De kwestie Jo Mussert - 2e deel

Inleiding

In deel één werd de hoofdpersoon geschetst aan de hand van een bespreking van zijn familiaire geschiedenis, zijn eigen gezin, zijn persoonlijkheid en zijn functioneren binnen de krijgsmacht.

Buiten alle trivia, die bij een dergelijke profielschets naar voren komen, beklijft toch vooral het beeld van de door de omstandigheden politiek beladen officier en bevelhebber en een persoon met een bijzonder lastig karakter en een houding, die anderen (tegen hem) in het harnas jaagt.

En toen kwam de oorlog naar ‘zijn’ Dordrecht. Ineens, totaal en met hem als bevelhebber in het middelpunt. Het zou voor hemzelf en zijn entourage onmiddellijk leiden tot spanningen. Mussert voelde het wantrouwen om hem heen, terwijl menigeen zijn loyaliteit probeerde vast te stellen of direct overtuigd was dat deze er niet was, althans niet voor de ‘goede zaak’. Een immens krachtenspel ontstond. Het begon vanaf het eerste moment en duurde tot Mussert op 14 mei 1940 in Sliedrecht door een doorgedraaide officier van de Lichte Divisie zou worden doodgeschoten, tijdens een poging hem (met zijn staf) wegens hoogverraad te arresteren.

In de tussentijd was er één opmerkelijke climax geweest in het krachtenspel rond Mussert tijdens de gevechtsdagen in Dordrecht. Op 12 mei 1940 rond 18.00 uur had de kapitein-adjudant Van der Mark eindelijk succes met zijn niet aflatende pogingen om de overste Mussert afgezet te krijgen. Wat er allemaal rond deze affaire speelde op die dag – en (voor zover relevant) voordien – wordt in dit deel twee van de kwestie Mussert besproken.

Er wordt eerst gekeken naar wat de officiële geschiedschrijving op basis van de bevindingen van de Generale Staf zelf van de zaak vindt. Hoe mede hoofdrolspeler Michael Calmeijer zijn eigen curieuze daad mocht ‘onderzoeken en duiden’ in zijn memoires, maar vooral in het officiële stafwerk.  Hoe dit gepreludeerd werd in de dagboeken van de Groep Kil, waar Calmeijer in mei 1940 chef-staf van was. Dan wordt aandacht gegeven aan de curieuze rol die de kapitein-adjudant van Mussert, de kapitein Van der Mark vertolkte. Deze man was voortdurend bezig geweest zijn chef als een intrigant en als onbetrouwbaar af te spiegelen tegenover directe collegae alsmede iedere overige autoriteit die het aanhoren wilde. Vanaf de eerste gesprekken die Van der Mark voerde op 10 mei 1940, waarbij hij heel uitdrukkelijk en suggestief iedereen vertelde hoe onverklaarbaar laat zijn overste op het bureau was verschenen, tot de laatste snik – te verzuchten hoe hij na de moord op de overste verlicht was door diens verscheiding – was deze officier bezig geweest de nemesis te spelen en de zaak rond Mussert tot een bijzonder brisante lading op te stoken. Het gevolg was dat de Lichte Divisie alles behalve onbevangen vanaf 11 mei bij de operaties rond Dordrecht betrokken raakte. De diverse bevelhebbers en officieren van de divisie zouden zich op een opmerkelijke wijze manifesteren in de stad, niet alleen ten aanzien van de stadscommandant, overste Mussert. Uiteindelijk wordt de zaak in zijn geheel beschouwd aan de hand van het eerder besprokene.

Een verraadpsychose in Dordrecht

De casus

Het was 12 mei 1940, rond 18.00 uur. De stand van zaken was zodanig dat de Lichte Divisie al de gehele dag bezig was om een offensieve verplaatsing over het Eiland van Dordrecht uit te voeren. Men had het plan opgevat om met de sterkte van een wielrijders regiment, ondersteund door een afdeling 7-veld van het KRA en een reserve van een bataljon en een restant troepen van de oorspronkelijke eilanddefensie, een brede verplaatsing naar de Kil te bewerkstelligen. Doel was om deze formatie naar de Kil te brengen, deze over te steken en vervolgens, na een oversteek van de Oude Maas, alsnog op Waalhaven aan te vallen. Een plan dat al rond het middaguur van 11 mei ontstaan was en dat men nog steeds verstandig beleid vond toen het op 12 mei eindelijk tot uitvoering kwam.

Het LD plan stagneerde echter weer direct op onuitvoerbaarheid in Dordrecht. Het plan was door de LD zelf armzalig slecht voorbereid. Men had de kantonnementstroepen niet vertrouwd en dus geen informatie ingewonnen over de Duitse posities. Ook verzuimde men om de aldus ontbrekende informatie te vervangen door eigen verkenningen. Zodoende werd een plan ontworpen dat op de door de Duitsers (nog) onbezette linkerflank van de aanvallende groep probleemloos kon worden ingezet, maar op de juist wel bezette rechterflank al vastliep voordat men in de uitgangspositie was gekomen. Vervolgens werd een aanpassing via een meer oostelijk gelegen positie opgevangen door een inmiddels rond 17.00 uur gearriveerde Duitse formatie onder de Oberstleutnant De Boer, die rond dit tijdstip ontladen werd met zijn hoofdmacht en zich precies op het pad van de LD opmars bevond.

hoofdrolspelers in de Mussert affaire

De Boer had een formatie ter sterkte van een versterkt bataljon infanterie. Daarvan was meer dan de helft in de eerste rond gearriveerd en direct ontplooid rond de sector tussen de beide overwegen in de Dubbeldamsche Weg. De Duitsers waren voorzien van antitankgeschut, een batterij lichte houwitsers en enige mortieren. Zij pareerden direct iedere manoeuvre van de LD op deze vector. Het gevolg was dat de LD aanval van 12 mei volledig mislukte, alvorens deze ooit werkelijk begonnen was. Een fiasco dat volledig op het conto van de overste Van Diepenbrugge kon worden geschreven.

In de middag van 12 mei had zich rond de overste Mussert allerhande animositeit voor gedaan. De overste werd door de Lichte Divisie officieren niet vertrouwd. Hij begreep zelf niet waarom, maar zijn adjudant wist dat heel goed. Die had al op 11 mei met de staf van het KRA gebeld en aangegeven dat zijn chef niet te vertrouwen was. Of de divisiecommandant zich daarvan wilde vergewissen en hem vervangen. Dat weigerde Van der Bijl, maar vermoedelijk is iedere officier van de LD met enige zeggenschap ingelicht dat de zaak in Dordrecht (kennelijk) niet pluis was. Als iemands adjudant zijn chef beschuldigt, dan is er wat loos. Zo was de gedachte. Toen Mussert vervolgens vernam dat er inmiddels drie bataljons en een afdeling KRA in zijn stad waren en hij geen officieren ontwaarde die zich bij hem kwamen melden, stuurde hij telefonische berichten rond en zond officieren naar vermoede legeringsplaatsen. Alles om nieuws te krijgen. Een gevolg van het feit dat de LD hem negeerde, maar door diezelfde LD ervaren als bewijzen dat Mussert naar informatie zocht om dit mogelijk met de Duitsers te delen.

Mussert kreeg steeds meer troepen in zijn stad, hoorde het krijgsrumoer toenemen, maar wist steeds minder. Hij werd agressief van onwetendheid, vurig overtuigd dat men hem buiten de orde hield. Onderwijl had hij zijn adjudant zien buigen onder de stress van de gebeurtenissen en maakte zich druk om het lot van zijn gezin. De verhouding met zijn adjudant was totaal verpest en Mussert lichtte de man niet meer in over zijn daden en bedoelingen. De vertrouwensbreuk leidde tot de excessieve maatregel van de adjudant, die ten einde raad elders steun zocht. Uiteindelijk was het rond 18.00 uur dat hij bij het nevencommando van Groep Kil de niet onijdele kapitein Calmeijer trof, chef-staf van de kolonel Van Andel. Kolonel Van der Bijl had gemeend niet te kunnen interveniëren door Mussert af te zetten. De enige andere kolonel – superieur in rang aan overste Mussert – was Van Andel bij Groep Kil. Deze was echter niet op zijn bureau ten tijde van de smeekbede van Van der Mark. Toen dat tot uitstel leek te leiden, speelde Van der Mark de patriottenkaart: “doe het dan voor het vaderland, Calmeijer”.

Geheel zonder autoriteit terzake nam Calmeijer namens zijn chef kolonel Van Andel het besluit om de overste Mussert uit zijn functie van kantonnementscommandant van Dordrecht te zetten en lichtte de LD tevens hierover in met daarbij het verzoek een nieuwe C-Kant aan te wijzen. Toen Mussert dit even later vernam, nam deze direct contact op met zijn enige werkelijke (functionele) superieur, de C-VH, luitenant-generaal Jan van Andel. Deze stelde de overste direct gerust met de mededeling dat hij gewoon in functie bleef en niemand anders dan de generaal autoriteit had hem daarvan te ontlasten. Vervolgens nam de generaal contact op met de Groep Kil om verhaal te halen. Er zou  een aantal weinig verheffende ‘werkvloergesprekken’ volgen. Het resultaat zou zijn dat Mussert als kantonnementscommandant aan bleef, maar geheel onder de C-LD zou ressorteren voor alle operationele zaken. De facto én de jure een herbevestiging van de situatie zoals deze reeds was geweest voor de interventie door Calmeijer. Alleen was nu heel expliciet gemaakt dat Mussert zich operationeel nergens mee hoefde (c.q. mocht) bemoeien.

De kwestie hield de gemoederen niet alleen lang bezig op een moment dat de stad Dordrecht voor het eerst door de Duitsers werkelijk werd aangevallen – voordien waren immers uitsluitend de bruggen over de Oude Maas een werkelijk doel voor de Duitsers geweest – maar tevens legde het de basis onder een verraadpsychose, die met de bemoeienis van Den Haag niet was weggewerkt. In tegendeel.

De casus wordt hieronder vanuit alle belangrijke actoren beschouwd.

Stafwerk en Michael Calmeijer

[1] Het stafwerk (1963) dat de verhandelingen op het Zuidfront van de Vesting Holland beschrijft – dat overigens grotendeels door de inmiddels tot luitenant-generaal bevorderde M.R.H. Calmeijer geschreven werd – gaat vanaf pagina 119 op de zaak rond het afzetten van overste Mussert in. Dat betreft dan uiteraard de naoorlogse (weloverwogen) versie van het gebeuren. Het was voorts een geval waarbij de slager werkelijk eigen vlees keurde, zij het onder eindredactionele regie van generaal-majoor V.E. Nierstrasz (ten tijde van de contemporaine gebeurtenissen zelf werkzaam op de stafsectie ‘Operatiën’ bij het Veldleger als luitenant-kolonel der generale staf). Erg overtuigend is het niet dat de Generale Staf hier het eigen handelen mocht beoordelen, maar dat was grosso modo voortdurend het geval bij de krijgshistorische werkstukken, die als de Groene Serie bekend werden. Het was echter voor het deel dat op de gebeurtenissen aan het Zuidfront van de Vesting-Holland betreft nadrukkelijk het geval als het gaat om alle zaken die binnen het gezagsgebied van de Groep kil plaatsvonden, waarvan de eigenlijke auteur van dit stafwerkdeel immers de prominente chef-staf was geweest gedurende de oorlogsdagen.

Een en ander leidde ertoe dat de weergave van het stafwerk dan ook gekleurd is, al was het alleen al door een uiterst summiere omschrijving van het werkelijke complex aan gebeurtenissen [1; pg 119]:

» C Lt Div ontving te 18.50 van C-Groep Kil het volgende bericht:

‘C-Groep Kil ontheft de luitenant-kolonel Mussert van het commando over het kantonnement Dordrecht en verzoekt C-Lt. Div. deze ontheffing ter kennis te brengen van overste Mussert en onverwijld nieuwe Kantonnementscommandant aan te wijzen, die, onder bevel van C-Lt.Div., het verzet in Dordrecht breekt en de rust herstelt.’

Hieraan was het volgende voorafgegaan.

Te 18.45 had de kapitein G. v.d. Mark, adjudant van de Kantonnemetscommandant telefonisch verband opgenomen met C-Groep Kil en deze medegedeeld, dat te Dordrecht een chaotische toestand heerste, waarbij van alle zijden werd geschoten, terwijl de Kantonnementscommandant geen enkele leiding gaf en hij zelf te uitgeput was om hierin te kunnen voorzien. Hij had een dringend beroep op kolonel Van Andel gedaan om, als hogere in rang, in te grijpen en geëindigd met de woorden ‘Indien de Kantonnementscommandant niet wordt afgezet is Dordrecht verloren’. Aangezien C-Groep Kil ook uit berichten van C-II-2.RW en van luitenant Ruige van 14 C.Pn een somber beeld had gekregen van de verwarring en het gebrek aan leiding in Dordrecht, had hij gemeend zich aan dit beroep niet te mogen onttrekken en had hij bovenstaande beslissing genomen.«

In zijn memoires ging Calmeijer nog iets verder door te stellen [70; pg 311]:

» Hij (Van der Mark) eindigde met de woorden “Calmeijer, ik doe een beroep op je in het belang van het vaderland”. Kolonel Van Andel was op dat moment niet op de commandopost aanwezig, ik wist niet wanneer hij zou terugkeren, kon ik mij aan dit beroep onttrekken? Ik meende van niet, te meer daar de mededeling van kapitein Van der Mark overeenkwam met telefonisch ontvangen inlichtingen van de meergenoemde luitenant Ruige.«

De weergave van zaken in het stafwerk was uiterst subjectief. Het was feitelijk gebaseerd op twee pijlers. Dat was de enkele visie van de adjudant van Mussert, de kapitein Van der Mark en de daarop gepleegde interventie van de chef-staf Groep Kil, die in bovenstaand citaat uit het stafwerk  ‘comfortabel’ verwijst naar de C- Groep Kil, welke echter pas achteraf was betrokken. De werkelijkheid was dat een zeer pathetisch (1) aandoend telefonisch appèl van kapitein Van de Mark aan het adres van kapitein Calmeijer tot deze hoogst ongebruikelijke interventie leidde. Op kapiteinsniveau werd dus een luitenant-kolonel afgezet. Een kwestie die met evenveel gemak als subordinatie had kunnen worden geduid, welke rol men de chef-staf van Groep Kil ook functioneel zou willen toedichten. Hij kon in deze niet in de rol van C-Groep Kil opereren, of in zijn plaats dit besluit nemen, want hij noch zijn chef hadden enig gezag, omdat het kantonnement rechtstreeks onder de C-VH ressorteerde. Calmeijer ging dus buiten zijn boekje; ver buiten zijn boekje!

(1) 'Pathetiek' is uiteraard een subjectief oordeel over de smeekbede van kapitein Van der Mark. Het is echter voor deze officier een oordeel dat door meerdere bronnen, niet in de laatste plaats zijn eigen schrijfselen, wordt ondersteund. Er zal later nader worden ingegaan op de enigszins tragische figuur Van der Mark.

Calmeijer verwijst bovendien naar contacten die hij meermaals met de reserve 2e luitenant K.J. Ruige van 14 C.Pn. heeft gehad. Deze sectiecommandant (3e Sie) van het overigens uitgeschakelde 14. C.Pn was op 10 mei en 11 mei eerst op de Zuidendijk, later bij de spoortunnel te Dordrecht in een opstelling te vinden. [191] Diens zeer uitgebreide verslag uit 1940 geeft nog geen fractie negatief beeld over de depotcommandant, met wie Ruige dan ook niets van doen had. Ruige had wel enige keren telefonisch contact met de staf Groep Kil, maar gaf daarbij algemene inlichtingen aan Puttershoek en uitsluitend over het frontdeel dat hij kon overzien, eerst aan de Zuidendijk, later nabij het station. Dat hij over de plaatselijke leiding door de beide zwak leidende kapiteins Crok en Siegmund van het depot en de majoor De Bie geen gunstig beeld gaf, mag geen direct negatief oordeel over Mussert bieden. In tegendeel, Mussert had hier ten zuiden van het spoor juist Crok als oudste kapitein leidinggevend gemaakt. Men hield een positie langs het spoor vast en deze positie was niet serieus in gevaar. Het chaotische ter plaatse was vooral het komen en gaan van Lichte Divisie eenheden, waarbij zich al twee maal voor de ogen van de plaatselijke defensie een eenheid naar voren had gestort en met dodelijke gevolgen was afgewezen door Duitse toedoen. Mussert had met die zaken niets van doen. Het beeld dat Ruige heeft gegeven kan – indien het een oprechte observatie was – niets gezegd hebben over overste Mussert. Het feit dat Ruige in het geheel niets met Mussert van doen had, had door Calmeijer geverifieerd moeten worden als hij werkelijk zoveel gewicht aan die rol van Mussert hing als hij met zijn besluit op 12 mei in de vroege avond deed. Het lijkt echter veel meer een argument dat door Calmeijer zelf met de haren bij de zaak gesleept is, om zijn interventie beter verklaarbaar te maken.

Dat er in Dordrecht geen sprake was van een eenhoofdige gevechtsleiding is een feit. Men bendenke echter dat kantonnementscommandanten dan ook geen gevechtsleiders waren, maar militair-bestuurlijke functionarissen met een gezagsfunctie; geen gevechtsfunctie. Een (naar Nederlandse maatstaven) breed gevormde stafofficier als Calmeijer besefte dit heel goed. Dat van een torpedist geen eerste klas tactisch-operationele leiding kon uitgaan was geen verrassing. In Rotterdam was eenzelfde kwestie aan de orde, waar de kolonel der genie P.W. Scharroo een kantonnement leidde en eenzelfde verwijt zou krijgen. Toen hij op 11 mei een beroepsoverste van de landmacht naast zich kreeg voor de gevechtsleiding, de C-11.RI, bleek deze er niets beters van te kunnen maken, in tegendeel zelfs. Zoals in Dordrecht de Lichte Divisie de zaken ook bepaald niet beter leiden zou dan voordien Mussert. Het ging hier dan ook om achteraf gezochte ondersteuning voor een onoorbaar besluit door de kapitein Calmeijer. En kennelijk was een rapportage door een reserve 2e luitenant van de genie al voldoende om als argument te gebruiken om een zo zwaarwegend exogeen besluit over het commando in Dordrecht te nemen. Calmeijer intervenieerde immers nadrukkelijk en welbewust, buiten het eigen gezagsgebied, in het gezag dat uitsluitend in de lijn van de C-VH of diens staf lag. Het stafwerk gaat aan deze hoogst opmerkelijke interventie nagenoeg voorbij. Anders gezegd, het stafwerk, dat overigens in dit deel over het Zuidfront juist zo veel details prijs geeft, wordt opeens heel bondig en feitelijk.

Het stafwerk geeft daarom o.m. geen informatie over een even opmerkelijk als onverkwikkelijk telefoongesprek tussen de kolonel en de generaal Van Andel, dat volgde kort na de interventie door Calmeijer. Een telefoongesprek dat later uitgebreid zal worden behandeld. Het stafwerk volstaat [1, pg.121] met te stellen dat de interventie door de C-Gr Kil door de C-VH niet werd gesanctioneerd en produceert dan het door generaal Van Andel gegeven bevel aan de kolonels Van der Bijl (C-LD) en Van Andel (C-Gr Kil) dat hieronder wordt weergeven.

» Van 12 mei 18.30 af staan de troepen west van de Kil onder rechtstreeks bevel van C-Groep Kil, die oost van de Kil onder C-Lt.Div. Ik draag beide commandanten op, de vijand in samenwerking te verdrijven en oproerige bewegingen in Dordrecht op de strengste en meest afdoende wijze de kop in te drukken. De Kantonnementscommandant treedt onder bevel van C-Lt.Div. en handhaaft de orde in het kantonnement.«

Opmerkelijk genoeg achtte Calmeijer c.q. het stafwerk dit bevel een instructie welke ervoor zorgde dat er drie commandanten (C-Kant., C-Gr Kil en C-LD) ‘naast elkaar werkten’ (in eenzelfde sector), wat echter helemaal niet aan de orde was. Alleen C-Hoofdgroep, de overste Van Diepenbrugge, later de C-LD zelf, was voor het gehele Eiland van Dordrecht verantwoordelijk en dat was een prima beslissing. Het stafwerk concludeert echter opmerkelijk genoeg het volgende [1; pg 124]:

» Drie commandanten (C Groep Kil, Kantonnementscommandant Dordrecht en C-Hoofdgroep, resp. C-Lt.Div.) handelden naast elkaar. C-Vg. Holland kon deze acties uit ’s Gravenhage niet voldoende coördineren en stelde de troepen, die op samenwerking waren aangewezen, niet onder een eenhoofdig commando. Indien een C-Zuidfront aanwezig was geweest van voldoende autoriteit en bekwaamheid, had deze wellicht een gezamenlijke actie kunnen organiseren en leiden. Wegens gebrek aan bevelsbevoegdheid kon het coördinerend optreden van C-Groep kil het ontbreken van een gemeenschappelijke commandant niet voldoende ondervangen; het had aanbeveling verdiend, hem met de leiding te belasten.«

Deze conclusie van het stafwerk faalt volkomen en is bovendien uiterst tendentieus, zo concludeert auteur dezes. Dat is een stevig standpunt, dat zal worden uitgelegd.

De kinnesinne – zo mag het wel genoemd worden – bij stafwerkauteur Michael Calmeijer zat hem in het feit dat de generaal Van Andel niet ’zijn’ kolonel en Calmeijer zelf aan de leiding had gesteld om een soort plaatselijk overkoepelend commando Zuidfront te vormen en de operaties in Dordrecht en op het Eiland te leiden, maar de C-LD de leiding te geven c.q. laten behouden over … zijn eigen operatie. Dat de Lichte Divisie bij uitstek voor dit soort operaties was gestructureerd, opgeleid en bedoeld – wat Calmeijer als generale staf officier beslist wist – werd door de generale staf naoorlogs met de hierboven geciteerde conclusie dus opmerkelijk genoeg ernstig gediscrimineerd. De Lichte Divisie hàd juist een Afzonderlijke staf, met een complete extra gevechtsstaf, om dit soort operaties effectief te velde te kunnen plannen en te kunnen leiden. Het had zijn divisie- en gevechtsstaf bovendien als enige Nederlandse eenheid vrijwel geheel gevormd uit beroepsofficieren. Competenter – uiteraard naar de beperkte Nederlandse maatstaven – had men ze niet. Daarnaast was de operatie van de LD zo goed als autonoom, dat wil zeggen, dat er geen belangrijke gevechtskrachten waren van andere commando’s. De restanten van de Groep Kil waren al onder commando gekomen in de ochtend van 12 mei en alleen een reeds gezekerde bezetting van het veerpunt bij Wieldrecht werd aan C-Gr Kil opgedragen. Hoe zwaar deze aan de taak had getild bleek wel door het feit dat voor het ‘veroveren’ van dit veerpunt slechts één compagnie werd ingezet, die bovendien deze taak kreeg om een eerder ‘lafhartig’ optreden (van de CC) te compenseren. Zo zwaar nam kolonel Van Andel met zijn chef-staf de opdracht van C-VH om Wieldrecht te bezetten en veilig te houden. Uitsluitend als de LD zou naderen, zou een extra formatie worden overgezet om het bruggenhoofdje te versterken. Dàt was het commitment van de kolonel Van Andel en dat was de enige betrokkenheid van zijn al gedecimeerde eenheid Groep Kil. Zou het bruggenhoofd niet zijn bezet door Gr Kil dan zou de Hoofdgroep van de LD ook dat punt vrij moeten vechten om tenslotte aldaar veilig te kunnen oversteken. Veel meer had het niet om het lijf. Toch meende Calmeijer in het stafwerk kennelijk dat deze betrokkenheid – en het feit dat men voordien het commando over troepen in de toegekende ruimte van het Eiland van Dordrecht droeg – aan zijn chef het recht bood om de actie van de Lichte Divisie vanuit het verre Puttershoek te mogen leiden.

Dat er een integraal commando op het Zuidfront ontbrak was een gegeven. Daar kan men zeer kritisch over spreken, maar in dit geval is zulks bezijden het brandpunt van de kwestie. Het feit dat in de gegeven situatie over de operatie van de Lichte Divisie en het opereren op het gehele Eiland van Dordrecht de eigen divisiegevechtsstaf verantwoordelijk werd gemaakt, is volkomen logisch. Op dat besluit valt dan ook niets af te dingen. Ieder ander besluit was juist onlogisch geweest. Daarnaast had de Groep Kil zich tot dat moment in geen enkele kwestie of operatie onderscheiden. Men had op de keper beschouwd ieder gevecht tot dat moment verloren, iedere ingezette manoeuvre moeten staken. Het enige resultaat was dat men de (niet aangevallen) ruimte achter de Oude Maas en Kil nog verdedigde en de ‘verovering’ van Wieldrecht door 4-3.GB. Voor de rest had men vrijwel alle troepen buiten de Hoekse Waard verloren en zelfs een totale bataljonssterkte van de hoofdmacht door onverstandige acties op 10 en 11 mei. Groep Kil had bijzonder weinig prestaties waarmee het de logica kon verdedigen dat uitgerekende haar staf een actie van de LD zou moeten leiden. Daarnaast was de Groep ook nog eens uiterst zwak geïnformeerd, hoewel Calmeijer zelf meende dat zijn Groep de spin in het web was. In deze zaak en menig andere bleek vooralsnog dat de staf Vesting Holland van de zaken een veelvoud beter op de hoogte was dan de staf Groep Kil, ondanks dat deze laatste van alles pretendeerde.

kapitein Calmeijer

Er was, kortom, geen enkele rationele aanleiding denkbaar om de operatie van de LD bij de op afstand gezeten staf van de Groep Kil neer te leggen. Geen enkele! Dat Calmeijer dit zelf wel vond en van zijn eindredacteur zo mocht concluderen, had met een professioneel oordeel door Calmeijer niet veel te maken; het was in werkelijkheid een emotionele, egocentrische analyse van het geval. En helaas staat het stafwerk van het Zuidfront vol met dit soort sterk subjectieve conclusies.

Dat Calmeijer ten aanzien van het verwijt, dat er een integraal Commando Zuidfront ontbrak, een terechte grief poneerde, heeft, zoals gezegd, met het onderhavige geval niets van doen. Ook indien dat integrale commando er wèl zou zijn geweest, dan zou namelijk het operationeel commando van de actie bij de C-LD (of zijn Afzonderlijke Staf) hebben gelegen. Hij commandeerde immers deze manoeuvre eenheid. Het verwijt dat er drie commandanten naast elkaar opereerden was bovendien helemaal geen weergave van de werkelijkheid. De C-Kant was door het bevel van C-VH juist onder C-LD gebracht en fungeerde dus niet ‘naast’ C-LD, maar was aan hem ondergeschikt, was dat operationeel voordien overigens ook al. De C-Groep Kil had slechts tot taak het (inmiddels al) veroverde bruggenhoofd bij Wieldrecht adequaat te verdedigen, zodat dit overzetpunt voor de Lichte Divisie zou worden gezekerd. Groep Kil had daar buiten geen enkele operationele bemoeienis, was ook niet in staat veel meer te doen, daar men nauwelijks meer dan enkele compagnieën vrij zou kunnen maken. Pas nadat de LD succesvol het Eiland zou hebben overgestoken en over de Kil kwam, zou C Gr Kil op enige coördinatieve verantwoordelijkheid aanspraak mogen maken. Overigens was het tevens zo dat de Groep Kil uitsluitend in de uitgangssituatie van de veiligheidsbezetting van het Zuidfront over het Eiland van Dordrecht autoriteit had. Zou in een ‘conventionele’ offensieve ontwikkeling van een Duitse aanvaller het Zuidfront uiteindelijk tot de frontlijn worden, dan zou intussen allang een veldleger eenheid naar het Eiland van Dordrecht zijn gemanoeuvreerd om daar de verdediging van de veiligheidsbezetting over te nemen. Ook in zo’n situatie zouden de operaties vrijwel zeker naar het Veldleger c.q. naar de veldleger eenheden zijn overgeheveld.

Minstens zo belangrijk was dat Groep Kil helemaal geen adequate staf en commandant had om een integraal commando te leiden, wat overigens vooroorlogs ook de overweging van generaal Van Andel was geweest om het commando binnen zijn eigen Haagse staf te houden. [70, pg. 298] Dit heeft Calmeijer in zijn memoires zelf nog eens uitgebreid betoogd (2). Men had slechte verbindingen met het Eiland van Dordrecht, men zat aan de westzijde van de Kil en men had – Calmeijer beklaagde zich in een andere context er al over – behoudens de kapitein Calmeijer geen enkele gekwalificeerde stafofficier. De chef-staf had in zijn memoires ook al zeer weinig lovende woorden voor zijn chef, de kolonel Van Andel. Kortom, er is geen enkel argument aan te voeren dat de conclusie van het stafwerk ondersteunt.

(2) Calmeijer wordt door zijn eigen ijdelheid ingehaald als hij in zijn memoires niet mis te verstane zaken over zijn chef en collega’s op de staf weergeeft [70; pg 298]: “Hierbij moet ik aantekenen dat niemand in de veel te zwak bezette staf mij kon vervangen. De groepscommandant, kolonel Van Andel, die mij, zoals later zal blijken, steeds met zijn gezag heeft gesteund, was te onbeheerst en emotioneel om, onder ingewikkelde en steeds wisselende omstandigheden, de operatiën van ogenblik tot ogenblik alleen te leiden. (…) De luitenant-adjudant De Vries [AG: de latere generaal D.C. de Vries, divisiecommandant 7 December divisie] werd, overeenkomstig zijn bewegelijke aard, hoofdzakelijk voor mobiele opdrachten gebruikt. De meeste steun heb ik gehad van de res. 1e luitenant der infanterie mr. C.A. de Meijere, ordonnans-officier, die steeds zijn kalmte bewaarde en een intelligent medewerker was. De overige (res.) officieren van de staf waren, in meerdere of mindere mate, geschikt voor hun bijzondere en beperkte taak, maar zeker niet voor het geven van operationele leiding.“

Het is opmerkelijk, dat als men deze desavouerende typering van Calmeijer van zijn groepscommandant én de staf tot zich laat doordringen, de conclusie uit het stafwerk van diezelfde Calmeijer, dat Groep Kil de operationele leiding had moeten krijgen, kennelijk alleen maar van toepassing kan zijn geweest op hemzelf. Hij was immers, naar zijn eigen beoordeling, de enige die binnen Groep Kil naar behoren functioneerde ‘onder ingewikkelde en steeds wisselende omstandigheden’ en als enige geschikt ‘voor het geven van operationele leiding’. Calmeijer had eigenlijk iets bedoeld te zeggen in de trant van ‘had mij de leiding over de operatie van de Lichte Divisie maar gegeven, dan was het wel goed gekomen’.

Alles overwegende wordt dan ook door auteur dezes geconcludeerd dat de conclusie in het stafwerk geen militairwetenschappelijke conclusie was – wat het wel had moeten zijn – maar een zeer subjectieve ijdele overweging van de auteur van het desbetreffende stafwerkdeel zelf. De conclusie is immers zeer tendentieus, uitermate sterk gekleurd door de persoonlijke betrokkenheid van de auteur van het betreffende stafwerkdeel zelf met daarin een gepretendeerde superioriteit die verre stond van de werkelijkheid.

De kwestie is daarmee nog niet afgehandeld. Het is immers tegelijkertijd opmerkelijk dat in het beschouwende stafwerk een zeer opmerkelijke kwestie ontbreekt, die het contemporaine handelen van de auteur van het stafwerkdeel zou hebben bekritiseerd. Dit is precies waar het spreekwoord ‘de slager die eigen vlees keurt’ zo toepasselijk is. Het stafwerk zwijgt namelijk in alle toonsoorten over het opmerkelijke feit dat de Groep Kil ver buiten de orde ging door te interveniëren in het beleid van C-VH, terwijl de laatste niet was uitgeschakeld en ook niet buiten bereik was gekomen, men bovendien niet gevraagd of geverifieerd had óf C-VH niet bereikt had kunnen worden vanuit Dordrecht en dus niet zelf een beslissing terzake had kunnen nemen. Hier was sprake van een daad die op zijn minst als schending van de krijgsplicht kwalificeerde en aldus een krijgsrechterlijk onderzoek had kunnen billijken (3). Iets wat de Generale Staf in andere gevallen voor veel mindere vergrijpen deed, al in de jaren 1940/1941 entameerde. Calmeijer noemt zijn eigen schending van de krijgsplicht niet eens! Deze volstrekt onvolkomen wijze van bespreking van deze hoogst opmerkelijke gebeurtenis – waarbij auteur dezes de overtuiging heeft van opzettelijk verzwijgen en dus manipuleren van een militairwetenschappelijke studie – bevestigt slechts dat men nimmer een hoofdrolspeler zijn eigen theater mag laten onderzoeken; zeker niet als daarmee de pretentie van militair-wetenschappelijk onderzoek wordt uitgedragen, wat met het stafwerk nadrukkelijk aan de orde was. Dat men een betrokkene ter ondersteuning voor verheldering van zaken ingeschakeld zou hebben, is geheel aanvaardbaar, maar de zaken dienen door anderen te worden bestudeerd en door anderen objectief te worden ‘beconcludeerd’. Als dat niet het geval is, ontstaat tenminste de verdenking van de bekende ‘wij van wc-eend’ vooringenomenheid. In het geval van de onderhavige zaak is er zelfs aantoonbaar te maken dat de conclusie opmerkelijk is gemanipuleerd. Dan resteert de retorische vraag wat lessen uit een casus als deze nog waard zijn indien zij door de generale staf zelf als leerstukken zijn gemanipuleerd?

(3) Voor de rechtsgeleerden en geïnteresseerde onder de lezers. In dit kader had naar mening van de auteur tenminste onderzocht moeten worden in hoeverre de daad van Calmeijer kwalificeerde als een inbreuk op het gestelde in het Wetboek van Militair Strafrecht (van 1903) onder de Titel II (Schending van krijgsplichten, zonder oogmerk om de vijand hulp te verlenen of de Staat tegenover de vijand te benadelen), i.c. de artt. 89  en 94, Titel IV (Misdrijven waardoor de militair het functioneren van de krijgsmacht belemmert) artt. 117, 118, 122 en Titel V (Schending van het dienstbevel) art. 130 jo 131 tevens overwegende de toepasselijkheid van art 132.

Groep Kil

De Groep Kil werd bestierd door twee officieren die elkaar al lange tijd kenden, omdat ze beide grenadier waren. De geheractiveerde luitenant-kolonel, en tot reserve kolonel bevorderde, Van Andel en de kapitein der generale staf Calmeijer hadden naast hen beide echter weinig professionele ondersteuning, want de rest van hun staf bestond uit technische- en reserve officieren, op de luitenant De Vries na. De troepensterkte waarover men beschikte was anderhalf regiment infanterie (28.RI en deel 34.RI) sterk, met daarnaast vier afdelingen artillerie (I-17.RA, I en II-23.RA, 25.AA), waarvan twee met zeer oud stellinggeschut waren uitgerust. De Groep had voor de Duitse inval zijn hoofdkwartier in Puttershoek, vlak onder de Oude Maas, en de meeste troepen in de Hoekse Waard liggen. Daarnaast was het verantwoordelijk voor de veiligheidsbezetting van het bruggenhoofd Moerdijk en het Eiland van Dordrecht. In totaal had men daar anderhalf bataljon infanterie en twee afdelingen artillerie liggen. De stad Dordrecht en de beide bruggen tussen die stad en Zwijndrecht vielen buiten het gezagsgebied van Groep Kil.

Het dagboek van de Groep Kil – geschreven en samengesteld door de kolonel J.A.G. van Andel en de kapitein M.R.H. Calmeijer – beschrijft de kwestie rond het afzetten van de overste Mussert tamelijk uitgebreid. Dat komt mede door een uniek bewaard gebleven telefoonregister. Het geheel geeft (o.m.) een weergave van een tweetal gevoerde telefoongesprekken met de generaal Van Andel, waarbij de authenticiteit en compleetheid van de weergave uiteraard niet letterlijk vastligt. Men mag echter aannemen dat de beschrijving niet al te ver van de werkelijkheid zal hebben afgelegen, daar andere betrokkenen, met name de generaal Van Andel zelf, er ook hun zegje over konden doen. Van de generaal is bij auteur dezes, behoudens zijn verklaringen in de rechtszaak rond de aangeklaagden in de zaak Jo Mussert, geen nadere bespiegeling over de hieronder besproken telefoongesprekken met Groep Kil bekend.

Het zal de lezer naar alle waarschijnlijkheid opvallen dat er in de volgende passages vrij uitgesproken en veroordelend wordt gesproken over met name de persoon van de chef-staf van de Groep Kil, de toenmalige kapitein der grenadiers en generale stafofficier Michael R.H. Calmeijer, de latere generaal en staatssecretaris van defensie. Calmeijer schreef zijn memoires, welke in bewerkte vorm (“Herinneringen”, 1997) onderdeel vormen van de promotiestudie van dr. J. Hoffenaar. Het is soms ontluisterend om te lezen hoe deze Michael Calmeijer geplaagd werd door een overdosis naijver. Deze man zou vandaag de dag vermoedelijk als narcistisch worden gekwalificeerd, maar viel in die dagen minder op in een uiterst autoritaire omgeving, in een nog immer bestaande klassemaatschappij. Hij stelde zich zonder enige bescheidenheid op en beschrijft zijn eigen prestaties haast voortdurend met lyrische pen. Men ontkomt er bijna niet aan dat zich bij het lezen van ’s mans memoires irritatie opbouwt over zoveel zelflauwerende beschouwingen en vooral het voortdurend desavoueren van anderen en het veinzen alsof er eigenlijk maar één overal het licht zag, Michael Calmeijer. Men kan hierbij de gedachten vormen dat ’s mans eigenschappen en karakter niet zo heel veel terzake doen in een militairhistorische beschrijving, maar in dit geval is wel zeker dat ze de beslissingen en het handelen van deze officier in grote mate hebben beïnvloed. Dat blijkt wellicht omstandig ook uit het feit dat meerdere officieren, van gelijke opleiding en generale staf status, door Van der Mark waren benaderd om Mussert terzijde te schuiven, maar voor die eer bedankten. Toen Van der Mark de ijdelheid van Calmeijer aanspraak “doe het dan voor het Vaderland”, voelde Calmeijer kennelijk de belemmering niet, die gelijken wel hadden gevoeld, en handelde.

[192] In het dagboek wordt bij het tijdstip 18.30-18.50 het volgende weergegeven. Kapitein Calmeijer neemt – bij korte ontstentenis van de kolonel Van Andel – de beslissing om namens de C-Groep Kil de lt-kol Mussert uit zijn functie van kantonnementscommandant te zetten, nadat even voordien de kapitein Van der Mark telefonisch rapporteerde (naar woorden van M. Calmeijer):

» In Dordrecht heerst een wilde toestand. Ieder schiet op ieder. Overste Mussert geeft geen leiding en wordt door niemand vertrouwd. Ik kan niet meer. Indien Overste Mussert niet wordt afgezet is Dordrecht verloren.«

[192] Vervolgens maakt de chef-staf van Groep Kil, de kapitein Calmeijer, bekend dat, bij ontstentenis van zijn commandant, hij namens zijn chef een besluit had genomen over de kwestie. Hij stelde een instructie op die hij aan de C-LD kenbaar maakte en hij via diens staf bij de C-Kant bekend gemaakt wenste te zien. Daarbij kennelijk alweer pretenderende dat zijn gezag (dan wel dat van zijn chef) verder reikte dan dat van de C-LD. Aldus verordonnerende:

» C.-Groep Kil ontheft Luitenant-kolonel Mussert van Co.Kantonnement Dordrecht en verzoekt C-Lt.Div. deze ontheffing ter kennis te brengen van Overste Mussert en onverwijld nieuwe Kant.C. aan te wijzen, welke onder bevel van C-Lt.Div. het verzet in Dordrecht breekt en de rust herstelt.«

Een hoogst opmerkelijke instructie. Er is al eerder geconcludeerd dat de chef-staf Groep Kil met deze handeling ver buiten zijn boekje trad. Groep Kil had in het geheel geen zeggenschap over Dordrecht noch over het aanstellen of afzetten van een kantonnementscommandant. De staf van C-VH, de enige terzake aangewezen gezagdrager, was ‘gewoon’ telefonisch bereikbaar. Het (verzoek tot het) besluit kon uitstekend aan die autoriteit worden voorgelegd door Groep Kil. Er was geen enkele – ook geen dwingende – aanleiding voor de Groep Kil om dit gezag alsnog uit te oefenen. Men had er ook (kennelijk) geen idee van dat de kantonnementscommandant op de eerste twee oorlogsdagen de afgrendeling van zijn stad heel aardig op orde had, dat het juist de Lichte Divisie eenheden waren, die met hun onsamenhangende autonome operaties, voortdurend afstemming met het kantonnement vermijdend, voor onrust zorgden. Groep Kil verklaart het besluit (van Calmeijer) nader door in het dagboek te stellen dat ook van de luitenant Ruige (sectiecommandant van 14 C.Pn, die ten westen van het station van Dordrecht een positie had met telefoonaansluiting) en de majoor Kloppenburg (C II-RW) bericht was ontvangen van de chaos te Dordrecht. Beide waren echter helemaal niet in de positie enig beklag te doen over anderen dan hun eigenlijke commandanten. Ruige had met Mussert al geen enkel verband en viel onder de formatie pontonniersrekruten van de kapitein Crok, die vanaf 11 mei aan het spoor een defensie hadden. Majoor Kloppenburg, die wel enige aanraking met Mussert had gehad, kon zich echter slechts met recht beklagen over zijn eigen superieuren, Van der Bijl en Van Diepenbrugge, die de majoor slecht geïnformeerd lieten en in een zwak ontworpen aanvalsplan van de Hoofdgroep opnamen. Geen van beide kan Calmeijer van werkelijk steekhoudende en zwaarwegende informatie hebben voorzien om buiten het boekje een interventie te plegen. Het feit dàt Calmeijer deze weinig geloofwaardige getuigen aanhaalt maakt duidelijk dat hij puur op eigen gevoel en emotie handelde.

[192] Het was kort nadien, even voor 19.15 uur, dat Calmeijer telefonisch rapporteerde aan de chef-staf van C-VH, de luitenant- kolonel Willem Thomson, dat hij namens de C-Groep Kil de overste Mussert uit zijn functie had ontslagen. Hij legt kort uit waarom. Vervolgens werd in Den Haag de telefoon aan de generaal Van Andel overgegeven en aan Puttershoekse zijde door de, inmiddels kennelijk teruggekeerde, kolonel Van Andel. Een buitengewoon opgewonden gesprek volgde, waarbij de inhoud tamelijk ontluisterend is, zelfs als deze slechts in samenvatting het dagboek van de Groep Kil siert. Het is zo illustratief voor de gang van zaken en de hoofdrolspelers – die bijkans allen omrollen van primitieve ijdelheid – dat het geheel uit het dagboek wordt overgenomen:

» Generaal, ik heb Overste Mussert ontheven van zijn commando omdat alles wat ik doe wordt achterhaald door Duitse maatregelen. Zelfs zijn adjudant is tegen hem. Later zullen we wel verder zien.

In Dordrecht zit nu C.-Lt.Div., om 17.00 had ik al verbinding met hem. Forbes Wels, sous-chef Lt.Div. is Chef-Staf van een gevechtsgroep. Alles wat we doen is mis. Ik heb tegen Mussert geen enkel bewijs, maar ik moest het doen.

Als u, Generaal, in mijn plaats had gezeten, had U hetzelfde gedaan. Ik heb zelf bij het opnemen van een bericht uit Dordrecht geen gesprek kunnen volgen, zoveel schieten was daar. Generaal, de beslissing is uit. Ik wil er voor de krijgsraad voor komen.

[AG: Op de tegenwering dat Mussert de stad adequaat verdedigd heeft …]

Nee, Generaal, die het (bedoeld: deel eiland van Dordrecht en stad) gehouden heeft zijn wij geweest. Uit Dordt komt verzet, ze kunnen er niet uit breken.

Generaal, dit is een kwestie van tactische uitvoering en opdracht. Ik heb Wieldrecht in mijn bezit, ik heb het in mijn vingers.«

Dit eerste deel van het gesprek vraagt om een bespiegeling. De weergave van het gesprek is vanuit het ‘uitgaande verkeer’ waarbij met name de zender (Groep Kil) uitvoerig beschreven is en de ontvanger en (terug)zender summier. Toch is aan de antwoorden op te maken wat de strekking van het gesprokene aan de andere zijde bij benadering moet zijn geweest, als dit niet in het dagboek wordt gemeld.

Het begint al met het feit dat kort voor de beslissing van Calmeijer de kolonel Van Andel vermeend niet aanwezig was op de staf én dat Calmeijer geen idee had wanneer deze zou terugkeren. Eigenlijk was dit ongeloofwaardig. Een commandant kon weliswaar zeer kortstondig niet aanwezig zijn, maar zonder kennis van bestemming en duur van afwezigheid weg zijn, kan men haast uitsluiten. Het is vrijwel zeker een smoes geweest om Calmeijer en Van Andel eventueel niet beide slachtoffer te laten worden van de situatie óf de ijdelheid van de kapitein om gewoon een besluit te nemen en dit later aan zijn chef te verantwoorden. In elk geval is dat enige ogenblikken later opmerkelijk genoeg de kolonel Van Andel al volkomen ingelicht én aan de telefoon present was. Ook dat argument van Calmeijer, van een besluit bij ontsteltenis van zijn chef, is daarmee bijzonder wankel geworden. Het is mogelijk helemaal niet aan de orde geweest, maar door Calmeijer (of Calmeijer en Van Andel) keurig geënsceneerd. Het was tenslotte een weinig verheffende gebeurtenis, dat werd door de hoofdrolspelers snel onderkend.

kolonel J.A.G. van Andel

Omdat alles wat ‘ik’ doe wordt achterhaald door Duitse maatregelen”. Een paranoïde bewering, waar Groep Kil geen enkele aanleiding toe had, want het was voor hen helemaal niet aan de orde. Ten aanzien van de toestand in en om Dordrecht had Groep Kil namelijk nauwelijks enige betrokkenheid gehad en wat men deed was niet door verraderlijke gebeurtenissen mislukt. Er was in de avond van 10 mei een bataljon (II-28.RI onder de majoor Ravelli) naar Dordrecht gestuurd, dat het de volgende ochtend geheel zelf had verstierd. Dat kon men wel trachten op te hangen aan verraad, maar daarvoor had men geen enkele aanleiding, hoogstens een zelf verzonnen scenario. Majoor Ravelli had bovendien de bevolen opmarsroute niet eens gevolgd en een eigen route gekozen, dus hoe zou het verraden kunnen zijn?  Als men anders dacht, was dat uit eigen conclusie geboren. Men had in de middag succesvol een bruggenhoofdje bij Wieldrecht geslagen, dat nog zonder overtuigend Duits weerwoord was gebleven. Die zaak stonk dus ook al niet naar verraad. Waar sprak men dan van? De argumentatie dat alles wat men deed op verraderlijke Duitse tegenmaatregelen kwam te staan, deugde niet, was ronduit verzonnen, hoogstens een presentatie van wat van anderen werd vernomen, maar dan naar de ‘ik’ vorm gebracht. Het was dus niet alleen feitelijk onjuist, maar ook in het licht van wat men contemporain deed en ondervond gewoon een verzonnen argument, om andere termen in deze te vermijden. Daarbij valt aan te tekenen dat Groep Kil en de LD voortdurend via het open rijkstelefoonnet telefoneerden, wetende dat de hoofdlijn van dit net tussen Moerdijk en Rotterdam precies de Duitse corridor volgde, dat ze bij Amstelwijk het Nederlandse vakhoofdkwartier (met een open aftakking van die lijn) hadden ingenomen en inluisteren op de lijn voor een Duitse ‘verbindelaar’ dus een koud kunstje zou zijn. Als er al een verdenking voor ‘onderschepping van informatie’ zou zijn, dan had men de eigen wegen wel eens na mogen gaan bij de Groep Kil zelf. Zij waren het immers, die voortdurend (net als andere onderdelen overigens) het open rijksnet gebruikten. En lang niet altijd werd daarbij in bedekte termen gecommuniceerd.

Men hing kennelijk alles wat mislukte op aan verraad, subsidiair aan Mussert. De teneur was in de strekking van 'alles mislukt en dat komt hoogstwaarschijnlijk door Mussert'. Kolonel Van Andel en zijn chef-staf permitteren zich daarbij standpunten en meningen, die zij in geen enkel opzicht konden waarmaken. En dat hebben zij op dat moment ook wel degelijk beseft. Zij hadden van iedereen met afstand de minste aanleiding en rechten om Mussert te belasteren, laat staan om ter plaatse te interveniëren. Ze hadden geen flauw benul van wat zich in Dordrecht afspeelde, hoe de omstandigheden waren, wat Mussert wel of niet goed deed. Dat Mussert in de aanvalsplannen van de Lichte Divisie helemaal niet gekend was, wordt niet meegewogen als ze hem vrijelijk linken aan 'alles (wat) mislukt'. Dat ze Mussert op 10 mei ook geen enkele informatie over II-28.RI hadden gegeven behoudens dat er een bataljon naar de stad zou worden gestuurd, telde kennelijk ook niet mee. Mogelijk was het gegeven, dat de Lichte Divisie Mussert helemaal niet betrok bij de coördinatie, bij kolonel Van Andel en zijn chef-staf ook niet bekend. Dat was dan echter mede te wijten aan hun ‘blind varen’ op de enkele beweringen van de paranoïde kapitein Van der Mark, die al sinds de ochtend van 10 mei overal aan het jammeren was over zijn chef. Kennelijk overwoog men ook niet dat àls Mussert werkelijk verraad voor ogen had, hij slechts voor de Duitsers de voorwaarden tot bezetting van Dordrecht had hoeven te scheppen. Waarom omslachtig zaken verraden terwijl je vanaf 10 mei de kans had de Duitsers eenvoudig de stad te laten innemen? Er zat geen enkele logica in de redeneringen van Calmeijer en Van Andel en ze hadden kennelijk ook de intentie niet om Van der Mark zijn beweringen eens goed te onderzoeken of eerst te overleggen met de generaal Van Andel of diens chef-staf. Men keek niet eens naar hoe logisch of onlogisch de eigen redeneringen waren, voor zover ze al vooraf werkelijk hadden bestaan. De heren zaten muurvast in de preconceptie dat Mussert de zaak verraadde, want hoe kon anders ‘alles mis gaan’? Daar moest Mussert achter zitten: “zelfs zijn adjudant is tegen hem”. Het was echter vooral en boven alles zijn adjudant Van der Mark, die als een maniak zijn chef overal zwart maakte en iedereen vertelde dat Mussert onbetrouwbaar was, aan talloze officieren verzocht om te interveniëren. Van der Mark, die later uitgebreid zal worden belicht, vertoonde alle trekken van een man die bezeten was van zijn eigen vooringenomen idee dat Mussert een verrader was. Alles wat Mussert deed legde hij in een context van subversief handelen uit. Over de fnuikende rol van deze paranoïde Van der Mark in deze tamelijk ontluisterende kwestie in een volgend hoofdstuk meer.

Was er dan niets dat door de Groep Kil werkelijk als argument stand hield? Als wordt gekeken naar het moment van interventie niet. Bij anderen, met name de betrokkenen in Dordrecht zelf, zou omtrent hetzelfde tijdstip wel een zaak gaan spelen die men te frappant vond. Zeker de Lichte Divisie officieren. Dat was een kwestie, die de premisse van verraad leek te ondersteunen, zij het dat dit dus nog niet speelde op het moment dat Van der Mark om hulp smeekte. Het zou echter met name in de nadere beeldvorming rond Mussert – dus nadat deze weer in zijn functie was hersteld – een rol gaan spelen. Die kwestie waarbij men in alle objectiviteit kan meedenken met de Hollandse bevelhebbers, die op dat moment aan verraad dachten, was de Duitse aanval in het zuidoosten van de stad. Dat leek werkelijk een tegenmaatregel op de Hollandse aanval van de Afzonderlijke Staf. Zo interpreteerde men deze aanval  door de formatie van Oberstleutnant De Boer immers; als een tegenaanval, als een Duitse tegenzet. Dat moest op ‘verraad’ van de Hollandse plannen berusten. Deze Duitse tegenaanval speelde echter niet ten tijde van de interventie door Calmeijer. Hoewel de aanval al wel was ingezet, werd de omvang en intensiteit ervan pas later duidelijk. Het werd ook totaal niet genoemd in de bespreking van de zaak door de hoofdrolspeler. Terwijl de hoge heren bakkeleiden over de functie van Mussert, was de strijd om Dordrecht werkelijk losgebarsten.

Kolonel Van Andel had zich met zijn chef-staf ergens mee bemoeid waar hij zich niet mee had mogen bemoeien. Men zag hier duidelijk een aantal officieren (autoriteiten) in de weer, die heel nadrukkelijk bezig waren bijzonder veel gezag op te eisen en zich met allerlei grootse zaken bezig te houden, of liever gezegd; te bemoeien. De chef-staf, de opperste ijdeltuit, die van zelfbewondering bijkans achterover kukelde. Die het schitterend vond om zelf aanvallen te ontwerpen en kinderlijk enthousiast in zijn memoires blijk gaf van zijn grote militaire opwinding toen de eerste door hem ontworpen artilleriebarrage op (het overigens van Duitser geheel vrij zijnde) Amstelwijk viel [70; pg. 297] en de eerste kogels hem bij de Barendrechtse brug om de oren vlogen [70; pg. 303] (4). Zijn chef, de kolonel, die door Calmeijer zelf als een ‘opvliegerige neuroot’ getypeerd werd [zie voetnoot 1] en die maar wat graag schermde met prestaties, die alles behalve de zijn waren. Zoals de ronduit onwerkelijke bewering  richting generaal Van Andel dat de successen op het Eiland van Dordrecht en in de stad aan nota bene de Groep Kil toebehoorden! Het tegendeel was waar en zelfs C-VH wist dat. Het maakte de C-Gr Kil er niet geloofwaardiger op. In werkelijkheid had de Groep Kil vrijwel overal gefaald, niet in de laatste plaats bijzonder ongelukkig gefunctioneerd tijdens de Duitse overval op zijn gezagsgebied, waarbij zonder uitzondering, ieder betrokken onderdeel zeer zwak gepresteerd had. Het was uit al zijn posities gegooid en volkomen opgerold op het Eiland. Zelfs zijn pioniers hadden zich, op de sectie Ruige na, lichtvaardig overgegeven. Van alle gevechtstroepen ter waarde van een versterkt anderhalf bataljon infanterie en twee afdelingen artillerie op het Eiland en bij Moerdijk, resteerde nog slechts anderhalve compagnie infanterie met een sectie mitrailleurs en een sectie mortieren alsmede 100 man artilleristen zonder vuurmonden. De rest was opgerold. Op de tweede oorlogsdag had men blind een bataljon infanterie (Ravelli) naar Dordrecht gestuurd, dat opnieuw op een halve MC en twee secties infanterie na, volkomen was vernietigd. Overigens, ook dat debacle wist men goeddeels aan Mussert op te hangen. Aan het schaarse succes in Dordrecht had Groep Kil in het geheel geen enkele bijdrage geleverd. Niets. Waar de kolonel Van Andel meende zich wel op te mogen baseren qua successen is niet na te gaan, maar er was nog niet het geringste goed gegaan vanuit zijn Groep. Sterker nog, zijn laatste kreet dat hij de zaken ‘in de vingers had’ bij Wieldrecht was ook al een onwaarheid, zoals wel blijkt uit de beschrijving van de bloedige strijd die 4-3.GB daar moest voeren. C-Gr Kil had ten tijde van het telefoongesprek nog een halve compagnie van 3.GB liggen, die zich maar ternauwernood staande kon houden.  Het was alles behalve een strijdmacht die ook maar fractioneel de Lichte Divisie zou kunnen bijstaan, ook niet als een geplande versterking met nog enige andere secties zou zijn doorgevoerd. C-Gr Kil wist niet eens wat de status van de restanten van zijn eigen formaties was (zoals later in het gesprek nog zal blijken) en wist nog minder van de werkelijke status van de Lichte Divisie dan de generaal Van Andel. Kortom, kolonel Van Andel lichtte zijn generaal opmerkelijk misleidend voor en draafde volkomen door om de interventie van zijn hijgerige chef-staf in Dordrecht – die in alle opzichten buiten zijn boekje was geweest – te legitimeren. Het zou echter in het gesprek nòg bonter worden, als we de annalen van de Groep Kil in deze verder mogen geloven. Hoog tijd om het gesprek verder te volgen.

(4) Beide acties van Calmeijer waren tamelijk genante missers. De eerste was de ‘aanval’ op Amstelwijk door II-28.RI, waar de chef-staf op de eerste oorlogsdag zelf een halve dag mee zoet was ter planning. Het meest flagrante was dat deze zichzelf bijzonder geleerd en getalenteerd achtende officier verzuimde om zelfs maar de minste verkenning richting Amstelwijk te laten verrichten, terwijl hij nog eens benadrukt onduidelijke aanwijzingen rond Duitse aanwezigheid in Amstelwijk te hebben. Vervolgens laat de kapitein een uitgebreide barrage ontwikkelen om tussen Wieldrecht en Amstelwijk een brede strook ‘vrij te schieten’ waarachter op linie enige verbanden optrekken. Het was een staaltje oorlog uit de tijd van Napoleon, voor de uitvinding van de mitrailleur. Had er maar een peloton Duitsers in Amstelwijk gezeten, dan was het op een slachting uitgelopen in de open weilanden. Gelukkig was Amstelwijk allang door de Duitsers ontruimd, want ze waren doorgetrokken naar Dordrecht. De uitgebreid voorbereide manoeuvre was dus voor niets geweest, de barrage had slechts Nederlandse burgers voorzien van enorme schade aan huis en haard. Vervolgens zou het vermoeide Nederlandse bataljon de nacht in Amstelwijk doorbrengen, daar een warme maaltijd nuttigen en ruim na middernacht optrekken naar Dordrecht. Met uiterst magere informatie, en een al even zwak opererende beroepsmajoor aan het hoofd, liep de voorste compagnie zo in het Duitse bruggenhoofd en verloor de helft van zijn sterkte aan doden en gewonden. Nadien zou het bataljon blunder op blunder stapelen en voor de middag volkomen zijn uitgeschakeld zonder ooit een Duitser te hebben dwarsgezeten. Het was één gigantisch debacle, een ander woord is er niet voor de zaak. Calmeijer roemde zichzelf echter om de eerste fase. De tweede kwestie was een armoedig ontworpen ‘aanval’ over de brug bij Barendrecht. Hoewel Duitse mitrailleurs en enige lichte mortieren aan de noordzijde waren opgesteld, vond de kapitein Calmeijer het een goed idee de 400 m lange smalle brug met twee groepen stormende infanteristen over te steken zonder dat artillerievuur vuur op de vijand legde. Een waanzinnige zaak, los van het feit dat voor inname van de brug geen enkele noodzaak was op dat moment. Calmeijer kreeg echter het Bronzen Kruis voor de actie, wat weer aantoont welke willekeur men hanteerde voor dit soort onderscheidingen. Opnieuw gold echter dat hier de slager vooral eigen vlees keurde. Calmeijer was voorgedragen door zijn eigen commandant.

Wie de zaken rond Michael Calmeijer allemaal ontrafelt stuit op de ene gênante kwestie na de andere. Deze man heeft zich heel veel zaken kunnen permitteren, waarvan een ander bij een enkel geval al zou zijn gekapitteld of tenminste beteugeld. Calmeijer is echter één van die mensen die men in ieder tijdsgewricht tegenkomt, die om een of andere reden, bijvoorbeeld door het bezit van een bepaalde kwaliteit, altijd de dans ontspringen en, in elk geval in de contemporaine situatie, bijzonder floreren, waar een ander zou zijn bekritiseerd.

Het vervolg van het gesprek zou aantonen dat men bij de Groep Kil werkelijk niets wist van de stand van zaken op het Eiland, zelfs niet eens van de status van de kleine eigen formatie, die inmiddels al sinds de morgen van 12 mei onder de hoede van de Lichte Divisie was genomen. Het gesprek zette zich als volgt voort:

» (Kolonel van Andel) Ik heb het bevel over de Groep Kil én het Eiland van Dordrecht. Generaal, sanctioneert u deze beslissing? Ja of neen?

[AG: Waarop kennelijk geen bevestiging volgde en kennelijk gesteld werd dat de beslissing van de chef-staf t.a.v. het kantonnement Dordrecht zou worden teruggedraaid.]

Generaal, mijn Chef Staf heeft de beslissing genomen namens mij, wilt u er goed aan denken?

[AG:Calmeijer bevestigt dit aan de telefoon]

[AG: Generaal Van Andel kiest voor een milde oplossing en geeft het volgende bevel aan de C-LD en C-Gr.Kil:]

‘Vanaf 12 mei 18.30 uur staan de troepen west van de Kil onder rechtstreeks bevel van Kolonel Van Andel. Ik draag beide kolonels op den vijand in samenwerking te verdrijven en op roerige bewegingen in Dordrecht op strengste en meest afdoende wijze de kop in te drukken (sic). Overste Mussert treedt onder bevel C-Lt.Div. en handhaaft de orde in het Kantonnement. ‘

(Calmeijer): De beslissing over afzetting van Mussert heb ik, Calmeijer, genomen in afwezigheid van Kolonel Van Andel [AG: Van Andel roept ‘met mijn toestemming’]

De verbinding met C-Lt.Div. is wel is waar verbroken, maar ik zal het ter kennis van den Kantonnementscommandant brengen, generaal. Generaal, wij werken voortdurend op het nauwste samen , wij zijn schakel tussen onderdelen van de Lt. Div. en de divisiestaf.

[AG: Antwoord van onbekende strekking]

Generaal, wij doen onze uiterste best, maar u Generaal weet niet hoe de toestand hier is. Weet u bijvoorbeeld dat pas een pantsertrein uit het zuiden heeft ingegrepen? Die is gezien. C-Bat RW majoor Kloppenburg vertelt hetzelfde, toen moest ik ingrijpen, maar enfin, u heeft het nu geregeld, zoals u heeft menen te moeten regelen. Weet u dat ‘de b.’ aan ons de inlichtingen vragen bij uitbreken van verband, omdat men Overste Mussert onbetrouwbaar acht en niets wil vragen?

[AG: Hier voerde men een mededeling aan van ‘een vaandrig’ die dit aan kapitein Van der Mark zou hebben verteld. Het gaat hier om de vaandrig Marijs van I-28.RI, die op die mededeling door de C-LD lange tijd niet vertrouwd werd en ontwapend werd geïnterneerd, later op de avond alsnog weer in vertrouwen werd aangenomen. Generaal Van Andel zal de mededeling van die Duitse pantsertrein overigens niet aanvaarden en herhalen dat juist Franse gemechaniseerde troepen ieder moment over de Moerdijk kunnen komen]«

Vervolgens wordt het gesprek beëindigd en neemt C-Gr Kil contact op met overste Mussert. Dit gesprek heeft plaatsgevonden tussen 19.30 en 20.00 uur. In dat gesprek geeft Mussert (kennelijk) aan dat hij helemaal geen contact met de C-LD heeft en de divisie de hele dag niet heeft gezien. Dit berust op waarheid, want de in Dordrecht aanwezige onderdelen, die onder overste Van Diepenbrugge waren gebracht, mochten hun bevelen en opdrachten niet met het bureau van de kantonnementscommandant afstemmen. Kolonel Van Andel belt daarop opnieuw met generaal Van Andel:

»Overste Mussert heeft geantwoord: ‘Ik heb geen verband met Kol vd Bijl en de Lt. Div., de gehele dag niet’. Wij hadden de gehele dag verband met de Lichte Divisie, maar juist nu is deze verbroken.

[AG: Generaal Van Andel geeft aan dat morgen – 13 mei – de Lichte Divisie in Wieldrecht moet zijn en C-Gr Kil hieraan alle steun moet verlenen]

C-Gr Kil: Wij mogen niet meer, u hebt het eiland niet onder ons bevel gesteld.

C-VH: Als de kolonel de garantie geeft morgen het eiland schoon te vegen, krijgt hij bevel over het geheel.

C-Gr Kil: Neen, dat kan ik niet. Daarvoor heb ik geen troepen.

[AG: Er volgt een antwoord van onbekende strekking, maar vermoedelijk iets in de strekking dat men vanuit Groep Kil zonder twijfel toegewijd zijn best heeft gedaan]

Calmeijer: Dat is mijn overtuiging ook. Wij hebben voortdurend opgepast, wij hebben een bruggenhoofd in Wieldrecht.

C-VH: De kolonel mag de gehele staf van de Lt.Div. in arrest stellen en commando op zich nemen, indien de kolonel garandeert, dat het eiland van Dordrecht morgen aan ons hoort.

C-Gr Kil: Kan ik niet, als ik naar Dordrecht ga, ben ik alles kwijt en daar weet ik niets van de troepen en van de stand der troepen af

Hiermee eindigde een conversatie, opmerkelijk genoeg met zo’n beetje de enige feitelijke vaststelling die waar en juist was: C-Groep Kil wist niets van Dordrecht en de stand van zaken daar af. Waarom dan toch een geheel andere, ronduit hautaine houding aangemeten in het hele traject voordien? Probeerde men de eigen schaamte te overschreeuwen? Het heeft er alle schijn van.

Wie deze, uiteraard gecomprimeerde, uitwisseling in het dagboek van de Groep Kil beschouwt en analyseert en uitgaat van een zekere mate van waarheidsgetrouwe weergave bekruipt het gevoel van onwerkelijkheid. De wijze waarop deze conversatie de annalen haalde, door vastlegging in het dagboek van de Groep Kil, doet vrijwel zeker onvoldoende recht aan de positie en bijdrage van de generaal Van Andel. Deze wordt door de fragmenten van zijn antwoorden, die weergave kregen, als een weinig geraffineerde persoon weggezet, maar de halve verstaander wordt daarmee vrijwel zeker in een valse conceptie verleid. Het oorspronkelijke uitgangspunt van deze conversatie was de onoorbare interventie in het Dordtse door de kapitein Calmeijer, die vervolgens zijn chef, de kolonel Van Andel, aan zijn zijde vindt. Dat was een eenvoudig gevalletje van zuivere symbiose. Kolonel Van Andel had zijn chef-staf hard nodig om de boel op orde te houden en Calmeijer had het gewicht van de rang van zijn chef nodig om zijn strapatsen te dekken. Een hechte samenwerking was het gevolg. De generaal Van Andel, de enige die (samen met zijn chef-staf) in de bevelsketen werkelijk had mogen interveniëren, komt een verklaring halen over de handelwijze van de C-Gr Kil. Een goed argument om de handeling te verklaren heeft die laatste niet. Daarom wordt de generaal gevoed met allerhande informatie die niet klopt, wordt op de emotie gespeeld, wat de generaal beslist zal hebben onderkend, want hij was veel beter over de werkelijke stand van zaken geïnformeerd dan de Groep Kil. Zo hadden de generaal en zijn chef-staf – [280] zo blijkt ook uit procesverklaringen en [290] de verslagen van de overste Thomson van de gebeurtenissen bij de staf VH – voortdurend telefonisch contact gehad met Mussert op 10 en 11 mei, hadden zij daarbij de smeekbedes om troepen, wapens en munitie van de overste Mussert ontvangen. Ze hadden de verdedigingsplannen van de overste vernomen of hem daarbij ondersteund. Men had vernomen van het neutraliseren van een grote eenheid Duitsers, waarvan ca. 70 krijgsgevangenen op 12 mei in Den Haag waren aangekomen ten bewijze. Ze hadden al in de avond van 10 mei een bataljon wielrijders aan Mussert toegezegd, die de LD moest leveren. Zij hadden een overste ervaren die juist zeer betrokken was bij de oprechte verdediging van de stad, maar die zich ook beklaagde omtrent het wantrouwen dat zo jegens hem heerste. In zijn verslag van februari 1941 schrijft overste Willem Thomson [290]:

» De toestand in Dordrecht zelf was onrustig. In een telefoongesprek met den Kantonnementscommandant berichtte deze, dat in de stad veel werd geschoten, waardoor meermalen verwarring ontstond. Hij deed hierbij zijn beklag over de stroeve verhouding tot de Cn. der onderdelen van de Lt.Div. in en in de omgeving van Dordrecht, die hem niet op de hoogte hielden van hun maatregelen, waardoor de samenwerking ernstig leed. Overigens verklaarde hij nogmaals Dordrecht te kunnen en te zullen behouden. «

De generaal Van Andel en zijn chef-staf overste Thomson (5) hadden dus een veel genuanceerder beeld bij overste Mussert dan het beeld dat hen door de opgewonden kolonel Van Andel en zijn aid-de-camp werd gegeven. Zij voelden geen enkele aanleiding de panische stemming nader te ondersteunen met impulsief handelen, zoals de Groep Kil wel had gedaan. De kolonel Van Andel versterkte zijn argumenten bepaald niet door allerhande krediet te eisen voor daden waarvan de generaal en zijn staf wisten dat de kolonel er part noch deel aan had gehad. In die relatief lange conversatie, waarin duidelijk de kolonel Van Andel bijzonder emotioneel en opvallend vrijpostig werd, zou de generaal tenslotte – vermoedelijk om te shockeren – de hyperbool van stal halen dat de C-Gr Kil alles voor het zeggen zou krijgen als hij maar kon beloven dat hij ‘morgen’ de strijd zou beslissen. Het vermoeden bij auteur dezes is groot dat het geen toeval is dat uitgerekend deze parafrasering als citaat werd opgenomen in het dagboek van de Groep Kil, want de summiere weergave van de mededelingen van de generaal Van Andel in dat dagboek bieden vrijwel zeker een zeer onzuiver beeld van de nuances, die wel degelijk in Den Haag werden gevoeld. Generaal Van Andel was in deze zaak in die zin de enige rationele binnen het geheel, dat hij een genuanceerd beeld bij het functioneren van overste Mussert had en de matige gang van zaken veel meer weet aan het zwakke optreden van de Lichte Divisie en het weinig krachtige karakter van de adjudant van de overste Mussert, dan aan verraad. Anderzijds was generaal Van Andel, die ongetwijfeld heeft beseft dat de C-Groep Kil buiten de orde was gegaan, uiterst minzaam omgegaan met de onverkwikkelijkheid van de zaak. Hij spaarde zowel Calmeijer als kolonel Van Andel, vermoedelijk om de schade te beperken en de bevelhebbers allen weer terug te brengen tot de hoofdzaak: de defensie op het Zuidfront.

(5) Willem Thomson was een telg uit een zeer bekende militaire familie, van oorspronkelijk Schotse afkomst. Hij was een neef van de befaamde eerste Nederlandse dode tijdens een officiële vredesmissie, Lodewijk Willem Johan Karel Thomson (1869-1914), die als majoor omkwam in Albanië. Zijn broers waren allen beroepsofficier bij het KNIL, Willem Thomson (1889-) als enige van hen generale staf officier in het Nederlandse leger.

Kapitein-adjudant Van der Mark

Er is – als er sec naar de kwestie van de ontheffing van Mussert uit zijn functie wordt gekeken – alle aanleiding om de instigator van de interventie vanuit de Groep Kil onder de loep te nemen. De man, die in talloze verklaringen figureert als de fluisteraar, die talloze officieren waarschuwde voor zijn chef, voor het onbetrouwbare karakter van de overste Mussert. De man die vanaf 11 mei bij diverse autoriteiten lobbyde om zijn chef afgezet te krijgen.

Kapitein der genie Gerardus van der Mark – kapitein-adjudant van de depotcommandant van de Pontonniers en Torpedisten – speelde de hoofdrol in de zaak rond Mussert. Hij was in deze kwestie een pure intrigant. Hij heeft om hem moverende redenen Mussert nimmer gepruimd en werd al in december 1936 diens heimelijke nemesis, terwijl hij korte tijd na de door hem gadegeslagen moord op de overste buiten tegen enkele andere aanwezigen zou hebben gezegd “het is erg, maar ik ben wel van een last verlost”.  Van der Mark werd tijdens de meidagen nog vrij sterk ontzien, maar spoedig daarna toch door vele als een Judas beoordeeld, vooral toen bleek dat Mussert helemaal geen verraad had gepleegd. Hij kreeg er flink van langs tijdens de verhoren en procesgang toen de zaak tegen de verdachten rond de moord op Mussert aan het Vredesgerechtshof diende. Over zijn karakter en met name zijn handelen tijdens de meidagen was het een en ander te zeggen, zo vond menigeen.

Gerardus van der Mark

Kapitein Gerardus van der Mark was geboren in december 1896. Hij was als cadet in 1915 tot de krijgsmacht toegetreden en na een KMA opleiding in augustus 1918 tot tweede luitenant der artillerie – waar het korps pontonniers en torpedisten toen nog onder ressorteerde – beëdigd. Begin jaren twintig volgde de bevordering tot eerste luitenant, waarna hij medio jaren dertig een bevordering tot kapitein kreeg. Als de oorlog geen roet in het eten had gegooid was Van der Mark al majoor geworden, maar hij werd in 1945 met terugwerkende kracht als zodanig aangesteld en in december 1946 tot luitenant-kolonel bevorderd. Tijdens de oorlog was hij vanaf 1942 geïnterneerd, net als vrijwel alle andere beroepsofficieren. Vrijwel zijn hele actieve diensttijd als officier (40 jaar) zou Van der Mark bij het depot in Dordrecht doorbrengen, naoorlogs vooral als commandant van het depot. In december 1958 kreeg hij op 61 jarige leeftijd eervol ontslag en een welverdiend pensioen. Op 31 januari 1996, net 100 jaar oud, overleed Van der Mark. De kwestie Mussert had hem de rest van zijn leven gekweld.

[NIMH, 409-480038] Nog in januari 1990, inmiddels op de zeer hoge leeftijd van 93 jaar, schreef Gerardus van der Mark, een brief aan de toenmalige minister van Defensie A.L. (Relus) ter Beek over het geval Mussert. Hij meende, mogelijk door een leeftijd gerelateerde kwaal, dat de verdenking tegen (ook) zijn persoon inzake het verraad in Dordrecht nog steeds leefde en hem zijn carrière zou hebben gekost. Hij motiveerde dit met het gevoel dat hij als KMA opgeleide officier zou zijn genegeerd voor verdere promotie. Hij was naoorlogs echter zowel door de zuiveringscommissie voor officieren volledig gezuiverd, met terugwerkende kracht tot majoor bevorderd en in 1946 tot luitenant-kolonel bevorderd. Op veel jongere leeftijd dan welke van zijn voorgangers in dit dienstvak. Die rang was bovendien voor zijn specialistische dienstvak zonder hogere krijgsvorming (HKS opleiding) zijn eindrang, zodat er niets bijzonders was aan het feit dat hij tussen 1946 en 1959 in diezelfde rang aangesteld bleef. Hij vermoedde in 1990 echter, dat hij nog steeds onder de verdenking stond dat hij in 1940 tot de verraderlijke kliek rond overste Mussert had behoord en dit hem, zonder dat hij het wist, carrière-matig benadeeld had. Het is aannemelijk dat het hier om een oorlogsveteraan ging met een trauma wat in combinatie met leeftijdskwesties leidde tot een dergelijke brief aan de minister van deze strekking. Mogelijk was het ook een climax van jarenlang gevoelde twijfel. Dat paste immers bij de achterdochtige persoonlijkheid, die Van der Mark moeten hebben gehad. De brief bevat een aantal bijlagen die buitengewoon boeiende informatie prijsgeven. Het is dan ook niet zo zeer de brief die boeit, als wel de bijlagen die het bevatte.

De werkelijkheid was natuurlijk dat die verdenking van verraad jegens Van der Mark helemaal nooit aan de orde is geweest bij de generale staf of enige andere onderzoeker. Het is een feit dat de executeur van Mussert – de doorgedraaide PAG-luitenant Kruithof – de hele entourage van Mussert wegens landverraad wenste te (laten) arresteren, maar zelfs zijn partner-in-crime kapitein Bom geloofde niet werkelijk in verraad, laat staan door de hele staf van Mussert. Behoudens de contemporaine bronnen, die zo’n verdenking al uitsluiten, zou Van der Mark anders nooit door de commissie, die ging over de zuivering van het officierskorps, beoordeeld zijn als geschikt voor heractivering. De minister liet n.a.v. de brief wel onderzoek doen in de archieven, maar stelde vast dat er geen enkele reden voor de zorgen was, die de heer Van der Mark kennelijk in de late herfst van zijn leven nog – of weer – voelde. In een korte antwoordbrief memoreerde de minister dat de hele actie rond de arrestatie te Sliedrecht, in het bijzonder het neerschieten van de overste Mussert, geheel en alleen op eigen initiatief van de officieren Bom en Kruithof moest worden gesteld en dat de overige door hen gearresteerden zeker niet door instanties of hogere legercommandanten van verraad werden verdacht. Dat er jegens Van der Mark voorts geen enkele verdachtmaking was en aldus ook geen reden was om enige aantijging terug te nemen of – voor Van der Mark – enige zorg te hebben dat het zijn carrière geschaad zal hebben.

Tot zover de brief zelf, die vooral uit curiositeit werd besproken. De bijlagen bij de brief zijn interessanter. Ze geven een aantal zaken weer die nieuw zijn, althans, die de officiële open toegankelijke archieven niet prijsgeven. Dat kan zijn omdat ze pas in het brein van een bejaarde,  getraumatiseerd oud-militair (zo) zijn ontstaan of omdat ze buiten de archieven bleven. Het laatste is, gezien de helderheid van schrijven en de dateringen van gebeurtenissen, aannemelijker dan het eerste. Vermoedelijk putte Van der Mark uit eigen aantekeningen. Eén bijlage bij de brief, waarvan het archiefnummer al is weergegeven, bevat een opsomming van ‘belevenissen van G. van der Mark (…) voor en tijdens de meidagen 1940’. Er staan een aantal zaken in die al bekend zijn, maar zeer interessant en daarom curieus zijn de volgende citaten:

» 18 december 1936: Viering van de verjaardag van het Korps Pontonniers en Torpedisten, waarbij tevens de echtgenote’s van de officieren, resp. onder-officieren aanwezig waren. Tijdens het spelen van het Wilhelmus, waarbij allen stonden, bracht mevrouw Mussert – vd Kaaij de NSB-groet.

Ik heb dit voorval aan mijn commandant Luit.-Kol. Vaillant gemeld, die er werk van heeft gemaakt, ten gevolge waarvan het echtpaar Mussert in den Haag werd ontboden en heeft moeten beloven zich van NSB-uitingen te onthouden.

1 November 1937: Luit.-Kol. Vaillant wordt bevorderd tot Kolonel en gaat Dordrecht verlaten. De Majoor Mussert, tot nu toe Hoofdinspecteur van het Korps, wordt bevorderd tot Luit.-Kol. en aangesteld tot Commandant van het Korps Pontonniers en Torpedisten.

Maart 1939: Na inlevering van het oefenplan 1939 met andere troepen, zei Overste Mussert tegen mij: Als in nog eens Minister van Oorlog wordt, wordt jij mijn Adjudant. Op deze opmerking heb ik niet gereageerd en gelaten voor wat het was.

Maart 1940: Overste Mussert wordt teruggezonden naar het depot, omdat hij niet vertrouwd werd. De Luit.-Kol. De Stoppelaar Blijdesteijn moest zijn plaats in Den Haag overnemen (sic)

Dit is het deel dat zich vóór de Duitse inval afspeelt. In de bewoordingen, die vermoedelijk uit oude aantekeningen zijn overgenomen, maar in 1990 opnieuw ter schrift zijn gesteld, klinkt nog steeds veel emotie door. Van der Mark voelde kennelijk een diepe afkeer en was overtuigd dat Mussert onbetrouwbaar was. Dat hij Mussert in december 1936 bij zijn superieur aangegeven had, was naar alle waarschijnlijkheid anoniem gebeurd. Mussert zou het hem vast niet vergeven hebben als hij het had geweten. Vast staat dat in die periode de echtgenote van Mussert daadwerkelijk een fanatiek NSB lid was. Het werd in die fase nog door Mussert zelf gedoogd. In het eerste deel is dit reeds uitgebreid belicht. Het voorval was echter voor overste Vaillant (6), die ten tijde van het voorval commandant van het Korps en Mussert zijn directe meerdere was, geen aanleiding om Mussert te wantrouwen. In tegendeel, Vaillant was vermoedelijk zowel de bedenker van Mussert zijn oorlogsbestemming op een strategische post als de man die zijn aanhouden als actief officier actief steunde, omdat hij van de technische kennis van Mussert zeer onder de indruk was. Anderzijds, men had ten aanzien van de pontonniers bepaald schaarste aan hoofdofficieren. Mussert was koning in het land der blinden. Zo was Vaillant zelf een algemeen genist en geen pontonnier, desondanks korpscommandant. Mussert was als inspecteur der pontonniers en torpedisten de enige werkelijke autoriteit op zijn vakgebied. Reden ook waarom hij nimmer met vervroegd ontslag was gegaan, zoals vele andere beroepsofficieren van zijn leeftijd wel al hadden gedaan. Vaillant heeft daarom vooral ook een praktische keuze ‘voor’ Mussert gemaakt. Een andere reden om Mussert over het voorval niet al te zwaar te attaqueren was dat onder het beroepskader een grote, zwijgende groep was, die de nationalistische partijen steunde. Een andere hoofdrolspeler in de zaak rond Mussert, de kapitein Calmeijer, was ook zo’n voorbeeld, zij het dat hij in de rechts Christelijke hoek te vinden was. Zoals de kolonel Van der Bijl, C-LD, een bekend Duitsland sympathisant was. Zijn officieren waren meermaals getuige van zijn ronduit pro-Duitse denkbeelden. Het was niet zo heel snel een faux-pas om in deze periode nationalistische en/of rechtse partijen te steunen. De sterke afkeer tegen de NSB zou zich vooral in de periode 1937-1940 doen ontwikkelen, toen men onder invloed van met name de uitgesproken nazi Meinoud Rost van Tonningen radicaliseerde en de partij antisemitisch en anti-aristocratische standpunten ontwikkelde. Deze ontwikkeling zette zich einde 1936 in. Voordien was er dus nog niet zo heel veel aan de hand. Zodoende werd Mussert enige maanden na het voorval gewoon bevorderd en tot de nieuwe Korpscommandant aangesteld. Voor Van der Mark moet dit een echec en grote teleurstelling zijn geweest, te meer daar hij nu deze man rechtstreeks moest gaan dienen. Hij was immers de adjudant van de Korpscommandant, een functie die hij gedurende vrijwel de gehele dertiger jaren zou vervullen.

(6) Floris Abraham Vaillant (1882-1951). In 1902 beëdigd tot 2e luitenant der genie. Sinds november 1929 was hij luitenant-kolonel en in het bewuste jaar 1936/1937 de commandant van het Korps Pontonniers en Torpedisten. Hij werd in november 1937 bevorderd tot kolonel en ruilde Dordrecht in voor een staffunctie in Den Haag. In november 1939 werd hij bevorderd tot generaal-majoor en daarmee tot inspecteur der genie q.q. Hoofd Sectie V (Genie) van het Departement van Oorlog. Tijdens de oorlog zou Vaillant vanaf 1942 geïnterneerd worden, grotendeels in Stanislau. Opmerkelijk genoeg was de grootvader van Vaillant (1814-1890), met gelijke voornamen, ook generaal-majoor en inspecteur der genie. Zijn vader, Christaan Vaillant (1846-1927), was generaal-majoor der infanterie.

Het Korps Pontonniers en Torpedisten was klein. Iedereen kende iedereen. In feite speelde voor het beroepskader slechts een drietal posities voor hoofdofficieren. Dat waren die van korpscommandant q.q. depotcommandant (overste), hoofdinspecteur van het korps (majoor) en die van het (vooroorlogse) depot in Gorinchem (majoor). Daarnaast waren er voor subalterne officieren buiten het depot de schaarse veldcommando’s. Een deel van de posities werd door algemene genisten waargenomen, slechts een enkeling was gespecialiseerd pontonnier of torpedist. De enkeling die dit was, zoals Van der Mark en Mussert, speelden hun carrière lang binnen hetzelfde speelveld, met dezelfde collegae. Onderofficieren en officieren, men kende elkaar zeer goed en het gros woonde in Dordrecht. Men was praktisch familie, zoals de naoorlogs lange tijd in het buitenland gestationeerde Nederlandse militairen dat wel kennen van Nederlandse enclaves in bijvoorbeeld het Duitse Blomberg, Zeven of de omgeving van Hohne en Langemannshof. Een hechte gemeenschap, waarin lief en leed wordt gedeeld, maar waarin ook de gevangenschap zit van met elkaar moeten werken, duurzame frictie of vijandschap. Als dan twee karakters totaal niet congruent zijn, elkaar van nature afstoten, dan ontstaat relatief eenvoudig een relatie waarin plaats is voor antagonisme. De relatie Van der Mark – Mussert heeft de vingerafdrukken van zo’n verhouding, waarbij de structurele rangmatige dominantie van Mussert de zaak voor met name Van der Mark zal hebben ‘verpest’. Dit soort verhoudingen zijn vaak niet te voorkomen en niet eenvoudig te remediëren. Het is meestal onmogelijk, of onbillijk, de één of de ander zo’n relatie aan te rekenen. Het is echter wel een gegeven.

Het is bijzonder verleidelijk om te concluderen dat de opmerking van Van der Mark over Mussert zijn vermeende uitlating t.a.v. een ministerschap – als dit daadwerkelijk is gezegd – is  bedoeld om te suggereren dat Mussert zich kennelijk een NSB leiderschap in Nederland voor zou stellen, waarbij hij het ministerschap van Defensie zou vervullen. Ondanks het feit dat, zoals al in het eerste deel uitgebreid besproken, Jo Mussert een Duitse hegemonie geen lang leven toedichtte, is het niet uit te sluiten dat Mussert, mogelijk in de waan van eigen politieke ambities of een of ander superioriteitsgevoel, een dergelijke zinspeling maakte. Het is echter zonder context weinigzeggend en daarom ook speculatief en suggestief, zo ook bedoeld door de schrijver. Anderzijds, als Mussert het daadwerkelijk zou hebben gezegd, dan vertelt het ons ook dat Mussert kennelijk Van der Mark als een loyaal medewerker ervaren heeft en de animositeit tussen de twee vooral zijdens Van der Mark werd gevoeld. De kritiek van de adjudant op zijn overste zal dan ook wel erg heimelijk zijn geweest, zoals eerder al werd aangegeven dat Mussert de naam van de fluisteraar inzake het geval in december 1936 vast niet geweten heeft.

De officiële lezing in de ontslagbrief (n.a.v. het ontslag van Mussert in maart 1940 uit zijn oorlogsfunctie van Hoofd Bruggen en Veren) was dat hij wegens karaktermatige eigenschappen slecht functioneerde in de interactie met anderen en – omdat zijn functie veel interactie en afstemming verlangde – gekozen werd voor een andere persoon in zijn positie. Voor de juiste verstaander was het duidelijk dat het vermoedelijk om voorzorg of daadwerkelijk wantrouwen ging, omdat de opperbevelhebber op het punt stond de strategie t.a.v. Noord-Brabant te kantelen en slechts een zeer kleine groep generale staf officieren en bevelhebbers werd betrokken. Van der Mark kende die echte reden niet, maar zal vast en zeker zelf geconcludeerd hebben dat Mussert wegens wantrouwen terug werd gezet naar het depot. De kans is echter eveneens groot dat Mussert zelf tegen Van der Mark gezegd heeft dat men hem (kennelijk) niet vertrouwde. Hij toonde zich daarin niet naïef, zoals hij in de meidagen meermaals per telefoon aan de generaal Van Andel zei “generaal, ze vertrouwen mij hier niet”. Hij was niet ziende blind of horende doof voor de gebeurtenissen om hem heen, maar voelde zich vermoedelijk machteloos en gefrustreerd. Zijn naar verluidt gesproken laatste woorden tegen de door hem aangezochte dominee in het Gorinchemse ziekenhuis, waar Mussert op 14 mei 1940 dodelijk gewond naartoe werd gebracht, waren in die zin treffend “ze moesten me hebben omdat ik Mussert heet”. Voor Van der Mark was het terugplaatsen van de overste naar Dordrecht ongetwijfeld een vervelende verrassing en bovendien, daarvoor had hij geen andere meningen ter bevestiging nodig, voor hem een bevestiging dat zijn overste niet deugde.

Vervolgens is het interessant om de bijlage bij de brief van Van der Mark nader te volgen, als het de meidagen betreft:

»10 mei 1940: Oorlog. Ik kreeg de opdracht van Overste Mussert een actie in te zetten tegen de Duitse bezetters van de Verkeersbrug over de Oude Maas. Voor alleen met karabijnen bewapende soldaten was het onmogelijk een dergelijk object te heroveren.

Volgens mij had deze actie de bedoeling mij om de één of andere reden kwijt te zien geraken. Ik stelde toen voor die nacht met alle krachten van het Depot de Duitsers aan te pakken, doch Overste Mussert ging niet in op mijn suggestie en is gaan slapen.

Aldus stond het voor mij vast, dat de Overste Mussert niet bereid was actief tegen de Duitsers op te treden.«

Deze korte samenvatting van de gebeurtenissen op de 10e mei geeft zeer veel informatie prijs, die er niet letterlijk geschreven staat. Het citaat geeft duidelijk de ‘state of mind’ van de schrijver weer. Deze lijkt zichzelf te hebben ondergedompeld in achterdocht en zo vooringenomen te zijn geweest, dat alleen zijn beeld klopte, zelfs als er alle aanleiding was de zaken rationeler te beschouwen. In één alinea vaststellen dat je een opdracht tot herneming van de verkeersbrug krijgt én stellen dat de overste ‘dus’ niet bereid was actief tegen de Duitsers op te treden, is ronduit tegenstrijdig. Daarbij was Van der Mark bekend met het feit dat het kantonnement vrijwel gespeend was van automatische wapens. Dat was geen kwestie die Mussert verwijtbaar te maken was. Men had slechts enkele lichte mitrailleurs (en vermoedelijk één of twee M.18 Vickers zware mitrailleurs) voor instructiedoeleinden. Aan de ene kant stellen dat de overste kennelijk niet bereid was actief tegen de Duitsers op te treden en aan de andere kant stellen dat iedere poging zonder automatische wapens futiel zou zijn, is ronduit tegenstrijdig. Van der Mark geeft ermee aan sowieso alles wat overste Mussert deed of (na)liet te veroordelen. Bovendien discrimineert Van der Mark de zorg die Mussert terzake zelf ook had en – getuige ook de verslagen van C-VH [290] – ook al op 10 mei richting Den Haag uitte, dat hij zonder zware mitrailleurs geen vuist kon maken.

Mussert had in de ochtend van 10 mei overigens alles in het werk gesteld om ‘zijn’ Dordrecht ter verdediging in te richten. Hij organiseerde zelf, daarbij zich persoonlijk ook aan vuur bloot gevende, een stadsdefensie aan de zijde van de Achterhakkers. De later met de MWO gedecoreerde 2e luitenant Plasschaert werd daarmee belast. De verdediging onder de spoorbaan gaf hij heel bewust in handen aan de oudste kapitein (Crok) van de twee compagnieën in Krispijn, zodat onder het spoor een coördinatie tussen depottroepen was geregeld. Een uiterst rationeel besluit. Hij liet de beide compagnieën boven het spoor de waterzijde en de spoorzijde van de stad beveiligen alsmede diverse strategische posities in de stad. Stuk voor stuk maatregelen die een goed functionerende kantonnementscommandant verricht. Onderwijl belde hij met aanleunende bevelhebbers om versterking. Bij Groep Kil kreeg hij nul op het rekest, maar bij Groep Merwede werd hem na steun door C-VH een halve compagnie torpedisten toegezegd, die over ca. tien zware mitrailleurs beschikte. Mussert belde regelmatig met de staf van de Vesting Holland om versterking met gevechtstroepen alsmede zwaardere wapens en meer munitie. Deze acties leidden ertoe dat al kort na het middaguur de hierboven genoemde halve compagnie torpedisten uit de Biesbosch met zijn zware mitrailleurs aankwam. Deze kregen opdracht om ten dele de zuidelijke zijde van de stad bij de Zuidendijk af te grendelen en met een ander deel een verkenning en mogelijke tegenstoot richting spoorbrug te verrichten langs het spoor. Met hun zware mitrailleurs, zo werd verwacht, kon dat adequaat worden ondersteund. Tevens was inderdaad aan de twee compagnieën onder het spoor opdracht gegeven om een tegenstoot te leveren richting verkeersbrug. Dit is door de Krispijnse troepen uitgevoerd en – zoals bekend – inderdaad gesmoord in fel Duits vuur, dat men niet kon onderdrukken met eigen middelen. Mussert kreeg in de middag uiteindelijk, wederom na instructie van C-VH aan C-Gr Kil, tevens van Groep Kil de toezegging dat een compleet bataljon infanterie zou worden gestuurd. Van C-VH kwam in de avond tevens de toezegging dat ook een bataljon Wielrijders zou worden gestuurd als de Lichte Divisie in de Alblasserwaard zou zijn aangekomen. Mussert werd daarbij door zijn superieur nog eens op het hart gedrukt dat behoud van de stad zijn taak was en offensieve acties alleen met gevechtstroepen mochten worden ondernomen. Overwegende dat gevechtstroepen geoefend en uitgerust waren voor een tegenstoot, besloot Mussert (7) zich vooral op de verdediging van de stad te richten. Een volkomen juist beleid, dat overigens ook zo door de generale staf is beoordeeld. In tegenstelling tot de belanghebbende criticasters Calmeijer (vooral in diens memoires) en Van der Mark, waren anderen juist overwegend te spreken over de toewijding en beleidskeuzes van Mussert, toen er, nadat eenmaal de rook opgetrokken was, werkelijk onderzoek naar de zaken was gedaan.

(7) Mussert kreeg deze instructie van de staf van C-VH. Beide partijen hadden frequent contact. Mussert communiceerde over deze contacten naar alle waarschijnlijkheid minimaal met zijn adjudant, Van der Mark. De samenwerking tussen beide was ronduit slecht. Het is onmogelijk om vast te stellen of dit kwam door de grote achterdocht en zenuwachtige aard van Van der Mark of dat Mussert zelf a priori vond dat hij de zaken niet behoefte te delen met zijn adjudant. Overste Willem Thomson beschrijft de instructies aan Mussert echter in zijn specifiek over Dordrecht geschreven verslag ‘Chef van den staf Vesting-Holland – Verslag van den strijd om Dordrecht’, uit 1941. [290] Hierin wordt heel expliciet gemaakt dat C-Kant de opdracht had de stad te behouden en alleen offensief op te treden met toegevoegde operationele eenheden. Tevens in dit specifieke verslag felle kritiek op het beleid van de C-II-28.RI (maj. D.P. Ravelli) en de commandant van het op 11 mei reeds in Dordrecht verkerende bataljon III-2.RW (maj. W. van den Bosch), later op het algehele beleid van C-LD wegens de uiterst zwak ontworpen en uitgevoerde operaties. De kwestie rond Mussert wordt grotendeels verzwegen in dit verslag. Dat had een reden. De zaak was onder de rechter in februari 1941. Zodoende beperkte men zich tot de hoofdzaken van het militair beleid.

[280] Generaal Jan van Andel verklaarde tijdens zijn verhoren n.a.v. de Vredesgerechthof zaak letterlijk het volgende:

»Ik heb nimmer iets bij den overste Mussert geconstateerd, wat op begunstiging van den vijand leek en ik houd het dan ook voor uitgesloten dat hij verraad heeft gepleegd. In tegendeel, heb ik uit de gesprekken die ik met hem voerde de overtuiging geput, dat hij te Dordrecht tot den laatsten man zou standhouden. De wijze waarop de overste Mussert in den beginne met zeer weinig geoefende troepen Dordrecht heeft verdedigd was loffelijk.«

[...]

» Op 12 mei 1940 werd ik opgebeld door den luit.kol Mussert; hij slaakte als het ware een hartekreet, toen hij tegen mij zeide: ‘Generaal, ze denken dat ik een verrader ben omdat ik een broer ben van Mussert, de leider van de N.S.B.. Maar ik beloof u dat ik Dordrecht zal houden’ Daarna deed de overste Mussert mij het verzoek ‘wilt u misschien één van de heeren van de Lt.D. spreken, die hier bij mij is, om hem ervan te overtuigen, dat ik met U gesproken heb?«

Dit laatste verzoek werd opgevolgd en leidde tot een gesprek met overste Mijsberg, C-2.RW, die op dat moment in feite commandant was zonder commando. Ook de majoor Kloppenburg had later een telefoongesprek met de generaal, en meldde daarbij verraad in Dordrecht. Hij kreeg daarover het e.e.a. uitgemeten van de generaal, maar geloofde in werkelijkheid helemaal niet dat hij de generaal had gesproken, maar overste Mussert, die zich als generaal voor deed. Daarbij speelde mee dat Mussert zijn bureau had ingeruild voor een CP naast de telefooncentrale van de stad en inbreken op het 'prikbord' een koud kunstje zou zijn. Daarvan werd Mussert verdacht door Kloppenburg. Naoorlogs bleek hij, op navraag aan de generaal zelf, alsnog met de generaal te hebben gesproken. Het eerdere vermoeden toont de paranoïde staat waarin veel LD officieren verkeerden. In feite vonden zij alles verdacht, of, anders gezegd, wantrouwden zij alles wat Mussert deed of (na)liet.

Teruggrijpend op het verslag van de voormalige kapitein Van der Mark kan gesteld worden dat zijn bespreking hierboven misleidend is. Als zijn weergave model staat voor zijn beoordeling tijdens de meidagen, dan verklaart het zijn gedrag in die dagen. Hij verdraait zo bewust de werkelijkheid, dat het als opzet kan worden bestempeld. Het kan niet zo zijn dat Van der Mark niet geweten heeft dat zijn overste zich voortdurend inspande om versterking toegewezen te krijgen. Het kan ook niet zo zijn dat Van der Mark niet wist dat uiteindelijk twee bataljons werden toegezegd en ook Van der Mark wist dat het kantonnement geen eigen gevechtstroepen en –middelen had, zoals hij zelf al aangaf. De tevens als stafofficier functionerende kapitein Erik-Jan van der Flier getuigt ook van regelmatig overleg tussen de overste, de adjudant en hemzelf. Van der Mark zijn conclusie dat Mussert niet bereid was actief tegen de Duitsers op te treden was dan ook een suggestief verzinsel. Puur aangevoerd om een eigen (voor)oordeel te ondersteunen. Het was Van der Mark ook bekend dat gedurende de meidagen de overste zich regelmatig buiten en langs de opstellingen begaf, daarbij de grote gevaren van vijandelijk vuur niet schuwende. Het was nog sterker, Van der Mark beklaagde zich regelmatig tegenover andere officieren dat de overste zo vaak buiten zijn bureau verkeerde en dan ‘ergens’ in de stad was. Hoewel deze grief vermoedelijk wel met enig recht werd geuit, was daarmee ook duidelijk dat Mussert het gevaar niet schuwde.

Dan komen 11 en 12 mei, waarbij Van der Mark zwaar wegende relevante zaken blijkt te verzwijgen:

» 11 mei 1940: Kapitein Bom van het Korps Wielrijders komt melden, dat de Lichte Brigade in Dordrecht is aangekomen. Hij had een gesprek met Overste Mussert, waarbij ik niet tegenwoordig ben geweest.

12 mei 1940: Omdat ik al enige tijd geen berichten meer doorkreeg van de Lichte Brigade, heb ik mij tot Kapitein Antoni gewend, die mij vertelde: wij vertrouwen jouw Commandant niet.

Na deze mededeling heb ik nog geprobeerd de zaak te redden door de Commandant Vesting Holland te vragen een andere commandant over Dordrecht aan te stellen. Overste Mussert werd niet alleen gewantrouwd, maar deed ook geen moeite om het de Duitsers zo moeilijk mogelijk te maken.

Kapitein Calmeijer heeft toen nog een maatregel uitgevaardigd, welke geen succes bleek en werd ingetrokken.«

Verrassend is dat Van der Mark in een ‘algemene toelichting’ aanvoert dat tijdens het gesprek tussen de kapitein Bom en de overste Mussert door de laatste (kennelijk) zou zijn gezegd dat de kapitein-adjudant ‘niet te vertrouwen was’. De kans dat Mussert dit inderdaad heeft gezegd is aanzienlijk, maar frappant is toch wel dat Van der Mark het hem kwalijk nam, terwijl hijzelf niets anders deed dan tegen iedereen verklaren dat juist zijn commandant niet te vertrouwen was en daarmee het werk van zijn chef welbewust heeft belemmerd. Een daad die insubordinatief was, in oorlogstijd zwaar bestraft kon worden. Het voortdurend bezwaren van het blazoen van zijn chef, wat Van der Mark sinds december 1936 al had gedaan en wat zich in extremis doorzette tijdens de meidagen, wordt in zijn gedateerde samenvattingen opmerkelijk minimaal besproken, maar door anderen, die terzake over hem getuigen, wel degelijk bevestigd. Het moet voor Mussert, die de weerstand en het disfunctioneren van zijn adjudant spoedig moet hebben opgemerkt, aanleiding zijn geweest zijn adjudant niet meer bij alle zaken te betrekken. Een vertrouwensbreuk was het gevolg. Deze was echter in hoofdzaak aan Van der Mark te verwijten, hoewel deze zich in zodanige staat van vooringenomenheid jegens zijn chef bevond, dat hij ongetwijfeld een andere conceptie bij de zaak had.

Bij 11 mei vermeldt Van der Mark niet alle hoofdzaken. [106, 107, 280] Op die dag had hij namelijk aan de luitenant-kolonel E.C. de Haan, commandant KRA, verzocht om de C-LD te verzoeken Mussert wegens onbetrouwbaarheid en disfunctioneren te laten vervangen. De Haan getuigde hierover tijdens de verhoren die plaatsvonden n.a.v. de rechtszaak tegen de verdachten van de moord op Mussert. Dit verzoek van Van der Mark, dat bij C-LD terecht kwam, kreeg geen formele opvolging, maar zal wel als een bom zijn ingeslagen. De interpretatie van de kapitein-adjudant dat zijn chef Mussert disfunctioneerde en onbetrouwbaar was – de exacte woorden zijn niet vastgelegd, slechts de lading van de mededeling – zal mogelijk toen al met andere stafofficieren van de LD zijn gedeeld. Toen overste Van Diepenbrugge bij Papendrecht werd overgezet, was hij al op zijn hoede voor de kantonnementscommandant, voordat hij goed en wel voet op Dordtse bodem had gezet. Vrijwel zeker is de overweging om voorzichtig met informatie te zijn richting kantonnementscommandant meegegeven aan de bataljons, die zich richting Dordrecht zouden moeten begeven. Van der Mark was in die zin dus op 11 mei al actief in het besmeuren van de naam van zijn chef, welbewust dat zijn oordeel als adjudant zeer zwaar zou wegen. Toch verstaat Van der Mark het in 1990 juist zijn overste te betichten van conspiratie tegen hem en zelf bij die datum niet te vermelden dat hij heel nadrukkelijk om het vervangen van zijn chef heeft verzocht. Een opmerkelijke zaak, maar consistent met de oneerlijke voorstelling van zaken bij 12 mei, die Van der Mark aan de minister stuurt. Daarin schrijft hij nota bene dat een officier van de Lichte Divisie aan hem verklaart dat ze zijn chef niet vertrouwen. Nogal wiedes! Daags voordien heeft Van der Mark zelf een hoofdofficier van de Lichte Divisie ingelicht dàt Mussert niet te vertrouwen was én verzocht dit aan de divisieleiding door te geven ter interventie. Bovendien verklaren meerdere LD officieren dat ze door Van der Mark werden gewaarschuwd voor zijn chef, althans, dat deze hen vertelde dat hij zijn eigen chef niet vertrouwde. Het is geen toeval dat Van der Mark dergelijke feiten bij zijn samenvatting van 11 mei niet vermeldt. Hij wilde opzettelijk de indruk wekken dat anderen geheel zelfstandig ook tot zijn conclusie kwamen en zichzelf niet criminaliseren.

Op 12 mei geeft hij aan dat overste Mussert geen moeite deed om het de Duitsers zo moeilijk mogelijk te maken, maar hem was te verstaan gegeven dat de offensieve acties door de Lichte Divisie zouden worden verricht. Die divisie zou immers vanaf de avond van 11 mei met een Hoofdgroep worden overgezet en om Dordrecht heen de vijand terzijde schuiven om zo de Kil te bereiken en deze met de hoofdmacht over te steken (enzovoort). Het is pure stemmingmakerij van Van der Mark te stellen dat Mussert geen moeite deed. Het staak ook haaks op wat Van der Mark daadwerkelijk wist. Hij verdraait hier opzettelijk de werkelijkheid.

De gebeurtenissen op 12 mei zijn in dit hoofdstuk voldoende besproken om ze alhier niet nog eens te hoeven herhalen.

Van der Mark heeft tijdens de meidagen van begin af aan zijn chef zwart gemaakt, anderen voor hem gewaarschuwd en voortdurend om zijn vervanging verzocht bij externe officieren. Hij informeerde alle Lichte Divisie officieren die hij sprak dat ze hem niet in vertrouwen moesten nemen, waarvan meerdere officieren getuigd hebben. De verzoeken om hem te vervangen vermengde Van der Mark met vernietigende rapporten over het (dis)functioneren van Mussert, daarbij niet schromende om de man al het denkbare voor de voeten te werpen. De man zou puur chaotisch zijn en allerlei onbegrijpelijke orders hebben uitgeven, bewust passief zijn, merkwaardige antwoorden geven op gestelde vragen, enzovoort, enzovoort. Veel van die beschuldigingen zijn nadien een eigen leven gaan leiden, zoals talloze mythes in de meidagen tot een ware cultus werden verheven. In werkelijkheid waren de orders van de overste Mussert – met de juiste context – uitstekend te duiden en zouden ze er mede toe leiden dat Dordrecht effectief werd afgegrendeld gedurende de eerste oorlogsdag. Dat de communicatie tussen Mussert en zijn adjudant spoedig vastliep, was vermoedelijk minstens zoveel aan Van der Mark te danken als aan Mussert. Er ontstond een vertrouwenscrisis tussen de twee, waarbij echter de bronnen nergens prijs geven dat Mussert richting derden dezelfde karaktermoord pleegde op zijn adjudant als andersom. Deze beoordeling laat onverlet dat Mussert zichzelf bleef, met dien verstande, dat zijn weinig sociaalvoelende karakter en zijn stugge houding niet hielpen om zijn entourage en overige betrokkenen voor zich te winnen. Hij paste zich niet aan, aan de situatie. Zou zich niet charmanter opstellen, zou geen zieltjes gaan winnen. Eerder het tegendeel.

Ten aanzien van kapitein Van der Mark zelf waren de oordelen na de strijd overwegend kritisch en negatief. Wellicht dat hij daarvan het e.e.a. mee heeft gekregen, waardoor zijn achterdocht nimmer werkelijk zou wegebben. Tijdens de verhoren voor het Vredesgerechtshof brak hij en werd in tranen uit de rechtszaal geleid. Hij werd door andere officieren aangesproken op zijn weinig verheffende rol bij de karaktermoord op zijn chef. Menigeen vond dat zijn loyaliteit veel te snel was opgegeven, sommige vonden hem (naar zijn chef) verraderlijk en spraken over een mes in de rug steken van Mussert. Er werd hier en daar ook gesuggereerd dat het zelfs subordinatief was geweest, wat Van der Mark had gedaan. Er was daarnaast ook geen aanleiding om zijn eigen leidinggevende kwaliteiten overdreven te roemen. Men vond hem zenuwachtig, weinig krachtig en er ging van deze adjudant geen leiderschap uit. Hij verweet zijn chef dus eigenlijk veel van wat anderen ook van hemzelf vonden.

Vastgesteld kan worden dat de kapitein Van der Mark een weinig verheffende rol heeft gespeeld in de kwestie rond overste Mussert. Dat hij naast instigator, bepaald geen katalysator was geweest; dat hij olie op het vuur in plaats van op de golven had gegooid. Hij had mogelijk werkelijke leiderschapsproblemen bij zijn chef slechts versterkt door Mussert overal als onbetrouwbaar te duiden, zodat men het kantonnement steeds minder betrok bij besluiten en rapportages en met als neveneffect dat het kantonnement zelf ook slecht marcheerde.

Toch kan men ter verdediging van Van der Mark aanvoeren dat hij niet werkelijk bewust destructief zal hebben gehandeld, dat hij uiteindelijk vooral de zorg voelde voor een juiste leiding van de stadsdefensie. Dat hij weliswaar geobsedeerd leek door zijn chef Mussert, maar vooral ook de verantwoordelijkheid voelde voor stad en korps. Daarnaast was het zo dat er natuurlijk wel degelijk een leiderschap probleem was in Dordrecht. Mussert werd gewantrouwd en niet uitsluitend wegens de karaktermoord door zijn adjudant, maar ook wel degelijk door zijn eigen stijl van leidinggeven en de vooroordelen, die er wegens zijn naam a priori al waren. Van der Mark signaleerde dit en trachtte er uiteindelijk wat aan te doen. Dat deed hij weliswaar op een uiterst onverstandige wijze, veinsde zelfs later niet te hebben geweten dat niemand anders dan de C-VH Mussert kon vervangen, maar het resultaat was wel dat de kwestie in Den Haag tot een vorm van ingrijpen leidde. En ingrijpen was noodzakelijk. Dat dit ingrijpen niet erg fortuinlijk uitpakte was Van der Mark maar in zeer bescheiden mate verwijtbaar. Daarvoor lag de verantwoordelijkheid in eerste instantie bij de C-VH, maar waren de omstandigheden vooral debet aan een gebrekkig effect. In de conclusie meer daarover.

De panische Lichte Divisie

De wielrijders van de Lichte Divisie zorgden op 12 mei voor omvangrijke paniekgolven in de stad. Het krioelde in de ochtend van 12 mei van de militairen en staftreinen. Twee bataljons van de LD waren al in de stad, twee meer arriveerden die dag. Een regimentsstaf (2.RW) en de afzonderlijke staf met hun trossen evenzo. Daarnaast een afdeling veldartillerie van het KRA. Tussen het Papendrechtse veer en het Oranjepark was het één grote verzameling militair materieel. Bij elkaar kwam er meer dan een regiment aan modern uitgeruste gevechtstroepen de stad binnen en concentreerde zich aan de oost en zuidoostzijde van de stad.

Bij de entree van de stad aan het veerpunt met Papendrecht had men vernomen dat er in de stad sprake was van spookvijanden, dat er sluipschutters in de stad waren, dat het er verraderlijk toeven was. Die informatie was niet aan dovenmans oren gericht. Buitengewoon alert reden de formaties die aankwamen van het veerpunt door richting toegewezen locaties in de stad. Iedere verdachte beweging door burgers, andere militairen of van welke aard dan ook, kon rekenen op een overspannen reactie van de verplaatsende troepen. In menig geval stapte men af of uit en begon een eenzijdig vuurgevecht met de spookvijand of werden huizen bestormd en alles kort en klein geslagen. Op die wijze werd het één grote zichzelf waarmakende voorspelling. Van een stad waar voor de 12e mei wel eens de schijn van een onverklaarbaar vuur was, was er ineens een broeinest van verraad, waar iedereen op iedereen schoot als de omstandigheden maar even de kans boven om te ontsporen. Op diverse locaties kwam het zo tot schietpartijen. In geen enkel geval is er ooit ‘a smoking gun’ gevonden. Het was als in alle grote steden, één grote angstpsychose. Iedere ricocheren kogel, iedere reflectie van licht, iedere onverklaarbare beweging of handeling kon leiden tot een exces. En men was massaal bevattelijk voor al het ongelofelijke. Het leidde tot talloze incidenten waarbij eenheden kostbare tijd zouden verspillen in schijngevechten of massale huiszoekingen, gewonden of doden onder eigen militairen vielen of burgers slachtoffer van de willekeur en paniek werden. Enige zaken worden ter illustratie uitgelicht.

De 37-jarige oud-militair(8) G.C. de Lang woonde aan de Jacobahof 4 in Dordrecht. Dat was vlak aan de Noordendijk, die de Lichte Divisie troepen continue namen richting de aan hun toegewezen posities in het zuidoosten van de stad. Op 11 mei beukten een paar Hollandse militairen op de voordeur bij De Lang. Wat er exact gebeurde is niet eenduidig omschreven, maar het komt erop neer dat even later door de voordeur werd geschoten en De Lang zwaar gewond raakte. Hij zou dezelfde dag in een Dordts ziekenhuis overlijden aan zijn verwondingen.

(8) Gijsbertus C. de Lang staat op de lijst met burgerslachtoffers van de gemeente Dordrecht, geregistreerd met nummer 304. Hij was van het jaartal 13 mei 1902 en overleed dus één dag voor zijn 38e verjaardag. Als 1902 boorling en dus lichting 1922 of 1923, was hij geen actieve reservist meer. Hij behoorde als dienstplichtige laatstelijk (vanaf 1938) tot het 1e Regiment Luchtdoelartillerie. Hij zal in 1939 echter ontslagen zijn van de dienst- en reserveplicht. Betrokkene staat ook niet te boek als militair gevallene, maar de Oorlogsgravenstichting heeft hem in augustus 1992 om onverklaarde redenen – wellicht op basis van de stamkaart van betrokkene bij BRIOP die misleidend spreekt van ‘gesneuveld op 12 mei’ – alsnog toegevoegd aan de lijst omgekomen militairen met oorlogsgrafrechten. Er wordt zelfs gesteld dat betrokkene tot het 86e Peloton Luchtdoelmitrailleurs heeft behoord. Deze eenheid werd echter op 10 mei 1940 geheel gevangen genomen. Ook in de naoorlogse verslagen van de eenheid wordt betreffende militair niet genoemd als omgekomen, terwijl dat wel in de reden had gelegen als hij als militair om is gekomen. Andere gesneuvelden zijn wel genoemd. Familie van De Lang verklaart ook dat betrokkene gewoon als burger in Dordrecht woonde en, voor de ogen van één van zijn kinderen, achter de deur werd neergeschoten door Nederlandse militairen. De familie spreekt met geen woord over activiteit als militair bij Gijsbertus de Lang. Er is alle aanleiding te vermoeden dat OGS (met BRIOP) in deze gedwaald heeft. OGS is met de vragen benaderd, maar zoals vaker als het om correctie van onjuiste gegevens gaat, houdt de afdeling necrologie van OGS de boot af. Het is echter wel door de valselijke registratie als militair dat de dood van deze burger bekendheid kreeg en aan de panische gebeurtenissen in Dordrecht op 11 en 12 mei kan worden gelinkt.

Een nog veel ernstiger kwestie betrof de lichtvaardige executie van een tweetal mannen, die op enkelvoudige aanwijzing van een overbuurvrouw wegens vermeend verraad werden gearresteerd. Het betrof de broers Christiaan en Pieter van Dijk. Zij woonden op het adres Dubbeldamseweg no. 2 te Dordrecht, dat midden in de dynamische frontsector viel, maar ten tijde van het incident met de broers nog een redelijk luw gebied was waar één bataljon wielrijders een uitgangspositie zocht voor de later die dag in te zetten tegenaanval. Rond dit gebied zouden vanaf het einde van de middag twee bataljons van de Lichte Divisie in gevechtscontact komen met parachutisten en met name met de gevechtsgroep van Oberstleutnant De Boer. De beide broers werden echter al rond 13.00 uur gearresteerd door enige opgewonden militairen van de Lichte Divisie. Voordien was door wielrijders positie genomen in deze sector en had men ter beveiliging op strategische punten automatische wapens opgesteld. Dit was onderdeel van de gereedstelling voor de grote offensieve actie van de LD.

Christiaan van Dijk was een in Dordrecht bekend lid van de NSB. Zijn broer Pieter was dat niet. Toen zij om 13.00 uur gearresteerd werden, was dit op instigatie van buurtgenoten. Er was beweerd dat uit het bewuste huis was geschoten én dat er een NSB’er woonde. Eén wielrijder zou deze aanwijzing heel serieus hebben opgevolgd en uiteindelijk zelf beweren dat er vanuit het bewuste huis vanuit twee posities was geschoten. Zijn bewering was voldoende aanleiding voor de arrestatie door de bewuste militair en enkele meelopers. De beide beschuldigde mannen werden plaatselijk gefouilleerd en met de handen in de nek marcherend afgevoerd naar de Papendrechtse veer. Aldaar werd het geval aan de overste Mijsberg, regimentscommandant van 2.RW, voorgelegd. Deze besliste ter plekke, op zeer lichtvaardige gronden, om standrecht toe te passen en beide mannen wegens subversief handelen te executeren. Het kostte enige moeite om vrijwilligers te vinden voor de uitvoering van de terechtstelling, maar uiteindelijk werd dat geregeld. Daarop werden beide mannen met het gezicht tegen de muur gezet en doodgeschoten. Hun lijken werden eerst onder een zeil afgedekt, maar zijn later uit de Merwede gevist.

Deze zaak is, net als die van de moord op overste Mussert, voor het Vredesgerechtshof gebracht en in 1942 behandeld, waarbij diverse hoofdrolspelers werden veroordeeld. Luitenant-kolonel Mijsberg werd voor zijn handelen schuldig bevonden aan een onrechtmatige executie en zou 12 jaar gevangenisstraf krijgen. De bewuste soldaat Mannessen, die voor het gerechtshof, ondanks overweldigend bewijs dat hij de waarheid niet kon verkondigen, bleef beweren zelf te hebben gezien dat uit het huis vanaf twee plaatsen werd geschoten (9), werd wegens meineed veroordeeld en kreeg 18 maanden celstraf. Hoe men ook tegen het ‘Vredesgerechtshof’ aankijkt, als quasi instrument van de bezetter waar vooral zaken werden aangebracht, die de bezetter of zijn trawanten hadden benadeeld, is het ook in alle objectiviteit juist om de executie van de beide burgers als een misdaad te duiden. Dat er verzachtende omstandigheden hebben gegolden, mag zo zijn, maar geen militair heeft in oorlogstijd het recht om pure willekeur toe te passen. Overste Mijsberg heeft terzake verzuimd om verstandig en naar senioriteit van zijn kennis en functie te handelen en kennelijk gemeend om over de ruggen van twee burgers een daad te moeten stellen. Hij was er, met meerdere van de hoofdofficieren binnen zijn divisie, mede schuldig aan dat zijn eenheid als een panische wals door de Dordtse binnenstad ging. De executie van de gebroeders Van Dijk was namelijk slechts een climax in een overigens onwerkelijk panische dag in Dordrecht, waarbij de Lichte Divisie halve woonwijken zou ‘schoonvegen’. Nimmer werd een werkelijke ‘smoking gun’ gevonden, in het huis van beide betrokken broers, nooit meer dan wat oud Duits geld, dat echter onderdeel van een verzameling was. Men vond nog niet de geringste aanwijzing van de wilde beschuldigingen. Telkens bleek men spoken na te jagen of op elkaar te vuren.

(9) Tijdens het proces werd o.m. met fotomateriaal bewezen dat van de portiek waar Mannessen beweerde te hebben gestaan, zijn observaties absoluut niet onbelemmerd konden worden gedaan. Daarmee geconfronteerd bleef hij echter volharden in zijn beweringen, wat hem een veroordeling voor meineed opleverde.

De Lichte Divisie leek soms meer bezig zich te bekommeren om burgers en verraderlijk optreden in de stad dan om de gevechtstaken. Zo werden naast talloze andere burgers – dan de drie hier behandelde – ook bijvoorbeeld enige luchtwachtmilitairen zo maar gearresteerd en hardhandig afgevoerd of ondervraagd. Deze luchtwachters gebruikten in Dordrecht de oude Franse helm, die nog door een aanzienlijk aantal landstormkorpsen werd gedragen omdat er nog duizenden van in omloop waren. Deze Franse helmen (10), die in feite veel minder op de Duitse helm leken dan de Hollandse helm M.27/M.34, hadden de wielrijders doen vermoeden met Duitsers te maken te hebben.

(10) [1524] De zogenaamde ‘Casque Adrian’ helm, de vermaarde Franse helm uit de Eerste Wereldoorlog, waarvan Nederland in juni 1916 zo’n 10.000 stuks kocht. Ze werden al in de jaren twintig, toen de eigen helm M.16 massaal was ingevoerd, naar de zogenaamde burgerwacht korpsen overgedaan. De Franse helm had een duidelijke opstaande rand naar alle zijden en de markante stalen ‘kam’ bovenop. In enkele burgerwachtkorpsen was een gemeentewapen op de helm aangebracht. Meestal waren de helmen zwart geverfd, maar soms ook gewoon olijfgroen gebleven.

In de Doelstraat, binnen de stadsgracht oost van de Wijnhaven, werd op 13 mei zomaar een allang in Dordrecht wonende 54-jarige oorspronkelijke Duitser, Johann Mäschig, neergeschoten. De man had al sinds de jaren twintig een bedrijf in verwarmingstechniek aan de Vest. Hij werd door iemand als verrader aangewezen en pardoes door een militair neergeschoten. Daags voordien had Mäschig zelf, toen ook al bezocht wegens zijn Duitse afkomst, nog een lijst met werkelijk verdachte Duitse burgers meegegeven aan de militairen.

Er zijn in eigen gelederen van de Lichte Divisie een aanzienlijk aantal militairen getroffen door ‘blue-on-blue’ vuurincidenten, waarbij de meest prominente zich vermoedelijk heeft afgespeeld rond de kerktoren van de RK-kerk aan de Burgemeester de Raadtsingel, waarin men de vijand waande. Het is 12 mei, tweede helft van de middag. Een stuk PAG van de LD wordt op de kerktoren gericht, omdat de kapitein R. Boer (C. Cie PAG II-1.RW) heeft gehoord dat er Duitsers met een mitrailleur in de toren zitten. In werkelijkheid hebben er korte tijd enige observerende militairen van een batterij KRA gezeten ter ondersteuning van op de spoorbrug af te geven vuur [145]. Onderwijl is een ander onderdeel in de nabijheid, de MC van hetzelfde bataljon, ook al gealarmeerd over de kerktoren. Met geweld forceert de vaandrig Metz zich met getrokken pistool toegang tot de kerk en klimt kennelijk de toren in. Nota bene, toren en kerk bevinden zich dan gewoon binnen de eigen stelling. [170] Majoor Den Boer, de OSD die zich op 10 mei bij het kantonnement heeft aangesloten, en toevallig de PAG stelling passeert waar hij een PAG kanon in een vreemde richting opgesteld ziet staan en van de vermoedens verneemt, vraagt aan de kapitein Boer waarom ze vermoeden dat er Duitsers met een mitrailleur in de toren zitten. Immers, met de gegroepeerde opstelling van de compagnie PAG hadden deze dan toch allang dood en verderf kunnen zaaien? De kapitein wuift de kritiek weg. Men is horend doof voor iedere rationele bespiegeling en spoedig wordt met kunst en vliegwerk met PAG granaten op de kerktoren geschoten. Daarbij werd uitsluitend de vaandrig J.A. Metz (MC-II-1.RW), die naar dezelfde vermeende verraderlijke Duitsers in de toren op zoek was, naar beneden geschoten. Deze zou op het dak van de pastorie vallen. De meest wilde verhalen deden nadien de ronde over de vaandrig, die met Duitse indringers zou hebben gevochten in de kerk en deze zou hebben uitgeschakeld, doch naar beneden geworpen zou zijn. Er werd uiteraard nooit een dode of levende Duitser aangetroffen, slechts een Nederlandse vaandrig, die door eigen PAG vuur naar beneden was geschoten. Een totaal psychotische toestand, hetgeen met de aanwezigheid of functie van de overste Mussert helemaal niets van doen had, maar typerend was voor de bevattelijkheid van de LD eenheden voor iedere vorm van gerucht.

Deze achterdocht en verraadpsychose was overigens geen monopolie van de Lichte Divisie, hoewel het daar wel opvallend veel impact had op de gevechtsdiscipline. Dat laatste kwam doordat ook de officieren zich massaal door de hysterie lieten inpakken. Het fenomeen was echter bij de Duitsers ook zeer goed merkbaar. Zij waren doodsbang voor verraderlijk optreden. In het toenmalige Duitse jargon noemde men een sluipschutter – burger of militair – een Heckenschütze. Letterlijk een ‘heggenschutter’, maar met de duidelijke intonatie van het gluiperig vuur uitbrengen in plaats van het openlijke gevecht. Hoewel men ook zelf met georganiseerde sluipschutters (scherpschutters) werkte en het fenomeen Heckenschütze met name in de oorlog met de Sovjet-Unie als buitengewoon effectief middel van de tegenstander zou onderkennen en zelf zou gaan toepassen, was er weinig tot geen respect voor dit middel. De minste geringste verdenking van een Heckenschütze kon dan ook aan de Duitse kant leiden tot excessieve tegenmaatregelen. Hoewel er in Dordrecht geen sprake van excessieve Duitse machtsmiddelen lijkt te zijn geweest, zijn wel talloze burgers tijdelijk of permanent door de Duitsers geïnterneerd en hebben met name in Krispijn en de sector rond Dubbeldam – Dordrecht Oost de burgers ondervonden dat de Duitsers ook paranoïde konden reageren en niet schroomden om hardhandig of dodelijk op te treden bij de geringste gevoelde aanleiding. Uiterst zenuwachtige Duitsers, die natuurlijk a priori op vijandelijk terrein opereerden, werden op menig locatie gezien. Met dien verstande, dat de gevechtsdiscipline aan Duitse kant nauwelijks te leiden leek te hebben onder de voortdurende zorg voor verraderlijke Heckenschützen. De reden was dat Duits kader doorgaans veel minder bevattelijk voor deze hysterie was dan het Nederlandse kader, dat van hoog tot laag uiterst bevattelijk leek. Het verschil tussen een goed geoefend en geleid Duits leger versus een nauwelijks geoefend en doorgaans zwak geleide verdediger.

De LD officieren gaven dan ook opvallend vaak blijk van gebrek aan hun weerstansvermogen t.a.v. de chaos en stress van oorlog. Hoewel vele hunner beroepsofficieren waren, bleken ze uiterst gevoelig voor spanning en nervositeit en toonden nauwelijks meer kwaliteiten dan reserve officieren. Telkens leek men te veronderstellen dat overdreven doortastend optreden tegen de verdachte bron of locatie wel met een situatie zou afrekenen. Daarmee maakte men echter de psychose niet minder, maar, door de schijnbare erkenning van het probleem, juist realistischer. Het voorkwam een rationele benadering van de zaak. Ook het totale gebrek aan gevechtservaring speelde hier een rol. De voortdurende vuurgevechten rondom de stad zorgden vanzelfsprekend voor een intensief afvuren van wapens, waarvan iedere kogel uiteindelijk diende te landen. Een kogel die 2 km verderop was afgevuurd en zijn doel miste, kon prima op het dak in de binnenstad landen. Als zo’n inslag of ricochet werd waargenomen leverde dat direct een reactie op. Een ervaren troep herkent dit soort zaken vaak en kon dit sneller plaatsen en de opwinding controleren of de-escaleren. Een slecht geoefende, slecht geleide en totaal onervaren troep, die zich bovendien in een onoverzichtelijke omgeving bevindt waar de vijand nabij is, is buitengewoon bevattelijk voor paniek. Een zaak waar het oorlogsonervaren Nederlandse leger met zijn zwakke discipline niet op in kon spelen, maar waarvoor in de opleiding ook in het geheel geen ruimte voor was ingeruimd. Het feit dat de kantonnementstroepen al enige dagen in deze stedelijke omgeving vochten en de stad bovendien doorgaans kenden, leverde op dat zij snel minder bevattelijk werden voor de paranoia. Dat gold niet voor de LD eenheden, die telkens nieuw in de stad aankwamen, daar direct bij het veer van andere militairen hoorden dat er verraad heerste en daarom met een valse verwachting direct alles wat ze niet konden verklaren als vijandelijk of subversief handelen ervoeren.

Het bleef niet beperkt tot het voetvolk. In de beschrijving van de geplande aanval door de Afzonderlijke Staf (de Hoofdgroep) werd al beschreven hoe overste Van Diepenbrugge de kantonnementscommandant vermeed. Hij was vermoedelijk al vooraf geïnformeerd omtrent de op 11 mei al aan de Lichte Divisie gemelde klacht van de kapitein-adjudant Van der Mark. Van Diepenbrugge vermengde dat met eigen ervaringen, zoals het vuur dat zijn formaties ontvingen tijdens verplaatsing door de stad en de ‘snelle ontdekking’ van zijn locatie door Mussert en betitelde zodoende Mussert direct als onbetrouwbaar. Zijn entourage werd daarover omstandig ingelicht. Mussert en zijn getrouwen mochten niet worden vertrouwd. De staf van het kantonnement mocht dus van de aanval niets weten en er mocht niet met kantonnementstroepen worden afgestemd. Van Diepenbrugge verving het gebrek aan ‘intel’, dat zodoende ontstond, helaas niet door eigen verkenningen. Zodoende ontstond een receptuur voor mislukking. Van Diepenbrugge zelf was overigens buitengewoon bevattelijk voor de collaboratie achterdocht. Zo verdacht hij tijdens die dagen in mei 1940 diverse officieren en onderofficieren van verraderlijk optreden, louter vanwege de aan hem bekende politieke voorkeuren. Hij was het ook die op 12 mei tegen de avond de uit Tweede Tol vrijgelaten vaandrig Marijs – die zonder terugkeerplicht door de Oberst Bräuer naar Dordrecht was gestuurd om daar te getuigen van de aankomst van de Duitse pantsermacht – direct liet ontwapenen en onder arrest stelde, hem van defaitisme betichtende. Tegelijkertijd viel Van Diepenbrugge op door zijn ronduit zwakke militaire beleid, waarbij hem vooral zwak tactisch optreden, trage handelingssnelheid, gebrekkige afstemming en planning voor de voeten werden geworpen. Hij zou in zijn verhoren voor het Vredeshof alles wat hem was overkomen in zodanig perspectief stellen dat het wel heel erg naar verraad stonk, terwijl aantoonbaar, ieder van die gebeurtenissen op zichzelf stond. Een man, die achter elke boom een beer zag en als hoofdofficier een erg paranoïde indruk maakte. Zijn beleid overtuigde niet, verre van. Hij werd dan ook in de avond van 12 mei terzijde geschoven en door een interventie van C-VH door de C-LD vervangen. Van Diepenbrugge had ook na de strijd kennelijk nog behoefte de schuld voor zijn eigen falen vooral bij anderen te zoeken, zoals ook de majoor Ravelli (11) zou doen voor zijn opmerkelijke debacle met II-28.RI op 11 mei. Beide vonden in Mussert het ideale offerlam en kwade genius.

(11) Het bataljon II-28.RI, waarin 1-I-34.RI was opgenomen in plaats van een eigen compagnie die in de Hoekse Waard bleef, zou in de nacht van 10 op 11 mei, zonder enige vorm van verkenning of afstemming en afwijkend van de geïnstrueerde opmarsrichting, over de hoofdweg richting de door de Duitsers bezette bruggen te Dordrecht optrekken. Daar bij het ochtendgloren door fel vuur uit het Duitse bruggenhoofd zware verliezen leiden (o.m. 21 doden), waarbij 1-I-34.RI door slachtoffers en gevangen vrijwel verloren ging. Nadien op uiterst zwakke wijze terug worden geplooid rond de Zeehaven, aldaar betrokken raken bij een ‘blue-on-blue’ incident met een eenheid van de Lichte Divisie – welke zaak uiteraard op het conto van Mussert werd geschreven – en vervolgens door een Duitse list vrijwel zijn gehele kopgroep inclusief commandant verliezen. Nadien werd het bataljon totaal uiteen geslagen en op enkele secties na, vernietigd.

Naoorlogs werden de officieren van het bataljon door de commandant majoor Ravelli zeer strak geregisseerd v.w.b. de inhoud van hun krijgsverslagen. Er werd door Ravelli ronduit geredigeerd, getuige zijn verbindingsofficier, de luitenant Zeeman. Nadrukkelijk werd de schuld van het debacle voor een groot deel bij Mussert neergelegd. Deze had echter part noch deel aan enige beslissing van de bataljonscommandant. In tegendeel. De door Mussert gegeven instructies aan zowel deze commandant als de wielrijders, die hij met dit bataljon had willen verbinding bij de Zuidendijk, bleken door de partijen autonoom verkeerd te zijn geïnterpreteerd, zoals op deze website bij de gebeurtenissen op 11 mei al werd uitgewerkt. De verbindingsofficier van Ravelli zou later verklaren dat er sterk was ingegrepen op de inhoud van gevechtsverslagen. Overigens zou het oordeel dat vooral Ravelli zelf had gefaald niet aan de indruk van de Generale Staf ontsnappen.

Overste Mijsberg, die op 12 mei feitelijk zonder commando kwam, omdat overste Van Diepenbrugge 2.RW onder zijn Hoofdgroep nam, kwam op zondag, na de interventie door C-VH, alsnog op het bureau van de overste Mussert aan. Daar kreeg Mijsberg van de kantonnementscommandant onder uit de zak dat de afstemming door de LD ver onder de maat was. Hij wenste van Mijsberg te horen dat de stad tegen iedere prijs verdedigd zou worden. Toen Mijsberg de boot wat afhield, belde Mussert direct met de generaal Van Andel om zijn bevel te laten bekrachtigen en een loyaliteitsbevestiging van de generaal te vragen omdat hij voelde dat hij niet vertrouwd werd. Hij verlangde bovendien van de generaal dat deze aan de overste Mijsberg verklaarde dat Mussert betrouwbaar was en de stad uit alle macht moest worden verdedigd. Generaal Van Andel bevestigde beide aan de overste Mijsberg. Deze zou dit later voor het Vredesgerechtshof – curieus genoeg – typeren als “vreemd dat zulks nodig was”. Alsof zijn neus bloedde. In diezelfde verklaring voor het hof meldde Mijsberg nog een veel frappantere observatie:

» Echter werd ik op Maandag 13 mei namiddag door de Overste Mussert opgebeld en deelde deze mij mede dat mijn B.Ct. niet voortvarend genoeg waren en dat er plannen bestonden om Dordrecht te verlaten – hetgeen niet waar was – maar dat tot het uiterst moest worden standgehouden. Ik was met mijn personeel aansprakelijk.«

Mussert had volkomen gelijk, niet alleen in het eerste, maar vooral ook in het tweede. En dat tweede was óf (nog) niet bij Mijsberg bekend óf hij deed ook daar alsof zijn neus bloedde, maar wel degelijk besloot de C-LD om na het door Duitse tanks doorbreken van de binnenstadsdefensie, en het doorsteken van de Duitse tanks naar Zwijndrecht, de stad te ontruimen. Mussert vernam dit via de tam tam en maakte zich om twee redenen daarom druk. Ten eerste dat zijn kantonnement dus werd ontruimd, maar ten tweede, en misschien in die fase vooral, zijn familie niet langer kon worden beschermd. Dat dit laatste in deze fase domineerde of in elk geval een grote rol speelde, is aannemelijk. Meerdere getuigen verklaren dat op 12 en 13 mei de vrouw van Mussert voortdurend aan de telefoon hing om te melden dat de Duitsers zo zouden huishouden aan de randen van de stad. Ze zouden het ene na het andere pand in brand steken. De paniek die zij toonde zou op Mussert zijn overgeslagen en het is beslist niet uit te sluiten dat dit ten dele ook daadwerkelijk zo is geweest. Toen bij Mussert doordrong dat de LD de stad zou evacueren, hetgeen bewust niet aan hem was gemeld, gaf hij aan kapitein Van der Mark aan de stad dan weer met de eigen troepen te zullen verdedigen. Kapitein Van der Mark wist Mussert er met enige anderen van te overtuigen dat het kantonnement zonder pantserbrekende wapens kansloos zou zijn tegen tanks. Mussert liet zich tenslotte vermurwen om toe te geven en de stad te evacueren, zijn gezin en dat van alle andere depotkaderleden achterlatende.

Overste Mijsberg maakte de verklaring nog fraaier, waarbij hij wellicht de waarheid gestand deed, of die nog eens een pootje lichtte. Hij meldde kort na het gesprek met Mussert nog eens door de generaal Van Andel te zijn gebeld met een mededeling van gelijke strekking als die van Mussert. Mijsberg had het niet vertrouwd, vond de stem te blafferig en vermoedde sterk dat hij wederom met Mussert van doen had gehad. Eerder had majoor Kloppenburg dit ook al (abusievelijk) gemeend. Zoals de overste vermoedde dat kapitein Van der Mark en Mussert, die hem voortdurend hadden gebeld die middag van 13 mei, hem bewust van zijn werk af wilden houden met hun langdurige telefonische communicatie. Majoor Kloppenburg, C-II-1.RW, had ook al gemeend dat hij op een zeker moment de overste Mussert aan de telefoon had in plaats van generaal Van Andel. Na de meidagen bevestigde de generaal echter met hem zelf te hebben gesproken. Er was, kortom, bij deze hoofdofficieren weinig voor nodig om aan verraad of subversief handelen te denken. Toen de zaken naoorlogs duidelijk werden moet menigeen grote gene hebben gevoeld over het eigen gedrag en de beschuldigingen aan het adres van Mussert. Alleen zouden niet alle betrokkenen hun trots kunnen inslikken. Hoeveel begrip men ook wenst te hebben voor de onzekerheid waarin alle deelnemers in die oorlogsomstandigheden hun werk deden c.q. moesten doen, zo duidelijk kan er tevens vastgesteld worden dat men met elkaar gevangen was in een enorme hysterisch aandoende vooringenomenheid jegens Mussert. Dat de overste Mussert, die van nature niet met erg veel sociale eigenschappen was uitgerust, met zijn gedragingen de verdenkingen eerder versterkte dan ontkrachtte, moet de officieren van de Lichte Divisie worden meegegeven. Zij kwamen in een stad, die zij alom besmet achtten, en kwamen niet meer uit die conditionering terug ‘op aarde’. Met alle gevolgen van dien voor de gebrekkige commandovoering in de stad Dordrecht.

En dan is er nog een pikant detail om de rol van de Lichte Divisie – op hoofdlijnen – mee af te sluiten. Het zou spoedig blijken dat de enige werkelijke prominente pro-Duitse gevoelens binnen de gelederen nota bene bij de eigen divisiecommandant lagen: de kolonel H.C. (Hendrik Carel) van der Bijl. Deze was begin 1940 nog C-1.RW geweest en vervolgens kort voor de meidagen (toen de bestaande commandant kolonel H.F.M. baron van Voorst tot Voorst benoemd werd tot chef-staf landmacht) als divisiecommandant aangesteld, terwijl men in Den Haag haast wel geweten moet hebben dat deze officier zich pro-Duits en antidemocratisch profileerde. Zijn eigen officierenschare verklaart hier openlijk over. [NIMH 409-529001] De kapitein J.L.H.A. Antoni, in mei 1940 chef-staf Afzonderlijke Staf, spreekt zelfs in zeer expliciete bewoordingen over de kolonel:

» Voor 1940 sympathiseerde vd B. met het Nationaal-Socialisme en de NSB en gaf daaraan in de loop van de gesprekken uiting; hij sloot zich daarbij uiterlijk natuurlijk niet aan. Ik herinner mij positief dat vdB. b.v. zich ook tegenover mij enige malen pro-NSB uitliet, o.a. bij oefeningen in de zomer van 1936 of 1937. (…) VdB. was positief pro Duits, zo niet, pro Hitler, reeds voor de capitulatie in Mei 1940. Met stelligheid kan ik verklaren dat hij begin September 1939 te Gemert (N.Br.), kort na de overval op Polen, op een avond in de week, dat ik voor dienst in zijn mobilisatieverblijf moest zijn, in gezelschap en o.a. tegen mij zeide, dat Hitler wel de redder van Europa zou zijn en de door God uitverkorene, althans woorden van gelijke strekking.«

Van der Bijl (*1881) zou tijdens de oorlog daadwerkelijk de Duitse zaak bevorderen en naoorlogs door de zuiveringscommissie worden veroordeeld, al zijn rechten en onderscheidingen verliezen, zoals de Nederlandse Staatscourant zou publiceren in 1947. Zijn verdiensten voor de Duitse zaak – die door auteur dezes niet nader zijn onderzocht – moeten echter vermoedelijk laat in de oorlog hebben plaatsgevonden, want de kolonel Van der Bijl is op 7 juli 1942 in Oflag XIIIB (Neurenberg) geïnterneerd, wat niet gebruikelijk is voor iemand die de Duitse zaak steunde of diende.

Deze pro-Duitse gevoelens van Van der Bijl hebben kennelijk nooit aanleiding gegeven om zijn opmerkelijk zwakke optreden als divisiecommandant nader te onderzoeken, dan wel om er kanttekeningen bij te plaatsen. Van der Bijl zou zich volgens sommige tijdens de meidagen ook explicieter over Jo Mussert hebben uitgelaten dan hij tijdens de rechtszaak voor het Vredesgerechtshof deed, toen hij Mussert opmerkelijk minzaam omschreef. Deze divisiecommandant had een zeer kansrijke actie om de Noord snel en succesvol te kunnen oversteken tijdens de eerste oorlogsnacht lichtvaardig verkwanseld. Een operatie om de Noord op 11 mei over te steken buitengewoon zwak ontworpen en uitgevoerd en vervolgens een alternatieve manoeuvre om Dordrecht heen op een onwaarschijnlijk trage wijze tot uitvoering laten komen. Vervolgens de operaties in en om Dordrecht opmerkelijk zwak geleid. Nimmer ging van de C-LD meer uit dan zijn feitelijke aanwezigheid. Met het grotesk mislukken van iedere LD-actie vers in het geheugen, had het in de reden gelegen om te onderzoeken in welke mate de ‘armen over mekaar’ preek van Anton Mussert bij kolonel Van der Bijl was geland, in plaats van bij  de broer van Anton, Jo.

De kwestie zal zijn onderzocht, wat althans aannemelijk lijkt als men o.m. de verklaring van de kapitein Antoni leest, maar men deed dit in stilte. De generale staf had hier wederom opmerkelijk gezichtsverlies te lijden. De Lichte Brigade was tenslotte altijd het speeltje bij uitstek van de Generale Staf geweest. Het was haar enige werkelijke manoeuvre eenheid, waar zo vele van hen gevormd waren en waar alle HKS leerlingen zo frequent op papier mee hadden gemanoeuvreerd tijdens hun stafopleiding. Als naast een opmerkelijke serie opvallend zwak opererende generale staf officieren ook nog eens, bij uitstek, de C-LD een (letterlijk) dwaallicht zou blijken te zijn geweest, dan was het demasqué der generale staf compleet geweest. Er zal dus niet veel aanleiding gevoeld zijn om de handel en wandel van Van der Bijl nu eens openlijk kritisch tegen het licht te houden en te onderzoeken of deze wellicht met opzet zo indolent had opgetreden tijdens de meidagen. Des te fnuikender was de massaliteit waarmee LD officieren meenden alles en iedereen behalve hun eigen gelederen de schuld te moeten geven voor hun mislukte operaties in en rond Dordrecht, niet in de laatste plaats het spreekwoordelijke offerlam Jo Mussert.

Beschouwende conclusie

Er valt terzake over een aantal zaken te concluderen. Ten eerste over Mussert zelf, vervolgens over de entourage en de algemene gang van zaken en tenslotte over de handelwijze rond de aanstelling van Mussert op hoofdlijnen.

Hoe functioneerde Mussert werkelijk

Er zijn maar heel weinig bevelhebbers die om hun beleid en leiderschap in mei 1940 zouden worden geroemd. Het defaitisme heerste alom, evenzo in België en Frankrijk, waar men ook al over mekaar heen viel om schuldigen aan te wijzen. Buiten die tamelijk zinloze heksenjacht is er echter ook een tamelijk objectieve analyse te maken over wie – afgezet tegen tijd, omstandigheden, vorming en eisen – wel en wie niet naar behoren functioneerde. Daarbij wordt de vrijheid gepermitteerd om in de conclusie enige zaken uit de hoofdinhoud van deze website te lenen, die niet specifiek in deze bespreking van Jo Mussert in dergelijk detail de revue passeerde.

Genieofficieren (KMA) werden, alvorens zij tot de Hogere Krijgsschool werden toegelaten, nauwelijks tactisch geschoold. Ze behoorden eigenlijk tot de academici onder de militairen, die een aanzienlijk deel van hun opleidingstijd aan de TH in Delft doorbrachten, waar wis- en natuurkunde de hoofdrol speelden. De Nederlandse genist kon technisch-inhoudelijk met de beste legerofficieren in andere legers mee, zo die al niet gepasseerd werden t.a.v. vaktechnische kennis. Dat gold voor de theoretisch wetenschappelijke onderlegging van Nederlandse artillerie officieren evenzo. Tactisch echter, was men als genist nauwelijks geschoold. Een gewone Nederlandse genieofficier werd niet geacht ooit in een operationele omgeving te komen waar hij tactisch zeggenschap had. Het Duitse fenomeen van de Sturmpioniere, waar Nederland heel voorzichtig over nadacht, was hier nog lang niet uitgewerkt tot het niveau dat men dacht aan uitgebreide tactische vorming van genisten. In Nederland lag het tactisch mandaat uitsluitend bij officieren van gevechtsonderdelen, ofwel infanteristen en artilleristen. Dat terwijl de technische portfolio van techneuten (genisten) bij uitstek aansluit bij de analytische kwaliteiten die een hogere bevelhebber moet hebben om een leger in alle aspecten goed en dynamisch te kunnen leiden. Dat inzicht was er vooroorlogs onvoldoende. Genisten, die onverhoopt bepaalde tactische kwaliteiten hadden, kregen wel de kans de HKS opleiding te doen, maar zij waren vrij schaars. Toch was bijvoorbeeld luitenant-kolonel J.J.C.P. Wilson, het hoofd van de GS sectie operatiën, een genist. Hij was echter een man van stellingbouw, de ‘grote’ animator achter de Peel-Raamstelling. Geen man van de dynamische oorlogsvoering. Wellicht dat dit direct het probleem typeert van de toenmalige opvatting van operationele stafofficieren. Men dacht heel sterk in statische of geleide(lijke) structuren, zelden in dynamiek. Zaken waren voorgekauwd, uitgeschreven in voorschriften, methodisch gepland en opgelegd. Dat waren de veilige bouwstenen van het toenmalige leger.

Zodoende waren genie officieren, ook als zij hoofdofficier waren, niet tot nauwelijks tactisch geschoold. Toch zouden zij als kantonnementscommandanten forse formaties onder zich kunnen krijgen. Frappant genoeg zouden de twee steden waar prominent Duitse gevechtstroepen bovenop zouden landen – Rotterdam en Dordrecht – beide door genie officieren worden gecommandeerd. In Rotterdam, met bijna 7.000 man aan troepen, was dat de kolonel Scharroo, in Dordrecht, met zo’n 1.500 man, de overste Mussert. Beide officieren werden tijdens en na de meidagen verguisd, met name door officieren in gevechtsfuncties of mariniers. Wie echter afstand neemt van die valse sentimenten, ziet twee genie officieren, die naar hun opleiding en vorming, in feite heel rationeel beleid hebben gevoerd, vooral tijdens die eerste zo verrassende oorlogsdag. Beide zouden echter nimmer de erkenning hiervoor krijgen, omdat ze zeer oncollegiaal werden gedesavoueerd door anderen. In Rotterdam was het met name de kolonel der mariniers Von Frytag Drabbe, die op gênante wijze zijn landmacht collega Scharroo de maat zou nemen en allerhande valse successen zou opeisen voor de marine en mariniers. In Dordrecht was het de Groep Kil en met name de Lichte Divisie, die Mussert zou wegzetten als een karikatuur en onbetrouwbaar sujet. Karaktermoord over de ruggen van twee officieren, die loyaal hun werk hadden gedaan, dat helemaal niet slecht deden, maar waarvan de één daadwerkelijk monddood gemaakt werd door te worden vermoord, de ander zich liever in zwijgen hulde omdat hij mentaal de last van het Rotterdamse bombardement meedroeg, dat hem in feite in het geheel niet verwijtbaar was.

Mussert functioneerde als kantonnementscommandant op de eerste oorlogsdag – toen de zaken erom spanden – behoorlijk goed. Hij was, overigens net als Scharroo, niet als eerste op zijn bureau, maar nam aldaar gearriveerd wel direct verstandige maatregelen. Ook daar is de parallel met Scharroo groot. Zo stelde hij direct een afgrendeling van de stad in langs zowel het spoor als de westelijke en zuidwestelijke stadszijde. Hij liet strategische gebouwen bezetten. Toen duidelijk werd dat in het zuiden van de stad, onder het spoor, werd gevochten werd aldaar een plaatselijke commandant aangewezen in de oudste kapitein Crok. Het commando Zuidfront werd verzocht om versterking met gevechtstroepen, zware infanteriewapens en munitie. De defensieve maatregelen werden met de chef-staf van de C-VH geregeld, terwijl deze aan de hand van de Duitse verovering van de Oude Maasbruggen, toezegde dat gevechtstroepen zouden worden gezonden naar de stad om (tegen)offensief te kunnen ageren. Tijdens de eerste oorlogsnacht kwam het bataljon dat vanuit de Groep Kil kwam bij Dordrecht aan, maar alvorens het zich fataal tegen de vijandelijke perimeter aan had gemanoeuvreerd, had het zich nog niet bij Mussert gemeld. Dat gebeurde pas toen men de Zeehaven al was gepasseerd. Een route die niet was opgegeven, want het bataljon was verzocht langs de spoorlijn de stad binnen te gaan. Als het dat had gedaan, was het ongeschonden gearriveerd. De BC, majoor Ravelli, besloot anders, verkende niet, stuurde slechts een boodschapper vooruit, die door de Duitsers werd gepakt. Het bataljon van de LD dat was gestuurd – waarvan de BC besloot om twee versterkte compagnieën te sturen zonder bataljonsstaf – werd in eerste instantie opgedragen zuiverende acties te plegen, kreeg later opdracht met een deel der troepen contact te maken aan de zijde van de Zeehaven met het bataljon van Ravelli. Dat laatste had voordien al een overval door Duits vuur ondergaan, nadat men zo maar op het vijandelijk bruggenhoofd was aangemarcheerd. De uiteengeslagen kopgroep maakte benen, sommige in panische nood helemaal in Wieldrecht gerakende en daar de vernietiging van het bataljon meldende. Deze noodkreet, die later ook al weer aan Mussert werd opgehangen, zou veel paniek bij Groep Kil en anderen teweeg brengen. Bovendien kwam het bericht los dat de vijand tot aan de Zeehaven was opgetrokken, wat nog niet het geval was. De Duitsers waren wel tot kort voor de Zuidendijk en de Glazenstraat gekomen, maar het Zeehaven complex was nog door eigen troepen bezet. Aldaar gezeten kwamen de wielrijders vanaf de sector Krispijn over de Zuidendijk en namen de militairen die ze bij het Zeehavencomplex zagen voor Duitsers. Zonder zich te vergewissen opende men op grote afstand het vuur met mortieren. Een eigen vuur incident dat … alweer aan Mussert zou worden opgehangen. Deze had immers eigen troepen aangestuurd op het bataljon in de Zeehaven. Niets was minder waar. Mussert had gesteld dat het Zeehaven complex beveiligd dan wel hernomen moest worden indien daar vijand werd aangetroffen. Zo ver was het nog niet. Toen even later zowel de kopgroep van de eerste compagnie wielrijders als het gros van de officieren van het bataljon Ravelli zich liet overrompelen door een simpele Duitse list, was de zaak beklonken. Toen kwamen wel de para’s over de Zuidendijk en Glazenstraat en namen het gros van het bataljon Ravelli gevangen.

Mussert had aan dit totale debacle geen fractie schuld, maar zou wel de blaam ervoor krijgen. Men bekritiseerde zijn beleid, suggereerde dat zijn aanwijzingen tot een echec hadden geleid, dat hij welbewust de twee bataljons op elkaar had afgestuurd. Het was echter de tactische uitvoering van de beide BC’n geweest, die tot het meervoudige debacle had geleid. Mussert had voordien terecht beoogd (vermoedelijk daarin gestuurd door overste Thomson op de staf C-VH in Den Haag) dat de twee bataljons in samenwerking het Duitse bruggenhoofd aan hadden kunnen grijpen. Ze hadden mortieren, zware mitrailleurs en ruim voldoende tirailleurs. Door vanuit het zuidwesten van Krispijn en vanuit het Zeehaven complex naast elkaar op te trekken tegen de bruggen, zou bij verstandig tactisch handelen een kansrijke situatie zijn ontstaan. Niet Mussert zat hierin fout, maar de beide uitvoerende BC’n, zijnde de beroepsofficieren majoor Ravelli en majoor Kloppenburg. De laatste had zich zelfs niet eens met de actie van zijn aanvallende compagnieën bemoeid, had dit aan de CC’n overgelaten. De beide compagnieën van III-2.RW trokken zich na de plotselinge verschijning van de para’s schielijk terug naar het noorden van de stad, terwijl de kapitein Crok ook zelfstandig besloot om de wijk Krispijn te ontruimen en aan de spoorlijn een nieuwe stelling in te nemen. Crok had autonomie gekregen, maar met als hoofddoelstelling Krispijn met de ca. 300 man daartoe geschikte depottroepen tot het uiterste te verdedigen. Hij had daar echter niets aan gedaan, de wijk totaal niet in staat van verdediging gebracht en op basis van een paar inslaande kogels de gehele wijk ontruimd in de loop van de 11e mei. Mussert was furieus toen hij het vernam. Hij zou er echter de beleidsmatige blaam voor krijgen.

Was het krijgsbeleid van Mussert slecht geweest? Dat lijkt niet het geval. Er was geen objectieve aanleiding om Mussert te verwijten beleidsmatig grote fouten te hebben gemaakt. Er is geen historicus die vanuit geobjectiveerde gegevens tot de conclusie kan komen dat Mussert merkwaardig krijgsbeleid pleegde. In tegendeel, hij handelde opmerkelijk rationeel en verstandig. In hoeverre hij al vroeg werd gesouffleerd vanuit Den Haag is onduidelijk; dàt dit gebeurde ligt vast in o.m. het verslag van de staf van VH. Het valt dus ook niet vast te stellen of Mussert zelfstandig dit goede beleid pleegde of dit liet uitvoeren na aldus te zijn geïnstrueerd. Dit laatste lijkt vooral aan de orde te zijn geweest. De grootste tactische blunders in en met name om Dordrecht werden begaan door een beroepsofficier, die nota bene tot de rang van kapitein bij de mariniers was gevormd, de majoor Ravelli. Daarnaast werden die nog eens versterkt door een weinig doortastend optredende majoor Kloppenburg, één van de influisteraars van Calmeijer. Kloppenburg had zelf de aanvallende compagnieën moeten leiden, maar bleef in de stad bij zijn enige andere compagnie. Beide BC’n gingen  de bietenbrug op omdat ze geen verkenners vooruit stuurden. Ze maakten geen vroegtijdig contact met de nevenformaties, verkenden nimmer het te doorkruisen terrein, maakten hun plannen ‘al doende’. Er was bij Nederlandse beroepsofficieren absoluut onvoldoende besef van het voortdurend en niet aflatend verzamelen van ‘battlefield intelligence’. Ze manoeuvreerden gewoon domweg een sector in, zonder zich te bekommeren om de mogelijke posities van vriend en vijand. Ze handelden langs de lijnen van vredesdenken, wisten niet beter, maar waren evengoed ronduit onnadenkend en naïef. Het waren geen incidenten bovendien. Men ziet in mei 1940 vrijwel stelselmatig de Lichte Divisie, de manoeuvre eenheid bij uitstek, zonder voldoende voelende en inlichting verzamelende verkenners werken. Daar waar men wel verkent, stuurt men vaak te grote formaties en veel te opvallend, altijd over hoofdwegen, meestal gemotoriseerd terwijl men aan smalle dijken is gebonden. Het was een zeer amateuristisch geheel. Of, zoals een Duitse para officier schamper opmerkt (vertaald), ‘de Nederlanders komen bijna als een stel rekruten in prachtige schoolformatie aan fietsen tot vlak voor onze positie, waar ze keurige gelijktijdig van de fiets afstappen’. Dat was het, schoolse werkelijkheid. Men had kennelijk geen idee waarvoor men altijd geoefend had.

Toch wordt Mussert het debacle rond de Zeehaven aangewreven. Hij zou de bataljons op elkaar hebben afgestuurd, hij zou de wielrijders de Zeehaven hebben laten hernemen terwijl hij wist dat Ravelli er zat. Hij zou troepen naar Amstelwijk hebben gestuurd. Het waren allemaal uit hun verband gerukte beschuldigingen, te weerleggen met de feiten. Veel meer feiten dan die generale staf gaf, want die liet de waarheid gaarne in het midden liggen. Mussert had rationeel gehandeld en de veldcommandanten hadden de boel volkomen verstierd. Dat viel uitsluitend hen aan te rekenen. Hoe majoor Ravelli opereerde was ronduit schandalig. Zijn onverantwoorde wijze van het benaderen van de gevarenzone, de kinderlijke wijze waarop hij met het gros van zijn officieren zich in de gevarenzone begaf en zo zijn bataljon bijna van alle leiding ontdeed. De man deed een geheel bataljon verdwijnen zonder de vijand ook maar een fractie dwars te zitten. Het was één van de grootste operationele blunders van de meidagen. Als klap op de vuurpijl liet hij verslagen manipuleren. Niet de onderdelen waarin Mussert van allerhande zaken werden beschuldigd. De meldingen dat Mussert meermaals gedurende de vroege ochtend contact met Ravelli had werd verzwegen. Het kwam veel later naar buiten, toen de luitenant Zeeman, de verbindingsofficier, hierover uit de school klapt via zijn schoonzoon, de historicus dr. Hans Mol.

Door de majoor Kloppenburg werd Mussert verweten onbegrijpelijke bevelen te geven, zoals het zuiveren van de wijken Krispijn en de sector tussen het Oranjepark en het oosten van de stad. Desondanks waren in de beide wijken wel degelijk op 10 en 11 mei enkele Duitse parachutisten aanwezig, zoals bijvoorbeeld de AOO Koster zelf zou vaststellen. Dat Mussert bij zijn instructies om in de omgeving van het Oranjepark en het zuidoosten van de stad te patrouilleren ongetwijfeld (tevens) beoogde om zijn gezin te beveiligen, zij aangetekend. Het mes sneed aan twee kanten. Het kan Mussert echter geenszins (rechtens) verweten worden dat hij onzinnige instructies gaf tot stadszuivering, zoals de Lichte Divisie op 11 en 12 mei zelf ook zou vaststellen. Hoe merkwaardig dat de LD officier majoor Kloppenburg enerzijds Mussert verweet dat hij met zijn patrouille- en zuiveringsopdrachten onzinnig en dus verwarrend beleid nastreefde, terwijl de LD op 11 en 12 mei uit eigener beweging weinig anders zou doen dan voortdurend hele straten schoonvegen en panisch jagen op al dan niet vermeende vijanden?

Mussert zou zich op de 12e mei, in de avond, ernstig verzetten tegen de instructie van de Lichte Divisie om de stationssector los te laten en op de binnenstad terug te trekken. Ook hier zal ongetwijfeld de hybride bedoeling hebben geteld van enerzijds de zorg om zijn stad als militair verdedigd object en anderzijds zijn gezin, dat immers buiten die defensie viel. Toch had Mussert volkomen gelijk. Hij stelde dat het ontruimen van de stadsector tussen binnenstad en spoor zou betekenen dat dit de volgende dag weer met veel verlies van mensenlevens moest worden terugveroverd. Een zaak die klopte als een bus, zoals op de 13e wel bleek. Het beleid na de 12e mei was niet in Mussert zijn handen, hoewel dat zijn criticasters er niet van weerhield hem nog van vele mislukkingen te verdenken. Zo was het door generaal Van Andel aan C-LD en C-Kant meegegeven bericht dat een grote Franse gemechaniseerde formatie op het punt stond om de Moerdijk over te steken de aanleiding voor beide bevelhebbers om dit bericht aan hun ondercommandanten te geven. Het was aanleiding geweest voor de C-LD en zijn ondercommandanten om de waarschuwende vaandrig Marijs niet geloven, toen deze in de avond van 12 mei kwam waarschuwen dat Duitse pantsertroepen de Moerdijk al waren overgestoken. Generaal Van Andel getuigde in 1941 dat hij inderdaad aan Mussert nadrukkelijk de instructie gaf te waken voor prematuur vuur op ‘vreemde’ pantserwagens omdat een Franse lichte divisie voor de Moerdijk stond en ter versterking zou oprukken. Ook de kolonel Van der Bijl had zo’n mededeling gekregen. Het waren zaken die voorbij gingen aan de gewone militair op straat en toen Mussert, al dan niet in persoon, waarschuwde om eerst goed te verifiëren of het om Franse of Duitse ‘vechtwagens’ ging, uiteraard als verraad werden uitgelegd, toen het Duitse bleken. Meest prominent zou dit aan de orde zijn in de Vriesestraat, waar op zo’n mededeling niet slechts één man ter verificatie op stond, maar een gehele formatie Nederlanders het verstandig vond om op te staan, zoals dit even ten zuiden van Dordt, ook meermaals geschiedde. Toonbeelden van een leger dat zo groen als gras was, zelfs na vier dagen oorlog. Toch zou het Mussert als een bewijs van verraad worden nagedragen. Was het zijn beleid dat faalde, of werd hij in dit geval verkeerd ingefluisterd? Wellicht kan men zeggen dat het geval met de vechtwagens een beetje van beide was. Mussert was ook wel erg goed gelovig, had het niet misstaan om zijn mensen tot voorzichtigheid te manen.

Dat laatste is dan een bruggetje naar Jo Mussert zijn intermenselijke beleid. Daarvoor kan zonder al te veel voorbehoud worden gesteld dat Mussert niet sterk optrad. Hij was geen teamspeler van huis uit, had onhandige, lompe omgangsvormen en was geen man die bemoedigend naast zijn minderen stond om hen te steunen in hun werk. Het was een man die voortdurend zijn autoriteit wilde laten gelden, staccato communiceerde en er niet vies van was korte, bitse bevelen te blaffen. Toen hij (kennelijk) constateerde dat zijn adjudant Van der Mark niet meewerkte, sloot hij hem uit en stuurde zelf, rechtstreeks de mensen binnen zijn kantonnement aan. Hij gebruikte o.m. de kapitein Van der Flier (materiaalofficier depot) als stafofficier. Deze officier was lovend over de toewijding van de overste, niet over diens stijl van leidinggeven, die hij bars en uiterst autoritair vond. De kapitein Van der Sluijs (toegevoegd officier der infanterie) werd door Mussert eerst als ad hoc gevechtsleider, na diens lichte verwonding regelmatig als ordonnansofficier ingezet, met name op 12 mei. Onder meer tweemaal (van en) naar de overste Van Diepenbrugge gestuurd. Uit de verklaring van kapitein Van der Flier blijkt dat hij samen met Van der Mark het stafwerk verrichtte en dat er wel degelijk door Mussert over belangrijke zaken met zowel hem als Van der Mark overleg werd gevoerd, waarbij de overste Mussert niet schroomde ook zijn onzekerheden te delen. Het precieze reilen en zeilen op en rond het bureau wordt in de verslagen onvoldoende besproken om er een gewogen oordeel over te geven, maar zoals ook al in het eerste deel geconcludeerd, is de mening over overste Mussert algemeen breed gedeeld dat hij een buitengewoon uitdagende persoon was in de omgang. Wellicht dat een citaat uit de verklaring van de kapitein Erik-Jan van der Flier het ’t beste typeerde waarin deze stelde “dat de overste als militair in dienstaangelegenheden, wat men noemt, moeilijk kon zijn. Men moest hem weten te pakken, om een vlotte samenwerking te bereiken. In de jaren dat ik den overste heb gekend, heeft hij bij mijn weten nimmer aan politiek gedaan. Hij was een commandant , die zich liet gelden.” Laat dat dan de man zijn omgang met anderen vooral typeren. Geen geboren leider van een gesmeerd team, wel een commandant en een officier die zijn plicht deed.

Tenslotte werd overste Mussert door menigeen als nerveus of uiterst nerveus getypeerd. Men mag aannemen dat ook deze breed geconstateerde aard – of staat – vermoedelijk recht deed aan de werkelijkheid. Het zal het algemene beeld bij zijn functioneren niet ten positieve hebben beïnvloed.

Mussert had voorts de gewoonte zich op te dringen om informatie te verkrijgen en zijn zegje te doen over de besluitvorming, in de breedste zin des woords. Hij zocht voortdurend contact met in en om zijn stad verkerende bevelhebbers. Opvallend genoeg wordt of dergelijk contact verzwegen of wordt er zeer achterdochtig geredeneerd over deze ‘informatiezucht’ van de overste. Men vond het doorgaans ronduit verdacht. Mussert belde tenminste tweemaal, mogelijk vaker, met de majoor Ravelli gedurende de bewuste oorlogsnacht van 10 op 11 mei en in de ochtend van 11 mei. Ravelli verzweeg beide gesprekken in zijn verslag. Mussert zocht voortdurend contact met de LD officieren in zijn stad, maar dit werd door hen niet op prijs gesteld. Ze vermeden contact of veinsden ergens niet te zijn. Het leidde ertoe dat Mussert officieren op pad stuurde om contact te maken of zelf ter plaatse verscheen voor afstemming. Daar waar andere officieren vooral de autonomie wensten te behouden t.o.v. de kantonnementscommandant, zocht Mussert juist voortdurend afstemming. Die gezochte afstemming was niet alleen voor informatie, het was net zo goed bemoeizucht. De overste wilde ook operationeel zeggenschap, wat uit veel kwesties wel blijkt, maar had daar geen recht op aan de hand van zijn functie. Het was daarom met name die activiteit van hem die anderen achterdochtig maakte wat de overste met de bezwaarde achternaam met die informatie deed. En hoe meer zij hem buiten sloten, des te opdringeriger werd de kleine overste. Het was de escalatiespiraal, die ertoe leidde dat de partijen steeds verder uit elkaar kwamen te liggen, terwijl het wantrouwen van de LD officieren, die iedere operatie ook zagen mislukken, steeds verder toenam. Zodanig dat Mussert voor iedere officier een besproken onderwerp werd. Mussert had zichzelf en de stadsdefensie zonder meer een grotere dienst bewezen als hij zich niet steeds verder had opgedrongen, maar juist zich zou hebben neergelegd bij de situatie. Hij deed dat niet en dit heeft beslist zijn beleid – vooral de effectiviteit daarvan – geschaad. Om nog maar niet te spreken van de vermoedelijk rechtstreekse aanleiding gegeven voor de latere arrestatie met de bekende anticlimax als slotact.

De conclusie die auteur dezes daarom trekt ten aanzien van het beleid van Mussert is tweeledig. In zuiver militairbestuurlijke en – tactische zin lijkt Mussert, zeker gedurende de eerste twee oorlogsdagen, goed te hebben gehandeld. Hij was toegewijd, bereikte relatief gunstige resultaten op de eerste oorlogsdag en wist voldoende versterkingen aan te trekken door zijn vraag daarom. Hij werd bij zijn militaire beleid actief gesteund door de staf van de C-VH.  Veel minder geslaagd was zijn plaatselijke beleid ter integratie van kantonnement met operationele eenheden. Hoewel kan worden vastgesteld dat de operationele eenheden van buiten het kantonnement autonoom faalden in hun krijgsbeleid en tactisch optreden, was het aspect dat bij C-Kant lag, het integreren en afstemmen van belangen, onvoldoende en uiteindelijk uitgroeiende tot contraproductief. Toen Mussert alle weerstand om hem heen voelde en ervoer had hij zich in zijn rol moeten schikken, die C-VH hem had trachten duidelijk te maken door hem onder de C-LD te sorteren. De overste werd echter in zijn eer en trots aangetast – zo zal hij het gevoeld hebben – en voelde tevens de macht over zijn Dordrecht, waar zijn hem zo geliefde gezin verkeerde, weggenomen worden. Het komt erop neer dat Mussert zich in die rol niet schikte. Dat leidde van zijn kant niet alleen tot verstorend gedrag, maar door zijn overdreven ‘presence’ hinderde hij ook anderen, werkte hij verstorend op processen. Dit leidde tot excessen, zoals het uiteindelijk niet informeren van de C-Kant dat tot de evacuatie van Dordrecht was besloten. Mussert was dit niet als enige aan te rekenen, maar in de beoordeling van zijn beleid, kan dit aspect, naar overtuiging van auteur, slechts als zwak tot zelfs fnuikend zwak worden beoordeeld.

Alles bijeen kan worden gesteld dat met de ondersteuning van de overste Thomson van de staf van C-VH de C-Kant qua militair beleid voldeed, maar in de intermediaire rol, zowel naar eigen personeel als naar operationele bevelhebbers die zich met hem dienden te verhouden, niet voldeed. Dat e.e.a. zonder enige twijfel werd versterkt door de achterdocht en weerstand jegens zijn persoon zij aangetekend, maar feit is dat zijn beleid inclusief die zaken dient te worden belicht. Dat is immers wat feitelijk aan de orde was.

Indien men zijn gedeeltelijke disfunctioneren verbreedt naar verwijtbaarheid, dan zou auteur dezes niet verder willen gaan dan Mussert te verwijten dat hij op 12 mei einde dag, toen hij vernam van de poging hem uit zijn commando te zetten, niet de overtuiging bij zichzelf kon vinden dat alles overwegende zijn congé de zaak zowel in specifieke als in algemene zin beter zou dienen dan zijn geforceerde aanblijven. Niemand kan immers effectief leiding geven als hij of zij wordt omgeven door diep geworteld wantrouwen. Met name dat laatste was Mussert zich zeer bewust, dat hij ernstig gewantrouwd werd. Mussert was de introspectieve beoordeling niet gegeven om binnen de omstandigheden de juiste overweging te maken en dat kan hem in zekere mate worden verweten. Voor het overige was hij vooral slachtoffer van zijn familienaam, zijn uitdagende eigen karakter, een weinig loyale adjudant, de angstpsychose in de meidagen van 1940 en de erbarmelijke kwaliteit van het Nederlandse legerkader in algemene zin.

Er was geen verraad in het spel

De vraag of er verraad door Mussert is gepleegd wordt door auteur dezes volmondig en zonder de geringste twijfel met ‘neen’ beantwoord. Wie daar anders op antwoordt moet met heel goede motieven of aannemelijk materiaal komen, want eigenlijk wijzen alle vectoren richting een duidelijk ‘neen’.

Als Mussert al verraad had willen plegen, dan is opmerkelijk hoe zeer hij zich heeft ingespannen om dat verraad niet te laten slagen. Wat was er eenvoudiger geweest dan zijn stad overgeven aan de Duitsers? Dan had hij bovendien voorkomen dat zijn familie nog in een frontzone woonde, want de zaak zou in de stad snel beklonken zijn door een capitulatie. Mussert vocht echter hard voor het behoud van de stad. Daarvan zijn overtuigende aanwijzingen.

Voorts is opvallend hoe vaak militairen Mussert buiten zagen, vlakbij de strijd, achter de barricades, daar waar de kogels floten. Opmerkelijk genoeg zijn er militairen die Mussert verwijten hen misleid te hebben terwijl hij vermeend naast ze stond in de gevarenzone. Waarom zou deze overste, tegen de gewoonte in, zich steeds aan het front wagen, zijn leven riskeren, als zijn grote doel was om de boel te saboteren, de zaak op te geven? Kennelijk ontbrak het vele aan die nuchtere overweging. Opmerkelijk genoeg was de wens om de overste als verrader te duiden groter dan hem juist als vurig bevelhebber te zien. Alhoewel, de kapitein Van der Flier sprak een soldaat van het depot die er anders over dacht. Die was zeer over de overste te spreken, omdat hij hem een kist granaten had aangereikt terwijl het er vurig aan toe ging. Een hele peer vond hij Mussert. De meeste anderen huilden met de wolven mee in het bos.

Voor verraad door Mussert is nog niet het geringste bewijs gevonden, voor zijn fanatieke verdediging van de stad juist overdadig bewijs. Vlak voor het kantonnement werd ontruimd, liet hij nog een gemaal aanzetten om de boel onder water te zetten. Was dat de handeling van een man die de Duitsers gunstig gezind was?

Mussert pleegde geen verraad. Hij was een loyaal verdediger van stad en land, trouw aan zijn superieur, trouw aan de goede zaak.

Handelde generaal Van Andel verstandig?

Naar mening van auteur heeft generaal Van Andel in de afzettingsprocedure rond Mussert in eerste instantie nuchter en verstandig gehandeld. De interventie door de Groep Kil kon hij eigenlijk met geen mogelijkheid sanctioneren met zijn akkoord, omdat de Groepscommandant ver buiten zijn boekje was gegaan en, wegens het ontbreken van een dwingende aanleiding bij C-VH, er geen zwaarwegende reden was om een interventie door kolonel Van Andel te steunen.

C-VH zelf had een betrouwbaarder beeld bij de overste Mussert en diens handelen gedurende de eerste oorlogsdagen. Er was voortdurend contact geweest tussen de stad van de Vesting Holland in Den Haag en de overste. De generaal en zijn chef-staf hadden weinig reden voor een negatief oordeel over de toewijding en loyaliteit van Mussert. De Lichte Divisie en Groep Kil, beide in beeld als intrigant in de kwestie, hadden juist weinig aanleiding gegeven om positief te worden beoordeeld. De eerste had tot dat moment, het was inmiddels einde van de derde oorlogsdag, geen enkel succesvol optreden kunnen tonen en leek bovenal zeer traag te manoeuvreren. De tweede had vanaf de eerste oorlogsdag ieder gevecht verloren en had minder dan een regiment aan gevechtskracht over. Mussert leek eerder de witte raaf in dat gezelschap dan het zwarte schaap. Zijn kantonnement had niet alleen als enige Nederlandse entiteit een direct succes kunnen melden op 10 mei – door een compagnie Duitse para’s volledig te vernietigen – maar Mussert zijn troepen hadden tevens effectief de stad afgesloten van nadere Duitse verovering, hoewel wij achteraf weten dat de Duitse ambitie wat dit laatste betreft erg beperkt was.

Op grond van rationele beoordelingsgronden was er dus geen enkele aanleiding voor generaal Van Andel om de enige bevelhebber mèt succes in dit theater te vervangen. Daar kwam nog eens bij dat generaal Van Andel in Den Haag zelf aan den lijve ondervond hoe panisch de Vijfde Colonne gekte alles en iedereen maakte en hoe lichtvaardig vele tot hysterisch doen en laten overgingen. Hij nam de wilde beschuldigingen dus begrijpelijk met een korreltje zout.

Luitenant-generaal J. van Andel

Generaal Van Andel kon geen onoorbaar handelen door zijn ondercommandanten met een ondersteunend bevel aanvaarden en meende dat van de beschuldigingen aan het adres van Mussert weinig over bleef. Bovendien kon hij constateren dat de Groep Kil in hun bespiegelingen en naar henzelf toegetrokken eer en ijver weinig waarheidsgetrouw sprak. Het maakte de boel er niet aannemelijker op. Voor de keuzes die generaal Van Andel in dat opzicht maakte is dan ook alle begrip op te brengen.

Daarnaast handelde de generaal ook juist door de Groep Kil niet te bevestigen in de merkwaardige queeste om vanuit Puttershoek de gehele leiding over de operatie over te nemen. In het toenmalige leger, dat zonder adequate veldverbindingen opereerde, is er geen enkele aanleiding om de conclusie van het stafwerk te delen dat de C-Groep Kil de aangewezen entiteit was om het commando over de offensieve actie van de Lichte Divisie op het Eiland van Dordrecht te leiden. De beslissing ten aanzien van deze kwestie door de generaal Van Andel, waarbij hij C-LD het bevel over alle operationele zaken op het Eiland van Dordrecht gaf, zijn volgens auteur dezes volkomen logisch, juist en passend geweest. Anders gezegd, de suggestie anderszins door de Groep Kil was curieus en tamelijk grotesk.

Of generaal Van Andel ook in tweede instantie – alles overwegende dus – verstandig handelde door Mussert vrijwel zonder voorbehoud in zijn functie te herstellen en hem slechts ondergeschikt aan de Lichte Divisie te maken, is een kwestie die zich vermoedelijk vooral achteraf leent om negatief te moeten beantwoorden.

Generaal Van Andel heeft de mate waarin de verraadhoax rond Mussert in Dordrecht leefde en tot excessen leidde beslist onderschat. Dat is niet vreemd, gezien het feit dat in algemene zin het land vanaf het eerste ogenblik dat de oorlog uitbrak in de ban van verraad en vijfde colonne psychose kwam en er dus niet direct aanleiding leek specifiek op deze suggestie van verraad aan te slaan, vooral niet met de eigen informatie over Mussert, die hem betrouwbaar deed blijken. In het bijzonder heeft de generaal echter onderschat welke significante negatieve effecten er waren op de toch al summiere ‘command and control’ in deze stadsagglomeratie. Hoewel men beslist niet zo maar hoeft te veronderstellen dat de zaken zonder Mussert beter zouden zijn gegaan, is er zo bewust sprake geweest van ontbrekende of zwakke afstemming a.g.v. de verraadscultus rond het kantonnement, dat  zonder de antagonist Mussert mogelijk wel een betere onderlinge afstemming tussen kantonnementstroepen en Lichte Divisie aan de orde zou zijn geweest.

In hoeverre een vervanging van Mussert operationeel tastbaar positief zou hebben uitgewerkt is uiteraard koffiedik kijken. Er lijkt geen aanleiding om de deugd van zo’n weggenomen factor te overdrijven, gezien de overigens al armoedige ‘command and control’ in het Nederlandse leger. Bovendien bleken de meeste bevelhebbers vooral operationeel te falen, hetgeen niet zou zijn verbeterd door een andere kantonnementscommandant. Het is zelfs aannemelijk dat het hoegenaamd geen positief verschil zou hebben gemaakt, te meer omdat geen der ernstige zaken, zoals het voortdurende ‘blue-on-blue’ vuur of de Duitse aanvalsacties, ook maar in de geringste mate werkelijk met Mussert zijn handelen en laten van doen hadden. Anders gezegd: zonder hem was het er evengoed geweest. In steden of stellingen waar geen duidelijke antagonist was, zag men dezelfde taferelen, vaak met nog veel hevigere ‘blue-on-blue’ stadgevechten dan in Dordrecht. De steden Rotterdam, Amsterdam en Den Haag waren vergeven van vuurgevechten tussen eigen troepen of militairen die huizen beschoten waar men de vijand of verradersnesten vermoedde. Een ricocherende kogel was soms al voldoende om een totaal eenzijdig ‘gevecht’ uit te lokken. Dit dan weer beëindigen bleek geen sinecure. De soms ter besluiping van een veronderstelde sluipschutter op daken gestuurde militairen vormden op hun beurt op enige afstand dan weer de aanleiding om van sluipschutters te spreken, waarop anderen dan weer ageerden. Het was één grote psychose van verraad, overal waar intensieve gevechten gaande waren of waar individuen of groepen bevangen waren door stress of kolder. Menig burger werd lukraak gearresteerd, in elkaar geslagen of zelfs terecht gesteld onder valse verraadverdenking, ook buiten Dordrecht. In Dordrecht kreeg het verraad echter een gezicht: overste Mussert. Dat was makkelijker praten en verklaren dan elders, waar men niet graag toegaf lukraak op elkaar te hebben geschoten.

Had generaal Van Andel geweten wat in de stad speelde en hoe hij met het afzetten van Mussert de zaak in elk geval enigszins had kunnen verbeteren, dan had hij vermoedelijk daadwerkelijk tot zo’n daad besloten. Dat gaf zijn eigen bevel al in: “roerige bewegingen op strengste en meest afdoende wijze de kop in drukken”. De generaal achtte een andere maatregel niet aan de orde, omdat hij de zaak minder zwaar opnam dat deze in feite was; geworden was. Want de bevelhebbers in en om Dordrecht hadden de zaak veel te groot gemaakt. Daar waar de kolonel Van Andel dan nog door de C-VH was teruggefloten, zou de laatste de panische handelwijze van enige der hoofdofficieren van de Lichte Divisie in Dordrecht niet kunnen stuiten. De zwak leidende kolonel Van der Bijl, die zich veel te lang afzijdig hield van de strijd op het Eiland van Dordrecht (daar uiteindelijk heen gesommeerd moest worden door de C-VH) had op het Eiland met de weinig verheffend opererende overste Van Diepenbrugge en de commandoloze overste Mijsberg twee zeer autoritaire ondercommandanten, die echter geen flauw benul van werkelijke gevechtsdiscipline hadden. Ze zouden, behoudens de excommunicatie van Mussert, ook nog tot de standrechtelijke executie komen van twee burgers, lichtvaardig door enige militairen van subversief handelen beschuldigd. Ze lieten voortdurend troepen ageren tegen vermeende sluipschutters, waren niet aflatend bezig subalterne officieren voor verraderlijk handelen binnen het kanton te waarschuwen. Ze droegen zo sterk bij aan de verraadpsychose. Dit gebeurde voor een voornaam deel nog voordat de instructie van C-VH dat er ‘op de meest afdoende wijze’ met dit soort ‘roerige bewegingen’ moest worden afgerekend werd gegeven. De executie van twee vermeende verraders zou de zaken ook totaal niet wijzigen, de panische achterdocht in de stad geen fractie beïnvloeden. Eerder het tegendeel was waar. De executie zou voor omstanders slechts tot een ‘zie je wel’ reactie aanleiding geven. Het was een enorme aanslag op de discipline, die toch al zo pover was in het toenmalige Nederlandse leger.

In hoeverre generaal Van Andel het uiterst zwakke krijgsbeleid en de zeer ondermaatse gevechtsdiscipline bij de Lichte Divisie eenheden juist had moeten inschatten, is natuurlijk maar de vraag. Ook de generaal was niet gelauwerd door een werkelijke oorlog, had bovendien zoals vele generale staf militairen, veel te hoge verwachtingen van wat men als de beste eenheid van het Veldleger zag, de Lichte Divisie. Dat deze eenheid zich nauwelijks positie zou onderscheiden t.o.v. reguliere infanterie kan pas achteraf worden vastgesteld.

Wat men vooral herkent bij de handelwijze van de Nederlandse officieren is standvastigheid, uiterst autoritair handelen en bijzonder weinig gevoel voor de-escalatie. Dat was enerzijds beroepsdeformatie, die men ook thans nog bij voldoende beroepsmilitairen terug zal vinden, maar anderzijds ook een product van het tijdsgewricht. De autoriteit van hoge militairen was tamelijk absoluut en hun onbuigzame autoritaire handelen veel gebruikelijker dan men tegenwoordig zou aanvaarden. Daarnaast was er de sterke hiërarchische cultuur, waarin weinig ruimte voor ‘peer-to-peer-conversation’ werd gelaten. Zelfs buiten diensttijd dacht men vrij fundamenteel in meerderen en minderen. Een bevelhebber was dan ook gewend gehoorzaamd te worden. Een mate van onderwerping, die verstandige uitwisseling van overwegingen en initiatief niet erg stimuleerden. In een leger dat langs de modus van gedicteerde bevelen meende te moeten functioneren, was een stapje opzij doen voor de mening van een gelijke of ondergeschikte geen sinecure. Dat voelde onnatuurlijk. In een leger dat voor vele symbool staat voor lijdzaam volgend en kadaverdiscipline – het Duitse leger – was juist wel ruimte voor de initiatieven op lagere operationele niveaus. Daar was het ‘Führen mit Auftrag’ en de ‘Auftragstaktik’ juist een moderne doctrine om te velde de juiste beslissingen te nemen, op basis van de daar aangetroffen toestand en de zich aanpassende omstandigheden. De Nederlandse officier die veranderde omstandigheden aantrof, plachtte op zijn schreden terug te keren om een nieuw bevel te halen. In ditzelfde stramien ging men om met de situatie in Dordrecht. Men wachtte af wat anderen met de situatie deden, terwijl in de tussentijd het hele kantonnement werd vermeden, ook de troepencommandanten die langs de grenzen van de stad precies wisten hoe de vijand zich tegenover hun positie verhield. Geen LD officier die vervolgens erover piekerde zelf informatie te gaan verzamelen, door verkenningen of door ondervragen van plaatselijk bekende militairen. Men liet de kwestie van één als onbetrouwbaar ingeschatte persoon uitgroeien tot een totale excommunicatie van alles wat kantonnement was.

Generaal Van Andel handelde begrijpelijk en verstandig door de onoorbare interventie van de Groep Kil niet over te nemen. Hij kon de zaken niet alleen beter inschatten, maar constateerde tevens dat de Groep Kil ver buiten het boekje was gegaan. Van Andel heeft deze kwestie middels zijn bevel aan de C-LD weten om te buigen tot een bevel dat indirect dat van de Groep Kil terugdraaide. Deze mildheid jegens de Groep Kil – die toch een flinke buil hadden gevallen met hun handelwijze – bleef bestaan. Ze zouden niet aan krijgsrechtelijke maatregelen worden onderworpen. Een zaak die opmerkelijk is, omdat de kwestie ernstig genoeg was om te onderzoeken en tenminste op een reprimande aan te sturen. Opvallend genoeg zou de Groep Kil i.s.m. de generale staf, met de kapitein Calmeijer voorop, wel allerhande krijgsrechtelijke onderzoeken initiëren tegen militairen te velde. De mildheid die de kapitein zelf ten deel was gevallen, vergunde hij anderen niet. Het is overigens maar sterk de vraag of de naijverige Calmeijer zichzelf wel laakbaar vond in het geval Mussert. Vermoedelijk niet.

De reserve-kolonel J.A.G. van Andel zou naoorlogs, na korte tijd in 1945 opnieuw te zijn geheractiveerd onder SHAFE, tot generaal-majoor titulair worden benoemd bij zijn eervol ontslag. Zoals reeds eerder gemeld zou de kapitein Calmeijer nog een stoomcarrière maken en kort na de oorlog tot generaal-majoor en sous-chef van de landmachtstaf worden aangesteld, om zijn actieve legercarrière, alweer wegens zijn ijdelheid, zelfgekozen te beëindigen in navolging van de generaal Kruls, welke toen chef-staf was. Calmeijer zou echter in de Noord Atlantische raad worden aangesteld en daarbij nog eens promotie maken tot luitenant-generaal. Hij zou later als staatssecretaris van Defensie nog een nieuwe loot aan zijn opmerkelijke carrièreboom toevoegen.

De insubordinatieve elementen van de kwestie rond de afzetting van overste Mussert waren beide heren snel vergeven. Dat blijkt wel. Hoe zou dat schip gevaren zijn indien het om een andere minder omstreden persoon was gegaan? Menig officier werd voor mindere fouten afgeserveerd gedurende de ‘years of reckoning’ 1945-1951. Niet de hoofdrolspelers binnen de Groep Kil en ook niet de man van de dolksteek in de rug, Van der Mark, die het tot luitenant-kolonel der genie zou schoppen.

Dat generaal Van Andel het gewicht van de zaak, de omvang van de verraadcultus rond Mussert, in Dordrecht heeft onderschat is achteraf wel vast te stellen. Het lijkt echter onwaarschijnlijk om hem dit werkelijk na te dragen. Er zou dan wel heel duidelijk sprake zijn van hem met ‘kennis achteraf’ de maat te nemen, terwijl er in die hectische dagen zo veel meer was waar deze generaal met zijn kleine staf op diende te acteren. Auteur dezes meent dan ook dat het spijkers op laag water zoeken zou zijn om generaal Van Andel in deze kwestie substantiële verwijten te maken. Op hoofdlijnen is er vooral begrip voor diens handelen.

De historische weergave

De overste Mussert is in de historische weergave eigentijds vooral veroordeeld. Was het niet als werkelijk verrader, dan wel als een hopeloos falende leider. Dit beeld doet geen recht aan waar de man als persoon en functionaris werkelijk voor stond. Het is een resultaat geweest van karaktermoord en politieke voorkeuren van toenmalige onderzoekers en auteurs.

In latere geschiedschrijving werd de zaak Mussert meestal omfloerst met suggestie. Enerzijds de ontnuchtering dat er door de ‘broer van’ geen verraad was gepleegd, maar anderzijds toch wel de nadruk op de wanpresterende stadscommandant. Men bleef zich vooral baseren op de secundaire bronnen die over de kwestie waren geschreven.

Hoewel er in de tegenwoordige geschiedenis ruimte voor de nuance is gekomen, is er nooit overtuigend opnieuw naar de strijd in Dordrecht gekeken vanuit een herbestudering van primaire bronnen, zoals Stichting Kennispunt Mei 1940 nadrukkelijk wel doet. Nog geen 10 jaar geleden verstond majoor b.d. Hans Kleingeld het om een boekje in eigen beheer uit te geven over de moord op Mussert en daarin een uiterst suggestieve, meestal historisch falende, reproductie te geven van wat er in mei 1940 rond Mussert was gebeurd. Kleingeld had niemand minder dan de executeur van Mussert als fluisteraar en stond daarom heel gekleurd in de materie. Hij liet zich door Kruithof totaal misleiden in de overwegingen die de toenmalige luitenant had gevoeld om overste Mussert, waarvan Kruithof overtuigd was van zijn verraad, te arresteren en vervolgens, zonder het geringste spoor van gevaar, te vermoorden. Een aanklacht tegen Mussert en een verdediging van de daad van Kruithof was het gevolg.

De wijze waarop Kruithof begin deze eeuw nog in de materie stond doet heel sterk denken aan de felle reactie die wijlen generaal-majoor Harberts voor de AVRO televisie in 1970 gaf n.a.v. zijn executiebevel ten laste van de sergeant-capitulant Chris Meijer. Geen enkele ruimte voor de nuance, geen enkel nader inzicht. Majoor Kleingeld liet zich erdoor verleiden en gaf Mussert geen enkele ruimte voor een adequate verdediging. Het boekje van Kleingeld is dan ook een historisch gedrocht geworden, maar het typeert de (amateur)historicus, die zich door paradigma’s laat leiden. Hoe lastig blijkt het te zijn om getuigen te horen, de zaak te bestuderen en te trachten zo objectief mogelijk te blijven?

Mussert werd door generaal Winkelman al kort na de meidagen gerehabiliteerd. Vermoedelijk omdat de OLZ van de generaal Van Andel had vernomen dat Mussert echt te goeder trouw was geweest. Men zou nooit enig spoor van verraad van de man vinden. Desondanks werd de volgende bezetting en de voortzetting van de oorlog een achtergrond waartegen weinig behoefte werd gevoeld om nu bij uitstek de broer van de man die symbool stond voor al het verraad, Anton Mussert, te gaan rehabiliteren. En na die oorlog, toen nog meer van het grote kwaad dat Duitsland had aangericht, duidelijk werd, zou niemand zich geroepen voelen om iemand met de naam Mussert van naam te zuiveren. Tegelijkertijd konden er heel wat bedreigde militaire carrières en reputaties worden gered door over de gang van zaken in en om Dordrecht net iets minder rechtvaardig te reconstrueren dan de werkelijke gang van zaken zou hebben genoopt. Wie taalde er naar het blazoen van Josephus Mussert?

Zo verliepen er vele decennia waarin de besmette cultus rond de ‘verraderlijke overste Mussert’ in Dordrecht kon wortelen. Had de man geen verraad gepleegd, dan hij het wel opvallend verstierd met zijn waardeloze beleid. Het is ook met name in de krijgshistorische vastlegging te identificeren dat op deze wijze een paradigma rond het geval van overste Mussert werd geschapen. Dat gold dus zowel de feitelijke contemporaine gebeurtenis áls de vastlegging achteraf voor het nageslacht. Nog heel recent overwoog de gemeente Dordrecht om op de erelijst van Dordrecht waarop de gevallenen staan vermeld die vielen tijdens de oorlog, de naam Mussert niet te laten voorkomen. Zo weinig besef was er nog van de werkelijkheid rond de overste Mussert.

Het is zeer aannemelijk dat Josephus Mussert nimmer zonder voorbehouden zal worden genoemd als gevallene voor de ‘goede zaak’ tijdens de strijd die ons land in de meidagen van 1940 voerde. Dat heeft de geschiedenis met deze man gedaan. De karaktermoord is veel duurzamer dan de moord op de man zelf. Een tragische conclusie.

Epiloog

Er is een epiloog dat auteur dezes aan de zaak wil schenken en dat betreft de rol voor Mussert in de stadshistorie van Dordrecht en vooral de verdiensten die enkele plaatselijke historici hebben gehad bij de kwestie rond Jo Mussert. Zij verdienen het te worden vermeld, hoewel zij beide niet meer onder ons zijn.

De stad Dordrecht en de geschiedenis

Binnen de virtuele muren van de prachtige, klassieke stad Dordrecht wordt veel aandacht besteed aan de rijke eigen geschiedenis. De aandacht voor de jaren 1940-1945 is ook aanzienlijk, zij het bescheiden als men de rol die Dordrecht innam in 1940 overweegt.

Er is een vaste, trouwe kern vrijwilligers buitengewoon actief met het uitdragen van de oorlogsgeschiedenis. Ook de door auteur dezes zeer gewaardeerde Jan van der Vorm en zoon Jens – beide veel te vroeg overleden – waren buitengewoon belangrijk voor de overlevering van de geschiedenis van de laatste twee eeuwen Dordrecht. Met name over mei 1940 zou Jan van der Vorm een schat aan informatie aan Nederland leveren door zijn buitengewoon intensieve naspeuringen en onderzoekscontacten met Duitse oud-strijders. Van der Vorm zou alleen al daarom postuum ereburger van de stad moeten zijn. Auteur dezes beschikt over het dossier van Jan van der Vorm, dat hem na diens dood beschikbaar werd gesteld door zijn zoon Jens.

Jan van der Vorm onderzocht de gebeurtenissen in zijn Dordrecht op minutieuze wijze. Hij onderzocht zaken vanaf de bron, beoordeelde het vanuit meerdere gezichtspunten, bleef heel nuchter in de beoordeling van ‘goed en fout’. Jan maakte bijzonder veel aantekeningen en schetsen, vele zeer waardevol. Ze geven behoudens veel informatie, zijn voortschrijdend inzicht prijs. De kwestie Mussert was evident ook één van de zaken waar Jan van der Vorm prominent tegenaan liep. In het dossier dat hij naliet en de aantekeningen die auteur dezes onder ogen kreeg, was te zien dat Jan van der Vorm Mussert vooral als schlemiel zag, maar zeker geen verrader. Ook hij liep echter tegen veel scepsis aan als het de ontmythologisering van de zaken rond de omstreden overste betreft. Ook de dood van de gebroeders Van Dijk achtte hij een panische daad van onvermogen van de toenmalige Nederlandse militairen. Van der Vorm had zelf de oorlogsdagen meegemaakt, als jonge jongen. Daarom ook zijn fascinatie, maar ook de duidelijke herinnering dat het panische dagen waren. Naast begrip voor de omstandigheden, had hij het duidelijke standpunt dat zowel Mussert als de Van Dijks onschuldig waren gedood.

Hoeveel moeite de geschiedschrijving en ook de stad Dordrecht zelf met deze kwesties heeft c.q. had, blijkt wel uit het feit dat de op 14 mei 1940 vermoorde luitenant-kolonel Jo Mussert en de gebroeders Van Dijk pas zeer recent zijn ‘toegelaten’ tot de lijst van gevallenen in de stad. Dat een gemeente in dit opzicht zich lijdzaam aan de officiële geschiedschrijving opstelt is te begrijpen, maar hoewel die officiële geschiedschrijving nimmer heel uitbundig verklaarde dat Mussert en de Van Dijks schone blazoenen hadden, was er geen enkele aanleiding om deze drie slachtoffers tot voor kort niet tot de lijst met officieel erkende (vaderlandslievende) oorlogsslachtoffers toe te laten, hoewel dat bijna alsnog was geblokkeerd. En zelfs nu ze toegelaten zijn als slachtoffers, zo is auteur dezes ook wel eens persoonlijk gebleken, heeft men er de grootste moeite mee om deze mensen werkelijk als slachtoffers van de ‘goede strijd’ te aanvaarden. Kennelijk bevreesd als men is voor de kritiek van onwetenden, waarvan er zo vele zijn.

De tragiek van een bezoedelde naam, van effectieve karaktermoord, is dat men weliswaar door een autoriteit of instantie kan worden gerehabiliteerd, maar de smetten blijven hangen. Vooral bij hen die er het minste vanaf weten, wat doorgaans de massa is. Dat is treurig voor de mensen die dit lot op onrechtvaardige gronden trof en ook – of moeten we zeggen ‘in het bijzonder – voor hun nabestaanden. De geschiedenis heeft de plicht recht te doen aan de werkelijke gebeurtenissen, niet aan de overleveringen, niet aan de maatschappelijke invulling en zeker niet aan de politiek gewenste waarheid. De geschiedenis pleit het drietal al vele decennia vrij en schoon. Geen enkel voorbehoud is er in het nadeel van deze drie betrokkenen in te brengen om hun namen niet met hetzelfde respect uit te spreken als dat van andere slachtoffers van de Duitse inval en bezetting. Wie dat niet kan, heeft vooral bij zichzelf de oorzaak te zoeken …

Zie hier voor de bronnen.