Bombardement op Rotterdam

Inleiding

In veel publicaties wordt nogal gewichtig gedaan over de Duitse motivatie om een tactisch bombardement aan te vragen als voorbereiding op de te ondernemen grootschalige aanval over de Nieuwe Maas op de 14e mei.

[Overzichtskaarten]

Terzijnertijd zal op deze website een uitgebreide beschouwing worden gegeven van het bombardement en de vele relevante gebeurtenissen daaromheen. Hieronder wordt volstaan met een verkorte bespreking, hoewel daarbij onmogelijk bepaalde argumenten onbespreekbaar kunnen blijven.

Het is van belang te overwegen dat bij een beladen onderwerp als het bombardement op Rotterdam in de vroege middag van 14 mei 1940 te allen tijde emotie en interpretatie een grote rol (zullen) spelen. Met name het etiket ‘terreurbombardement’ of 'misdaad' is daarbij inzet van de debatten of discussies. Er kan in die debatten eigenlijk niet worden gesproken van ‘de waarheid’, omdat teveel ingrediënten van het recept open staan voor ‘interpretatie' en ‘gevoel’. Er kan slechts een context worden gecreëerd waarbij de feiten – in en voor zover vast te stellen – en redeneringen zo juist mogelijk worden onderbouwd. Ergo, het is een onderwerp dat altijd voor polemiek, in elk geval voor discussie zal blijven zorgen. 

In dit hoofdstuk van de strijd in vogelvlucht wordt sec gekeken naar het bombardement en beknopt - althans in vergelijking tot (de toekomstige) content op de hoofdpagina - ingegaan op de opvallende zaken rond het bombardement. Daarmee wordt een voorschot genomen op de vele curieuze elementen van het bombardement, de voorbereidingen daarvan en het relevante naspel.

Ontwikkelingen in aanloop naar het bombardement van Rotterdam

Gedurende de nacht van 13 op 14 mei werd door de hoogste Duitse militaire autoriteiten ter plaatse een langdurig krijgsberaad gehouden in Rijsoord. Daarin werd een aanvalsplan ontworpen voor de ochtend en vroege middag van de 14e , zoals reeds besproken bij het verslag van de 13e mei. Een element uit het plan was echter aanleiding voor uitvoerige bespreking onder de opper- en hoofdofficieren ter plaatse, en dat was welke vorm van luchtsteun men wenselijk achtte.

De memoires van Student geven een opinie van diens biograaf weer. De wens te komen tot een voorbereidend bombardement zou vooral zijn voortgekomen uit de aanzienlijke tankverliezen die men in Dordrecht had geleden op de middag van 13 mei. Het zal beslist hebben meegespeeld. Feit was echter dat de intensieve samenwerking tussen tactische bommenwerpers en tankformaties er bij de Duitse legerleiding al voor de meidagen in waren gesleten. De verbondenheid van wapenen en de tactische samenwerking met de luchtmacht was een tweede natuur (geworden), en in Polen al sterk beproefd en nader gepolijst. De vorige dag had het zich op het Eiland van Dordrecht ook al weer bewezen als uiterst effectief. Daar stond tegenover dat dezelfde ervaringen in Polen hadden uitgewezen dat een in puinhoop geschoten stad, eerder een extra obstakel dan een deugd was voor de oprukkende troepen en de tanks. De conclusie van de plaatselijke Duitse legerleiding was dus dat een tactisch bombardement moest worden aangevraagd dat slechts het noordelijk landhoofd van de bruggen zou treffen en een straal van zo’n 500 meter rondom met zwaartepunt rond de binnenhavens en het Maasstation. Omdat te kunnen realiseren diende echter het gebouw aan de noordzijde door de mannen onder Oberleutnant Kerfin te worden ontruimd. Toen dat later niet mogelijk bleek, werd het doelgebied door Student opnieuw gedefinieerd, waarbij een flinke sector rond het Verzekeringsgebouw werd uitgespaard. De wens was echter nadrukkelijk om de Nederlandse defensie aan te pakken.

Reeds op de 13e mei was de strijd in Nederland enige tijd prominent in beeld bij de Duitse legerleiding. Men had terzake op hoofdlijnen twee zorgen. Het eerste was dat het OKH ongerust was dat indien de uitbraak bij Sedan richting Somme zou slagen, of er wel voldoende gegarandeerd kon worden om tijdig krachtige reserves aan te voeren. In casu waren met name alle gemotoriseerde eenheden van groot belang. Daar kwam nog eens bij dat de Duitsers niet over tankreserves beschikten. Alle tankdivisies waren ingezet tijdens de veldtocht en er was nog geen tankcompagnie in reserve gehouden. Omdat nog onduidelijk was hoe zwaar de tankverliezen bij het concentratiepunt Dinant-Sedan zouden zijn, was het van groot belang dat een tankreserve – hoe bescheiden dan ook – zou kunnen worden aangevoerd. Daarom hechtte het OKH eraan dat de gemotoriseerde troepen van met name het XXXIX.AK zo spoedig mogelijk vrij zouden komen. Het OKH stond niet alleen in die wens en dat brengt ons bij de tweede zorg. De gehele operatie in het westen van Nederland stond onder bevel van de Luftwaffe. Die hadden niet alleen een aanzienlijk stuk prestige te verdedigen, maar evenzo hun zorg voor de luchtlandingsdivisie en de parachutistendivisie. Daarenboven werd op de Luftwaffe haar vliegend potentieel een enorme wissel getrokken om de gehele Westfeldzug te laten slagen. Die wissel was zo groot dat de grote operationele baas van de Luftwaffe [chef-staf onder de ObdL, Göring], Jeschonnek, al aan de vooravond van de Westfeldzug prioriteiten had moeten stellen waar de Luftwaffe wel en waar niet substantieel zou bijdragen. Zo waren de strategische taken geminimaliseerd en waren voor operaties boven Frankrijk in de eerste fase van de strijd minimale middelen voorhanden. De Luftwaffe concentreerde zich in hoofdzaak op ondersteuning van de luchtlandingen in het westen van Nederland, het veroveren en blijvend domineren van het luchtruim boven noordoost en oost België en het in de diepte van datzelfde front aanvallen van vijandelijke troepen die in de Dyle linie trachten te ontplooien. Voor die drie taken was driekwart van de Luftwaffe (die beschikbaar was voor het westen) ingezet. Door de verliezen aan toestellen en het gegeven dat steeds dieper geopereerd moest worden was het voor de Luftwaffe zaak zo spoedig mogelijk de eskaders die in Nederland opereerden of daarvoor moesten worden gereserveerd, te kunnen voegen bij de luchtsteun die aan Legergroep A moest worden gegeven.

De overwegingen van OKH en OKL convergeerden dus ten aanzien van de sterke wens de oorlog in Nederland zo spoedig mogelijk beëindigd te zien. Want hoewel men er vooraf rekening mee had gehouden dat er tot wel een week gevochten zou moeten worden om Nederland op de knieën te dwingen, gingen dergelijke ‘langdurige’ scenario’s er vanuit dat bepaalde essentiële operatiefacetten [zoals de luchtlandingen, de snelle doorbraak van de Peel-Raamstelling, het voor zijn van zware Geallieerde weerstand in de sector Tilburg-Breda] zouden zijn mislukt. Die mislukkingen waren niet aan de orde, want in feite verliep de veldtocht in Nederland wat dat betreft volgens plan. Men had echter verwacht dat de Nederlandse weerstand snel zou verkruimelen nadat de opzet in west Nederland zou zijn geslaagd en bovendien in de centrale sector [X.AK] op grotere progressie gerekend. Daar bleek op 13 mei niets van. Er werd dus ook op hogere niveaus naar een snelle doorbraak gezocht. In dat licht zal het bevel hebben gestaan dat de commandant van het 18e Leger [General Von Küchler] in de avond aan C-XXXIX.AK verzond waarin werd opgeroepen de weerstand in Rotterdam met alle middelen te breken en e.e.a. des benodigd met vernietiging van de stad kracht bij te zetten. Von Küchler was een landmacht man, werd bovendien terzake door zijn directe chef Generaloberst Von Bock zodanig geïnstrueerd, die op zijn beurt door chef-staf Halder was gemaand tot snelheid, waarmee duidelijk wordt dat de vernietiging van Rotterdam, die nadien door het OKL werd nagestreefd, niet op zich stond en geen autonoom Luftwaffe initiatief was. Het heeft er alle schijn van dat op de hoogste niveaus ideeën zijn uitgewisseld ‘hoe’ men de beslissing bij Rotterdam zou forceren. Die strategische uitwisselingen op dat hoogste niveau gingen – vrijwel zeker – geheel voorbij aan de bevelhebbers op operationeel niveau, die zich onbewust van de ‘hogere machten’ leken voor te bereiden op een tactisch bombardement, dat op bescheiden schaal – Gruppe niveau – het directe Maasfront in de stad zou moeten treffen.

Luftflotte 2 antwoordde op de verzoeken van Kurt Student in de avond van de 13e mei dat zij IV/LG1 – een Ju-87 Gruppe – beschikbaar zouden stellen. Eveneens werd KG.54 voor 14 mei beschikbaar gesteld. Dat moet echter een beschikbaarheid zijn geweest, die reeds gevolg gaf aan de uiteindelijk op 14 mei door het OKW uitgebrachte instructie. Dat was de zogenaamde Weisung no.11 für Kriegsführung, die louter zag op de prioriteitstelling in Nederland en de zo spoedig mogelijke beëindiging van de weerstand aldaar ten bate van ondersteuning van Legergroep A. Hoewel deze directief pas in de ochtend van 14 mei werd uitgegeven, was duidelijk dat op het hoogste niveau reeds besloten was de strijd in Nederland met de grootst mogelijke haast te beëindigen. De voorbesprekingen die tot deze Weisung geleid hebben, hebben duidelijk op 13 mei plaatsgevonden en waren de aanleiding om KG.54 al op het einde van die dag naar het Nederlandse front te verplaatsen qua beschikbaarheid. Die verplaatsing volgde direct uit aandachtspunt 5 van de Weisung, waarin stond dat de Luftwaffe elementen die boven Nederland opereerden onder bewuste verzwakking van die welke ten bate van het 6e Leger werden aangewend, versterkt zouden worden. KG.54 werd daarom in de avond van 13 mei al beschikbaar gesteld voor de volgende dag. Bovendien werd zelfs een verbindingsofficier naar Rijsoord gevlogen.

Dat gegeven – dat in Duitse bronnen niet gemaskeerd wordt – werpt het licht op de zaak dat Student heel goed wist c.q. had kunnen weten dat een tactisch bombardement op de beperkte schaal - wat hij ambieerde - niet aan de orde zou zijn. KG.54 was immers geen Gruppe maar een Geschwader en bovendien met He-111 uitgerust, en daarmee ongeschikt voor precisie bombardementen. Dat moet Student zich dus al in de late avond van 13 mei hebben gerealiseerd. En ook alle andere aanwezigen in Rijsoord, waaronder de commandant van 9.PD Generalmajor Von Hubicki, Oberst i.G. Schmidt [Ia van het 18e Leger] en Oberst Kreysing van IR.16 moeten zich dit bewust zijn geweest. Er was immers geen officier van LG1, maar één van KG.54 op het hoofdkwartier aangekomen om informatie te halen over de Duitse posities. Tevens zal Student Generalleutnant Schmidt – C-XXXIX.AK – na diens aankomst [14 mei, ca. 0400 uur] hebben geïnformeerd. Kurt Student was een Luftwaffe generaal, die alleen al uit de benaming KG [Kampfgeschwader] op kon maken dat het niet ging om bommenwerpers met de grootste precisiecapaciteit, namelijk de Ju-87. Hij kon hoogstens vermoeden dat het om Ju-88 duikbommenwerpers ging, maar het lijkt haast uitgesloten dat bij de gedetailleerde afstemming tussen Student en de verbindingsofficier van KG.54 het type bommenwerper waarmee men opereerde niet tussen de officieren is gewisseld. Ook kan over de schaalgrootte weinig misverstand hebben bestaan. Een verschil tussen 30 of 90 bommenwerpers was substantieel en geen detail dat onbenoemd zou blijven in een afstemmingsoverleg, waarvoor nota bene een verbindingsofficier van de omgeving Bremen helemaal naar Rijsoord vloog (en terug). Wel is mogelijk dat het Stuka bombardement in eerste instantie mede is besproken, bijvoorbeeld als eerste ondersteunende actie, waarop KG.54 als alternatief achter de hand zou worden gehouden. Het aanvalsbevel meldde op 14 mei 10.20 uur Nederlandse tijd nog dat ‘ein Stuka-Geschwader des Fliegerkorps Putzier auf Zusammenwirken beim Angriff angewiesen (ist)’. Het verwees nog naar ‘Stuka’s’ – wat Ju-87 of Ju-88 konden zijn – maar was van Gruppe naar Geschwader gegroeid. Wetenschap dat er dus met een geheel eskader van circa 90 bommenwerpers zou worden gewerkt, was dus al bij generaal Schmidt en de zijnen doorgedrongen.

Het is dus volmaakt helder dat met 90-100 bommenwerpers het zeer beperkte aanvalsgebied dat Student in kaart had gebracht allang was vergroot. Dat Student dat in zijn memoires niet erkende, kan zo zijn, maar is weinigzeggend. Bij de baas van het geheel, generaal Schmidt, scheen er geen misverstand over te bestaan: er zou een zwaar bombardement volgen. Want zelfs als men uitging van Ju-88 die een klein gebied zouden bombarderen, dan nog wist men dat er sprake zou zijn van 90 ton bommen. Een dergelijk tonnage afwerpen op het eerder door Student omschreven gebied leek niet voor de handliggend. Men mag naoorlogs dan hebben gedaan of men werkelijk een beperkt tactisch bombardement verwachtte, maar het heeft er toch wel alle schijn van dat men wel beter wist, maar graag de verantwoordelijkheid in Berlijn neerlegde. Men zal tenminste hebben bevroed dat een veel grootschaliger tactisch bombardement zou worden uitgevoerd met KG.54 dan wat men zelf als steun ontworpen en - kennelijk - gevraagd had. 

De bespreking gedurende de nacht voerde verder over de uitvoering van de grondaanval. Aan de luchtaanval zou het OKL verder werken. Het bevel over de aanval zou door de landmacht worden gevoerd. De formalisatie daarvan viel samen met de aankomst van generaal Schmidt, die pas rond 0400 uur in Rijsoord verscheen. Desondanks bleven de plannen zodanig dat Kurt Student de aanval over de Nieuwe Maas zou leiden. Maar toen Student diep in de nacht klaar was met de bevelsuitgifte en bespreking met de overige officieren, voelde hij zich zo gebroken – na vier vrijwel slapeloze nachten – dat hij verzocht om de aanval door een ander te laten leiden. Generaal Schmidt beantwoordde dit verzoek door de C-9.PD de leiding over het geheel te geven. Dat betekende tevens een licht aangepast aanvalsplan.

Generalmajor Von Hubicki vormde drie aanvalsgroepen. De linkse gevormd door SSLAH, ondersteund door een compagnie lichte tanks, geleid door de Leibstandarte commandant Sepp Dietrich, met als hoofddoel via het westen van Rotterdam naar Den Haag doorstoten ter ontzetting van de luchtlandingstroepen. In het midden de 9e Panzerdivision, welke zou doorstoten door het centrale deel van Rotterdam met een hoofdbeweging richting Gouda, waarna richting Amsterdam moest worden opgetrokken. Rechts (dorp IJsselmonde) de restanten van de 7e Fliegerdivision met een deel van IR.16. Zij diende met boten over te steken, de rechterflank te beveiligen tijdens de doorsteek door de beide andere groepen van de stad en nadien de stad te beveiligen. Artillerie zou inleidend vuur geven op de door Student voorziene smalle sector op de noordoever. Bepaald was dat de middelste groep – in voorste gelederen bestaande uit een middelzware tankcompagnie, een bataljon gemotoriseerde infanterie, enige pioniersgroepen met vlammenwerpers en gemotoriseerde PAK – als eerste over de bruggen zou trekken, gevolgd door de SS, die dan links uit de flank zou komen nadat de oversteek was gemaakt.

De operatie zou om 1300 uur losbarsten met een twintig minuten durende artillerie beschieting door twee afdelingen 10,5 cm houwitsers, een batterij 15 cm houwitsers en – aan de rechterzijde – de batterijen berghouwitsers van de luchtlandingstroepen. Om 1320 uur zou de luchtaanval plaatsvinden waarop om 1350 uur de werkelijke aanval zou worden gelanceerd.

Tot zover de planvorming. In de vroege ochtend van 14 mei was Schmidt tussen de bedrijven door begonnen het ultimatum te schrijven dat hem min of meer van bovenaf was opgelegd. Hij diende met vernietiging van de stad te dreigen en dit des benodigd laten uitvoeren. Hij liet de door hem opgestelde tekst vertalen – er was een Duitse officier voorhanden die het Nederlands wegens een huwelijk met een Nederlandse redelijk meester was – en regelde officieren om het ultimatum over te kunnen brengen. De groep officieren die het ultimatum diende over te brengen werd geleid door de stafofficier Hauptmann Hörst. Tussen 0900 en 0930 uur gingen de Duitse parlementairs met een witte vlag de Willemsbrug over. Bij zich hadden zij het (eerste) ultimatum, dat kortweg stelde dat de stad diende te worden overgegeven op straffe van volledige vernieling. Binnen twee uur na overhandiging diende een antwoord te zijn gekomen. Het ultimatum was niet ondertekend, maar gericht aan de burgemeester en de autoriteiten in de stad. Het werd in viervoud door de Duitsers meegenomen.

De onderhandelingen

Het eerste ultimatum, dat tamelijk generiek was opgesteld, werd dus tussen 0900 en 0930 uur over de brug gebracht. Toen dit ultimatum bij kolonel Scharroo werd aangediend, was deze tamelijk rustig daaronder. Begrijpelijk, want het Nederlandse verdedigingsfront in de stad stond ‘als een huis’ en was nog niet door Duitse artillerie of anderszins getest. Er waren bovendien nog troepen beschikbaar eventuele zwakkere punten te versterken. Kortom, er was geen enkele operationele noodzaak om op de schijnbare bluf in te gaan. Het AHK was het met Scharroo eens en instrueerde hem tijd te winnen, door te protesteren tegen het niet ondertekend zijn van het ultimatum, waardoor de legitimatie ervan onduidelijk was. Tegen het middaguur was de Duitse delegatie teruggekeerd op de commandopost van Von Choltitz. Scharroo wenste overigens geen onverantwoorde risico’s te nemen met zijn afwijzing en wel een signaal af te geven dat de Nederlanders de zaak serieus namen. Om een en ander in goede banen te leiden werd kapitein Jan Dam Backer naar het Noordereiland gestuurd, waar deze officier even na het middaguur aankwam.

Generaal Schmidt had even voordat kapitein Backer arriveerde een bericht aan Rijsoord verstuurd om via de lange golf zender Duitsland te informeren dat onderhandelingen over capitulatie gaande waren en het bombardement van 1320 uur dus uitgesteld moesten worden. Hoe laat dat bericht precies op de juiste plaats in Duitsland aankwam om de Heinkels van KG.54 te bereiken is uit de bronnen gereconstrueerd als tussen 1235 en 1242 uur. Het bericht ging via meerdere schijven. Het moest eerst van Rijsoord naar de coördinerende staf in Duitsland worden gestuurd. Vandaar naar de Luftwaffe staf in Berlijn, aldaar intern naar de staf van Führer z.bV Putzier en doorgeleid worden naar de bases van waaruit de drie Gruppen van KG.54 vertrokken waren. Voorts moesten dan twee formaties worden bereikt die via uiteenlopende routes aanvlogen. De leidende vliegtuigen waren van sleepantennes voorzien, die uit het vliegtuig werden gerold tijdens de vlucht en zouden worden ingetrokken op het moment dat de ‘bomb-run’ zou worden ingezet. Volgens dat schema waren de Duitse vliegtuigen dus nog goed bereikbaar als de techniek e.e.a. toeliet. Volgens naoorlogs Duits onderzoek werden de berichten van uitstel echter nooit door het eskader ontvangen. Een zaak die vaak onderwerp van cynisme en ongeloof is en vermoedelijk terecht.

Kapitein Backer werd door generaal Schmidt ontvangen en de laatste toonde zijn irritatie over de Nederlandse reactie, die Schmidt als pure vertragingstactiek ervoer. Ter plaatse schreef Schmidt een nieuw ultimatum, dat overigens een stuk uitdrukkelijker was dan het eerste. Daarin werden heel duidelijke voorwaarden gesteld en bovendien aangegeven dat voor 1620 uur antwoord diende te zijn ontvangen. De generaal ondertekende het ultimatum met naam en toenaam en het tijdstip [1315 uur]. Dat tijdstip was vijf minuten voordat de geplande luchtaanval zou plaatsvinden. Toen generaal Schmidt en kapitein Backer weer de vd Takstraat uitliepen, begon het boven hun hoofd te dreunen. Het zuidelijke bommenwerper eskader van Oberstleutnant Höhne vloog over hun hoofden richting doelgebied. De formatie van Lackner die uit het oosten naderde had de bomautomaten inmiddels al enige tijd lopen.

De curieuze rode lichtkogel afspraak

KG.54 vloog als één geheel aan richting doelgebied maar was, voor de aanvalsrun, opgedeeld in twee eskaders. Het kleinste, bestaande uit één Gruppe onder de Oberstleutnant Otto Höhne, zou links uit de formatie afzwenken richting Brabant en dan over de Hoekse Waard langs een zuid-noord as één deel van het doelgebied bombarderen. De rest van het eskader, twee Gruppen sterk, vloog onder de Geschwaderkommodore Oberst Lackner vanuit het oosten aan, zou over de Kralingse Plas en Kralingen op de geambieerde hoogte (700 meter) komen en vervolgens de rest van het doelgebied bombarderen. Deze opvallende tactiek verhield zich uiterst gespannen met de noodmaatregel, die was afgesproken voor het geval het bombardement op het laatste moment – dat wil zeggen al boven het doelgebied vliegende – zou moeten worden afgeblazen. Er was namelijk afgesproken dat rode lichtkogels van het Maaseiland (Noordereiland) zouden worden afgeschoten als het bombardement niet moest worden uitgevoerd. Die afspraak werd – althans volgens het naoorlogse vergoelijkende verslag van Lackner – op het laatste moment gemaakt, toen men al in de toestellen klaar voor de start gereed zat. De vraag is echter legitiem of hier in feite niet gewoon sprake is geweest van fabricatie van deze rode-lichtkogel-afspraak.

De afspraak rond de rode lichtkogels is om meerdere redenen zeer controversieel te noemen, hoewel daarmee niet persé onwaar of ongemeend. Het eerste is de zeer onlogische basis voor een dergelijke gewichtige afspraak. Als de wens sterk is in elk geval niet te bombarderen indien daartoe op het laatste moment moverende redenen zijn, dan spreekt men af om rode lichtkogels af te schieten als wél moet worden gebombardeerd. Zou zo’n afspraak zijn gemaakt dan zou een foutenmarge (zijnde het niet waarnemen van een lichtkogel) te allen tijde ‘in het voordeel van het lot’ zijn geweest. Men kan dan immers vrijwel uitsluiten dat er wordt gebombardeerd indien er onverhoopt op het laatste moment geen wens meer toe bestaat of als men onverhoopt geen rode lichtkogels waarneemt. Daarvoor kozen de Duitsers niet, waaruit impliciet een bepaalde waarde der intenties spreekt.

Opmerkelijk is dat de rode lichtkogelafspraak ten aanzien van de uitvoerbaarheid onwerkelijk was. De beide Gruppen die onder Lackner (gezien vanuit het Noordereiland) vanuit het (noord)oosten zouden aanvliegen zouden immers vrijwel zeker boven het Noordereiland afgeschoten rode lichtkogels niet kunnen waarnemen voordat de bommen los moesten. Men vloog (volgens het plan) laag aan en zou reeds ruim voor Kralingen de bomautomaten moeten initiëren om vervolgens na ca. 30 seconden de eerste bommen los te laten om ze binnen het doelgebied te laten landen. Dat betekende een afstand van hemelsbreed meer dan 2 kilometer in stedelijk gebied en zo'n 3,5 km voordien voor de bomautomaat procedure. Zou het voor de piloten eventueel nog een mogelijk zijn om de lichtkogels op zo'n 150 m hoogte te zien - hoewel dat wegens rook en bij daglicht al een hele opgave zou zijn - veel belangrijker was dat op lage hoogte gevlogen, de formatie van Lackner vrijwel zeker niet tijdig in beeld zou zijn bij de Duitsers op het Noordereiland. Hoe kon men dan van diezelfde Duitsers op het Noordereiland verwachten dat zij bijtijds hun rode lichtkogels zouden kunnen afvuren? In de praktijk bleek dit ook onmogelijk. Lackner zijn bommen vielen al toen Höhne kwam aanvliegen. Pas op het overvliegen van Höhne zijn toestellen vlogen rode lichtkogels omhoog. Lackner erkent in feite in zijn naoorlogse verklaringen de ongelukkige afspraken, maar wijdt die aan het gehaaste karakter van het geheel. Dat zal zo zijn, maar in elk geval kan geconcludeerd worden dat de ‘bedenker’ van de afspraak met de vormgeving de Duitse intenties niet camoufleerde. En die waren ‘bombarderen, tenzij’ in plaats van ‘niet-bombarderen, tenzij’.

Een ander aspect wat men terzake kan aanvoeren – zij het van een hoger speculatief gehalte – is of er vooraf aan Duitse zijde weloverwogen rekening werd gehouden met de ‘verklaarbaarheid’ van zaken. Hitler en zijn entourage waren namelijk vooroorlogs heel duidelijk op het spoor van nazificatie van Nederland, dat toch als een broedervolk werd gezien en daarom net als Scandinavische landen werd beoordeeld als goedmoedig onderwerpbaar. Het is daarom beslist niet uit te sluiten dat de politieke overweging werd meegenomen dat het bombardement nadien verklaarbaar moest zijn en daardoor niet prominent in de weg moest komen te staan van succesvolle nazificatie van Nederland. In dat kader is het namelijk beter verklaarbaar waarom er besloten werd om met twee eskaders aan te vliegen, waarvan één vanuit het zuiden en de ander vanuit het oosten. Die tactiek is namelijk anderszins niet goed verklaarbaar, want het geprojecteerde trechterpatroon van het bommentapijt is geen verklaring voor die merkwaardige splitsing van KG.54, wat ook wel blijkt uit de dan curieuze aanvliegroute van de formatie Lackner. Het is bijvoorbeeld niet uit te sluiten dat bewust werd gekozen voor een splitsing om achteraf de over het Noordereiland vliegende eskader de rode lichtkogel afspraak te doen laten opvolgen en de hoofdgroep te verexcuseren dat zij de rode lichtkogels niet hadden gezien. Daarmee werd de essentiële bedoeling van het bombardement alsnog doorgezet, maar kon men nadien de ‘juiste moraal’ bewijzen door te stellen dat een zuidelijke formatie wel was afgedraaid. Het is een speculatieve hypothese, waarvoor geen enkele onderbouwing in de bronnen te vinden is.  Maargoed, de bronnen zijn terzake dan ook niet voorhanden, want contemporaine verslagen en rapporten zijn opvallend genoeg geheel verdwenen. De vorsers moeten het doen met naoorlogse verklaringen en biografieën. Opvallend, omdat van overige gebeurtenissen tijdens de meidagen nog uitgebreide archieven bestaan. En wat was er overtuigender geweest dan een terzake redelijk compleet archief dat aan kon tonen dat van terreur of daaraan gerelateerde daden geen sprake was geweest?

Feit is dat de rode lichtkogel afspraak alles in zich had om niet c.q. onvoldoende te werken. En bovendien was het gewicht dat aan die afspraak kwam te hangen bewust door de Duitsers gegeven, omdat op uitdrukkelijke instructie vanuit de staf van het 18e Leger – gesteund door de commandant van de 2e Luftflotte Kesselring – gekozen was voor het starten van het Geschwader ondanks dat men aldaar vanwege een bericht van Student wetenschap had dat een parlementair was gestuurd naar de Nederlanders. Het gestarte eskader moest dan maar worden teruggeroepen, wetende dat de communicatie in de lucht bijzonder slecht functioneerde. Dat laatste was geen novum of onzekerheid, maar voor iedere Luftwaffe stafofficier bekende kost. Men had grote technische problemen met de grond-lucht communicatie. Zo was Kurt Student het meest van de tijd onbereikbaar voor de verbindingsstaf op een Duitse luchthaven. Zo onbereikbaar dat menig verbindingsofficier in een vliegtuig heen en weer moest vliegen tussen Waalhaven/Rijsoord en Werl in Duitsland tijdens de meidagen. Desalniettemin koos men voor een vroege start van het eskader en lange afstand communicatie als verbindingsmiddel om een bombardement te kunnen voorkomen.

Een korte epiloog over dit communicatieproces is noodzakelijk, uit curiositeit. Naar verluid kon men de bommenwerpers op een zeker moment radiografisch niet meer bereiken. Er zijn allerlei deskundigen geweest die daar op basis van calculaties wijze dingen over hebben gezegd. Zo is duidelijk dat pas om 1235 uur het bericht vanaf Rijsoord naar Duitsland werd gestuurd [1242 uur ontvangst bevestigd] dat de onderhandelingen gaande waren en positief zouden kunnen uitpakken. Dat was 45 minuten voor de aanval begon. In de tussentijd zou men geen contact met de bommenwerpers hebben kunnen krijgen (wat ’s avonds toen het tweede eskader op weg was opeens geen probleem meer bleek overigens). Speidel – in mei 1940 chef-staf Luftflotte 2 – verklaarde in 1953 echter dat zelfs nog een vliegtuig na gezonden was om de bommenwerpers op die wijze te wijzen op de afgelasting van de aanval. Of Speidel de waarheid sprak betwijfelt auteur dezes sterk. Want een vliegtuig nazenden zou slechts effect hebben als dit ongeveer tweemaal zo snel kon vliegen als de bommenwerpers en als het bovendien ongeveer driekwartier voor de start van het bombardement vertrokken was, want anders konden de bommenwerpers helemaal niet meer worden ingehaald. Het lijkt eerder een verzinsel van Speidel dan dat het op werkelijkheid zal berusten, want Student zijn bericht werd exact 37 minuten voor de aanval ontvangen. Voordat een toestel dan in de lucht is, zijn zeker tien minuten verstreken. De te vliegen afstand was niet minder dan zo’n 275 km van bases dichtbij de Nederlandse grens, waar dan eerst contact moest worden gelegd voor instructie. Vanaf Bremen, waar de KG.54 vandaan vertrok, was de afstand nog veel groter. De snelste Bf-109 haalde in die dagen maximaal 550 km per uur in horizontale vlucht, maar een gemiddelde snelheid zou eerder rond de 450-500 km/u liggen. Duidelijk dat de afstand nooit meer overbrugd had kunnen worden in 30 minuten, waardoor de bewering van Speidel volkomen ongeloofwaardig overkomt. Die is vrijwel zeker naoorlogs verzonnen of een product van Speidel's eigen wens geweest.

Zo vielen om 1320 uur – precies volgens het tijdschema – zo’n 1.300 bommen op de parel aan de Maas.

Het bombardement geanalyseerd

Het aanvalsplan was zodanig dat het eskader ruim ten oosten van Rotterdam zou splisten en de 65 toestellen onder Lackner zouden doorvliegen op een westelijke koers en de ca. 30 toestellen van Höhne via een zuidelijke koers over de Hoekse Waard zouden aanvliegen op een noordelijke koers. Lackner zou daarom als eerste bombarderen van zuidoost naar noordwest, waarna Höhne van zuid naar noord zou volgen. Höhne zou dus later dan Lackner aanvliegen voor zijn 'bomb run'.  

De kwartiermeesterstaat van KG.54 geeft aan dat het eskader met 97 ton bommen was beladen. Als de geijkte theorie wordt gevolgd in de geschiedenisboeken, dan zou dat betekenen dat niet 97 ton maar circa 60 ton op de stad werd geworpen. Immers men gaat er vanuit dat alleen de formatie van Lackner (ca. 60 toestellen) de bommen losliet en slechts drie van de andere formatie. Als echter desondanks de 97 ton als afgeworpen boven de stad wordt genomen als uitgangspunt, blijven er ook nog vragen over. De He-111 P.2 waarmee KG-54 in hoofdzaak vloog vervoerde maximaal 1.500 kg bommen. Voor langere vluchten was dit 1.000 kg. Het is uit bronnen onduidelijk welk gewicht men vervoerde, hoewel een belading van 97 ton voor de gehele KG.54 suggereert dat het slechts 1.000 kg per bommenwerper was. Hieronder wordt echter het geijkte gewicht van 1.500 kg geanalyseerd.

De grote formatie van Lackner nam geen lichtkogels waar en had voordien geen radiobericht ontvangen. Logisch, want zijn formatie was nog helemaal niet waargenomen op het Noordereiland. De lichtkogels op het Noordereiland werden dan ook pas afgeschoten toen de eerste series bommen van Lackner's formatie allang waren gevallen. Logisch dus ook dat de Oberst geen lichtkogels waarnam. De bommenluiken gingen open boven de Kralingse Plas en spoedig nadien floten de eerste bommen omlaag. Lackner had bovendien zelfstandig besloten de aanvlieghoogte bijna te halveren wegens slecht zicht, zodat op minimale hoogte (voor het scherpstellen van de bommen) werd aangevlogen (ca. 700m). Zijn formatie liet naar verluidt ruim 92 ton bommen los boven de stad. De kleinere formatie van Oberstleutnant Höhne vloog gelijktijdig aan op de voorgenomen vlieghoogte, waarbij Höhne in de voorste Kette vloog en zich naar eigen zeggen inspande om de rode lichtkogels waar te nemen. Zijn Kette had echter de bomautomaat al geactiveerd, toen twee rode lichtkogels werden waargenomen en de rest van de 36 toestellen de bommenluiken - volgens Lackner - weer sloot en richting Zeeland afboog. De eerste drie toestellen hadden hun 4,5 ton (of 3 ton) echter wel op het doel geworpen. Mogelijk waren het er meer geweest. Het zij herhaald: dit is de officiële lezing!

Volgens Duitse cijfers vielen er in tien minuten tijd ruim 1.300 bommen op de binnenstad: 158 van 250 kg en 1.150 van 50 kg. De springstof voor beide bomtypes [SC50 en SC250] was respectievelijk 25 kg en 135 kg, wat betekende dat exact 50 ton springstof op Rotterdam werd afgeworpen. Ook dit is de lezing, die alom wordt weergegeven, en is voortgekomen uit een kwartiermeesterstaat van KG.54. Daarop staat slechts dat de belading uit 97 ton bommen bestond, niet hoe die verdeeld was, niet of deze afgeworpen is.

De He-111P, de standaard He-111 configuratie bij KG.54, had verticale VeMag50 [5 x 50 kg] of ESAC250 [1 x 250 kg] magazijnen voor de bommen. De P1 versie vervoerde maximaal 2.000 kg, de P2 versie maximaal 1.500 kg. In mei 1940 betekende het op basis van standaardconfiguraties dat er of vier VeMag 50 magazijnen aan boord waren of vier (soms acht) ESAC 250 magazijnen. Een combinatie van twee 50 kg en twee (of vier) 250 kg rekken kwam ook voor. Dat betekende dat een He-111 hetzij 20 bommen van 50 kg vervoerde hetzij vier (soms acht) van 250 kg; in sommige gevallen een combinatie van 10 bommen van 50 kg plus twee (of vier) van 250 kg. Dat is de theorie, maar hoe vertaalt zich dat naar de belading?

Het aantal van 158 bommen van 250 kg en 1.150 van 50 kg suggereert – wegens het ondeelbaar zijn van die getallen door vier respectievelijk twintig – dat er He-111’s deelnamen met een combinatie van beide rekken. Het feit dat er volgens Duitse bronnen met circa 60 toestellen werd gebombardeerd en er 97 ton bommen op Rotterdam zou zijn afgeworpen suggereert echter tevens dat er ook He-111’s moeten hebben gevlogen met meer dan vier 50 kg rekken. Want als het gemiddelde van 1,5 ton per vliegtuig bereikt zou zijn door alleen de toestellen met acht 250 kg bommen, dan zouden circa 40 toestellen met acht 250 kg bommen zijn uitgerust geweest wat een som van 320 x 250 kg bommen zou hebben opgeleverd terwijl er maar 158 vielen. Daarbij, zou men het getal van 1.150 bommen door 60 delen, dan komt men op 19 bommen van 50 kg per toestel. Duidelijk is dus dat er dan door vrijwel alle toestellen gevlogen werd met meer dan vier 50 kg bomrekken per toestel. Tenminste de meeste toestellen zullen vier rekken van 50 kg plus twee voor de 250 kg hebben gehad. Enkele toestellen zullen zelfs acht bommen van 250 kg aan boord hebben gehad. Alleen dan kan de rekensom kloppen. Want uitgaande van 64 vliegtuigen die hun bommen werkelijk lieten vallen, zou bijna precies anderhalve ton per toestel zijn gevallen om tot 97 ton te komen. Als al die toestellen twee 250 kg bommen aan boord hadden komt men op 128 stuks. Resteren 30 bommen van 250 kg, die over vijf toestellen met zes SC250 (meer) verdeeld waren. Dat zou betekenen dat 59 toestellen twintig SC50 bommen naast twee SC250 bommen hadden, wat qua aantal zou uitkomen op 1.180 bommen van 50 kg. Dat lijkt in de buurt te komen van de verdeling der bommen over de vliegtuigen. Dus 64 toestellen, waarvan vijf stuks met acht SC250 waren uitgerust en 59 stuks met 20 x SC50 en 2 x SC250. Dat was geen standaardconfiguratie (die bestond uit maximaal vier bomrekken), maar is niet uit te sluiten.

Er kan echter óók sprake geweest zijn van ondersteuning door andere toestellen of – en dat is geen wilde suggestie – dat er in feite door beduidend meer dan tweederde van het Geschwader is gebombardeerd en de Duitse cijfers dat slechts zo’n 60 bommenwerpers hun bommen wierpen niet betrouwbaar zijn. Een nadere aanwijzing dat van de Gruppe Höhne mogelijk meer dan slechts drie toestellen bombardeerden vindt men in de zware schade die in hun sector werd aangericht alsmede de noordelijke uitschieters van het bombardement, die patronen in noordelijke richting tonen, die slechts verklaarbaar waren voor de Gruppe Höhne. Bovendien, en dat is wellicht de sterkste aanwijzing, is de bekende fractie filmbeeld van het bombardement, dat vanaf het Noordereiland werd gefilmd, waarin volkomen helder is dat de twee of drie gefilmde overvliegende Ketten – die ontegenzeglijk van Höhne waren – gewoon rechtdoor vlogen over de stad en helemaal niet afbogen. Er moet dus rekening worden gehouden met het feit dat van de Gruppe Höhne beduidend meer dan drie toestellen de bommen op de stad wierpen. Het zou heel goed kunnen dat het gros van die formatie alsnog bombardeerde, maar de afdraaitheorie als propagandistische leugen werd gelanceerd. In elk geval is bekend dat er nergens massaal door KG.54 als alternatief is gebombardeerd, hoewel enkele toestellen bewijsbaar boven Zeeland zijn uitgekomen (waarvan er één zelfs neergeschoten werd), wat aangeeft dat een deel wel moet zijn afgedraaid. Het is niet de plaats en tijd om daarover nader uit te wijden.

Er zijn er bovendien aanwijzingen (vanuit ooggetuigenverslagen) dat ten tijde van het bombardement en kort nadien Ju-88’s op doelen in de stad doken. Die aanwijzingen doen extra opgeld doordat bepaalde gebouwen [zoals de Bijenkorf] waarneembaar op voorhanden foto's kort na de KG.54 bommen nog fier overeind stonden en op latere beelden volkomen in elkaar liggen (en dus niet door de brand maar door bommen werden verwoest). Bovendien verklaarde Oberst Lackner dat naast KG.54 ook nog een Gruppe duikbommenwerpers zou opereren. Die Ju-88's waren meestal met vier SC250 bommen uitgerust. Dat zou ook een verklaring kunnen zijn voor het onevenredig hoge aantal SC250 bommen dat werd geteld. Daarmee ontstaat echter de vraag hoe de telling tot stand kwam, want het lijkt niet heel aannemelijk dat de kwartiermeester van KG.54 eenheidsvreemde bommen bij het totaal optelde. We laten het alhier voor deze beknopte technische beschouwing verder voor wat het is. 

Een kwestie die ook nog speelt is de vraag of er tussen de afgeworpen bommen ook brandbommen zaten. Duitse bronnen ontkennen dit. Daarom volgen alle prominente Nederlandse bronnen, die overigens geen van alle enigszins aansprekend onderzoek verricht hebben, die lijn. Men vertrouwde kennelijk voornamelijk Duitse onderzoeken en bronnen. Maar hoe overtuigend zijn die bronnen? Er zijn bronnen die beweren dat de Luftwaffe geen brandbommen gebruikte in mei 1940, maar dat is aperte onzin. Er werden al benzinebommen en thermietbommen gebruikt door de Luftwaffe tijdens de Spaanse burgeroorlog en ook bij de aanval op Warschau in september 1939 (waarbij volgens sommige Poolse bronnen ca. 2-3% van het totale  bommentonnage van 550 ton brandbommen waren, volgens andere bronnen tot wel 15% (1)). Ook waren zogenaamde 'Benzinkanister' in gebruik, voorlopers van de napalmbom. In de (concept)aanvalsplannen van eind december 1939 voor Nederland worden bijvoorbeeld 'Benzinkanistern', 'Brandbomben' en 'Leichte Splitterbommen' nadrukkelijk als beschikbare tactische luchtmachtmiddelen genoemd. Bovendien zijn er Duitse handleidingen voor de Heinkel He-111 bekend die specifiek voor het gebruik van brandbommen bedoeld waren. Het betrof in die fase van de oorlog staafbommen van minder dan 1 kg per stuk, die in series werden afgeworpen met een speciaal bommenrek. De He-111 types H4 en P4, beiden in dienst sinds najaar 1939, waren geschikt voor het inbouwen van de afwerpcontainer voor staafbrandbommen van het type B1. Het type P4 vloog echter mogelijk niet bij KG.54, dat geheel met de P1 en P2 versies leek te zijn uitgerust. Het vloog wel bij het in Nederland zeer actieve KG.4 en het boven Nederland eveneens actieve KGr.126 had de H4 versie. Daarbij was uitwisseling van materieel bepaald niet ongebruikelijk.

(1) Er zijn bronnen die melden dat er wel 72 ton brandbommen op Warschau werd gegooid. Dat lijkt zeer onwaarschijnlijk. De Luftwaffe gebruikte in een tactische vorm, in beperkte mate, benzinebommen van enige omvang. Daarnaast vooral kleine thermietbommen. Dat waren staafbommen van 1 kg. Deze werden ook wel toegepast als appendix bij gewone brisante bommen, door ze in de staartvinnen aan te brengen, meestal in een twee- of viertal. Om echter 72 ton aan brandbommen af te werpen, was wel een erg groot arsenaal benodigd geweest, waarvan sterk de vraag is of dat er überhaupt was.

Tegen het gebruik van brandbommen is overigens veel te zeggen. Het veroorzaken van een inferno levert een operationeel ongewenste situatie op. Met een leger door een brandend gebied manoeuvreren is geen sinecure. Minstens zo voornaam lijkt het dat de Duitsers geen enkel belang hadden bij een duurzaam probleem bij Rotterdam. Ze wilden immers het land veroveren. Rotterdam bij uitstek was logistiek gezien een belangrijk bezit. Waarom een stad in de as leggen, die zometeen eigen bezit is? De logica van inzet van brandbommen is vooral tegen doelen diep in vijandelijk gebied of doelen die operationeel of strategisch van geen of zeer beperkte waarde zijn. Rotterdam voldeed totaal niet aan dit beeld. Op rationele gronden zou het gebruik van brandbommen dus niet erg logisch zijn. Dat is echter geen voldoende reden het zelfs maar onaannemelijk te maken dat ze werden gebruikt, zoals in Warschau in september 1939 ook wel was gebleken. 

Kortom, de kwestie blijkt niet zo eenvoudig te ontkennen als de Duitsers zouden willen, maar een directe aanwijzing voor het gebruik uit beschikbaar typenummer bommenwerpers of sterke aanwijzingen anderszins (behalve de felle branden die direct leken te ontstaan) zijn er ook niet. Zouden die er wel zijn (of komen) dan is daarmee de teneur van bedoelde terreur – in een volgend hoofdstuk besproken – wel bewezen. Overigens kent de Nederlandse verslagenbibliotheek talloze beschuldigingen van afgeworpen brandbommen door andere vliegtuigtypes en duidende op zware bommen. Dat zijn vrijwel zeker fabels. Zo werden diverse van dergelijke aanvallen met Ju-87 Stuka's verbonden, die echter louter met gewone bommen werden ingezet. Nederlandse contemporaine verslagschrijvers grossierden vooral in gebrekkige kennis ten tijde van het gebeuren, wat menig fabeltje opleverde.

Tactisch of strategisch?

Sommige historici stellen de vraag of er sprake was van een tactisch of een strategisch bombardement, ofwel of nu de grondtroepen onder generaal Schmidt en Von Hubicki hun zin kregen of dat het Duitse opperbevel werd bediend?

In ‘Mei 1940 – strijd op Nederlands grondgebied’ wordt die vraag beantwoord door Wim [H.W.] van den Doel door te stellen dat het antwoord op die vraag niet eenduidig te geven is. Een onbegrijpelijk onzijdige conclusie. De vraag kan namelijk zonder al te veel mitsen en maren worden beantwoord met ‘er werd een strategisch bombardement uitgevoerd’.

De onderbouwing bij de beantwoording van deze vraag begint met een duiding wat nu een tactisch en wat een strategisch bombardement is. Het begrip voor dergelijke termen is in het publieke domein onvoldoende aanwezig, zo blijkt ook wel bij Van den Doel zijn wankele analyse. Het is echter tamelijk eenvoudig. Een tactisch bombardement staat geheel of vrijwel geheel in het teken van de plaatselijke grondoperatie, terwijl een strategisch bombardement a priori een autonoom doel heeft. Het bombardement dat KG.54 uitvoerde, voerde zij uit op basis van de ideeën, die bij het OKW en OKL leefden ten aanzien van ‘snel en beslissend’ ingrijpen in een veldtocht, niet in een lokale slag. Het uitgangspunt van het bombardement was een onmiddellijke beslissing van de strijd in Nederland forceren, analoog aan de Weisung no. 11 van de Führer.

Zou men onverhoopt op basis van slechts het gebeuren rond 1320 uur boven de stad nog twijfelen of het OKL niet heel misschien het tactische bombardement van Schmidt en kompanen ‘onhandig’ uitvoerde [zoals de regelmatig dwalende historicus en oud directeur van het IMG Jan Schulten eens in HP de Tijd opmerkte], dan zou men in elk geval van het tegendeel overtuigd moeten raken door het feit dat zelfs terwijl de capitulatie van de stad al een feit was, zonder ruggespraak met Schmidt, een tweede eskader op weg was gegaan naar Rotterdam om het bombardement te herhalen. Dat besluit had sowieso niets met een tactisch bombardement te maken. Tactische luchtsteun biedt men immers slechts indien vooraf bekend is dat een plaatselijke grondoperatie daarmee direct wordt ondersteund of nadat men reageert op een verzoek van de grondtroepen tot specifieke steun. Daar was in casu geen sprake van. Als de plannen van 39.AK immers gevolgd waren, dan was de SS met de 9e PD al rond 1500 uur - na het uitgevoerde bombardement - in het noorden van Rotterdam aanbeland om een weg door de stad te bevechten via twee routes. Dat was immers het met Duitsland gedeelde aanvalsplan van Schmidt en Student. Het OKL wilde echter glashelder maken dat het capitulatie wenste, en snel. Het had een duidelijk autonoom doel. Dat de toekenning van een duidelijk strategische signatuur van het bombardement door bepaalde auteurs wordt bestreden, zegt meer over hun hang naar nivellering van het debat dan over hun werkelijke inzicht terzake.

Er was duidelijk sprake van een strategisch bombardement dat koste wat kost de Nederlandse weerstand moest breken en in geen enkel opzicht als primair doel had om de lokale grondoperatie direct te dienen. Dat door de capitulatie van de stad tenslotte óók de grondoperatie in Rotterdam bediend werd, zij gezegd. Maar dat was geen doel, slechts een gevolg.

Terreur of niet 

De vraag of het lot dat Rotterdam om 1320 uur op 14 mei trof aan te merken is als terreur zal altijd in debat blijven. Vooreerst omdat het etiket terreur vooral een emotionele en/of chauvinistische lading kent, dat met name verraadt aan welke ‘kant’ men staat en niet zo zeer iets zegt over tastbaarheid of concreetheid van het argument. Gedurende de jaren 40-45 zouden de Duitsers het verzet aanduiden als terroristen, terwijl het aan Nederlandse kant, althans bij de ‘goede vaderlanders’, het etiket kreeg van heldendom en patriottisme. De mate waarin het bombardement op Rotterdam tot terreur kan worden bestempeld wordt in de literatuur echter vooral opgehangen aan de kapstokken ‘intentie’ en ‘volkenrecht’.

Vanuit de opinie van de toenmalige slachtoffers en militairen was er sowieso sprake van terreur. Niet alleen omdat de tastbare gevolgen zo zwaar leunden op de burgerbevolking en het burgerbezit, maar ook omdat de manifestatie van de totaliteit van moderne oorlogsvoering, die het bombardement ontegenzeglijk voelbaar meebracht, als onsoldatesk en als oneerlijk werd ervaren. Zo diende men geen strijd te voeren, meende men. Dat was ook de teneur van gevoelens die internationaal anno mei 1940 nog grotendeels leefde. Hoewel al aan de vooravond van de Eerste Wereldoorlog de toekomst van grote conflicten werd gezien tegen het licht van de nieuwe totale oorlog, met zwaar leed dat vanuit de lucht en door artillerie zou (kunnen) worden aangericht, was er nog geen sprake van algemene ‘acceptatie’ van dergelijke grootschalige vernietiging. Vaak wordt abusievelijk in debatten over terreurbombardementen aangevoerd dat de Britten zich ervan onthielden tot aan mei 1940, omdat zij de immoraliteit ervan zouden erkennen. Dat (het onthouden van) deden de Britten inderdaad, maar die immoraliteit was niet hun overweging om geen bombardementen van bevolkingscentra uit te voeren. De werkelijke overweging was simpelweg calculatie. Al tijdens de schemeroorlog overwoog de RAF oppervlaktebombardementen in Duitsland, zij het van industriële doelwitten, maar daarbij niet voorbijgaande aan de grote kans (ook) bevolkingscentra te raken. De aanleiding die bombardementen niet uit te voeren lag echter vooral in de angst bij de Franse bondgenoten op (niet te pareren) represailles door de Luftwaffe en – veel prominenter dan het voorgaande – bij de sterke afkeer die de Amerikaanse president Roosevelt tegen dergelijke methoden had. En aangezien de Britten al aan de vooravond van de Westfeldzug - de zwakte van het eigen leger kennende - doordrongen waren van het feit dat grote steun vanuit de VS onmisbaar zou zijn, wilde men een kans maken de Duitse machine tijdig te keren, koos de RAF eieren voor zijn geld. Pas op 12 mei 1940 werd voor het eerst een industrieel doelwit in Duitsland aangevallen met aanzienlijke kans op burgerdoden als ‘neveneffect’. Maar men zou de Britten overschatten door te denken dat morele overwegingen bij henzelf de beperking in de oorlogsvoering bepaalden. In tegendeel, zoals ook wel zou blijken uit de ongebreidelde bombardementscampagnes tijdens WOII onder Arthur Harris. Immoreel werd het bombardement op Rotterdam wel gevonden door de Nederlanders en dat was natuurlijk volkomen begrijpelijk en wellicht zelfs ook wel objectief gerechtvaardigd. Maar was het nu werkelijk zo immoreel naar objectieve maatstaven?

Oorlog op zich kan men immoreel noemen. Het is des mens om zelfs in dat verderfelijk optimum van menselijk kwaad nog enige sortering op te nemen. Al van oudsher waren eer, erewoord, codes en hoffelijke gebruiken gemeengoed in de strijd. Altijd al trachtte men een zekere orde aan te brengen in de strijd, zodat deze niet bandeloos was. Voetvolk mocht geen ridders doden, adellijke heren of officieren werden op hun erewoord geloofd, steden werden gespaard als de zwakke verdediging zich bij voorbaat gewonnen gaf, maar geplunderd als zij zwak waren en zich toch verdedigde, enzovoort, enzovoort. Hoe wreed ook de klassieke oorlogen, zelfs in die era onderscheidde men werkelijke bandieten aan de hand van schijnbare totale omissie aan eer of geweten. In de moderne tijd worden ongeregelde legers, zoals de Taliban in Afghanistan, evenzo geafficheerd. Daarin vindt men echter vooral de eigen angst als leermeester voor het leerstuk oorlogsrecht. Oorlogsrecht als contradictio in terminis, want oorlog als het summum van kwaad regelen middels codificatie is in zichzelf tegenstrijdig. Dat men toch regelen wenst, is meer een gevolg van angst dan van logica. Zoals de Taliban wordt beschuldigd van lafheid wegens het gebruik van heimelijke wapens als IED’s, zo vindt de beschaafde wereld het kennelijk wel aanvaardbaar dat lasergeleide bommen van grote hoogte op een haast weerloze nomadenstrijder worden gegooid. Een hoogst arbitrair oordeel, zuiver objectief beschouwd. Want in essentie, wat is het verschil?

Oorlogsrecht dat naoorlogs gesproken werd, was en is het recht van de overwinnaar. Zoals Rotterdam terreur was met als ultiem doel voor Duitsland om het hardnekkig en tegen beter weten in verdedigende Nederland op de knieën te dwingen, zo werd Hirosjima bijkans tot een heilige puinhoop verklaard omdat het de oorlog voor de ‘goede’ kant had bekort. Het meten met twee maten. Londen, Coventry, Rotterdam, Warschau en Guernica waren terreur, terwijl de moord- en doodslagcampagnes van de RAF en USAAF op Duitsland en Japan in de periode 1943-1945 kennelijk voor het goede doel werden uitgevoerd. Dus immoreel als etikette geldt vooral voor de zijde die tenslotte verliest. Een fnuikende werkelijkheid, waarbij ratio en onderbuik zich zonder enig voorbehoud vermengen. Het leidt tot eeuwige discussies, zonder al te veel inhoudelijke kwaliteit en te vinden in ieder debat en op ieder forum als het dit soort onderwerpen raakt.

Was het doel van de Duitsers met het bombardement van Rotterdam werkelijk geweest om burgers en hun voorzieningen te treffen? Nee, althans, burgers waren niet het primaire doel, maar wel een evident slachtoffer. In elk geval was het bombardement niet bedoeld om zoveel burgers te doden dat daaruit een Nederlandse capitulatie zou volgen, zoals jaren later bij Arthur Harris wél het doel was bij met name het bombardement op Dresden. Daar was wél het primaire doel om middels ‘shock and awe’ zoveel slachtoffers te maken, zo’n verwoesting te veroorzaken, dat het hopelijk tot nationale revolte zou leiden. Dat hadden Göring en Hitler in Nederland niet voor ogen met de luchtaanval op Rotterdam. Men had primair voor ogen dat een grootschalig bombardement de Nederlandse legerleiding zou doen inzien dat verder verzet zinloos was. Men ambieerde machtsvertoon als middel om Nederland te overtuigen dat ‘het speelkwartier’ was afgelopen. De Duitsers speculeerden veel meer op de slappe knieën van de Nederlandse legerleiding na zoveel machtsvertoon dan rechtstreeks op het effect van dood en verderf. Was er in die zin dan sprake van terreur? In feite niet. Men kan aanvoeren dat er sprake was van wat men ‘shock and awe’ strategie noemt, waarbij de enorme morele schok van een overweldigende vernietigingskracht moet leiden tot een complete ontregeling, liefst volgend in een capitulatie of een algemene ineenstorting van verzet. Bij de oorspronkelijke strategie van ‘shock and awe’ – die uiteindelijk massaal door de Geallieerden zou worden toegepast tijdens de latere fase van de oorlog – was terreur natuurlijk wel een voorname bijzaak. Hoofdzaak was echter om een psychologische kanteling te veroorzaken en de hopeloosheid van verweer te doen laten inzien aan het ontvangende eind. Een strategie die de VS zelfs in de laatste Golfoorlog in eerste instantie voor ogen hadden, zij het op basis van een moderne variant van ‘shock and awe’ met ‘pin-point precision’; maar die variant leek niet te slagen.

Terreur als etiket, volgend uit het volkenrecht zoals dat toentertijd gold, is slechts ten dele verdedigbaar, hoewel dat sommige historici met een gekleurde bril niet weerhield daar desondanks met overtuiging aan vast te houden. De Duitsers hielden zich grotendeels aan de regelen van het oorlogsrecht, zij het dat er twee opmerkelijke bepalingen in het Landoorlogrecht [LOR] zijn die zij discrimineerden. De eerste en minst ernstige was het gegeven dat een ultimatum dient te worden gegeven aan de terzake bevoegde vijandelijke autoriteiten waarin een redelijke termijn wordt gegeven om passende voorbereidende maatregelen te nemen om burgers te kunnen evacueren. Die bepaling volgt uit (de considerans behorende tot) artikel 26 LOR. Bezwaarlijk bij dat artikel was dat de oorlogsvoering sinds de datum van stipulatie van dat LOR artikel een veelvoud dynamischer en sneller was geworden. Een (volgens naoorlogse juristen) juiste toepassing van artikel 26 LOR zou daarom de toepassende partij operationeel buitengewoon kunnen benadelen. Zo bepaalden volkenrechtelijk specialisten naoorlogs dat in het geval van Rotterdam een half tot een heel etmaal de tijd had moeten worden gegeven om te capituleren c.q. onderwijl de burgers te evacueren. Dat mag voor een jurist een praktische en verdedigbare uitleg bieden, maar de militair zou zich wel tweemaal bedenken voor zo’n lange termijn werd toegepast. Voor hetzelfde geld had Nederland tijdens dat halve of hele etmaal het gros van zijn luchtafweer verzameld rond de Maasstad en/of de RAF geïnformeerd dat rond de afloop van het ultimatum vrijwel zeker een Duitse armada in de lucht zou hangen. Hoe straffeloos naïef of nuchter mag een zogenaamd objectief ingesteld jurist zijn om zulk een extreme uitleg te geven aan artikel 26 LOR anno mei 1940? Geldt in de werkelijkheid de omstandigheid niet minstens zo zwaar als de wetsregel?

Daar komt bij dat de partijen al vier dagen vochten om de Maasstad, dat met name op 12 en 13 mei al diverse Stuka bombardementen van de noordelijke stadsdelen hadden plaatsgevonden en de Nederlanders op 13 mei wisten dat een groot leger voor de poorten lag. Ondanks die wetenschap en ervaring had men zelf er niet voor gekozen de stad te evacueren. Overwegingen terzake hadden geleid tot een besluit dat niet te doen, omdat dit onvoldoende voordelen bood c.q. grote nadelen meebracht. Mag men dan de Duitsers euvel duiden dat zij de zwaar verdedigde stad, die bovendien de sleutel tot Vesting Holland vormde, aanvielen met bommenwerpers na een relatief kort ultimatum, dat in de praktijk overigens drieënhalf uur van duur was geweest? Dat is op zijn minst arbitrair. Maar spreken van pure terreur op basis van die argumenten zou onwerkelijk zijn. Dat doen sommige echter wel, zelfs in het licht van artikel 25 LOR dat bepaalt omtrent de bescherming die verklaarde open steden genieten, wat Rotterdam dus niet was als verdedigde stad. Overigens is het in dat licht tamelijk curieus dat het eerste Duitse ultimatum het gezag van Rotterdam aansprak als zijnde heersend over ‘der offenen Stadt Rotterdam’. Dat was de stad ex LOR helemaal niet. Waarom de Duitsers het wel gebruikten als begip is een raadsel; het was in elk geval een blunder van formaat. Rotterdam was noch een verklaard open stad, noch onverdedigd. In die zin stond het de Duitsers vrij proportioneel geweld tegen de stad te gebruiken. Het is nu juist de proportionaliteit wat de facto als enige insteek gekozen kan worden voor bespreking van het bombardement in het licht van terreur in relatie tot artikel 25 (e.a.) LOR.

De tweede geschoffeerde bepaling van het LOR was veel duidelijker aan te wijzen. Het artikel 27 LOR, dat ziet op de bescherming van gebouwen voor het publieke belang, nutswerken, religie en gezondheidszorg, werd grof door de Duitsers geschonden. Er is geen fractie van een aanwijzing dat respecteren van dat artikel zelfs maar enigszins in hun overwegingen meespeelde. Althans, bij de uitvoering van het strategische bombardement. Want de precisie aanval waar Schmidt en Student voor zeiden te hebben geopteerd had evident slechts militair belangrijke objecten geïndiceerd als doelen. Maar het door KG.54 uitgevoerde oppervlaktebombardement was het bombardement van Göring en het OKW, dat moest leiden tot capitulatie van de stad, liefst het land. Het had niet tot doel discriminatoir te bombarderen, zoals artikel 27 LOR zonder omhaal bepaalt. In de zin van artikel 27 LOR kan men dan ook verdedigen dat het bombardement van Rotterdam – zonder noodzakelijke nuances op dit punt – een terreurbombardement was, omdat willens en wetens en zonder enige inspanning ter voorkoming, objecten die uitdrukkelijk in het LOR bepaald werden als te sparen objecten werden gebombardeerd. Sterker nog, het geselecteerde doelgebied bevatte het leeuwendeel van de in artikel 27 LOR bepaalde te sparen objecten binnen de stad. En daarvan droegen de planners van de aanval kennis.

Tenslotte is er nog één nevenargument om van terreur te spreken. een argument dat zijdelings met het LOR van doen had. Dat is het gegeven dat bij het 18e Leger en de OKL, willens en wetens de lopende onderhandelingen, besloten werd het eskader op weg te sturen én daarbij een wankele afspraak te maken omtrent afblazen van de missie. Daarmee druiste men op zijn minst in tegen de geest van het LOR, maar in feite gaf men daarmee ook aan dat het oorlogsrecht terzake geen uitgangspunt was (zoals door bijvoorbeeld professor H. Amersfoort in zijn epistelen over het oorlogsrecht terzake wel wordt betoogd), maar louter een streven. Willens en wetens een risico nemen om ondanks lopende onderhandelingen een groot oppervlaktebombardement op een bevolkingscentrum 'onterecht' uit te voeren, grenst aan c.q. is een vorm van voorwaardelijke opzet en in die zin dus aan (een vorm van) terreur.

Als men alle overwegingen in ogenschouw neemt, kan men niet spreken van een zuivere terreurdaad jegens Rotterdam. Het was echter een Duitse handeling, die qua proportionaliteit en qua inbreuk op artikel 27 LOR wel degelijk een tweetal terreurelementen kende. Het bombardement als pure terreur afficheren, zoals veel auteurs en historici doen, is echter een emotioneel en gekleurd oordeel. Het ‘zakelijke’ oordeel geven dat er geen sprake van pure terreur was, betekent echter niet dat het bombardement er dragelijker door werd voor de burgers en militairen die het trof. Voor de slachtoffers van de Duitse aanval was het een regelrechte hel, voor de overlevenden een levenslang trauma.

Als famous last words over het etiket van 'terreur' is opvallend hoeveel historici en gewone burgers de aanvallen op Warschau en Rotterdam lichtvaardig als terreur afficheren en tegelijkertijd de massieve Geallieerde terreurcampagnes tegen Duitse en Japanse steden later in de oorlog - die zonder enig excuus als terreurcampagnes tegen burgers werden georganiseerd en gepresenteerd - niet als zodanig wensen te kwalificeren. Het toont eens te meer aan dat 'goed en fout' etiketten vooral bepaald worden door winnaars.

De gevolgen voor de stad      

Toen de bommenwerpers van Oberstleutnant Höhne over het Noordereiland vlogen, was het voor generaal Schmidt duidelijk dat er iets zat aan te komen waar hij niet om had gevraagd en hem bovendien als officier in diskrediet zou brengen bij zijn tegenstander. Hij voorspelde een catastrofe en die kwam er ook. Althans, voor het ontvangende einde. Want voor de Duitsers was het snel weer ‘back to business’. Men wilde zich direct gereed maken voor actie en dus werd er alom gedirigeerd rond de troepen van SS Leibstandarte en 9.PD die op het Eiland de oversteek als eerste moesten maken. Maar het was niet meer nodig. De Nederlanders maakten spoedig duidelijk dat de stad zou capituleren. Een hele opluchting voor Schmidt en zijn onderbevelhebbers.

Onderwijl was in de stad ten noorden van de Maas een groot inferno aan het ontstaan. De verwoesting die in een relatief beperkt gebied was aangericht was zo groot, dat ontstane vuren door sluiseffecten werden gevoed met extra zuurstof, dat met steeds meer kracht door de hongerige vlammen werd aangezogen. Enorme branden ontstonden, die door ontbrekende waterdruk op de waterleiding niet konden worden bestreden. In Rotterdam waren als gevolg van de vijfdaagse strijd en natuurlijk in het bijzonder het bombardement van 14 mei met nasleep zo’n 80.000 burgers dakloos geworden en circa 850 burgers omgekomen. Circa 25.000 woonhuizen waren vernietigd, vele duizenden zwaar beschadigd. Talloze openbare gebouwen, 25 kerken en meer dan een dozijn grotere ziekenhuizen vernietigd of zwaar beschadigd. Een aanzienlijk deel van de materiële schade ontstond door het inferno dat in de dagen na het bombardement nog toenam en het oorspronkelijk gebombardeerde gebied ver te buiten groeide. Nog wekenlang zou men druk doende zijn om alle branden onder controle te krijgen, waarbij vele korpsen uit het land zouden assisteren.

Over de immense brand, die na het bombardement ontstond, werd evenzo druk getheoretiseerd. Er zijn suggesties over het gebruik van brandbommen door de Duitsers, die overigens – zie eerder – niet bewezen kunnen worden. Er werd door de Duitsers zelf gesuggereerd dat een minerale olie fabriek het enorme inferno veroorzaakte, wat een propagandistische leugen was om de ‘schuldvraag’ te pareren. De werkelijke oorzaak is in feite nooit vastgesteld. Er is reden aan te nemen dat de grote mate van vernieling binnen het doelgebied, de dichte bebouwing en vooral het ontbreken van waterdruk op de waterleiding, wat bluswerkzaamheden sterk beperkte, de gecombineerde factoren waren die het ontstaan van grote brandhaarden mogelijk maakten. Nadien zouden de branden zelfvoedend zijn geworden en door het grote temperatuurverschil met de omgeving een sluis- en zuigeffect hebben gecreëerd dat tot het inferno leidde. Hoe het ook zij, de branden verwoesten beduidend meer dan het eigenlijke bombardement had aangericht.

Het tonnage bommen dat – volgens de officiële cijfers – op de stad viel, was helemaal niet zo groot, relatief gezien. Om een perspectief te bieden, gooiden Britse en Nederlandse vliegtuigen op Waalhaven ongeveer een gewicht van 75 ton bommen tijdens de meidagen. Dat was maar een kwart minder dan de 97 ton die op de binnenstad van Rotterdam viel. Maar de verwoesting die de bommen over een groot stedelijk gebied aanrichtten, was wel voldoende om onbeteugelde branden vrij spel te geven.

Het hele hart van de stad was verdwenen nadat de laatste branden waren geblust. Het leed dat daarmee was veroorzaakt duurde veel langer dan de strijd in mei 1940 zelf. Het zou tot de dag van vandaag het symbool blijven van de ‘oneerlijke’ strijd die Duitsland en Nederland in mei 1940 uitvochten.

Naspel »