Bruggenhoofd Willemstad

Inleiding

In het bruggenhoofd Willemstad gebeurde op 11 mei 1940 nauwelijks iets vermeldenswaardig. Weliswaar begonnen de eerste vluchtelingen uit het oosten van de provincie in beeld te komen en sijpelden de verhalen van een Duitse overmacht binnen, maar tastbare eigen ervaringen deed men nog niet op. Zeker in die dagen was de afstand van Willemstad tot Den Bosch of Eindhoven nog een flinke. Daar kwam bij dat onder de Dintel een gemotoriseerde Franse eenheid in aankomst was, wat de burger (en militair) weer moed gaf: het grote Franse leger gaf ‘acte de présence’.

Het enige werkelijk vermeldenswaardige op 11 mei was het aangepaste vuurplan dat bovendien nog eens geheel buiten de formeel aangewezen commandant van het steunpunt om, de reserve kapitein Meijjes, was uitgewerkt. Het was – zo erkende reserve kapitein Isaäcs van Andel naoorlogs – 'welbewust buiten de kapitein om geregeld'. De bevelscrisis in Willemstad toonde haar eerste kwalijke symptomen.

Stafkaart Willemstad

Op de derde oorlogsdag kwamen de Fransen prominent in beeld bij de verdediging van de Vesting Willemstad. Althans, bij de verdedigers op de Forten de Hel en Sabina, die zijdelings met hen te maken zouden krijgen. Uit die contacten werd hoop geput. Een veeg teken boden echter de inmiddels aanzienlijke militaire vluchtelingenmassa’s vanuit de Peel. Hun verhalen boezemden zo mogelijk nog meer angst in dan hun ordeloze uniformen en wilde ogen. Het voorspelde allemaal weinig goeds.

Bevelvoering

De bevelvoering in Bruggenhoofd Willemstad was formeel zo geregeld dat de reserve kapitein Meijjes [C. 1-I-39.RI] het commando over de Vesting voerde, inclusief alle troepen in de forten en buitenverdediging. In de praktijk was echter de commandant van MC-I-39.RI, de reserve kapitein Isaäcs van Andel [hierna: Isaäcs], de officier die de feitelijke leiding over het kantonnement had gevoerd. Op 11 mei had laatstgenoemde welbewust om zijn commandant heen verdedigingszaken geregeld. Ook op de derde oorlogsdag zou hij het zijn die actief contact zocht met zowel de superieuren bij Groep Spui alsmede de Fransen nabij de Vesting.

Dat de praktijk afweek van de geldige commandoregeling in Willemstad nam niet weg dat formeel de kapitein Meijjes de kantonnements- c.q. vestingcommandant bleef. Meijjes was op advies van de kapitein Isaäcs in Willemstad gebleven op zijn commandopost in het hotel-restaurant Bellevue aan de kleine binnenhaven, terwijl de C-MC-I-39.RI zelf buiten het stadje in het Fort Sabina verbleef. Dat Fort lag ten zuidwesten van het vestingstadje. Het onduidelijke beleid wegens de bevelvoerderscrisis in de stelling Willemstad was weliswaar boeiend genoeg om er naoorlogs een groot krijgsrechterlijk onderzoek aan te wijden, maar was tegen de gebeurtenissen aangehouden van mei 1940, tamelijk triviaal van aard. Er zal dan ook niet meer aandacht aan worden besteed dan strikt noodzakelijk voor de juiste reproductie van gebeurtenissen.  

Op 11 mei was door de Duitse luchtaanvallen in de regio de stroomvoorziening uitgevallen in vrijwel geheel west Brabant. Dat betekende dat alle elektrische middelen afhankelijk werden van noodstroom. Voor Willemstad betekende het dat de civiele PTT netwerken uitvielen, evenals de waterleiding overigens. Het militaire telefoonnetwerk via Fort Sabina en Fort de Hel werkte nog wel.

Fransen

Op 11 mei in de ochtend trok de voorhoede van 25.DIM via de weg bij het Belgische Essen over de grens Nederland binnen om zich vervolgens, constant onder vuur van de Luftwaffe, via de grote weg tussen Roosendaal en Breda te verplaatsen tot aan Princenhage, waar men in het bosrijke deel posities innam. Eind van de middag (11 mei) kreeg de Groupe de Beauchesne, tot dan toe nog slechts in Zuid-Beveland en de omgeving van Bergen op Zoom – Woensdrecht ontplooid, opdracht om een voorverdediging te ontwikkelen achter de Dinter/Mark ten bate van 25.DIM.

12.GRDI onder de Franse luitenant-kolonel Moslard [CP te Oude Molen – Bergen op Zoom] had tot taak om in de sector onder Vesting Willemstad tot ontplooiing te komen en daarbij vooral overgangen over de Dinter te beveiligen. Moslard zijn eenheden – met lichte en zware mitrailleurs uitgeruste motorrijders – werden gepositioneerd tussen Dinteloord en Stampersgat.

[101, 102a, 193] In de ochtend van 12 mei [ca. 1100 uur] had de kapitein Isaäcs contact met de ‘Commandant van 34.RI in Klaaswaal’, omdat de chef-staf Groep Spui, de KNIL kapitein A.J.A. Pereira, telefonisch onbereikbaar was. Afgesproken werd dat de kapitein Isaäcs vanuit Fort Sabina contact zou opnemen met de Fransen om informatie omtrent hun plannen en locaties te verkrijgen en daarover zou terugkoppelen naar de staf Groep Spui. De ‘commandant 34.RI’ was de reserve overste Van der Zee, maar die was gedurende de meidagen wegens een zware reumatisch aanval ziek. Het was daarom de reserve majoor H.G.A. Götz die 34.RI leidde naast zijn rechtstreekse commando over het Vak Numansdorp, en die kapitein Isaäcs opdracht gaf met de Fransen af te stemmen. Aantekeningen van het geval met bijzonderheden zijn in de dossiers van 34.RI niet te vinden.

Fort Sabina (Willemstad)

[102a] Zonder kapitein Meijjes te verwittigen – wat middels een ordonnans had kunnen geschieden – vertrok de kapitein Isaäcs geheel alleen en per fiets (een auto zou met de zelf opgeworpen versperringen niet ver komen) richting zuiden om contact met de Fransen te zoeken. Nabij Steenbergen werd hij door Franse militairen met een auto overgebracht naar het buurtschap Oude Molen boven Bergen op Zoom, waar lieutenant-colonel Moslard, commandant van 12.GRDI, zijn CP had. Enige uren later werd de kapitein teruggebracht en meldde zich ca. 1500 uur eerst bij Groep Kil [192] en even voor 1600 uur bij de kapitein Pereira, chef-staf Groep Spui. [102a, 193] Die op zijn beurt verlangde een intensievere uitwisseling met de Fransen. Hij wilde meer informatie hebben en bovendien duidelijkheid geven over de Nederlandse toestand (1). Onduidelijk is uit de (kwalitatief zwakke) aantekeningen in het dagboek van Groep Spui of men aldaar zich bewust was dat men nabij Bergen op Zoom de enige werkelijke verbinding met de Fransen in Noord-Brabant had gevonden, die min of meer rechtstreeks naar Den Haag leiden kon (2), of dat men zuiver uit lokaaloperationele interesse aan contact met de Fransen hechtte.

(1) Een bijlage (I) bij het rapport van kapitein Isaäcs [102a] vermeldt de opgave van de Franse posities, althans die van 12.GRDI. Dat werd aangegeven als 4 lichte en 2 zware mitrailleurs bij de brug te Dintelsas alsmede bij die te Stampersgat. Bij Steenbergen was een positie met vier lichte mitrailleurs, een 6 cm mortier en een licht 2,5 cm antitankkanon. Bij de CP te Oudemolen (nabij Bergen op Zoom) was een beveiliging met vier zware mitrailleurs en een 2,5 cm antitankkanon. De totale sterkte van 12.GRDI (zonder haar bereden elementen) op wapentechnisch gebied was dus slechts 12 lichte en 8 zware mitrailleurs, één mortier van 6 cm en twee stukken 2.5 cm antitank geschut. Aan manschappen was de sterkte ca 300-325 man. In Bijlage IIa geeft de kapitein Isaäcs informatie omtrent de toestand binnen het Zuid-Front. In Bijlage IIb geeft de kapitein weer wat de Groupe Beauchesne voor posities en bewapening heeft. Daaruit blijkt dat het middelste vak – rond Standaarbuiten – qua infanterie een dubbele sterkte had als 12.GRDI (32 lichte en 16 zware mitrailleurs) en het rechtervak (dat nimmer zou worden ingenomen), maar door 2.GRDI te bemannen, bestaande uit drie eskadrons motorrijders en een zware wapeneskadron met samen 48 lichte mitrailleurs, 8 zware mitrailleurs en 3 mortieren van 6 cm en tenslotte nog een eskadron met 12 (plus één commando) Panhard pantserwagens. Het organiek eveneens toegewezen tankeskadron met de 12 (plus één commando) Hotchkiss H-35 lichte tanks was nog in Antwerpen.    

(2) De hoofdkwartieren van de Groep Spui en van de Groep Kil hadden beide een rechtstreekse verbinding met de staf van het commando Vesting Holland in Den Haag. Door verplaatsing van het hoofdkwartier van Groep Spui ging haar rechtstreekse verbinding in de nacht van 11 op 12 mei overigens verloren. Via Groep Kil zou er echter nog steeds een ‘korte lijn’ met Den Haag hebben bestaan als vanuit Fort Sabina de Franse ontwikkelingen steeds waren doorgegeven via Klaaswaal, waarmee een werkende verbinding bestond.

[193] Er speelde natuurlijk bij deze contacten in breder perspectief meer dan Groep Spui zich (mogelijk) bewust was. Het is een gegeven dat, op operationeel niveau, afstemming tussen de Fransen onder en Nederlanders boven de grote rivieren onmogelijk was gebleken op 10, 11 en 12 mei. De Fransen deden er hun best niet voor, de Nederlanders ‘wachten geduldig af’. Daardoor waren de contacten en de uitgewisselde informatie dus beperkt tot de gesprekken tussen Gamelin en Winkelman en dat wat zijdelings als informatie doorkwam, zoals de contacten van de CZ (Commandant Zeeland, schout-bij-nacht Van der Stadt) met de Franse marine en commandanten van 60.DI en 68.DI. Die contacten van de CZ, welke in Den Haag bekend waren, werden echter door Winkelman nauwelijks aangewend. C-Peeldivisie, die op 10 mei nog korte impressies had kunnen geven aan de sectie operatieën op het AHK, was men op 11 mei ook uit het oog verloren. [245] Bovendien was hem slechts te verstaan gegeven door overste Wilson, chef operatieën, om de resterende Nederlandse troepen te laten samenwerken met de Fransen ‘naar eigen goeddunken’ van kolonel Schmidt. Althans, dat was wat de kolonel na de strijd over de kwestie meldde. De contacten die wel ontstonden, waren aanleiding tot een grote mate van optimisme. Zelfs die welke door de OLZ met de generaal Gamelin werden gevoerd. De uit dergelijke contacten geïsoleerde ‘kern’ had slechts geleid tot bijzonder veel flauwekul en misleidende informatie ten noorden van de grote rivieren, waarvan de oorsprong (van berichten) lang niet altijd helder was. Er ontstonden bij het veldleger in de Grebbestelling zwaar aangezette geruchten (vrijwel zeker ontsproten vanuit het commando Veldleger zelf) dat gemechaniseerde Franse formaties op het punt stonden te hulp te komen. [192] De Groep Kil was zelf al vanaf 10 mei actief geweest in het verspreiden van het nieuws dat er een Franse ‘pantsertrein’ (AG: trein in deze bedoeld als 'colonne') over de Moerdijk zou komen. In het dagboek van Groep Kil stond om 2120 uur (10 mei) het bericht gelogd dat tien minuten later een Franse pantserdivisie bij Moerdijk zou arriveren. Het dagboek vermeldt helaas de bron niet; maar er was geen enkele Franse formatie, die toen al op ons grondgebied was gearriveerd die dergelijke geruchten kon hebben veroorzaakt. De Groep Kil was echter bepaald niet terughoudend met het delen van dit soort informatie. Het werd rondverteld, vermoedelijk om het moreel op te peppen, maar leidde zo tot misverstanden. Op 11 mei werd nog even met 6.GB contact gemaakt in de middag. Het werd daarbij duidelijk dat Franse gemotoriseerde en licht gepantserde eenheden samen met 6.GB trachtten Moerdijk te hernemen. Het zal bekend zijn gemaakt dat het om een onderdeel (6.RC) van een Franse gemechaniseerde divisie ging (1.DLM). Na enige artilleristische ondersteuning (en vervolgens juist een vuurpauze) en kort nadien een Duitse luchtaanval op de sector was alle contact verloren gegaan. [192] Sedertdien had men niets van of over de Fransen meer vernomen, totdat op 12 mei om 1455 uur (logboek Groep Kil) een telefoonbericht van de reserve kapitein Isaäcs uit Willemstad werd ontvangen dat een Frans regiment, behorende tot een licht gemechaniseerde divisie (sic: het betrof in werkelijkheid de gemotoriseerde infanteriedivisie 25.DIM) stelling had genomen achter de Dintel. Rond 1600 uur – stelt het logboek groep Kil – werd van kapitein Pereira van Groep Spui vernomen dat de Franse noordvleugel bij Klundert lag. Twee uur later werd aan Groep Kil gemeld dat de Fransen in West-Brabant zouden overnachten. Nadien – vanaf 12 mei 1800 uur – werd bij Groep Kil over de Fransen niets meer gehoord. Tegelijkertijd kreeg men de eerste berichten uit het veld dat pantserwagens nabij Moerdijk waren gezien …

[192, 193] Het was 12 mei rond 1600 uur dat de kapitein Pereira contact kreeg met kapitein Isaäcs. Het is gezien de notering in het dagboek van Groep Kil zeer aannemelijk dat kapitein Isaäcs zich echter eerst verhield met de Groep Kil en pas nadien met zijn 'eigen' Groep. Er is een grote kans dat het telefoongesprek dat de kapitein Isaäcs voerde met kapitein Calmeijer leidde tot het bewustzijn bij de eerstgenoemde dat het contact met de Fransen wel eens erg belangrijk kon zijn voor de Nederlandse zaak. Bij het tweede bezoek aan de Fransen – dat enige aanvullende informatie opleverde omtrent de Franse troepen  in bredere zin – was Isaäcs met de auto tot aan de versperringen gereden en vervolgens aan de overzijde met de auto naar Moslard gebracht. Hij kreeg toen meer informatie (op verzoek) over de Franse eenheden buiten de Groupe Beauchesne om, zoals ten dele al in voetnoot 1 hierboven gegeven. Dat leverde daarnaast niet meer informatie op dan het volgende [citaat, bijlage IIb, verslag Isaäcs juni 1940, 102a]:

» Vermoedelijk te verwachten opdracht voor de Groupe Beauchesne: front naar het oosten om te wenden tegen het bruggenhoofd Moerdijk.

De hoeveelheid troepen is onbekend. De legerkorpsgeneraal is in Antwerpen.  De kolonel Debeauchaine (sic) te Bergen op Zoom (sic), heeft op drie vakken vooruit geschoven troepen. Daarachter te Breda 1 Bataljon infanterie op auto’s. Te Etten 1 Bataljon infanterie op auto’s. Te Roosendaal ???. Te Tilburg cavalerie, hoeveelheid onbekend. Bovendien nog enkele gemecaniseerde (sic) eenheden in het geheel. «

Die samenvatting – die letterlijk zo non-specifiek op papier stond en waarbij slechts de ontplooiing van de Groupe Beauchesne conform informatie in voetnoot 1 aanvullend werd vermeld – werd als ‘Informatie van het Fransche commando aan C-Vesting Holland’ door kapitein Isaäcs (kennelijk) aan de Groep Spui verstuurd. Hoe, dat is niet vastgelegd. Vermoedelijk telefonisch gedicteerd. Het is als Bijlage 2b in zijn krijgsverslag opgenomen; 2a gaf juist het Nederlandse statusbeeld aan de Fransen weer [102a].

Na het tweede bezoek aan Moslard en afstemming van de resultaten daarvan richting Groep Spui, werd kapitein Isaäcs tegen 2000 uur door een Franse ordonnans opgehaald en naar Dinteloord gereden, alwaar bij de brug de overste Moslard zelf aanwezig was. De Fransman verzocht Isaäcs om een sterke bezetting van de brug bij Dinteloord met Nederlandse troepen, zodat 12.GRDI zich meer naar rechts kon oriënteren. Daarop keerde de kapitein terug naar Fort Sabina om daar de chef-staf Groep Spui op bellen om toestemming te krijgen op het Franse verzoek in te gaan. [102a] In de kantlijn van het dagboek van de reserve kapitein Isaäcs staat het met pen erbij gekrabbeld:

» Overleg met kapt. Perreira (sic), mijn advies was dat deze brug (AG: Dinteloord) de laatste overgang is, welke door de Franschen kan worden benut om aansluiting te maken met de troepen in de Vg.Holland, a.h.w. de laatste draad waarlangs reddende hulp kan worden verschaft. «

Die ‘wijsheid’ – die uit de handgeschreven aantekening van de kapitein in zijn getypte verslag bleek – had Isaäcs beslist niet van zichzelf, want zijn kennis reikte niet verder dan Vesting Willemstad. Zijn ‘advies’ aan de beroepskapitein van het KNIL Pereira was vrijwel zeker een gesouffleerd versje dat eerder door kapitein Calmeijer aan Isaäcs was opgedreund toen de laatste hem, vóór dat Isaäcs kapitein Pereira sprak, aan de lijn had gehad. Het was natuurlijk onzinnig te stellen dat een intacte brug over de Dintel benut kon worden om ‘aansluiting te maken met de troepen in VH’, maar het was wel zo dat het contact op zich voor de strategische beeldvorming en afstemming in Den Haag t.a.v. de Franse troepenbewegingen erg belangrijk zou kunnen zijn. In die zin was het citaat (c.q. advies) beslist waardevol. Dat Isaäcs daarvan kapitein Pereira zou moeten hebben overtuigen, zoals Isaäcs pretentieus in zijn citaat meldt, kan men gerust aan de fantasie van Isaäcs opdragen. Daar was geen sprake van. Het was kapitein Pereira bijvoorbeeld al geweest die na het gesprek van 1600 uur Isaäcs terug naar de Fransen had gestuurd om bepaalde informatie nader af te stemmen en te verifiëren. Zou het de laatste zijn geweest die werkelijk zo hechtte aan contacten met de Fransen, dan had hij om 1600 uur zijn chef al moeten overtuigen, maar het tegendeel bleek het geval.

Interessanter dan de naoorlogse wedijver tussen de diverse ranggenoten wie het slimste jongentje van de klas was, is echter dat het contact tussen kapitein Isaäcs en de Fransen zich snel langs de keten omhoog moet hebben verspreid. Het werd spoedig als tegenwicht gebruikt tegenover de berichten uit Groep Merwede (dat er tanks door de Langstraat reden richting Moerdijk), die de Duitse opmarssuccessen suggereerden. Curieus genoeg werden de berichten van Duitse progressie als gerucht en bewuste Duitse misleiding terzijde gelegd, terwijl iedere berichtgeving omtrent Franse progressie onmiddellijk werd omarmd. Het zal de wens zijn geweest, als vader van de gedachte. Op 12 mei werd in Den Haag nog verwacht dat een Franse gemechaniseerde divisie op punt van interveniëren stond. Vanuit de C-VH zou dit zelfs (bewijzen ontbreken vooralsnog) met de C-LD en C-Kant. Dordrecht zijn gedeeld. ‘Er komen Franse tanks over de Moerdijk’. In plaats daarvan kwamen in de avond van 12 mei de geruchten los van pantserwagens op het Eiland van Dordrecht; Duitse. Dat werd dan weer tegengesproken, want de Franse pantserwagens werden er juist verwacht terwijl de Duitse er nog lang niet konden zijn. Of zoals het dagboek van Groep Kil [192] het zo treffend verwoord:

» Op CP Groep Kil bleef echter onzekerheid heerschen omtrent het optreden van Fransche troepen. Dit veroorzaakte, dat vele uren niet werd gevuurd op het verkeer over deze bruggen bij Moerdijk en dat, toen in den laten namiddag van 12 mei werd gemeld, dat gepantserde versterkingen deze bruggen overschreden, steeds onzekerheid bestond of dit Duitsche of Fransche pantserwagens waren. Eerst 13 mei werd het duidelijk dat dit Duitsche pantsertroepen moesten zijn

Het dilemma dat het dagboek van Groep Kil geeft was buitengewoon tastbaar, zo zou ook in en om de stad Dordrecht wel blijken op de 12e en 13e mei. De vraag is echter of zonder het contact dat kapitein Isaäcs bij Steenbergen / Bergen op Zoom met de Fransen had verkregen op 12 mei, men aan Nederlandse kant niet veel meer geneigd zou zijn geweest de Duitse progressie meer op waarde te schatten. Men was namelijk op 12 mei wel heel erg voortvarend met alle signalen ten faveure van Duitse progressie met ongeloof te bejegenen (in feite: zonder enige goede reden daartoe), terwijl ieder minuscuul handvat dat van Franse kant werd aangereikt, zoals het geval Isaäcs, sterk werd uitvergroot. De berichtgeving vanuit de hogere- en onderdeelsstaven bleef daarom – onwillekeurig verontrustende berichten omtrent Duitse voortgang – positief ten aanzien van Franse hulp. Het is waarschijnlijk wel verantwoord te constateren dat men zichzelf en anderen met dergelijke oproepen moed wilde inspreken. In sommige gevallen zal men ook waarlijk in Franse assistentie hebben geloofd. Hoe kwalijk de gevolgen waren van deze niet juiste berichtgeving, zou wel duidelijk worden in en om Dordrecht op 12 en 13 mei. Thans terug naar de kapitein Isaäcs en zijn afstemming met de Fransen.

[102a, 193] Kapitein Isaäcs kreeg toestemming van kapitein Pereira om met zijn in Fort Sabina vertoevende troepen de brug bij Dinteloord te bezetten. Laat op de avond marcheerde de kapitein vanuit Fort Sabina langs het Volkenrak naar Dintelsas. Opmerkelijk genoeg werd vervolgens vanuit Frans denken gehandeld en aan de zuidoever van de Dintel met front noord een opstelling gekozen. Een sectie infanterie [onder bevel van de dpl. sergeant A.J. Donker] met twee (mogelijk drie) lichte mitrailleurs ondersteund door een sectie MC met twee zware mitrailleurs werd zodoende bij de brug over de Dintel opgesteld gedurende de nacht. Overste Moslard zou de kapitein vanaf dat moment aansturen. Daarmee had de vesting Willemstad de kapitein Isaäcs dus verloren. Het was nu weer geheel aan de kapitein Meijjes, die overigens lange tijd van niets wist, omdat hij niet door Isaäcs was geïnformeerd. De hele communicatie van en naar de Groep Spui (en Kil) was buiten om de kapitein Meijjes heen gegaan. In een naoorlogse verklaring van Isaäcs verklaarde deze dat dit zo geschiedde, omdat hij Meijjes wegens incompetentie en passiviteit niet meer als commandant zag (en zelf als zodanig opereerde). Hoe Isaäcs vervolgens zijn min of meer zelf opgezochte vertrek uit Willemstad naar Dinteloord/Dintelsas dan verantwoorde - immers zichzelf als commandant van Willemstad achtende en zonder de kapitein Meijjes in te lichten omtrent zijn vertrek - wordt niet duidelijk in zijn verklaringen. De laatste kwam er in elk geval pas op maandag 13 mei achter dat kapitein Isaäcs naar Dinteloord was vertrokken, doordat kapitein Meijjes het Fort Sabina belde en de telefoonwacht hem dit mededeelde. Dat in de avond van 12 mei de telefoon in het Hotel Bellevue (hoofdkwartier Vesting Willemstad) niet werkte, was geen excuus voor de kapitein Isaäcs om Meijjes niet te verwittigen, want een ordonnans had uitstekend kunnen worden gestuurd. Isaäcs beslooot daar niet toe (3).

(3) De bevelvoering in Willemstad werd naoorlogs één van de prominente onderzoekszaken op het Zuidfront. Het zou uiteindelijk zelfs tot een krijgsrechtelijk onderzoek uitgroeien. Hoewel de kapitein Isaäcs, mede gegeven zijn verslagen en verklaringen, de gedachte had dat hij de ‘reddende engel’ van Willemstad was geweest, werd hij volkomen terecht door de onderzoekers van de Generale Staf op enkele aspecten terug op zijn plaats gezet. Met name onderzoeker (generaal-majoor b.d.) Nierstrasz bevroeg de kapitein Isaäcs zeer scherp op diens vrijbuitergedrag tijdens de meidagen en zijn verklaringen (ook onder ede) die vol tegenstrijdigheden zaten. Enerzijds toonde Nierstrasz wel begrip voor een mogelijk disfunctioneren van de kapitein Meijjes, maar anderzijds bleef hij ook kritisch ten aanzien van de weinig verheffende wijze waarop Isaäcs vervolgens de zaken waarnam en zich niet had afgemeld bij de kapitein Meijjes toen hij op 12 mei naar Dinteloord vertrok.

[102a] Op Fort Sabina bleef, na het vertrek van de kapitein Isaäcs en de door hem meegenomen gevechtsgroepen, weinig verdedigingskracht meer over. Er was zelfs geen reguliere officier meer aanwezig, zodat de militair arts Meijst de scepter over het Fort ging zwaaien, met SMA B.J. Goppel (MC-I-39.RI) als secondant. Slechts twee geweergroepen en enkele manschappen van de MC staf waren achtergebleven op het Fort. Automatische wapens bezat men niet meer. Op 13 mei zou daarin weer verandering komen.

Verkeer en versterking

Op de derde oorlogsdag was er geen enkele sector in het westen van de provincie Brabant die niet door vluchtelingen van elders uit de provincie werd bezocht. De grote exodus van burgers en militairen uit het midden en oosten van Brabant was begonnen. De desintegratie van de Peeldivisie, die in de middag van 11 mei begonnen was en de nacht erop vervolmaakt werd, leidde vanaf 12 mei tot onafgebroken stromen met groepjes bewapende of onbewapende militairen die een goed heenkomen zochten. Lang niet al die groepen waren laveloos en onbruikbaar. Vele waren dat wel.

[53, 102a] Opvallend genoeg kwamen op 12 mei al militairen van 30.RI in Willemstad aan. Zoals op 11 mei besproken waren II- en III-30.RI tot laat op 11 mei betrokken bij gevechten aan de Zuid-Willemsvaart rond de sluizen 11 en 12 alsmede Someren. Het nabij Weert liggende I-30.RI was zelfs in haar geheel omsingeld en op 12 mei in Duits krijgsgevangenschap over gegaan. Van 30.RI wisten niet veel troepen vroegtijdig weg te komen. Slechts een handvol slaagde er nog in boven het Wilhelminakanaal te geraken. Dat er inderdaad nog enige militairen in een vroeg stadium wisten weg te komen, bleek wel toen niet alleen al vroeg op de 12e mei een viertal militairen van het regiment zich in Willemstad meldde, maar ’s avonds laat zelfs de complete 2e sectie mortieren [III-30.RI] onder de reserve 1e luitenant J.M. Pessel zich in Willemstad meldde met wapens én enige munitie. De eerste vier militairen, waarvan de sergeant H.J. van der Brule de hoogste was, werden aan de reserve vaandrig Magrij op de oude stadswallen (binnen de vesting van Willemstad) toegewezen, net als later de zeer welkome mortiersectie, waarbij de luitenant Pessel de leidende rol op zich kon gaan nemen. Andere verbanden, zoals een genieformatie die met springstoffen in het stadje arriveerde, werden of in de binnenstad (in het arsenaal) ondergebracht of overgezet naar Numansdorp.

[53] Een ongeregeld verband van circa 25 Fransen kwam tijdens de late middag of vroege avond in Willemstad binnengereden. Het zou enige licht gewonde manschappen – vermoedelijk verwond door de constante luchtaanvallen van de Duitse vliegers – laten behandelen en vervolgens spoedig nadien vertrekken. Er is geen bron gevonden die deze Fransen aan een eenheid kan verbinden.  Een ander (pluriform) verband was dat onder de reserve 2e luitenant V.S. Ohmstede (sectiecommandant 2-II-17.RI, Vak Erp), dat in de avond van 12 mei met vrachtauto’s te Willemstad aankwam met ca. 50 man en zes M.20 lichte mitrailleurs. Ook de reserve 2e luitenant B.A.H. Luger was bij dat verband aangesloten. Uiteindelijk kregen deze beide 2e luitenants een taak in de beveiliging van het stadje Willemstad zelf, maar dat zou op 13 mei zijn beslag krijgen. Eveneens arriveerde in de avond van 12 mei de reserve kapitein der militaire administratie J.E. van den Broek, verplegingsofficier van III-27.RI (van Vak Bakel), met een deel van zijn administratief en verzorgend personeel. Ze werden tijdelijk ondergebracht in hotel Bellevue.

De kapitein Meijjes vertoonde zich onderwijl niet. De 12e mei was de commandant van de stelling niet in beeld. Het leidde er onder meer toe dat – getuigen spreken er uitdrukkelijk over – een hoogst gespannen paniekerige stemming in het stadje heerste, met name door gebrek aan leiding. Dat de verlichting en waterleiding (door Duitse bombardementen elders in West Brabant) niet meer werkten zal hebben bijdragen tot theorieën over verraad en aanverwante verdachtmakingen. Op 13 mei zouden de nieuw aangekomen verbanden en officieren echter een rol gaan spelen om de orde en tucht in Willemstad trachten terug te krijgen.

[De bronnen vindt u hier]