Voorspel

Het zuidfront van Vesting-Holland

Binnen de Nederlandse landsverdediging had het westen van het land al sinds de late Middeleeuwen het zwaartepunt van de defensie gevormd. Dat kwam vanzelfsprekend door het gegeven dat ongeveer twee derde deel van de bevolking van Nederland in die sector woonde, en mede daardoor vitale en strategische functies, objecten en industrie in het westen des lands waren gevestigd. In de laatste eeuw was daarbij gekomen dat ’s werelds drukste zeehaven – Rotterdam – zich in het westen des lands bevond. Een zeehaven die een levensader werd voor de Nederlandse economie.

[Overzichtskaarten]

De Hollandse Waterlinie en de in de negentiende eeuw gebouwde Stelling van Amsterdam waren twee verdedigingsstelsels die resultaten waren van het besef dat het westen van het land hardnekkig verdedigd moest worden. Eind negentiende eeuw werd de reeds in de late Middeleeuwen aangelegde Hollandse Waterlinie sterk gemoderniseerd, met nieuwe forten en inundatie aanpassingen, die mede het gevolg waren van veranderde demografie. Deze Nieuwe Hollandse Waterlinie liep van het IJsselmeer bij Muiden via Utrecht tot aan de Waal bij Gorinchem, met uitlopers tot voorbij Woudrichem, waar de Biesbosch in feite het eindpunt vormde. Die brede inundatie, versterkt met vele forten en kleinere fortificatiën, vormde het zogenaamde Oostfront Vesting Holland. 

Vanaf de Biesbosch werd langs de Merwede, het Hollands Diep en het Haringvliet het Zuidfront Vesting Holland vorm gegeven. Het eiland van Dordrecht, het eiland de Hoekse Waard en de eilanden Voorne-Putten vormden zodoende de zuidelijke begrenzing van de Vesting Holland. Het betekende dat het zuidfront van de Vesting in feite langs de wateren Haringvliet – Hollands Diep – Biesbosch / Nieuwe Merwede – Merwede liep en bij Woudrichem middels in geval van oorlogsdreiging te stellen inundaties noordwaarts liep en vanaf daar het oostfront vormen zou.

Het Westfront van de Vesting Holland werd evident gevormd door de kust. Hoewel formeel gezien dat Westfront liep van de kop van het eiland Voorne tot aan IJmuiden, werd de kop van Noord-Holland ook gerekend tot een te verdedigen uitloper. Mede daarom was de Stelling Den Helder aanzienlijk versterkt, zoals dit reeds in de Franse tijd was geschied. Binnen die Stelling bevond zich ook – in de moderne tijd – de grootste marinehaven van Nederland.

Het Noordfront tenslotte werd gevormd door de noordelijke arm van de Stelling van Amsterdam, die in een ruime boog om de hoofdstad heen liep. Na de Eerste Wereldoorlog was echter duidelijk geworden dat de fortificatiën van de Stelling van Amsterdam niet geschikt meer waren voor moderne oorlogsvoering. De Stelling werd echter niet gemoderniseerd, waarbij de gedachte o.m. was dat een vijandelijke bedreiging van het Noordfront weinig aannemelijk leek en aanpassing aan de moderne tijd (verdragende artillerie) de cirkel rond Amsterdam ver zou moeten doen vergroten. Daarvoor had men geen geld. Tijdens de mobilisatieperiode van 1939/1940 werden dan geen eenheden aan het noordfront gelegerd. Bovendien werd de linie geherdefinieerd, doordat zij in feite – in geval van noodzaak – zou worden gesitueerd achter het Noordzeekanaal en dus niet in de forten van de Stelling van Amsterdam.

Zo laten zich dus de vier fronten van de Vesting Holland geografisch gezien beknopt omschrijven aan de vooravond van de Tweede Wereldoorlog.

Defensieplan mei 1940

Het verdedigingsplan voor Nederland dat in mei 1940 gold was vormgegeven door opperbevelhebber [OLZ] generaal Henri Winkelman, gebaseerd op de regeringsinstructie dat het westen van het land duurzaam en hardnekkig moest worden verdedigd. Het plan voorzag in een buitenverdediging langs de grens met Duitsland, met de eerste ijle verdedigingslinies langs de rivieren IJssel en Maas, het tussenliggende Maas-Waalkanaal en in het noorden van het land langs kanalen in de provincies Drenthe en Groningen. Die voorverdedigingen moesten de hoofdmacht van het Veldleger – het leger dat zich in divisies en brigades alsmede enige huzarenregimenten georganiseerd wist – de kans geven zich in de voorverdediging volledig voor te bereiden op de aankomst van de vijand voor de stellingen.

De voorverdediging werd gevormd door de Valleistelling (c.q. Grebbelinie), Betuwelinie, Maas-Waalstelling en Peel-Raamstelling [tussen Bersche Maas en Weert], alsmede in het hoge noorden bij de fortificatiën te Kornwerderzand en Den Oever. Als men een lijn trekt op de kaart dan kan men constateren dat voornoemde veldstellingen in een haast diagonale lijn tussen IJsselmeer en de grens met België bij Weert liepen. Er is één voorname nuance aan te brengen bij het begrip voorverdediging. De voorganger van OLZ Winkelman was de generaal I.H. Reijnders geweest, die in januari 1940 zijn ontslag had ingediend na onoverkomelijke meningsverschillen met de Regering. Deze generaal was van mening geweest dat de Grebbelinie een voorverdediging vormde voor het Oostfront Vesting Holland. Zijn opvolger wilde echter die stelling veel hardnekkiger verdedigen en daar in feite de hoofdverdediging vormen, die generaal Reijnders nog in het Oostfront wilde voeren. Winkelman wilde dat de rivier de Waal [Waal-Linge stelling] het scharnierpunt zou gaan vormen en alle stellingen daaronder niet hardnekkig verdedigen. En zo geschiedde.

De hoofdverdediging van het land zou gevoerd worden door de Grebbelinie en Betuwelinie dat het oostfront moest vormen, waarbij de Vesting-Holland hardnekkig zou worden verdedigd langs het Zuidfront en de de Waal-Lingestelling. Winkelman rekte met zijn plan als het ware de sector die tot de Vesting werd gerekend op tot aan de Grebbelinie. Maar ondanks het feit dat de generaal op papier deze voorwaartse verdediging vorm gaf, was er wel degelijk als alternatief dat een doorbroken Betuwe- of Grebbelinie het Veldleger terug zou doen trekken op het Oostfront Vesting-Holland, zoals zijn voorganger reeds had voorzien. Zodoende zou de ‘oude vertrouwde’ Vesting Holland verdediging dan weer ontstaan.

Omdat generaal Winkelman de Peel-Raamstelling niet zo hardnekkig wenste te verdedigen als zijn voorganger Reijnders, en de troepen die in Noord-Brabant achter die stelling waren gelegerd met tweederde wenste terug te brengen, betekende dit dat het Zuidfront Vesting Holland in theorie eerder ‘in de eerste lijn’ zou komen te liggen dan onder het plan Reijnders.

Generaal Winkelman was tot zijn besluit gekomen om Brabant minder hardnekkig te verdedigen, omdat hij de Peel-Raamstelling te eenvoudig te omvatten achtte – wegens Belgische weigerachtigheid het zuiden ervan te laten aansluiten op de Belgische defensie – en bovendien omdat de generaal vond dat met zijn kleine landmacht van circa 240.000 man geen hardnekkige landsverdediging viel te voeren op zo’n groot oppervlak tegen een zo moderne tegenstander. Winkelman koos er dus voor om een aanzienlijk deel van het Veldleger binnen de (uitgebreide) Vesting Holland te concentreren. Zijn besluit werd daarbij gesteund door het gegeven dat informele Frans-Nederlandse legercontacten aantoonden dat de Franse legerstaf weliswaar Franse troepen naar het noorden wilde sturen, maar deze niet oostelijker dan de lijn Tilburg – Turnhout offensief zou willen inzetten. Dat betekende dat de Peel-Raamstelling niet door Geallieerde inzet zou worden ondersteund.   

Het zuidfront nader bekeken

Tot april 1940 was het Zuidfront Vesting Holland nauwelijks bezet door militairen. Generaal Reijnders achtte het Zuidfront net als het Oostfront van Vesting-Holland voldoende beveiligd met een zogenaamde veiligheidsbezetting. Zijn overwegingen waren dat de beide voornaamste armen van de Vesting Holland verdediging wel zouden worden versterkt als de vijandelijke progressie het Veldleger zou terugduwen binnen de muren van de Vesting. Generaal Winkelman had in eerste instantie die gedachte overgenomen, waarbij uiteraard meespeelde dat de Nederlandse landmacht slechts zo’n 240.000 man in het veld kon brengen en die bescheiden macht nu eenmaal verdeeld moest worden over de gehele defensie.

De Duitse overval op Noorwegen, op 9 april 1940, schudde de Nederlandse legerleiding ten dele wakker. Het werd glashelder dat een traditionele Duitse strategie van louter aanvallen vanaf de grens richting westen alles behalve evident was en dat rekening moest worden gehouden met een snel opererende vijand die bovendien niet zou aarzelen met grootschalige luchtlandingen in de diepte van de verdediging de Nederlanders te verrassen. Mede daarom werd besloten om het Zuidfront Vesting-Holland reeds bij voorbaat te voorzien van een beduidend sterkere bezetting.

Zodoende werd de tot april 1940 in het oostfront van Vesting Holland liggende veiligheidsbezetting goeddeels naar het Zuidfront verplaatst. Dat betrof geheel Brigade C en een deel van Brigade D. Die beide brigades waren – net als de Brigades A en B – gevormd tijdens de mobilisatie als aanvullingen op het Veldleger, met taken in de minder courante stellinggebieden. Zo bezetten de beide Brigades A en B de verbindende verdedigingslinies tussen de Rijn en de Bergsche Maas en de Brigades C en D vormden de veiligheidsbezetting in het Oostfront Vesting Holland. De vijfde Brigade [G] was een reserveverband, dat bedoeld was om het 3e Legerkorps aan te vullen dat na haar vertrek uit Noord-Brabant op de eerste oorlogsdag, van elk van haar regimenten infanterie een bataljon zou achterlaten. De eenheden in Brigade G zouden die gevallen gaten in het 3e Legerkorps opvullen gedurende de tweede en derde oorlogsdag en daarna zou de Brigade haar bestaansrecht verliezen.

Tot april 1940 was het Zuidfront Vesting Holland bezet geweest door de eenheden die tijdens de voormobilisatie in april 1939 daar reeds terecht waren gekomen. Dat waren eenheden ter grootte van enkele compagnieën, die enige strategische posities bezet hielden. Die bezetting bestond uit enkele maritieme steunpunten langs de westkust en het Haringvliet, een veiligheidsbeztting in het bruggenhoofd te Moerdijk (aan weerszijde van het Hollands Diep) en het behelsde enige taakgerichte verbanden die maritieme taken hadden in de waterwegen langs het Zuidfront. In Oud-Beijerland had de staf gezeten die eufemistisch als het Commando Zuidfront werd aangeduid om deze bescheiden 'troepenmacht' te leiden. De bezetting had tot april 1940 concreet slechts bestaan uit drie detachementen kustartillerie (negen vuurmonden), een detachement vaartuigendienst en zinkschepen, een klein detachement marine te Hellevoetsluis, een grenscompagnie, het dekkingsdetachement Willemsdorp (bij de Moerdijkbruggen) ter sterkte van ongeveer een compagnie infanterie en kleine ondersteunende eenheden en tenslotte een bescheiden afvaardiging van de luchtverdediging. Bij elkaar nog geen duizend man, verdeeld over de gehele sector van het Zuidfront tussen de kust bij Rockanje en de kop van de Nieuwe Merwede.

Op 12 april 1940 werd die veiligheidsbezetting aanzienlijk uitgebreid. De beide regimenten 28.RI en 34.RI werden volledig naar het Zuidfront overgebracht, ondersteund door een bataljon van 39.RI, de drie regimenten artillerie 14.RA en 23.RA en nader versterkt met de artillerie afdelingen I-17.RA, 25.AA en 26.AA. Naast kleinere eenheden, zoals twee compagnieën pioniers en een tweetal zelfstandige MC’s, betekende het dat het Zuidfront in sterkte toenam tot een strijdmacht van ongeveer 8.500 man. Daarbij kwam dan nog de reeds bestaande sterkte van het kantonnement Dordrecht van circa 1.500 man, wat echter grotendeels rekruten waren die een genieopleiding volgden. Zodoende kende het zuidfront – exclusief de grenstroepen die aan de Belgisch-Nederlandse grens lagen – een sterkte van circa 10.000 man. Dat was precies de sterkte van een toenmalige Nederlandse divisie.

De bewapening en kwaliteit der troepen

Aan het Zuidfront Vesting Holland lagen slechts zogenaamde vestingeenheden. Dat waren eenheden die bestonden uit manschappen van de oudste legerreserves, die werd gevormd door de 24 hoogste regimenten infanterie en de hoge artillerieregimenten. De beide grensbataljons waren deels uit jonge dienstplichtigen gevormd en de kantonnementstroepen bestonden uit jonge rekruten, waarvan een deel pas enkele weken onder de krijgstucht viel.

De hogere infanterieregimenten hadden een enigszins zwakkere bewapening dan de laagste 24 regiment. Zij hadden slechts acht lichte mitrailleurs per compagnie in plaats van twaalf, en de Mitrailleur Compagnies [zware mitrailleurs] bestonden ook slechts uit acht in plaats van twaalf zware machinegeweren. Een deel van de hogere regimenten, waaronder 28.RI en 34.RI, hadden geen eigen PAG [Pantserafweergeschut] eenheden. Handgranaten waren schaars in hogere regimenten, mede dankzij de overweging dat het gros der oudere reservisten er nooit mee had leren werken. Daarnaast waren de eenheden ongeveer tien procent kleiner, doordat er veel oudere reservisten inmiddels ongeschikt voor dienst waren geworden. De oefening van de hoogste regimenten was – ondanks de lange mobilisatietijd – beduidend slechter dan van de jongere regimenten. De officieren en onderofficieren in hoge regimenten waren vrijwel allen reservisten. Zelfs de hogere commandanten waren reservisten of geheractiveerde – voorheen gepensioneerde – officieren. De staven bestonden vrijwel geheel uit reserve officieren en op één officier na [de chef-staf van de Groep Kil, kapitein Calmeijer] had van de stafofficieren op het Zuidfront geen één de Hogere Krijgsschool [HKS] afgerond. Die opleiding was bedoeld om officieren voor staffuncties op te leiden. Reserve officieren hadden in de regel geen of nauwelijks stafvorming genoten, en leerde 'de kneepjes van het vak' tijdens de mobilisatie. 

De artillerie op het Zuidfront was op papier sterk. Het bestond – exclusief negen stukken licht kustgeschut van 7.5 cm – uit acht afdelingen, wat normaliter goed was voor 96 vuurmonden. Maar twee afdelingen hadden slechts acht vuurmonden, zodat het geheel uit 88 kanonnen bestond. Hiervan waren echter slechts 28 vuurmonden van een redelijk moderne uitvoering, zijnde de 7.5 cm snelvuurkanonnen van het type 7-veld. De overige 60 vuurmonden waren stokoud, respectievelijk 36 stuks 12,5 cm stalen [12 lang staal] uit 1878 en 24 stuks 15 cm [stalen 15 lang staal] stukken uit 1880. Traagvurend geschut, dat loodzwaar was, ongeremd was en niet op de plaats kon traverseren (naar links en rechts bewegen). Het was stellinggeschut dat voor wat betreft de 15 cm uit de arsenalen der afgeschreven artillerievuurmonden was gehaald. Het oude geschut was echter in de bewapening gehouden of heringevoerd wegens het feit dat diverse orders voor nieuw aangeschaft geschut nog niet waren uitgeleverd.

De indeling der sectoren

Het zuidfront werd vanaf 12 april 1940 in feite gevormd door twee veldcommando’s, zijnde Groep Spui en Groep Kil. Groep Spui bezette de eilanden Voorne en Putten het westelijke deel van de Hoekse Waard. Hoewel dat een breed gebied was, was het minder kwetsbaar voor een frontale aanval dat de sector die het aanleunde Groep Kil als gezagsgebied had. Dat liep van de sector Strijen in de Hoekse Waard tot aan de westelijke oevers van de Nieuwe Merwede. Daarbinnen lagen de enige vaste verbindingen van West-Brabant met het westen van het land, de verkeers- en spoorbruggen bij Moerdijk. Groep Spui had de beschikking over een troepenmacht die vrijwel gelijk was aan een regiment – circa 2.500 man – terwijl Groep Kil een sterkte had van ongeveer 6.000 man.

Binnen het Kil gezagsgebied lag dan nog – als autonome enclave – het kantonnement Dordrecht. Dat kantonnement huisveste het depot van de genie voor opleidingen tot pontonnier of torpedist en had daarom vooral rekruten in haar midden. Dat depot had een sterkte van circa 1.450 man, waarvan het gros rekruut was en een heel klein deel instructeur. De depotcommandant was dan ook tevens kantonnementscommandant. Een kantonnement viel rechtstreeks onder de Commandant Vesting Holland [C-VH, luitenant-generaal J. van Andel].  Het kantonnement Dordrecht behoorde in feite niet tot de reguliere bezetting van het Zuidfront.

Aan de grens met België, tegenover het Zuidfront Vesting Holland, lagen twee grensbataljons. Dat waren 3.GB in de sector Bergen op Zoom en 6.GB in de sector Breda. Beide bataljons zouden na intreding van de oorlogstoestand hun grenstaken uitvoeren (vrijwel geheel bestaande uit het zetten van versperringen en vernielen van bruggen) en vervolgens toetreden tot respectievelijk de Groep Spui [3.GB] en Groep Kil [6.GB]. Het plan was dat 3.GB de voorverdediging van Groep Spui in Willemstad van de daar liggende veiligheidsbezetting zou overnemen en 6.GB de veiligheidsbezetting in het Bruggenhoofd Moerdijk zou overnemen. Het zuidfront zou daarom op de eerste oorlogsdag planmatig met zo’n 1,300 man sterkte worden uitgebreid.

De sector links [oost] van de Groep Kil werd bezet door de Groep Merwede. Het tot die Groep behorende sector Vak Sleeuwijk bezette de sector Biesbosch en de oevers van de Merwede aansluitend aan Groep Kil. Bovendien waren er bij Kiezersveer (Geertruidenberg) en de militaire brug bij Drongelen, alsmede de verkeers- en trambrug bij Heusden, bescheiden militaire bezettingen. Hoewel strikt genomen de sector van Groep Merwede onder het Oostfront Vesting Holland viel, was er geografisch sprake van een zuidoostelijke schakel tussen Zuid- en Oostfront.

De bevelsketen

Tot 12 april 1940 was de bevelsketen aan het zuidfront vrij overzichtelijk geweest. In Oud-Beijerland had het Commando Zuidfront gezeten dat over de gehele sector van de kust bij Voorne tot aan de Nieuwe Merwede (exclusief het kantonnement Dordrecht) het bevel had gevoerd. Dat Commando – laatstelijk door reserve kolonel de Brauw gevoerd – rapporteerde rechtstreeks aan de C-VH. Dat deed de kantonnementscommandant van Dordrecht ook, in oorlogstijd. Vanaf 12 april 1940 werd het Commando Zuidfront opgeheven omdat men geen geschikte kandidaat voor de opvolging had kunnen vinden. Groep Spui, Groep Kil en het Kantonnement Dordrecht rapporteerden toen alle drie autonoom rechtstreeks aan de C-VH. De laatste had bepaald dat in geval van oorlog een kleine sectie Zuidfront op zijn Staf in Den Haag zou worden gevormd, die door de kolonel Higlij zou worden geleid. Slechts een klein aantal lagere VH stafofficieren bleef ter ondersteuning in Oud-Beijerland.

Omdat op 10 mei het Zuidfront integraal werd aangevallen en bovendien het feitelijk daartoe niet behorende achterland evenzo, waren ook de van toepassing zijnde bevelsstructuren op IJsselmonde en in Rotterdam van belang. De troepen die het vliegveld Waalhaven beveiligden alsmede de luchtverdediging aldaar voerden, vielen onder de Commandant Luchtverdediging, luitenant-generaal P.W. Best. Het kantonnement Rotterdam, dat voornamelijk bestond uit zo’n 6.500 man genie- en marinedepot alsmede een grote schare intendance troepen, werd geleid door de kolonel P.W. Scharroo. Als kantonnementscommandant rapporteerde hij in oorlogstijd rechtstreeks aan de C-VH.

De beide grensbataljons 3.GB en 6.GB zouden tot zij hun grenstaken hadden afgerond onder het Veldleger ressorteren, en nadien onder de respectievelijke Groepen Spui en Kil. Bevelen kregen zij via het 3e Legerkorps. Nadat zij tot de beide Groepen zouden zijn toegetreden zouden zij automatisch via deze Groepen onder de C-VH vallen.

Zoals de oplettende lezer vast kan stellen, was er voor de C-VH dus alleen al op het zuidfront veel te doen. Men bedenke dat daarbij nog kwamen het commando over het Westfront en eventuele troepen in het Oostfront (tot dat dit door het Veldleger zou worden bezet), een eventueel tijdens de strijd nog te bezetten Noordfront, alle depottroepen en zelfs alle overige landmachttroepen - zou de vijand om een of andere reden de Vesting Holland aanvallen. Men zou met dat scenario in het achterhoofd vermoeden dat de staf van luitenant-generaal Van Andel erg groot was. Niets was minder waar. De staf van de C-VH was van een grote gelijk aan die van een legerkorps (dat bestond uit 25.000 man), maar had troepen onder zich die niet in een dergelijke efficiënte structuur waren georganiseerd en een troepenmacht die uiteindelijk kon uitgroeien tot 75.000 – 80.000 man! Dat betekende dat de staf van de C-VH zwaar belast zou worden in geval van een oorlog en een strijd op meerdere fronten.

Paraatheid

Omdat het Zuidfront pas op 12 april 1940 meer dan een veiligheidsbezetting had gekregen, had men de prioriteit voor aanleg van stellingen, semi-permanente en permanente versterkingen laag gehouden. De stellingen en versterkingen die gereed waren op 10 mei 1940 waren vrijwel allen bedoeld geweest voor de veiligheidsbezetting van een paar honderd man. Met uitzondering van vier voor strategische beveiliging gebouwde zware kazematten bij de Moerdijkbruggen (één daarvan op de zuidoostpunt van de Hoekse Waard gebouwd) en enkele onbruikbare mitrailleurkazematten in de brugpijlers van de Moerdijkbruggen en bruggen bij Zwijndrecht, had men geen betonnen gevechtsopstellingen gebouwd. Slechts zo’n honderd betonnen schuilplaatsen waren gebouwd langs de oevers van het Haringvliet, Hollands Diep en Nieuwe Merwede. Een handvol waren binnenlands gebouwd. Die schuilplaatsen waren goed voor een artillerievrije dekking voor ongeveer 1.000 man. Het tienvoud was aan het Zuidfront gelegerd. Alle overige versterkingen waren gemaakt van hout en aarde. Bovendien waren de opstellingen slechts eenzijdig ingericht; richting Hollands Diep c.q. richting het zuiden. Met uitzondering van het Bruggenhoofd Moerdijk, waar de verdediging in twee achter elkaar gestelde linies langs de hoofdwegen was geformeerd, waren alle opstellingen zogenaamde enkele linies zonder enige diepte. Infanteriegeschut was schaars, slechts acht stukken 6-Veld aan het gehele Zuidfront, en PAG (antitank geschut) ontbrak geheel, behalve bij de beide grensbataljons.  

De eenheden op het Zuidfront werden met uitzondering van de kustverdediging en de luchtverdediging in de late avond van 9 mei niet door de C-VH geïnformeerd dat er ‘verontrustende berichten van de grens kwamen’, wisten niet dat de grenstroepen en voorverdediging in de hoogste gevechtsgereedheid en waren evenzo ongewis dat het Veldleger in de ochtend van 10 mei om 0300 uur in volledige gevechtsgereedheid zou worden gebracht. Generaal van Andel meende dat zijn troepen niet in de eerste lijn lagen en beter nog een goede nacht slaap konden genieten, met de ‘dingen die komen gingen’. Een blunder van groot formaat, want op zijn eigen bevel waren munitievoorraden centraal per onderdeel opgeslagen, en behalve bij wachtposten en piketten dus niet ‘op de man’, tenzij de hoogste gradatie van strijdvaardigheid gold. Door het ontbreken van een waarschuwing aan zijn ondercommandanten, waren daardoor de eenheden aan het zuidfront op 9 mei ’s avonds rustig gaan slapen, met hun wapens en munitie veilig opgeborgen achter slot en grendel. Slechts de telefoonwachten en wachtposten waren paraat. De troepen aan het Zuidfront zouden op ruwe wijze gewekt worden …

De Duitse plannen

Er was aan Duitse kant heel wat gesleuteld aan de strategie. Vier hoofdplannen zagen het daglicht, met onnoemelijk veel varianten tussendoor. In maart 1940 waren aan de laatste details voor Fall Gelb tenslotte ingevuld, hoewel tot vrijwel het allerlaatste moment nog kleine zaken wijzigden. Het betekende in elk geval dat twee legerkorpsen de hoofdaanval over land tegen Nederland zouden ondernemen, het Xe en XXVIe Legerkorps, waarbij het IXe Legerkorps enige tijd aan de linkerflank van XXVI het zuidelijke deel van Noord-Brabant zou doortrekken. Het Xe Legerkorps zou de Grebbelinie en Betuwestelling aanvallen, het XXVIe Legerkorps de hoofdaanval onder de Bergsche Maas ontplooien. Die eenheden bestond in hoofdzaak uit twee infanteriedivisies, een kleine tankdivisie en een SS-divisie. In reserve kreeg het nog twee infanteriedivisies mee alsmede een SS regiment dat uit de centrale sector naar XXVI.Korps zou worden verschoven in geval van succes in het zuiden. Alhier wordt alleen gekeken naar XXVI.AK. Die eenheid diende zo spoedig mogelijk door de Peel-Raamstelling te breken en via de Langstraat naar de omgeving Breda op te trekken, om aldaar contact te maken met de parachutisten bij Moerdijk. Rond Breda zou het legerkorps zich in twee korpsen scheiden, waarbij het deel dat buiten Vesting Holland zou blijven als XXVI.AK zou verder gaan en het deel dat de Vesting zou intrekken onder XXIX.AK zou worden aangeduid. Nadat contact zou zijn gemaakt met het bruggenhoofd bij Moerdijk zou direct naar Rotterdam worden doorgestoten. Het deel dat als XXVI.AK verder zou gaan, zou zich samen met IX.AK tegenover de vesting Antwerpen positioneren met een taakgericht verband dat zich moest vermeesteren van Zuid-Beveland en Walcheren.

De al genoemde parachutisten waren de eenheden van het 1e Fallschirmjägerregiment, die de bruggen bij Moerdijk en Dordrecht/Zwijndrecht moesten innemen, alsmede het vliegveld Waalhaven. Nadat Waalhaven zou zijn ingenomen zou aldaar eenderde deel van de stafeenheden van de 22e Luchtlandingsdivisie landen alsmede het regiment IR.16 van die divisie. Bovendien zou het halve bataljon II./FJR2 - parachutisten zonder sprongbrevet - ook worden ingevlogen en was bovendien een extra regiment luchtlandingstroepen [IR.72 van 46.ID] beschikbaar als reserve eenheid. Bij Rotterdam zou in de vroege ochtend van 10 mei een dozijn watervliegtuigen landen met twee pelotons infanterie van IR.16 plus een handvol genisten. Zij zouden door een peloton parachutisten die bij het Feyenoordstadion zouden landen snel worden versterkt. Deze mannen hadden als taak de vier bruggen in het hart van Rotterdam in te nemen en aan de noordzijde van de Nieuwe Maas een verdedigbare perimeter te veroveren. Ze zouden nadien vanuit Waalhaven met gelande troepen van III./IR.16 op bataljonssterkte worden gebracht.

Bij Den Haag zouden de andere twee regimenten van 22.(LL).ID landen, ondersteund door I./FJR2 en 6./FJR2. Die laatste compagnie zou op het vliegveld Valkenburg worden gedropt en daar de weg vrij maken voor IR.47, dat aldaar aan de grond zou komen met zwakke divisietroepen. Op het vliegveld Ypenburg zou I./FJR2 (min 3./FJR2) aan de grond komen en de vliegveldverdediging moeten uitschakelen. Daarna zou een groot deel van IR.65 aldaar landen, tezamen met bijna tweederde van de divisietroepen van 22.(LL).ID. Op het hulpvliegveld Ockenburg tenslotte zou 3./FJR2 als eerste landen en de zwakke vliegveldverdediging oprollen, waarna drie compagnieën luchtlandingstroepen op het vliegveld zouden landen. De bedoeling was dat de troepen op Ypenburg en Ockenburg na inname van de vliegvelden direct de Residentie in zouden trekken om aldaar de Regering en de legertop uit te schakelen. De troepen op Valkenburg hadden als hoofdtaak Nederlandse versterkingen vanuit het oosten richting Den Haag af te snijden.

De luchtlandingsoperatie was verdeeld in twee theaters. Het eerste was de landing rond de Residentie die tot doel had direct een strategische overwinning te behalen door een Regerings- en/of legercapitulatie af te dwingen middels gevangenneming van de Regering en/of legertop. Die operatie was uiterst riskant, maar stond op zichzelf. Het werd geleid door de commandant van 22.(LL).ID. Generalleutnant Graf von Sponeck, die op Ypenburg moest landen. Deze rapporteerde aan de commandant van het 7e Fliegerkorps, Generalleutnant Student, die niet alleen opperbevelhebber was van de operatie, maar zelf direct leiding gaf aan de operatie in het zuiden. De generaal zou volgens plan op Waalhaven landen met zijn staf en de operationele leiding op zich nemen vanuit een nader te bepalen hoofdkwartier. De luchtlandingsoperatie als geheel werd ondersteund door een taakgericht Luftwaffe verband onder de generaal Putzier, waarin onder meer 430 Ju-52 transporttoestellen waren ondergebracht, alsmede Ju-88, He-111, Bf-109 en Bf-110 Geschwaders. De gehele operatie stond dan ook onder bevel van de luchtmachtstaf en niet de landmachtstaf. Nadat XXVI.AK aansluiting zou hebben gevonden bij de troepen op het eiland IJsselmonde, zou de gehele operatie door de landmacht worden overgenomen.

De totale luchtlandingsoperatie voorzag in de landing van 3,500 parachutisten en ruim 9,000 man luchtlandingstroepen. Daarnaast waren er nog zo'n 1,500 man beschikbaar van IR.72. De planning was dat er 12,500 man in totaal zouden landen, zonder de tactische reserves. In de literatuur worden deze getallen vrijwel stelselmatig aangegeven als rond de 20,000 man. Dat is onjuist. De luchtlandingsdivisie kende een Fliegende Staffel en een Erd Staffel. De Fliegende Staffel bestond - zo tonen de Duitse beladingsplannen aan - uit circa 9,000 man. De LL eenheden waren beduidend kleiner dan de reguliere landmacht eenheden en sommige onderdelen werden zelfs in hun geheel in Duitsland gelaten. De parachutistenbataljons waren niet groter dan 550-600 man en kenden kleine staven. Ook de regiments- en divisietroepen waren beperkt in grote en middelen. In totaal beschikten de beide regimenten parachutisten over vijf bataljons, waarvan het 1e Bataljon van FJR1 en het 2e Bataljon van FJR2 beduidend onder sterkte waren.