat laatste bracht hem regelmatig in contact met de burgemeester van Dordrecht, de heer J. Bleeker. De laatste publiceerde zijn memoires [63] vlak na de oorlog en daarin schetste hij een vermoedelijk eerlijk beeld van zijn (werk)relatie met de overste. Opvallend genoeg klinkt daarin een zeer milde toon door. Opvallend, omdat menig andere bron (hoewel vaak geschreven ná de oorlog) Mussert heel anders typeert. Het is daarom uiterst interessant de observaties van de burgemeester Bleeker hieronder integraal [63] over te nemen:

‘(…) Het publiek nam dus aan dat overste Mussert dezelfde gevoelens [AG: sympathie voor Duitsland en Duitse leerstellingen] koesterde … en niet alleen het publiek! Ik heb reden aan te nemen, dat deze mening ook gedeeld werd door meerdere van zijn officieren en manschappen. Men beschouwde hem als een verrader. Persoonlijk denk ik wat dit laatste betreft over overste Mussert anders. Ik kwam uit den aard der zaak nogal eens met hem in aanraking en meende hem goed te kennen. Mijn overtuiging is dat de heer Mussert met hart en ziel Nederlands soldaat was, moedig en vast besloten trouw op zijn post te blijven, en te doen, wat een eerlijke soldaat verplicht is, hoe dan ook zijn politieke inzichten zijn geweest.

(…) Als op een dergelijke post iemand staat, die wordt gewantrouwd door zijn officieren, door zijn soldaten en door het publiek, dan is het hem, naar mijn mening, onmogelijk iets goeds te presteren.

De laatste woorden zijn – wat auteur betreft – recht in de roos. Men kan immers de legitieme vraag stellen of de overste Mussert met zijn statuur en curriculum niet bij voorbaat kansloos was. Aan de andere kant zou de overste zelf ook tijdens de oorlogsdagen aanleiding geven om juist die vooroordelen extra ruimte te geven. In die zin komt de conclusie van de majoor b.d. Hans Kleingeld in zijn werkstuk uit 2003 - aangehaald in de inleiding van dit artikel - weer in beeld ...

Slotwoord - voorspel

Het is een uiterst boeiende en eveneens pikante kwestie waarin overste Jo Mussert de hoofdrol vertolkt. De zweem van verraad zal de man nooit loslaten, ook niet als alle zaken nuchter en in de juiste context op een rijtje worden gezet. De feiten – de werkelijke feiten – pleiten hem echter, in elk geval vooroorlogs, vrij van iedere vorm van verraad.

Van enige vorm van Mussert's vooroorlogse betrokkenheid bij de NSB, de Duitse inlichtingendienst of overige vormen van collaboratie is geen spoor, nog niet de geringste aanwijzing te vinden. Er is ook nooit een publieke aantijging van die soort jegens Jo Mussert geweest, anders dan dat werd aangenomen dat Mussert ook vooroorlogs sympathiek t.o.v. de NSB zou hebben gestaan en dat zijn vrouw actief bij die organisatie was betrokken. Overigens geldt a priori dat de NSB vooroorlogs geen georganiseerd landverraad pleegde. De aard van de leider van de NSB – Anton Mussert – was ook niet zodanig dat landverraad voor hem een optie was. Passiviteit wel, zo maakte hij kort voor de oorlog al wereldkundig. Dat neemt overigens niet weg dat er relatief veel NSB'ers waren die wel actief met de Duitsers samenwerkten voor de oorlog. Hetzij als Abwehr of V-Mann, hetzij nog actiever, als lid van de heimelijke commando eenheden [gerecruteerd uit de NSB dochterorganisatie in Duitsland, 'Sport en Spel'] die verraderlijk tegen strategische objecten in Nederland dienden te ageren in de eerste fase van de overval op Nederland.

De Duitsers bleken in ieder geval van niets op de hoogte voor wat betreft specifieke militaire zaken in Dordrecht. Ze wisten niet dat de kantonnementscommandant een (vermeend) sympathisant was en ze hadden geen fractie informatie over de legeronderdelen in en om Dordrecht vanuit de NSB kringen gekregen. Dat werd omstandig al duidelijk uit het feit dat zij de militaire bezetting van Dordrecht sterk onderschatten. Men kende de exacte locaties van sommige legeringslocaties niet eens, hoewel ze dat zelfs eigenhandig met beperkte inspanning al hadden kunnen vaststellen. Duidelijk is dat zij van Nederlandse kant geen specifieke informatie hadden ontvangen. Hoewel dat nooit uitsluiten kan dat er desondanks informatie is doorgespeeld – en omwille van andere redenen niet bij de juiste Duitse instanties is geland – lijkt het aannemelijk vast te stellen dat vrijwel zeker vanuit Dordrecht niet vooroorlogs is gelekt naar de ‘andere kant’.

In deel 2 van ‘Overste Mussert – een geval apart’ wordt uitgebreid beschouwend ingegaan op de gebeurtenissen gedurende de kritische periode 10-14 mei 1940. Die episode volgt echter pas als de content zover is gevorderd dat de beschrijving van de gebeurtenissen van die periode is geplaatst. Tot die tijd is dit eerste deel een pikante ‘cliffhanger’ voor hen die in deze materie geïnteresseerd zijn …