Naspel

Inleiding

In dit hoofdstuk eerst aandacht voor de laatste gebeurtenissen aan het zuidfront en vervolgens een bespreking van de capitulatie die eveneens op het zuidfront werd geformaliseerd.

Tenslotte een korte recapitulatie van de strijd op het zuidfront en een overzicht van de slachtoffers per sector.

Rotterdam

Toen het Duitse gevechtseskader Rotterdam naderde had zij geen enkel tegenspel. De Militaire Luchtvaartafdeling was uiteraard niet in staat ook maar iets te ondernemen en de luchtafweer was vrijwel geheel uit het Rotterdamse weg, met uitzondering van de westhoek. Geallieerde vliegtuigen waren op dat moment ook niet in beeld. De toch al niet overdadig in de stad aanwezige luchtafweer was naar het noorden teruggehaald of zelfstandig gegaan. Maar zelfs met de oorspronkelijke delegatie luchtafweer had de zuidelijk en oostelijke aanvliegroute van het Duitse eskader geen Nederlandse luchtafweer ontmoet. En dat wist men natuurlijk want als er één corridor zwaar bevlogen was geworden in de dagen voordien was het wel die richting Rotterdam. Er werd zodoende niet eens een jagerescorte meegestuurd, want de kans dat men onderweg enige jagertegenstand van omvang tegen zou komen was nihil. De bommenwerpers wierpen hun bommen en vertrokken terug naar Duitsland. Enige formatieleden van Oberstleutnant Höhne, die geen bommen boven de Maasstad hadden losgelaten, vlogen vermoedelijk via de kust richting Walcheren en lieten daar hun bommen los. Daarbij werd één toestel van KG.54 neergeschoten.

In Rotterdam was de kantonnementscommandant zwaar geschokt door de gebeurtenissen. Hij achtte de Duitsers misdadigers door tijdens serieuze onderhandelingen hun woord te breken en zo'n apocalytische vernietiging aan te richten. Toen de kolonel zich bij de Duitse generaals op het Noordereiland voegde liet hij dit duidelijk blijken, waarop hij van generaal Schmidt – zelf overdonderd door het bombardement ondanks zijn instructie de vloot aan de grond te houden wegens de veelbelovende onderhandelingen – alle begrip ontving. Dat deed Scharroo niets. Hij bleef woest en verbitterd en liet de formaliteiten van de stadscapitulatie over aan kapitein Jan Dam Backer. Dat was enerzijds begrijpelijk, maar anderzijds in feite plichtsverzuim. Een commandant staat voor zijn eenheid, in voor- en tegenspoed. Scharroo beging daarmee een faux pas, die hem terecht euvel is geduid.

Duitse troepen zouden pas tegen de avond de stad intrekken, hoewel enkele kleine groepjes reeds stoutmoedig de bruggen voordien overstaken. In Berlijn dacht men dat ze al in het noorden van de stad waren. Toen de OKL een tweede armada met bommen geladen richting Rotterdam stuurde en hiervan bericht werd gegeven aan Rijsoord, werd daarop door generaal Schmidt onmiddellijk geantwoord dat Duitse troepen al in noord waren. Schmidt voorkwam daarmee een herhaling van het bombardement, want deze keer werd, ondanks het ongewijzigd zijn van de communicatieketen en het ook slechts 35 minuten voor het geplande bombardementstijdstip was, het eskader wel feilloos en direct bereikt. Zoals Bredero al zei: het kan verkeren ...

Kapitein Jan Dam Backer maakte het bombardement van heel dichtbij mee. Hij was tijdens het vallen van de bommen van Höhne zijn formatie lopend de Willemsbrug over gegaan en had omzichtig zijn auto bereikt die – met SMI van Ommering achter het stuur – bij het Beursstation stond te wachten. Opvallend is de beschrijving die veel militairen terzake gaven, die aanduiden dat de kans groot is dat de formatie Höhne veel meer bommen lieten vallen dan slechts de eerste drie toestellen loslieten. Want tijdens de rit van Backer en Van Ommering vielen de bommen nog van zuid naar noord, terwijl Backer nog op het Noordereiland was geweest toen Lackner zijn (oostelijke) formatie al bombardeerde. Kortom, de bommen die vielen leken verdacht veel op die welke het zuidelijke eskader liet vallen. Of, de tevens door enkele gememoreerde aanwezige Ju-88, voor de tactische uitschakeling van de rivierdefensie.

Op het stafkwartier werd over het nieuwe ultimatum snel beslist. Scharroo wist zich verzekerd van het mandaat van de OLZ, door de aanwezigheid van de gemachtigde overste Wilson. Deze vroeg Scharroo wat zijn besluit was en de kolonel repliceerde dat hij zou capituleren. Wilson meldde hem dat hij namens de OLZ dat besluit ondersteunde en dat hij het zelf met de auto in Den Haag zou melden. Telefoons werkten niet meer. En Wilson wilde wel graag uit het inferno vertrekken en niet in de capitulatie delen.

Om 1550 uur was Scharroo op het Noordereiland, waar hij in gezelschap van de Duitse generaals de capitulatie aanbood door ‘angenommen’ onder het tweede ultimatum te schrijven. Hij verzocht de Duitsers er de tijd bij te noteren, want hij wilde zwart op wit dat hij voor het verstrijken van het ultimatum had voldaan. Nadien vertrok de kolonel terug naar zijn burgerkwartier (Javastraat), waar hij zich volkomen ontredderd in een kamer opsloot na kapitein Backer te hebben geïnstrueerd de formaliteiten af te handelen. Middels een haastig geschreven vlugschrift werden de troepen in Rotterdam verwittigd dat de stad capituleerde.

Die formaliteiten zouden echter nog een staartje krijgen. Het was al na 1900 uur toen de eerste Duitse formaties de Statenweg opdraaiden en met auto’s vervoerde officieren bij het stafkwartier van de kantonnementscommandant afzetten. Militairen van de SS Leibstandarte namen bezit van de straat. Generaal Student en Oberstleutnant Von Choltitz zouden namens de Duitsers de zaak formaliseren. Generaal Schmidt had dat gezien de verdienste van beide officieren bij de strijd om Rotterdam een hoffelijk gebaar geacht. Aan Nederlandse kant ontbrak kolonel Scharroo. Hij had zich niet kunnen zetten tot het verhandelen met de vijand die hij verachte. Kapitein Backer ontving de Duitse generaal en overste, waarbij ook Hauptmann Hümner [staf XXXIX.AK] was aangesloten. Student maakte enige hoffelijke opmerkingen over het Nederlandse verzet en vervolgde zakelijk dat er een onvoorwaardelijke capitulatie werd geëist.

Op dat moment vielen er ineens schoten. Onduidelijkheid rond de oorzaak leeft tot de dag van vandaag. De meest gearriveerde theorie is die van Nederlandse soldaten die ergens in de straten nabij de Statenweg per ongeluk vuurden en een antwoord van de ook aanwezige SS troepen kregen. Karel Mallan suggereert in zijn werk over Rotterdam [‘Als de dag van gisteren’] dat een Nederlandse officier van joodse komaf – 2e luitenant Polak – vanaf een hogere etage van het gebouw aan de Statenweg op de SS vuurde uit een raam en de laatste kogel gebruikte zichzelf van het leven te benemen. Dat verhaal is niet juist, althans de naam van de officier klopt niet of zijn eindlot niet. Want er kwam geen luitenant Polak om tijdens de meidagen. Er kwam überhaupt aan de Statenweg geen officier om. Desondanks is het niet onaannemelijk dat er eerst door Nederlandse militairen uit de ramen van het Statenwegkwartier werd geschoten. Het is zelfs voor de hand liggend. Want zoals bijvoorbeeld de officieren die bij de capitulatiebespreking waren kunnen getuigen, werd direct ook al op hun etage geschoten. En waarom zouden Duitse troepen op dat gebouw vuren als daarvandaan geen vuur zou zijn gekomen?

Het gevolg was in elk geval dat generaal Student door een kogel in het hoofd werd getroffen. Toen de schoten klonken, en Student paniek onder de Duitse troepen vermoedde, ging hij naar een venster en werd daar prompt geraakt door een kogel. Toen dat nieuws op straat kwam, ontstond er begrijpelijkerwijs een wraakzuchtige stemming onder de SS troepen, die vlakbij het kwartier lagen. Militairen en burgers werden verzameld en opgesteld voor executie. Het was Oberstleutnant Von Choltitz die naar buiten rende en intervenieerde. Hij kon de gemoederen bedaren, zodat geen impulsieve daden de zaak nog erger maken zouden. De generaal werd ondertussen eerste hulp verleend en zou later door een Nederlandse chirurg worden geopereerd. Student was maanden uitgeschakeld, kon uiteindelijk in de herfst weer gedeeltelijk aan de slag en werd pas in januari 1941 uit een militair revalidatiecentrum ontslagen. Onderzoek had intussen aangetoond dat hij door een Duitse kogel was geraakt. Maar de kans is erg groot dat die Duitse kogel door Nederlands handelen was uitgelokt.

Onderwijl werd er door een voorhoede van de SS Leibstandarte opgetrokken richting Overschie. De Duitsers waren in de veronderstelling dat Overschie onder de voorwaarden voor de capitulatie vielen en de Nederlanders daar dus geen verzet meer zouden bieden. Dat was een misvatting. Daardoor vielen er nog enige SS slachtoffers bij het trachten contact te maken met de geïsoleerde groep luchtlandingstroepen bij dat dorpje onder de (letterlijke) rook van Rotterdam. Een tank van 9.PD, waarmee samen werd opgetrokken, werd zelfs door PAK vuur uitgeschakeld. Het duurde even voordat ook bij Overschie bekend werd dat de strijd was gestaakt.

Algemene capitulatie

Overste Wilson bereikte via omwegen het AHK in Den Haag en bracht daar het bericht over van het lot van de Maasstad en de capitulatie waartoe door kolonel Scharroo was besloten. Het was 1500 uur. Generaal Winkelman schrok van het dramatische nieuws. Enerzijds vanwege het macabere lot dat de Maasstad had getroffen en anderzijds de wetenschap van het doorbroken zuidfront, van de plotselinge strategische werkelijkheid van een sterke vijand die beslissend was binnengedrongen in de Vesting. Na enig overwegen besloot Winkelman dat er doorgevochten moest worden. Het binden van Duitse eenheden aan het Nederlandse front zou de bondgenoten helpen en hij zag mogelijkheden achter het nieuwgebouwde pantserafweerfront tussen Den Haag en Leiden nog enige tijd stand te houden. Anderzijds bood het de uitdaging het Veldleger ook zuidwaarts front te laten maken, daar het in het oostfront ook vanuit het zuiden zou kunnen worden aangevallen.

Er kwam echter een kink in de kabel. Aan het oostfront was een ontwikkeling geweest, die grote gevolgen zou hebben. De kantonnementscommandant van Utrecht, reserve kolonel C.E.W. van Voorst tot Voorst [een broer van de chef-staf landmachtstaf en commandant Veldleger], had via ‘luchtpost’ een ultimatum gekregen van Duitse troepen, die tegenover de stad lagen. Daarin werd gedreigd met vernietiging van de stad, zou de Nederlandse verdediging van de stad zich niet overgeven. Het ultimatum zelf was ook door een Duitse officier op de grond aangeboden, maar niet aanvaard door de kolonel en ongelezen geretourneerd. Maar Duitse vliegtuigen wierpen gelijktijdig de pamfletten uit, zodat de (vermoedelijke) inhoud van het aangeboden ultimatum alsnog duidelijk werd. De kolonel informeerde het AHK van de inhoud en vroeg advies.

Generaal Winkelman besefte direct de tastbaarheid van deze nieuwe dreiging. Er werd overleg gevoerd met de generaals Van Andel [C-VH], en de gebroeders Van Voorst tot Voorst [de CV en de chef-staf landmachtstaf]. Alle drie waren zij van mening dat het opgeven van het oostfront Vesting Holland – wat capitulatie van de stad Utrecht tot gevolg zou hebben – het einde van zinvolle weerstand door het leger zou betekenen. Voorts waren ook allen van mening dat toegeven aan deze Duitse eis andere grote steden identiek aan Duitse dwang ten prooi zou doen laten vallen. Het kwartet generaals was daarom voor 1600 uur eensgezind. Er diende gecapituleerd te worden. Vooruitlopend op die beslissing werd direct aan de kantonnementscommandant van Utrecht bevel gegeven met de Duitsers in onderhandeling te treden, ter afwending van nog een catastrofe. Die catastrofe voor Utrecht was overigens vrijwel zeker bluf, althans in die fase. Onjuist geïnformeerde auteurs melden wel eens dat er een eskader bommenwerpers afdraaide dat naar de stad op weg was geweest, maar dat betrof waarnemingen van het omkerende tweede eskader dat op weg was geweest richting Rotterdam.

Om 1630 uur viel het formele besluit de algemene wapenstilstand af te kondigen in opmaat naar een legercapitulatie. De overige generaals waren het roerend met Winkelman eens, maar de marine werd niet geconsulteerd, wat Winkelman (terecht) op veel kritiek kwam te staan. Anderzijds had vice-admiraal Furstner – een zeer eigenzinnig en autoritair mens – zelf al de benen genomen en de marinezaken in Nederland gedelegeerd aan schout-bij-nacht Heeris. Het besluit van Furstner was op zich niet irrationeel, want de marine had immers haar hoofdtaak in het oosten liggen, maar zijn eigenzinnige opstelling jegens de OLZ was, even als de desinteresse die Winkelman de marine betoonde, niet fraai. Winkelman had echter als OLZ de marine in zijn besluiten moeten delen en verzaakte daarin opzichtig. Dat had gevolgen voor evacuatie van marinemensen en middelen, omdat Heeris pas van de capitulatie te horen kreeg toen deze allang was voorgenomen. Een en ander voorkwam dat veel belangrijke maatregelen bij de marine tijdig konden worden genomen.

Vlak voor 1700 uur werd een telex uitgezonden naar alle ondercommandanten waarin de wapenstilstand werd afgekondigd en instructies werden gegeven hoe er lokaal moest worden gehandeld. De Duitse gezant in Den Haag, geïnterneerd in Hotel Des Indes schuin tegenover het AHK, werd geïnformeerd. Kort daarop werd het bericht per radio verstuurd aan de Duitsers. Om 1900 uur zou de wapenstilstand in gaan.

Om 1830 uur hield de OLZ een radiotoespraak. Voor veel militairen was dit het eerste bericht van de capitulatie, want het bijna twee uur eerder verspreidde bericht aan de ondercommandanten had nog vrijwel geen militair te velde bereikt. De wapenstilstand gold voor het gehele land met uitzondering van de leger- en marine eenheden in Zeeland, dat wegens prominente Franse aanwezigheid door Winkelman buiten de wapenstilstand werd gehouden.

Rijsoord – 15 mei

Winkelman werd door de Duitsers gesommeerd om zich op 15 mei om 1000 uur Duitse tijd [0820 uur NL tijd] te melden bij de Willemsbrug in Rotterdam. Van daaruit zou hij worden begeleid naar het Duitse hoofdkwartier dat nog immer in Rijsoord was gevestigd. Een klein Duits escorte zou de generaal vanaf Den Haag begeleiden.

In de vroege uren van 15 mei vertrokken de OLZ, chef-staf generaal-majoor H.F.M. van Voorst tot Voorst, stafjurist kapitein Schepers en de marine adjudant LTZ1 Van Doorninck naar Rotterdam. Onderweg aanschouwden zij wat de stad had doorgemaakt, hoewel zij grotendeels het centrum omzeilden. Bij de Willemsbrug stond een Duits escorte klaar dat de stoet richting Rijsoord vooraf ging. Bij de kleine Christelijke Lagere School aan de Rijksstraatweg te Rijsoord stopte het escorte en werden de Nederlandse officieren naar binnen geleid. De Duitse Propaganda Kompanie [o.a. fotograaf Hugo Jäger] was beter vertegenwoordigd dan de Duitse legertop. Generaloberst Von Bock, commandant van Legergroep B, had de capitulatie willen bijwonen, maar was verlaat. Daarom nam General Von Küchler – commandant van het 18e Leger en mede bedenker van het bombardement op Rotterdam – als hoogste Duitse vertegenwoordiger de leiding over de bespreking. Binnen een half uur was men gereed, nadat enige marginale zaken waren aangepast in de Duitse eisen. Daarbij werd uitdrukkelijk bepaald dat er slechts sprake was van capitulatie van het leger en de zeemacht binnen het territoir van Nederland met uitsluiting van leger en zeemacht in de provincie Zeeland. Om 1000 uur was de ceremonie voorbij en vertrok de Nederlandse delegatie terug naar Den Haag.

De urgentie uit de lucht  

Op 13 en 14 mei was bij de Duitse legerstaf de urgentie nog zodanig geweest dat een Blitzendscheidung in Nederland zeer gewenst was. De gemotoriseerde en gemechaniseerde troepen waren urgent nodig als reserves in de sector van het zuidelijke Maasfront in België en Frankrijk. Toen op 15 mei die troepen vrij kwamen wegens de capitulatie van Nederland, was de urgentie uit de lucht. In Frankrijk en België was men er inmiddels in geslaagd met relatief zeer lichte verliezen beslissend de Maas over te steken. Het was bepaald niet zo dat de Duitsers daarmee terugzakten in hun zetels en achterover gezeten de rest van de veldtocht in Frankrijk aanschouwden. In tegendeel. Spoedig zou de paniek aan Duitse kant toeslaan in de vorm van sterke vrees voor een tegenaanval uit het zuiden. Maar op 15 mei was er vooral opluchting bij het OKH en OKW. De eerste opzet was volledig geslaagd. Het betekende dat de 9e Panzerdivision en de SS formaties niet onmiddellijk werden omgekeerd en naar het zuiden gestuurd werden. De Duitse propagandamachine zag kans om een glorierijke – Romeins aandoende – zegetocht te houden door Nederland. De 9e Panzerdivision en de SS troepen mochten in een paradetocht van twee dagen door midden Nederland trekken, waarbij Den Haag en Amsterdam prominent werden aangedaan. ‘A show of force’ gecombineerd met een militaire noodzaak de troepen via Duits grondgebied achter de oprukkende Duitse voorhoedes in België weer in het spel te brengen.

Het zojuist bezette Nederland werd spoedig weer verlaten door alle gevechtseenheden die aan de veldtocht hadden meegedaan. Het XXVI.AK was richting Antwerpen gegaan terwijl later de troepen van X.AK [die de Grebbelinie en het oostfront Vesting Holland hadden aangevallen] ook zuidwaarts gedirigeerd werden. Slechts de luchtlandingstroepen bleven nog enige tijd in Nederland. Ze werden herenigd met de ‘Erd Staffel’ – de niet onaanzienlijke hoeveelheid troepen en materieel die niet ingevlogen waren – en grotendeels op het zuid- en westfront onder gebracht. De parachutisten werden echter voor een voornaam deel vrijwel direct naar Duitsland terug verscheept. Er wachtte sommige direct hernieuwde inzet in Noorwegen, waar de strijd nog niet gestreden was.

Een buitengewoon onplezierige verrassing voor Göring was de ontdekking dat ondanks de wapenstilstand nog een Nederlands transport met krijgsgevangen Duitsers naar Engeland was gestuurd. Uit de haven van IJmuiden was in de vroege avond van 14 mei de SS Texelstroom vertrokken met aan boord vrijwel uitsluitend Luftwaffe personeel en luchtlandingstroepen. De betrokken Nederlandse officieren waren zich welbewust van het wederrechtelijke karakter van hun daad. In totaal had Nederland circa 1,300 man krijgsgevangenen naar Engeland afgevoerd, waaronder veel ervaren piloten en parachutisten. Maar het transport in de avond van 14 mei maakte Göring woest. Hij beval een onderzoek en gaf aan dat de schuldigen zwaar gestraft dienden te worden. Uiteindelijk liep alles met een sisser af, omdat de commanderende Nederlandse officier met een pracht van een excuus zijn onwetendheid van de capitulatie verklaarde: “als ik van de capitulatie had geweten, was ik toch zelf aan boord gesprongen?”. Dat klonk de Duitsers aannemelijk genoeg in de oren. Desondanks verordonneerde Göring dat twee stafofficieren van het AHK als straf in krijgsgevangenschap zouden blijven, ondanks de door hen ondertekende verklaring van onthouding van verzet.

De slachtoffers van de strijd  

De strijd op het zuidfront was kostbaar geweest, voor beide zijden. Opmerkelijk was dat de aanvaller minder had geleden dan de verdediger, zeker als men in ogenschouw neemt dat een luchtlandingsoperatie al een buitengewoon hoog inert risicoprofiel kent voor de lichte troepen die eraan deelnemen. De opvallend (relatief) lage verliezen van de Duitsers aan het zuidfront mogen wellicht model staan voor de Westfeldzug, maar lijken sowieso typerend voor de verliesratio’s tijdens de Tweede Wereldoorlog. De Duitsers zouden zelden – aanvallend of verdedigend – meer slachtoffers hebben dan de tegenstanders. Daarmee werd met de statistische werkelijkheid van de Eerste Wereldoorlog afgerekend, waarbij de aanvaller vaak een veelvoud aan manschappen verloor dan de verdediger.

Exacte verliesaantallen verdienen altijd nuances. Die worden bij de onderstaande verliescijfers niet gegeven. Daarvoor is t.z.t. de bespreking op de hoofdpagina geschikt. De droge verliezen op het zuidfront waren als volgt.

Nederlanders

Eerst enige specifieke cijfers. Bij Moerdijk vielen 17 Nederlandse doden, allen op of als gevolg van de strijd op 10 mei. De gevechten bij Willemsdorp en de Nederlandse artilleriebombardementen gedurende de vier eerste oorlogsdagen kosten het leven aan 28 man (20 man tijdens de strijd op 10 mei, 8 man door artilleriebeschietingen). De strijd bij Willemstad op 14 mei kostte 4 man het leven. De vierdaagse strijd in Dordrecht kostte 141 man het leven. Rond Amstelwijk en Wieldrecht vielen 44 doden. Rond Alblasserdam eiste de strijd en de bombardementen 14 militaire gesneuvelden. Bij Waalhaven vielen 54 militairen. In Rotterdam – exclusief Overschie – vielen 97 doden. Langs de Oude Maas tussen Goidschalxoord en Puttershoek werden 13 doden geteld. Bij Spijkenisse en Hoogvliet werden 6 gesneuvelden geregistreerd.

De zwaarste verliezen – onderdeelsmatig – leden 28.RI en de Lichte Divisie, kort daarna gevolgd door 34.RI en het Depot Pontonniers en Torpedisten. 28RI verloor 43 gesneuvelden, 34.RI 32 doden. 1.RW had 16 man te betreuren, 2.RW maar liefst 48 man. De huzaren motorrijders van de LD verloren bij de strijd op het zuidfront 10 man, net als ondersteunende troepen van de LD. 3.GB verloor 26 man, vooral bij Wielrecht en de Barendrechtse brug. De artillerie verloor 21 man op het Eiland van Dordrecht. De pontonniers verloren 32 man, waarvan 29 aan het zuidfront. De torpedisten hadden 11 man verloren, terwijl de moord op Mussert tot het 12e slachtoffer leidde. De depottroepen van de genie in Rotterdam brachten het offer van 15 man, het depot marinetroepen 12 man. Langs de Oude Maas werden 13 mariniers gedood. Het depot luchtstrijdkrachten alsmede de mensen van 3-II-1LvR leverden een offer van 16 man.

Er vielen ongeveer 440 doden door de strijd aan het zuidfront tussen het Nieuwe Maasfront en het front langs het Hollands Diep. Dat was circa 20% van het totale verliescijfer van het Nederlandse leger in mei 1940.

Duitsers

De Duitse gegevens over gesneuvelden zijn betrouwbaar in aantallen en namen, in veel mindere mate qua sneuveldatum en sneuvellocatie. De onderstaande gegevens per locatie zijn dan ook onder dat voorbehoud gegeven.

Bij Moerdijk – waar vrijwel alle doden voor de gehele sector rond de bruggen werden geregistreerd en tijdelijk begraven – beliep het Duitse verliescijfer 30 man. In en om Dordrecht kwamen 61 man om het leven. Specifiek in Wieldrecht geregistreerd (wegens een veldgraf) waren voorts 8 man, bij Gravestijn en Catharinahoeve 2 man. Er vielen 7 doden bij Tweede Tol, 4 bij de Tongplaat. Bij Hendrik Ido Ambacht (t.o. Alblasserdam) vielen 3 doden. Op Waalhaven werden slechts 3 doden en 3 onbekende militairen geregistreerd, allen Luftwaffe. De overige slachtoffers werden onder Rotterdam gesignaleerd, waar 81 gesneuvelden werden genoteerd, inclusief Luftwaffe personeel. Pernis, Hoogvliet, Rhoon, Portugaal en Barendrecht tonen 11 doden tijdens de gevechten en schermutselingen aldaar.

Er waren zo’n 220 Duitse gesneuvelden aan het zuidfront tussen het Nieuwe Maasfront en Zevenbergen. Opvallend is dat dit precies de helft is van het aantal Nederlandse doden. Voor de Duitsers betekende dit circa 9% van alle slachtoffers die tijdens de meidagen van 1940 in Nederland vielen. Een opvallend laag percentage gezien het feit dat deze lichte troepen vijf dagen lang in strijd waren verwikkeld en een zeer groot risico liepen al tijdens de afzet boven het landingsterrein en de ontplooiing in het veld nadien getroffen te worden. 

Beknopte nabeschouwing slag om het zuidfront

In de Nederlandse geschiedenisboekjes zijn er twee markante zaken te vinden over de Meidagen van 1940, die algemeen worden gezien als de voornaamste gebeurtenissen. Dat waren de Slag om de Grebbeberg en het bombardement van Rotterdam. Beide gebeurtenissen krijgen ook het leeuwendeel van de ‘focus’ als het om het betreffende era gaat. Logisch, want beiden zijn zeer tastbare gebeurtenissen. Desondanks vond – strategisch gezien – de voornaamste strijd plaats aan het zuidfront. Daar ontwikkelde zich de Duitse hoofdaanval.

Ondanks het feit dat Nederland in april 1940, vergeleken met België en Frankrijk, zich het beste had voorbereid op grotere Duitse luchtlandingen, was het AHK volkomen voorbij gegaan aan de grote kwetsbaarheid van het zuidfront. Tot april 1940 was de bezetting van de voorzijde van het front langs het Hollands Diep verwaarloosbaar geweest en slechts de gebeurtenissen in Noorwegen in april 1940 hadden geleid tot een versterking van die bezetting. Desondanks kon men bij lange na niet goed maken wat er voordien was verwaarloosd: de stellingen. De flinterdunne lijn veldversterkingen en schuilplaatsen langs het zuidfront was voor geen serieuze tegenstander een uitdaging en bovendien geheel geënt op een aanvaller die traditioneel van buitenaf zou ageren. In de derde dimensie was niet gedacht. Even opvallend was het dat talloze bruggen niet bewaakte werden of slechts een bewaking van een paar man met tien patronen hadden. Luchtafweer was grotendeels afwezig. Daar kwam als klap op de vuurpijl bij dat het de OLZ juist had geleken om zijn ondercommandant, die de verdediging in de Vesting Holland moest leiden [C-VH], de vrijheid te geven om in de nacht van 9 op 10 mei de troepen niet in de hoogste paraatheid te brengen. Een blunder die tot gevolg had dat men nog sliep toen de overval een feit werd en bovendien dat de munitie nog centraal was opgeslagen. Blunders, waarop naoorlogs op buitengewoon storende wijze ontwijkend werd gereageerd door de verantwoordelijken.

Toen de overval op de keten van bruggen in de ochtend van 10 mei een feit was, zou het nog tot de vroege uurtjes van 13 mei duren voordat de Nederlandse legerleiding volledige appreciatie van de Duitse plannen tonen zou. Men had drie dagen lang volledig - zonder enige reserve - vertrouwd op Franse hulp om de situatie aan de poort van het zuidfront te herstellen. Daarbij vergat men eveneens de Franse positie voldoende op de merites te beschouwen en zodoende in te zien dat de Fransen al snel geen enkel belang zouden hebben bij herneming van Moerdijk. Die Nederlandse nalatigheid was merkwaardig. Generaal Winkelman was tijdens zijn korte vooroorlogse periode van functioneren ronduit sceptisch geweest omtrent Franse hulp. Hij zag niet welke Franse strategische overwegingen hen tot toegewijde bondgenoten van Nederland zouden maken. Toen hij bevestiging kreeg middels zijn militaire attaché in Parijs dat de Franse ambitie in Nederland beperkt zou zijn, paste hij zijn verdedigingsstrategie aan en nam zich voor het Veldleger op de tweede oorlogsdag terug te nemen op de Vesting Holland. Maar toen de inval een feit was, verliet dezelfde Winkelman zich opeens volledig op de Fransen t.a.v. Moerdijk en was een kort generiek telefoongesprek met de Franse opperbevelhebber op de eerste oorlogsdag voldoende om drie dagen lang niet meer om te kijken naar het zuidfront. Slechts de situatie rond Waalhaven en de Nieuwe Maas vond men strategisch van belang.

Het gebrek aan inzicht en appreciatie aangaande de situatie aan het zuidfront is met het voorgaande nog niet volledig geschetst. Want zou het AHK een juiste strategische analyse van de gebeurtenissen hebben gemaakt, dan zou een simpele optelsom hebben moeten leiden tot veel actievere bemoeienis vanuit de Lange Voorhout met de situatie rond Moerdijk. Het gegeven dat drie geschakelde bruggenparen in Duits bezit waren of door hen werden beheerst, had het beeld volmaakt helder moeten maken dat er een sterk Duitse grondleger zou volgen om gebruik te maken van die bruggen. Maar berichten over sterke Duitse formaties die door de Langstraat richting westen oprukten werden op het AHK niet geloofd. Ondanks het feit dat men na 10 mei geen contact met de Fransen had, dat er geen Franse liaisonstaf was om hen anderszins op de hoogte te houden, dat er duidelijke signalen uit het veld kwamen dat Moerdijk niet was heroverd en dat tegelijkertijd een schijnbaar sterke Duitse formatie door het noorden van de provincie Brabant oprukte, was er tot dat de 9e Panzerdivision contact had gemaakt met de parachutisten te Moerdijk, geen lampje opgegaan in Den Haag dat Moerdijk koste-wat-kost hernomen moest worden.

Het zijn dit soort strategische hoofdzaken die de maatstaf vormen om te bepalen of een legerleiding goed of slecht heeft gefunctioneerd tijdens een veldtocht. Hoewel Winkelman zich weinig groot toonde naoorlogs en ieder kritiek pareerde met ‘dat is de kennis van heden’, valt hem zeer sterk aan te rekenen dat hij de Duitse opzet nooit op waarde wist te schatten en zich om het zuidfront überhaupt totaal niet bekommerd heeft. Hoe weinig Winkelman zich bekommerde om alle gebeurtenissen ten zuiden van de Maas, wordt evenzo glashelder als men kijkt naar het scenario dat werd afgedraaid toen het Veldleger zich op de eerste oorlogsdag conform instructie uit Noord-Brabant terugtrok. Nadien bleef een pluriform verband over dat onder de noemer ‘Peeldivisie’ schuil ging, maar bestond uit 23 bataljons. Dat was een equivalent van ruim twee divisies, maar dan zonder de divisietroepen en vooral zonder een divisiestaf. Van die 23 bataljons was na het vallen van de Maaslinie nog ongeveer een 17-tal over. Die werden geleid door een kolonel en een piepkleine staf. Die staf was niet voorzien van instructies. Tijdens de meidagen werd de kolonel vanuit Den Haag meegedeeld dat hij moest handelen naar eigen goeddunken. Niemand die bedacht had dat een Franssprekende staf had kunnen worden toegevoegd om met de Fransen af te stemmen, geen alternatief scenario was ontwikkeld om na het door de vijand doorbreken van de Peel-Raamstelling het verzet elders voort te zetten of juist de restanten van de Peel-Raamstelling zo lang mogelijk blijven verdedigen. Zo kon het gebeuren dat door de pogingen van de divisiecommandant om met de Fransen af te stemmen, de 17 bataljons van de divisie lange tijd door een kapitein van zijn staf werden geleid! Een zaak die voortvloeide uit pure inzichtloosheid en lamlendigheid bij de legerleiding, zoals terzake ook wel bleek toen de PEC de kwestie Gennep bestudeerde en daar concludeerde dat er sprake was van chaos en gebrek aan structuur. Generaal Winkelman had echter gemeend dat toen hij eind maart 1940 kolonel Schmidt in het geheim informeerde dat het Brabantse leger na de eerste oorlogsdag onder de kolonel zou sorteren, het AHK de handen wel af kon trekken van de zaak. Zo kon het bestaan dat 23 bataljons van het leger werden afgeschreven door de legerleiding. Ook wat dat betreft achtte Winkelman naoorlogs niet dat hij opzichtig gefaald had. Dat had hij echter nadrukkelijk wel, want het was juist de combinatie van de onderschatte verdediging van het zuidfront en de indolentie jegens het Brabantse front wat de fundamenten zou leggen voor het snelle Duitse succes aan datzelfde zuidfront en dus in Nederland. De Duitsers hadden niet zo zeer een snel succes afgedwongen, maar dat snelle succes was vooral sterk gefaciliteerd door de indolentie en onkunde op het AHK in Den Haag!

De strijd op het zuidfront zelf was strategisch de belangrijkste die in Nederland werd gevoerd. Het was die strijd die rechtstreeks leidde tot het Duitse succes tijdens de veldtocht in Nederland. Het valt op dat het tevens een strijd was waarbij de Nederlandse overmacht – zowel getalsmatig als qua bewapening – geen enkele garantie bood voor succes. Waarmee weer eens wordt bewezen dat getheoretiseer over betere bewapening, gekoppeld aan grotere succeskansen voor het Nederlandse leger anno mei 1940, pure speculatie zijn. Op de derde oorlogsdag was de verhouding Duitsers / Nederlanders op het zuidfront 1:3, iets ruimer bezien zelfs 1:4. Qua artillerie was de verhouding nog grotesker, want de Duitsers hadden vrijwel geen artillerie, maar dit werd ruimschoots gecompenseerd door hun luchtmacht. Maar elders was die luchtmacht ook van belang, en toch presteerde de Nederlandse overmacht aan het zuidfront ronduit slecht. Het viel daarbij op dat de successen die werden bereikt – hoewel op één hand te tellen – vooral voortkwamen uit nota bene depottroepen. Niet alleen zag men zulks rond Ypenburg, maar evenzo in Dordrecht en Rotterdam. De reguliere infanterie faalde hopeloos. Zelfs het als neusje van de zalm bekend staande onderdeel – de Lichte Divisie – was niet te betrappen op enig offensief gogme. De meest basale zaken, zoals verplaatsingen in niemandsland, vielen commanderende officieren zwaar. Alle offensieve acties die het Nederlandse leger aan het zuidfront ondernam, smoorden in de kiem. Aan alle kanten werd het duidelijk dat kader en soldaten totaal niet voor hun taak waren opgeleid. Daar waar men zich onderscheidde, was het de doortastendheid of moed van enkelingen, maar nooit de kunde of de boerenslimheid. Met name het kader faalden collectief. Officieren – beroeps of reservist – toonden hun collectieve onkunde door zelfs de meest basale manoeuvres niet in goede banen te kunnen leiden. Afstemming van operaties gebeurde in zo’n rudimentaire vorm, op basis van zulke gedateerde tactieken, dat het in feite bijna lachwekkend was. Zelfs naar Nederlandse maatstaven goed opgeleid officieren, zoals de chef-staf Groep Kil, toonden hun zeer beperkte inzichten in het moderne krijgsvak. Dat op de lagere niveaus collectief falende krijgsbeleid was de hoofdoorzaak voor de ronduit zwakke prestaties van het Nederlandse leger aan het zuidfront.

Dat gezegd hebbende, valt op dat als men de gevechten analyseert, de gekende platitudes over een leger dat massaal op de loop ging of dat zich massaal overgaf, geen opgeld deden. Er waren uiteraard uitzonderingen, waar eenheden of belangrijke individuen faalden, maar grosso modo werd er opvallend moedig gevochten. Er werden aanvallen uitgevoerd die volgens klassieke patronen waren ontworpen en daardoor buitengewoon risicovol waren. Ze werden zonder morren uitgevoerd door de militairen die een dergelijk bevel kregen. Met name het hardnekkige verdedigen van de stad Dordrecht en de Nieuwe Maas in Rotterdam toonde Nederlandse militairen opofferingsgezind. Er was geen sprake van het verzaken van taken door eenheden, zonder dat hun bevelhebber er zelf aanleiding toe gaf. Dat gegeven maakt het aannemelijk te concluderen dat – zou er een goede kaderopleiding in Nederland zijn geweest – de prestaties een veelvoud hoger hadden kunnen liggen met dezelfde soldaten en dezelfde uitrustring en bewapening.
  
De successen van de troepen die Kurt Student rechtstreeks aanstuurde waren niet zo zeer afgedwongen door de Duitsers, maar gefaciliteerd door de Nederlanders. Student toonde zich geen opvallend strateeg, zou dat overigens gedurende WOII ook nooit doen. Hij was echter wel een degelijk onderlegd opperofficier. Tijdens de meidagen van 1940 bediende hij zich niet van progressieve strategieën of krijgslisten, maar toonde hij zich een meester in het manoeuvreren met weinig troepen. In de klassieke strategie heette zoiets het manoeuvreren op de binnenlinies of binnenlijnen. Dat betekende dat de verdediger – wat Student en zijn troepenmacht vanaf de middag van 10 mei sec genomen werden – zijn reserves steeds daarheen stuurde waar de vijand aandrong. Zo kon de verdediger de vijand telkens daar waar nodig weerstaan, of zelfs met een tegenaanval in verlegenheid brengen. Door consequent met de reserves te schuiven kon de verdediger volgtijdige aanvallen op meerdere frontlocaties afwijzen en de schijn ophouden over voldoende troepen te beschikken. Die klassieke strategie was echter alleen maar toe te passen indien de aanvaller deze faciliteerde. De aanvaller kan daar weinig aan veranderen als hijzelf over weinig troepen beschikt en besluit die geconcentreerd in te zetten. Beschikt de aanvaller echter over een duidelijke overmacht, dan kan hij de verdediger de kunst van manoeuvres op de binnenlinies ontzeggen door concentrisch aan te vallen. Dat betekent (min of meer) gelijktijdig op verschillende punten een verdedigd gebied aanvallen. Dan moet de verdediger zijn troepen verdelen en wordt zijn geschuif met eenheden sterk beperkt of zelfs uitgesloten. Heel nadrukkelijk zij opgemerkt dat deze strategie beslist geen modernisme was, maar uit de klassieke krijgskunst stamde. Geen enkele aanleiding voor Nederlandse opperofficieren de strategie als zodanig niet te beheersen. Daar komt bij dat de aard van lichte troepen als verdedigende partij de aanvaller zou moeten verleiden die lichte troepen stelselmatig zwaar aan te pakken in een zo vroeg mogelijk stadium van de strijd. Ook dat was een klassieke wijsheid, want op het oude slagveld werden licht troepen niet door andere lichte eenheden aangepakt, maar juist op lichte troepen zond men de zware cavalerie af. Kortom, de bekende auteurs die beweren dat de strijd in Nederland een Blitzkrieg was of dat het Nederlandse leger met moderne krijgskunst werd verrast, zitten er wat betreft het zuidfront volkomen naast. Los van het element van de midden in hoge echelons landende troepen, was de strijd op de grond in zuidwest Nederland – tot de aankomst van de tanks op de vierde oorlogsdag – een min of meer klassieke strijd. In die klassieke strijd toonde Nederland zich strategisch en tactisch een veelvoud zwakker dan de Duitsers. Want op geen enkel moment ontwierp de C-VH – die de opperste Nederlandse veldheer was aan het zuidfront – een verstandig en doorwrocht ‘counter-offensive’. In tegendeel. In plaats van als overmachtige partij het initiatief nemen, liet men het initiatief aan de Duitsers. Daar waar men het initiatief nam, was er telkens sprake van enkelvoudige operaties met stroperige en voorspelbare tactiek.

Op geen enkel moment tijdens de strijd aarde de gedachte bij C-VH dat de ongetwijfeld zwakkere tegenstander aangepakt diende te worden door op tenminste twee of drie locaties een offensief in te zetten. Zodoende kon Kurt Student zijn eigen keuzes maken. Die waren volstrekt helder. De uiteinden van zijn corridor werden gefixeerd en dus statisch gemaakt. Zowel Rotterdam als Moerdijk werden zodanig ingericht dat men het front afsloot. Bij Moerdijk werden vrijwel alle troepen zuidwaarts van de bruggen ontplooid en de landhoofden met versperringen en mijnen afgesloten. Tussen Moerdijk en Dordrecht hield men slechts zeer kleine bezettingen. In Rotterdam kreeg de commandant van het 3e bataljon van IR.16 al op de eerste oorlogsdag te horen dat hij geen versterkingen kreeg en hij eventueel het Noordereiland als meest noordelijke perimeter mocht handhaven als zijn eenheden het in het noorden van de stad niet uithielden. Hij diende echter het Noordereiland onneembaar te maken voor de tegenstander. Die beide kurken op de Duitse corridor kostten twee bataljons troepen. De rest van de gelande strijdmacht werd vrijwel geheel gebruikt voor de strijd in Dordrecht en enige tijd voor het pareren van de Lichte Divisie langs de Noord. De laatste reserves werden gemotoriseerd en rond Hordijk en Rijsoord gepositioneerd, min of meer centraal voor het hele front. Het overige beheerste gebied werd slechts dun bezet of met vliegende patrouilles beveiligd. Meldingen van vijandelijke concentraties leidden diverse malen tot de inzet van goed bewapende kleine gemotoriseerde verbanden ter parade van eventuele offensieve acties van de Nederlanders. Zodoende kon Kurt Student – volledig gefaciliteerd door de Nederlandse passiviteit – zijn troepen concentreren rond de Noord en in Dordrecht.

Dat Nederlandse successen uitbleven, was natuurlijk niet alleen de C-VH verwijtbaar. Lokaal bleken bevelhebbers ook niet in staat initiatiefrijk of verstandig te opereren. Zo faalden de drie hoofdofficieren van de Lichte Divisie, met name de kolonel Van der Bijl en de overste Van Diepenbrugge, offensieftactisch juiste beslissingen te nemen. De kolonel bij Alblasserdam, de overste op het Eiland van Dordrecht, waar hij zijn formaties op elkaar liet wachten en zo een groot deel van zijn strijdmacht werkeloos liet liggen. Kantonnementscommandant Mussert, de ongevraagde kop van jut van het zuidfront, die faalde in het brengen van cohesie binnen zijn kleine staf en over zijn bedoelingen en instructies ronduit mistig bleef. De Groep Kil, waar een zwakke commandant zat die door zijn dominante chef-staf overvleugeld werd, maar waar de ambities en het ijdele zelfbeeld van diezelfde chef-staf niet passend waren bij zijn prestaties. Een beroepsmajoor die bij Dordrecht er door buitengewoon slecht beleid in slaagde binnen een dag en zonder enige afbreuk te doen aan de tegenstander een geheel bataljon te verliezen. En zo waren er op onderdeelsniveau nog vele missers begaan. Van enige samenhang in locale operaties was geen sprake en als er al intenties tot afstemming en samenwerking waren geweest, liep het in de eerste fase reeds mis. Keer op keer.

De artillerie, die ruim vertegenwoordigd was aan het zuidfront, opereerde buitengewoon behoudend. Men vreesde en vermeed directe steun aan de grondtroepen. Men grossierde in voorspelbare vuren, verschoot duizenden granaten, maar trof zelden tot nooit doel. Bij Rotterdam was de artillerie in staat de Duitse logistieke operatie op het vliegveld Waalhaven marginaal te ontregelen op de momenten dat men vuurde, maar enigszins complexere beschietingen zoals van het Noordereiland bleken al teveel gevraagd. Het gebruik van de artillerie rond Alblasserdam was bedroevend. Twee beschikbaar gestelde batterijen 10-veld werden nauwelijks gebruikt en de KRA batterijen kregen ook bijna geen opdrachten. Geen hoofdofficier die het in zijn hoofd haalde de bruggen bij Dordrecht te beschieten op 13 mei. Achteraf werd dit verklaard als gevolg van overste Mussert die dat verboden zou hebben, maar op 13 mei was kolonel Van der Bijl de hoogste militaire autoriteit ter plaatse en kon dat dus niet als excuus gelden.

In Dordrecht werd in de ochtend van 10 mei door depottroepen en spoorwegtroepen het enige spraakmakende Nederlandse succes van de gehele strijd op het zuidfront mogelijk gemaakt. Men maakte gehakt van een kleine Duitse parachutistencompagnie, die zich had laten verleiden tot een aanval op de spoorwegtroepen in plaats van doelbewust door te stoten naar de bruggen over de Oude Maas. De Duitsers werden op een dozijn man na uitgeschakeld.

In Rotterdam toonde het Nederlandse leger dat ze verdedigend uitstekend werk kon verrichten. De buitengewoon snelle respons op de Duitse luchtlanding in de stad was opvallend en onderscheidde de lokale bevelhebbers (op laag niveau) voor hun vindingrijkheid en daadkracht. Ook in Rotterdam waren het voornamelijk depottroepen die de eerste beslissende maatregelen vorm gaven, ondersteund door enige reguliere infanteristen van het kantonnementsbataljon en enkele pelotons mariniers. Nadat de gehele eerste oorlogsdag succesvol werd gevochten om het noordelijke landhoofd weer vrijwel geheel in eigen handen te krijgen, volgde vier dagen van een onveranderde status quo. Offensief slaagden de Nederlanders er niet in enig succes te boeken of zelfs maar een paar dozijn Duitsers uit een gebouw op het noordelijke landhoofd te krijgen. Zelfs het vernielen van het gebouw werd niet met overtuiging geprobeerd. Daar toonde zich dezelfde beperking als elders. De reflexmatige verdediging was goed verzorgd, maar alle processen die enig militair gogme vereisten faalden.

Opvallend in Rotterdam was natuurlijk evenzo de overdreven glorie die de mariniers toegeschreven zou worden. Hoewel ontegenzeglijk het optreden van de mariniers onderscheidend was, deed het de duizenden andere verdedigers tekort. De depottroepen van genie, luchtmacht en marine deden meer dan een duit in het zakje, maar werden en worden nauwelijks genoemd in de annalen. Een historisch onrecht dat tot op de dag van vandaag voortduurt, maar mede gecreerd werd door onbescheiden en onkies naoorlogs optreden van de belanghebbende korpscommandant, kolonel der mariniers Von Frytag Drabbe, die in diverse officiële rapportages zijn evenknie van de landmacht, kolonel Scharroo, beschadigde en actief een veel te grote eer voor zijn Korps opeiste. Een zaak die de depottroepen zou schaden, maar evenzo de kolonel Scharroo. De overdreven rol van de mariniers en de ondergewaarde rol voor andere krijgsmachtonderdelen zullen in de uitgebreide beschouwing in het hoofdmenu worden rechtgezet. Niet als doel, maar wel als weergave van de werkelijke gebeurtenissen.

Een lange nabeschouwing van de gebeurtenissen aan het zuidfront, maar nog verre van compleet. Deze bespreking in vogelvlucht van de gebeurtenissen aan het zuidfront is niet de plaats om dieper op de zaken in te gaan en nog vele andere aspecten van de strijd te bespreken. Daarvoor is t.z.t. het hoofdmenu bedoeld. Rest niets anders dan af te sluiten met de conclusie dat Nederland de oorlog verloor op het zuidfront. En die strijd – die aldaar gestreden werd – werd in grote lijnen reeds verloren aan de vooravond van de Duitse inval. De zwakke verdediging, de uiterst zwakke beveiliging tegen luchtlandingen en parachutisten, de falende strategie van Winkelman ten aanzien van vervolgscenario’s in Brabant na evacuatie van het Veldleger en vooral het niet alarmeren van het zuidfront in de nacht van 9 op 10 mei zorgden ervoor dat de eerste zware slag geheel in Duits voordeel kon zijn. Nadien liep Nederland slechts achter de feiten aan – letterlijk …