12 mei 1940

Dordrecht

De derde oorlogsdag zou een geheel andere aard der gevechten brengen. Vanaf de 12e mei namen de straatgevechten en confrontaties tussen eenheden in het open veld in aantal snel toe. Opvallend zou zijn dat in de straatgevechten de Nederlandse militairen onverwacht goed zouden presteren. De uitleg daarvoor is vermoedelijk vrij eenvoudig. Voor straatgevechten, zeker defensief, is vooral veel moed nodig. Maar tactisch gogme wordt vooral van de aanvaller in een stadse omgeving gevraagd. De moed, waaraan het veel Nederlandse militairen niet ontbrak, in weerwil van veel gepubliceerde verhalen, was een uitstekende brandstof voor de defensieve successen in stedelijke omgeving. Zo ook – of wellicht moet worden gezegd ‘bij uitstek’ – in Dordrecht. Daar zouden twee dagen lang straatgevechten woeden, waar de Nederlanders de Duitsers het bijzonder moeilijk zouden maken.

[Overzichtskaarten]

Generaal Kurt Student was erin geslaagd om zijn gehele front te stabiliseren en ieder mogelijk gevaar te pareren met tijdige versterking. Zo hadden zijn troepen alle offensieve ambities die tegen het Eiland IJsselmonde waren gericht overtuigend afgewezen. Bij Moerdijk was een Franse actie verijdeld en in Rotterdam werd zonder veel moeite het front stabiel gehouden. Alleen Dordrecht speelde Student nog parten, want daar kreeg men de situatie niet onder controle. Bovendien was het Eiland, samen met Waalhaven, het enige gebied waar de Nederlandse artillerie telkens onrust veroorzaakte. De directe effecten ervan waren minimaal, maar het psychologische effect was niet te verwaarlozen. Daar kwam bij dat Student signalen had ontvangen dat de Lichte Divisie zich op het Eiland begon te ontplooien. De generaal wilde de zaak beslechten en vormde uit vrijwel al zijn reserves een formatie die beslissend zou moeten ingrijpen.

De commandant van de divisieartillerie van de 22e (LL) ID, Oberstleutnant De Boer (hij kwam uit West-Friesland, een provincie grenzend aan Nederland, vandaar zijn Nederlandse naam) kreeg een pluriform verband onder zich. Dat werd in hoofdzaak gevormd door eenheden van IR.72. Hiervan werd de bataljonsstaf [onder de BC Major Krüger] aangewezen, twee pelotons van de 2e Kompanie, de gehele derde Kompanie plus vijf sMG en twee mortieren van de 4e Kompanie. Dat was bij elkaar circa 250-275 man. Twee pelotons PAK en vier stukken berggeschut werden als versterking toegewezen. Er wordt wel gemeld dat ook een peloton van het onbedoeld te Waalhaven aangekomen 7./IR.65 van de partij was. Die werkelijke Gruppe de Boer werd zodoende gevormd door zo’n 350 man. Deze formatie zou door ongeveer 200 man van II./FJR2 op de linkerflank worden gesteund. De sterkte van deze aanvalsgroep wordt in de literatuur sterk overdreven, kennelijk bij gebrek aan juiste bronnen. Het krijgsverslag van IR.72 bespreekt de actie echter nauwkeurig, en daaruit blijkt dat de Gruppe de Boer bepaald niet het versterkte bataljon was wat bijvoorbeeld de populaire schrijver Eppo Brongers ervan maakte. In feite was het een half bataljon, ondersteund door enige PAK’s en een viertal berghouwitsers. De parachutisten van II./FJR2 fungeerden slechts als flankbeveiliging.

Zodoende werden ongeveer 550 man naar Dordrecht gestuurd, wat in twee keer moest geschieden, want ze kwamen allen vanuit het hart van IJsselmonde. De Duitse overste kreeg opdracht zijn zwaartepunt van aanvallen te kiezen bij de spoorkruising in Dubbeldam. Links aanleunend zou II./FJR2 de verbinding vormen tussen de Gruppe de Boer en III./FJR1 dat het centrum en de linkerzijde van de afgrendeling van Dordrecht vormde. Uiteraard bleef I./FJR1 het oorspronkelijke bruggenhoofd verdedigen. Zo wilde Student de stad omvatten en vervolgens met excentrisch aanvalsbewegingen het Nederlandse bruggenhoofd doen inkrimpen. Het verzamelpunt voor de formatie van De Boer was de begraafplaats bij de vork van spoorwegen onder de stad.

In het krachtenspel ontspon zich tegelijkertijd een (onbewuste) Nederlandse tegenconcentratie. De vorige dag had de Lichte Divisie de opdracht gekregen onder achterlating van een beveiliging aan de Noord, het Eiland van Dordrecht te betreden en zich een weg naar de Hoekse Waard te banen na het Eiland van Duitse elementen te hebben gezuiverd. Kennelijk was in Den Haag nog steeds niet geland dat er twee goed geoefende parachutistenbataljons op het Eiland opereerden, die bovendien een lastig te heroveren bruggenhoofd stevig in handen hadden. Dat die twee bataljons eveneens versterkt zouden worden kon men in Den Haag natuurlijk ook niet weten. In elk geval besloot kolonel Van der Bijl dat de tot zijn beschikking zijnde ‘afzonderlijke staf’ – een stafeenheid die bedoeld was om zelfstandig een aanvalsactie te leiden afzonderlijk van de divisiestaf – een sterke delegatie van de Lichte Divisie op het Eiland zou gaan aanvoeren. Overste Van Diepenbrugge was de commandant van die staf. Onder de overste kwamen drie-en-een-half bataljon Wielrijders I-2.RW, III-2.RW, II-1.RW en twee compagnieën van II-2.RW, waarvan III-2.RW reeds sinds 11 mei op het Eiland was en II-2.RW pas na het middaguur arriveerde) en een afdeling met twee batterijen van het Korps Rijdende Artillerie [ook bekend als de Gele Rijders] met in totaal acht vuurmonden 7-veld. Bovendien kreeg hij een versterkt eskadron van 2.RHM – huzaren motorrijders – onder zich. De overste wilde de gehele strijdmacht inzetten, met uitzondering van het halve bataljon wat hij pas rond het middaguur ter beschikking zou krijgen en hij als reserve alloceerde. 

Voor de Wielrijdersformatie was een aanvalsplan ontworpen om de Duitse corridor te splijten, middels een gebogen, onder de stad doorlopende, offensieve beweging richting Kil. Doordat de drie bataljons onder Dordrecht naast elkaar dienden op te trekken, zou een brede veegactie worden ontwikkeld, welke het gehele centrale deel van het Eiland van de vijand moest ontdoen. Een overambitieus plan, daar de noodzakelijke manoeuvreruimte die noodzakelijk was voor zo’n operatie door de smalle en spaarzaam oost-west lopende dijken sterk belemmerd zou worden. Bovendien bewoog men zich in volkomen open terrein. Een duidelijke restrictie kreeg men ook nog mee, want slechts in gesloten verband mochten de drie bataljons de drie voorgestippelde fasen van de operatie doorlopen. Telkens diende men op elkaar te wachten. Hier herkende men de Franse school in het Nederlandse leger, waar een gesloten verband heilig was. De drie doellijnen zagen er als volgt uit. De eerste was de spoorlijn Zwijndrecht-Sliedrecht, de tweede de Zuidendijk [weg van Wieldrecht naar Kop van ’t Land] en de derde doellijn de rijksweg tussen Tweede Tol en Wieldrecht. Bij die laatste doellijn hoorde dan nog de component dat een eenheid vanuit Groep Kil bij Wieldrecht zou oversteken om daar reeds een bruggenhoofd te maken. De bedoeling was immers dat na de zuivering de Lichte Divisie zich aldaar zou laten overzetten naar de Hoekse Waard. Enige bescheidenheid kende het plan niet, wat duidelijk moge zijn uit deze ambitie. Toen men rond 0830 uur de eerste schreden zette om naar de eerste doellijn op te rukken, slaagden twee van de drie bataljons erin die spoedig te bereiken. Het derde bataljon [II-1.RW] dat door de stad moest trekken, zou een route kiezen langs het station.

De route via het station leidde door de tunnel onder het spoor richting het zuiden van de stad. Maar de parachutisten hadden de gehele zuidzijde van de stad tot aan de begraafplaats afgegrendeld als beveiliging voor de aankomst van de op vrachtwagens vervoerde Gruppe de Boer. Zij konden met mitrailleurs de tunnel bijkans afsluiten, wat in de vroege ochtend het eskadron huzaren al had gemerkt. Die waren door de tunnel gereden, waarbij de eerste sectie nog van verrassing gebruik kon maken, maar de rest van het eskadron de tunnel zwaar beschoten vond en terugdeinsde. Het bataljon Wielrijders werd analoog gesplitst. De eerste compagnie ging in volle vaart door de tunnel en bereikte na een rechtse bocht Krispijn, maar nadien waren de parachutisten weer wakker en zodoende kon de rest van het bataljon (dat één compagnie miste) niet volgen. Er ontspon zich spoedig een hevig gevecht tussen Nederlandse verbanden – waaronder ook depottroepen – en de opdringende Duitse parachutisten. Onderwijl was ook de Gruppe de Boer met de eerste serie vrachtwagens gearriveerd. Overste Van Diepenbrugge wilde op zijn beurt de zaak redden, door het halve bataljon Wielrijders dat in reserve was gehouden via de spoorkruising bij de Dubbeldamseweg te sturen en de Duitse parachutisten die Krispijn afsloten zodoende in de flank aan te vallen. De overste was uiteraard op dat moment niet bekend met de aankomst van de Gruppe De Boer, die precies op het pad van de Wielrijders zich ontplooide. Zodoende waren er twee partijen die de spoorkruising tot marsroute hadden verkozen. Dat zou leiden tot een ontmoetinggevecht. De eerste Duitse troepen waren al in de omgeving van de spoorwegovergang, maar werden door fel Nederlands vuur van depottroepen opgehouden. Toen de voorste compagnie van het inmiddels voltallige bataljon van majoor De Bie [II-2.RW] – ongewis van de Duitse aanwezigheid – de spoorkruising naderde, met een groep motoren van een sectie MC voorop, sloeg hen ineens zwaar vuur tegemoet. Snel zochten de Nederlanders dekking in de huizen, waarna een langdurig vuurgevecht uitbrak, zonder dat één der partijen een meter kon opschuiven. Binnen korte tijd was de gehele zuidoostelijke stadszijde één groot en aaneengesloten gevechtsterrein geworden, waar de partijen elkaar soms op steenworp afstand beschoten en waar het overzicht voor beide partijen onmogelijk moet zijn geweest. Daar mengde zich op korte afstand de Duitse artillerie en vanaf de Hoekse Waard de Nederlandse artillerie in het gevecht. Zo beschoot 23.RA op een zeker moment de kruising bij de spoorweg in reactie op waargenomen Duitse artillerie in de buurt van de begraafplaats, wat leidde tot aanzienlijke branden en vernielingen en bovendien zorgde Duits vuur voor het in brand raken van de gashouder ten zuiden van het spoorknooppunt. Men hield elkaar echter volkomen in balans, met aan beide zijden talloze slachtoffers. De Nederlanders slaagden erin een stuk PAK te vernielen en de volledige stuksbemanning van een berghouwitser – die op het station vuurde – uit te schakelen. Maar aan Nederlandse kant sneuvelde de overmoedige compagniescommandant van de formatie die tegenover de overweg lag. De in sterkte ongeveer gelijke partijen (aan Nederlandse zijde bijna twee bataljons totale sterkte, aan Duitse zijde iets minder, maar wel voorzien van veel ondersteuningswapens) gaven elkaar geen ruimte, zodat zowel het Duitse als het Nederlandse aanvalsplan vastliepen.

De Nederlandse artillerie intervenieerde steeds, maar deed de Duitsers geen enkele afbreuk. De oprit van de verkeersbrug werd een aantal maal onder uitwerkingsvuur bedolven, zodat de sector rond de oprit vele branden en vernielingen te zien gaf. Ook Krispijn onderging tweemaal een korte beschieting. Het eerder genoemde uitwerkingsvuur op Duitse artillerie onder het kruispunt bij de Dubbeldamseweg leidde ook al tot flinke vernielingen. Veel van de in de literatuur aan Duits geschut en handgranaten toegewezen vernielingen in Dordrecht waren in feite effecten van Nederlandse artilleriebeschietingen, die in wezen op goed geluk op bepaalde locaties werden afgegeven. Uit Duitse verslagen blijkt dat ze hen in het geheel niet deerden. De vuren waren bovendien te kort om effectief Duitse operaties te hinderen.

Uiteindelijk wisten de Duitsers een beetje progressie te boeken. Zij slaagden erin met een stoottroep van IR.72 om een stuk emplacement tussen station en spoorwegovergang in bezit te nemen en schoten vanachter de spoorrails en uit wagons op de Nederlandse posities aan de overzijde. Tegelijkertijd voerden enkele Stuka’s en jagers duik- en scheeraanvallen uit op de Nederlandse posities, waarbij een zware bom bij de spoortunnel terecht kwam. Toen begonnen langzaam de Nederlandse verdedigers te wijken. Te meer daar ook de parachutisten van II./FJR2 en 9./FJR1 de druk opvoerden en excentrisch tegen de stadsgrenzen begonnen aan te drukken. Daarmee kregen de Duitsers een overmacht, zowel in mensen als in middelen. Dat terwijl ten zuiden van de stad twee bataljons Wielrijders volkomen passief de gehele dag lagen te wachten op het derde bataljon, dat dus niet zou komen. Hadden zij zich tegen de Duitse rechterflank ontplooid, dan had de situatie voor de Gruppe de Boer er kwalijk uit gezien. Men kreeg echter opdracht te blijven en slechts één compagnie kreeg opdracht richting Dubbeldamse weg te trekken. Uiteindelijk lukte het de Duitsers om het Park Merwesteijn te bereiken en daar de aanwezige stafeenheden van de Lichte Divisie alsmede een batterij KRA te verjagen. Het betekende dat ook de verdedigers op de as van het stadsfront toen in de flank werden bedreigd, waardoor ook zij een stap terugdeden. Uiteindelijk liep de Duitse operatie muurvast in het gebied even ten noorden van het spoor. Het hele gebied was echter een hel voor alle militairen die er vochten. Geen straat of steeg was veilig en het leek wel alsof het ene huis Duits, het andere Nederlands was.

Gedurende de middag was kolonel Van der Bijl door de C-VH geïnstrueerd zelf het bevel in Dordrecht op zich te nemen. Dat was mede veroorzaakt door een rel rond de kantonnementscommandant, die later [vroeg in de avond] zelfs op instigatie van zijn eigen adjudant door de C-Groep Kil – in diens absentie, door diens chef-staf kapitein Calmeijer – was ontzet van zijn functie. Overste Mussert was echter niet voor één gat te vangen en nam contact op met de C-VH, zijn enige superieur. Deze maakte zijn zoveelste blunder door de overste onmiddellijk in zijn functie te herstellen, met als slap compromis om de C-LD de leidende militaire autoriteit te maken in de stad. De tegenmaatregel van de C-VH verwarde de uiterst complexe bevelssituatie alleen maar meer.

Overste Mijsberg van de LD nam ondertussen het besluit om de troepen van de Lichte Divisie in de late avond terug te nemen achter de binnenstedelijke grachten, wat betekende dat men een forse stap terugdeed. De gedachtegang was echter hen op adem te laten komen, eten en drinken te verschaffen, van nieuwe munitie te voorzien en te hergroeperen. Een onbegrijpelijk besluit dat zou worden gevolgd door een later op te zetten hernieuwd offensief tegen de Duitse penetratie van Dordrecht. Alsof de Duitsers dan zomaar weer uit de verlaten sector zouden kunnen worden geworpen! Diezelfde Duitsers hadden pas laat door dat de Nederlanders een buffer hadden laten ontstaan en trokken slechts ten dele in het ontruimde gebied op. Zo ging men de nacht in.

Het Eiland van Dordrecht

De beide bataljons III-2.RW en I-2.RW [min de 1e Compagnie] lagen onderwijl al die tijd min of meer passief in hun afwachtingsgebied op de eerste doellijn, in afwachting op aansluiting door het derde bataljon. Daarbij had slechts het eerstgenoemde bataljon enig gevechtscontact, terwijl het tweede in het geheel niets merkte van vijand in de omgeving. Beide bataljons waren ongewis van de strijd in Dordrecht, hoewel de kakofonie aan krijgsrumoer toch beduidend groter moet zijn geweest dan men tot dan toe had meegemaakt. In de vroege avond kregen de beide bataljons opdracht zonder het derde bataljon op te rukken naar de tweede doellijn. Eindelijk was het kwartje gevallen dat men zich niet kon permitteren te wachten. Daar was wel een andere gebeurtenis voor nodig geweest.

Het was namelijk rond 1500 uur toen een voorhoede van een verkenningseenheid van de 9e Panzerdivision bij Zevenbergsche Hoek contact maakte met de parachutisten in het bruggenhoofd Moerdijk. Een aantal pantserwagens van de verkenningsgroep van Major Lüttwitz, versterkt met een compagnie gemotoriseerde infanterie van SR.11 (6./SR.11) en enige stukken gemechaniseerd 3,7 cm FLAK, meldden zich even later bij Hauptmann Fritz Prager, commandant van II./FJR1. De blijdschap aan de kant van de parachutisten was begrijpelijk groot. Kort nadien zette de Duitse formatie door naar Tweede Tol, waar Oberst Bräuer met zijn staf met blijdschap de rijksweg op liep en vaststelde dat zijn regiment de zware taak er bijna op had zitten. Duidelijk werd echter dat de hoofdmacht van 9.PD nog ver verwijderd was en pas in de loop van de nacht zou aansluiten. Het moreel van de Duitsers kon echter niet meer stuk.

Onderwijl had kolonel Van der Bijl opdracht gegeven westwaarts door te stoten met de formaties die onder Dordrecht lagen. Hij had zich met de overste Van Diepenbruggen verhouden en diens instructie tot passiviteit van de beide onder de stad liggende bataljons tot aansluiting van het derde bataljon bekritiseerd. Hij gaf direct opdracht met volle kracht door te stoten. Daarbij was de C-LD echter niet duidelijk geworden dat de Duitse formaties die rond de zuidelijke grens van de stad lagen bij elkaar circa twee bataljons sterk waren. Zou hij die wetenschap hebben gedragen dan zou hij vrijwel zeker zijn opdracht tot doorstoten in het hart van het Eiland niet hebben gegeven. Een kapitein uit de divisiestaf werd naar de beide bataljons toegestuurd om hen naar voren te manen, waarbij de aanvalsrichting Tweede Tol moest zijn. De Nederlandse verbanden ter plaatse waren ruim twee bataljons sterk, want naast de beide bataljons Wielrijders (min een compagnie) waren er de restanten infanterie van I-28.RI (een met enige mortieren en mitrailleurs versterkte compagnie sterk) en ongeregelde verbanden van III-14.RA. Bovendien was er een batterij 7-veld van het KRA aanwezig. De ingezette aanvalsstoot had enig succes. Men wist de zwakke Duitse beveiliging op het telkens van eigenaar wisselende kruispunt Zeedijk-Schenkeldijk te verdrijven. Maar spoedig nadien viel mortier- en enig artillerievuur op de dijk, waardoor iedere verdere voortgang werd geblokkeerd. De rechtervleugel, die via Rustenburg richting rijksweg had moeten doorstoten, had zich al na enige honderden meters door mitrailleurvuur laten afwijzen en keerde geslagen terug in de uitgangspositie.

Aan Nederlandse kant wist men inmiddels van de aankomst van Duitse pantserwagens, maar weigerde geloof te hechten aan de meldingen die binnenkwamen. Binnen Groep Kil werden de pantserwagens gemeld door de artillerie en infanterie bij Strijen. In Dordrecht werd men op ongebruikelijke wijze geïnformeerd. De adspirant-officier die zich op 11 mei uitzonderlijk had onderscheiden bij de bestrijding van nieuw gelande parachutisten, de jonge vaandrig Marijs, werd door de Oberst Bräuer bij zich geroepen en geinstrueerd een boodschap over te brengen aan de Nederlandse troepencommandant te Dordrecht. De intentie van Bräuer was dat de Nederlanders in de wetenschap van de macht van pantserwagens en tanks, de strijd in Dordrecht zouden staken. De vaandrig was niet zomaar bereid de Duitse instructie te volgen, maar eiste de pantserwagens met eigen ogen te kunnen zien. Dat geschiedde, waarna hij naar Dordrecht werd gestuurd en daar spoedig aankwam. Daar ontving hij louter ongeloof. De C-LD informeerde de C-VH, die het verhaal van de vaandrig niet geloofde. Het algemene beeld was dat de vaandrig zich voor de Duitse zaak inspande, waarop deze werd gearresteerd. De C-VH claimde dat Franse tanks verwacht werden en geen Duitse. Een zaak die later onterecht aan de overste Mussert zou worden opgehangen, terwijl zowel de Groep Kil als de staf VH vanaf 11 mei tientallen berichten naar diverse commando’s rondstuurden met de aankondiging van Franse tanks wiens aankomst aanstaande was en op 12 mei waarnemingen van eigen mensen als onzin afficheerden. Niet Mussert maar het commando Vesting Holland was de veroorzaker van die berichten over Franse tanks. De zo plichtsgetrouwe vaandrig Marijs kon erover meepraten. Overigens werden in Den Haag op het AHK vele meldingen van Duitse tanks die in opmars waren door Noord-Brabant met hetzelfde ongeloof bejegend. Men verwees de vele meldingen rechtstreeks naar het land der fabelen.

Onderwijl had zich bij Wieldrecht ook het een en ander afgespeeld. Ter ondersteuning van de operatie van de Lichte Divisie zou de Groep Kil namelijk opnieuw – voor de derde keer in drie dagen – een bruggenhoofd veroveren bij dit plaatsje, zodat later de LD ter plaatse eenvoudig zou kunnen oversteken naar de Hoekse Waard. Groep Kil had maar één eenheid beschikbaar die de missie op zich kon nemen, en dat was 3.GB. Het bataljon had de dag voordien niet geëxcelleerd bij haar actie langs de Oude Maas. Wieldrecht was op 11 mei in de late middag weer aan de Duitsers toegevallen, nadat de restanten van het bataljon Ravelli daar tot overgave waren gedwongen door parachutisten van twee compagnieën van III./FJR1. Op 12 mei kreeg 4-3.GB opdracht het dorpje weer te heroveren. De Duitsers zaten op enige afstand, langs de rijksweg, en konden alles waarnemen. Toen de compagnie werd overgezet ontving men direct al mortiervuur, waarbij een dode viel. Vervolgens ontplooide de eenheid zich snel in Wieldrecht, maar ontving daarbij mitrailleurvuur vanaf Amstelwijk en Gravensteijn. De Nederlanders ontwikkelden zich vervolgens langs de dijk in zuidelijke richting en ten oosten van het dorp. Daarbij werden spoedig Duitse tegenacties ingezet, die vakkundig, maar met verlies van talrijke slachtoffers, werden gepareerd. Ook de Duitsers, van 10./ en 11./FJR1, leden verliezen. De Nederlandse actie was aan Duitse kant bovendien als dreigend ervaren, wat gezien de Duitse ontplooiing rond Dordrecht begrijpelijk was. Een Nederlandse aanval vanuit Wieldrecht gericht tegen de winkelhaak rond de stad zou de Duitsers immers zwaar kunnen opbreken. In de ochtend echter was een (mogelijk) tragische samenloop van omstandigheden aanleiding voor verliezen geweest door eigen vuur. De eerder besproken voorhoede van 2.RHM was na door de tunnel bij het spoor te zijn gekomen, brutaal door de Duitse linie gereden en richting Wieldrecht gegaan. Daar werd zij echter mogelijk door het vuur van het grensbataljon tot stoppen gedwongen, wat maar liefst zeven doden had opgeleverd. Het misverstand werd opgelost en enkele huzaren vonden daarna aansluiting bij het bruggenhoofdje in Wieldrecht. Een andere versie van de 'tragedie' is dat de huzaren motorrijders op Duitsers van de stadsafgrendeling stuitten en door hen sterk werden beschoten, met de doden als gevolg. Voor die versie lijkt auteur dezes meer te zeggen dan voor de geijkte 'eigen vuur' geschiedenis. Een Duits verslag van 2./FJR1 maakt namelijk gewag van het uitschakelen van een motorafdeling in de ochtend van 12 mei, waarbij vijf motoren werden uitgeschakeld en vijf Nederlandse doden werden geteld. Gezien de positie van 2./FJR1 in het zuidwesten van de stad, is het aannemelijker dat zij de doden onder de Huzaren Motorrijders veroorzaakten dan de grenstroepen bij Wieldrecht.

Tegen 2000 uur kreeg het bruggenhoofd Wieldrecht te maken met aandringende Duitse formaties van III./FJR.1. Vanuit het zuiden en oosten drongen parachutisten door tot vlakbij het Nederlandse bruggenhoofd. De Nederlanders verzetten zich echter fel en wezen iedere Duitse benadering af. Na 2100 uur werd het weer rustig. De Duitsers zullen gedacht hebben dat ze het de volgende dag wel met steun van tanks zouden klaren.

Een laatste vermeldenswaardige actie op het Eiland was een bescheiden gebeurtenis. De C-Groep Kil verzocht twee patrouilles informatie in te winnen in de sector Catharinahoeve – Willemsdorp. Zij moesten op twee punten de Kil oversteken en informatie inwinnen omtrent de Duitse troepensterkte en eventueel vruchtbare doelen voor de artillerie identificeren. Beide patrouilles bereikten veilig de oostzijde van de Kil. De meest noordelijke patrouille maakte aantekeningen van het Kilfront rond de Wacht en Catharinahoeve en keerde terug. De zuidelijk patrouille landde vlakbij het veel beter bezette Willemsdorp. De rapportage aan Duitse kant richting de bataljonscommandant van II./FJR1, die onder de Moerdijkbrug zat, was zodanig dat een Nederlandse actie over de Kil werd verwacht. De Duitsers vuurden intensief op de oever, waarbij ook één der patrouillelede sneuvelde. De Nederlanders keerden nadien terug en gaven hun gegevens door aan Puttershoek, waar het stafkwartier van de Groep Kil zat. Mede op basis van de gegevens van de patrouilles werden enkele artillerievuren op Willemsdorp gelegd.

In de avond reeds werd een tweede verkenningsgroep van 9.PD in het zuidelijke bruggenhoofd bij Moerdijk ontvangen, nadien gevolgd door II./SR.10 dat in de late uren het bruggenhoofd bereikte. Daarmee was een zodanige aansluiting gevonden dat een succesvolle Franse tegenactie onwaarschijnlijk was geworden. De Duitse hoofdmacht zou pas haar eerste aansluiting vinden gedurende de vroege morgen, toen de eerste formatie tanks de Moerdijkbruggen bereiken zou.

Rotterdam

Opnieuw veranderde het frontbeeld in de Maasstad niet, die 12e mei 1940, maar wel vonden er met name aan Nederlandse kant grote verschuivingen plaats. Er waren inmiddels versterkingen in de stad aangekomen gedurende de 11e en 12e mei. Zij bestonden uit zes bataljons infanterie [IV-10.RI, I-11.RI, IV-15.RI, III-21.RI, II-25.RI en II-32.RI]. Daarnaast kwam van 11.RI de regimentstaf mee, die als infanteriestaf in Rotterdam zou gaan fungeren, alsmede de tot dat regiment behorende compagnieën mortieren en PAG. Een aparte sectie PAG uit Leiden werd ook nog toegevoegd. 

Gedurende de 11e en 12e mei werden de nieuwe eenheden geleidelijk verdeeld over een nieuwe georganiseerde afweer. Twee bataljons leverden eenheden die langs de Nieuwe Maas oever op noord de posities overnamen van de depottroepen en mariniers. Andere eenheden werden ingezet om de noord en oostgrens van de stad te beveiligen. Een deel der troepen bleef in reserve, net als de depottroepen die de eerste kastanjes uit het vuur hadden gehaald, maar waarvan een bescheiden deel ook nog in de verdediging langs de Nieuwe Maas bleef liggen. Zo werd aan de oostzijde van het front een mengelmoesje aan troepen gehandhaafd, waarbij zelfs een burgerwachtvendel (bij de waterzuivering) betrokken was en voorts marinetroepen inclusief enige mariniers. Het zwaartepunt rond de bruggen was door reguliere infanterie bezet geworden, maar deze ondernam geen offensieve actie.

Een zaak die wel aantekening verdient is de activiteit van de Luftwaffe. Deze toonde zich op de derde dag zeer actief in het uitvoeren van prikacties tegen doelwitten in het noorden van de stad, waarbij vooral Stuka’s werden ingezet. Diverse strategische gebouwen werden door bommen vernield of zwaar beschadigd. De stations werden gebombardeerd, de marinierskazerne op het Oostplein en enkele havenlocaties. Bij de bombardementen vielen niet heel veel slachtoffers, maar ze hadden wel een shockerend effect op menige militair. Hier en daar brak paniek uit. Daarbij werd vooral algemeen betreurd dat het historische gebouw van de mariniers aan het Oostplein zo zwaar beschadigd was geraakt.

Belangrijk was voorts dat men in Den Haag eindelijk actie had ondernomen om de ondermaats bedeelde lokale legerleiding in Rotterdam van ondersteuning te voorzien. Het had drie dagen geduurd, maar op de 12e werd dan eindelijk een bescheiden aanvulling gezonden van drie officieren van de Generale Staf, waarvan één opmerkelijk genoeg de chef operatieën van het AHK zelf was, de overste Wilson. Deze laatste had bovendien volmachten van de OLZ gekregen om in geval van zwaarwegende besluiten de OLZ te mogen vertegenwoordigen in Rotterdam en zo besluitvaardigheid en daadkracht in de Maasstad te bevorderen. Als bonus nam de overste drie moderne pantserwagens M.38 mee [twee van 2-2.Esk.Paw en een van 3-2.Esk.Paw], die allen met een effectief 3,7 cm kanon waren bewapend, naast drie 7,9 mm Lewis cavaleriemitrailleurs. De GS officieren werden met de pantserwagens veilig vervoerd, waarna deze enige tijd ter beschikking bleven. Twee van deze pantserwagens zouden later nog – op 13 mei – een rol spelen in de stad bij de mariniersaanval op de Wilemsbrug, maar na het afzetten van de officieren op 12 mei kreeg men eerst opdrachten bij Overschie.

De Duitsers kregen steeds meer te maken met munitieschaarste. De aanvoer haperde, de algemene bevoorrading van de Duitse operatie net zo. Er ontstond aan Duitse kant een groot tekort aan afwerpcontainers. Al in de loop van de tweede oorlogsdag was men op de bomvormige containers over gegaan, die veel sneller naar beneden kwamen waardoor de parachutes nauwelijks ontplooiden voor de grond werd geraakt. Het gevolg was dat veel van het afgeworpene, zoals munitie en granaten, onbruikbaar werd. Zo kende de 8 cm mortieren vanaf de derde oorlogsdag een nijpend tekort aan granaten. Ook de artillerie was inmiddels toegewezen op zulke schaarse voorraden dat slechts mondjesmaat gevuurd kon worden. Dat laatste was voor het Rotterdamse geen relevante zaak, maar elders gold het wel als probleem.

IJsselmonde

Er werd op de derde oorlogsdag één landgevecht gevoerd op het Eiland IJsselmonde, en dat was bij Spijkenisse. Een compagnie van IR.72 [1./IR.72] – ondersteund door vermoedelijk twee mortieren van 4./IR.72 – viel vanuit Hoogvliet aan op de brug en raakte in vuurgevecht met de verdedigers [sectie van 3-I-39.RI met een zware mitrailleur van 11.MC als ondersteuning] aan de Spijkenisse zijde van de lange hefbrug. De Duitse poging de brug bij verrassing in te nemen mislukte. De aanvaller had twee doden te betreuren, waaronder een pelotonscommandant. Aan Nederlandse zijde vielen eveneens twee doden. De reden voor deze – op het oog zinloze – Duitse actie is in de bronnen niet terug te vinden.

Vliegveld Waalhaven was wederom doelwit van artillerie en luchtaanvallen. Twee Fokker C-X’s lieten eind van de middag twaalf bommen van 50 kg los [vier bommen weigerden van de rekken los te komen] op het volgepakte landingsterrein en wisten nadien veilig weer naar Bergen terug te keren. Twee andere gelijktijdig vertrokken C-X’s bombardeerden het Feyenoord parkeerterrein waarvan men vermoedde dat het als hulpvliegveld fungeerde. In de avond werd door Coastal Command [Britse marineluchtvaartdienst] met negen Fairey Swordfish I [815 Squadron FAA] dubbeldeks bommenwerpers en zes Bristol Beaufort I [22 Squadron] een aanval op Waalhaven uitgevoerd, waarbij naar verluid een dertigtal bommen op het veld werd afgeworpen. Eén Swordfish [Lt A.S. Downes, Lt R.W. Little] werd door FLAK neergehaald en stortte neer bij Oud Herkingen. De bemanning wist via Antwerpen weer naar Engeland te ontsnappen. Aan het eind van de dag werd Waalhaven voor vliegverkeer gesloten. Het veld was door de honderden granaat- en bominslagen in een kraterlandschap veranderd. Slechts sporadisch zouden nog Duitse vliegtuigen landen op stukken weg die door de troepen daartoe geschikt waren gemaakt.

Hoekse Waard

In de Hoekse Waard gebeurde die dag niet erg veel bijzonders. Men was in afwachting van de Lichte Divisie, die men via de ondersteunende actie bij Wieldrecht – eerder al beschreven – trachtte te assisteren. Ook de kwestie van het kortstondig afzetten van de kantonnementscommandant van Dordrecht door de chef-staf Groep Kil werd al eerder genoemd.

De artillerie in de Hoekse Waard werd een aantal maal aangevallen, waarbij een grote luchtaanval in de avond van 12 mei de meeste schade aanrichtte. Een eskader bommenwerpers viel diverse artillerieposities aan. Daarbij werden weliswaar bij 25.AA [met oud vesting geschut uitgerust] twee vuurmonden vernield, maar beide waren ruim voordien al wegens mechanische storingen buiten gebruik geraakt. Het deerde de bestaande vuurkracht van de afdeling dus niet. Nergens werden actieve vuurmonden geraakt en dodelijke slachtoffers waren er niet te betreuren. Duitse verslagen maken alom gewag van het gadeslaan van de afstraffing voor de door hen als lastig ervaren artillerie, maar de teleurstelling werd nergens uitgesproken dat kort na het bombardement de artillerie het vuur weer gewoon opende alsof er niets was gebeurd. De luchtaanvallen veroorzaakten echter ook schade aan burgerpercelen en wegen, waarbij – niet alleen op deze oorlogsdag – talloze burgerslachtoffers te betreuren zouden zijn.

Noord-Brabant

De Duitse opmars door Noord-Brabant bleek onstuitbaar. De Nederlandse verdediging was zo goed als niet bestaand geworden na de ontwrichting wegens de Duitse doorbraak langs de Zuid-Willemsvaart. De geimproviseerde defensie langse de Vaart was in de late middag van 11 mei op talloze plaatsen gepenetreerd door Duitse eenheden. Nadien was een aanzienlijk deel van de verdedigers gevangen genomen of ergens geïsoleerd in dekking gegaan. Een groot deel stroomde echter westwaarts en kwam uiteindelijk in plaatsen als Tilburg, Breda, Etten, Roosendaal, Bergen op Zoom en Willemstad terecht, terwijl delen zelfs de Belgische grens overstaken of naar Zuid-Beveland en Walcheren doortrokken. Vrijwel al deze groepen waren qua gevechtskracht verwaarloosbaar geworden. Het gros had de wapens weggeworpen of was in shock. Dat laatste was mede veroorzaakt door het feit dat op 11 en 12 mei de Luftwaffe bijzonder actief was gaan jagen op de sectoren die in IX.AK en XXVI.AK hun opmarsgebieden lagen. De Franse formaties fungeerden als magneten voor de Luftwaffe, maar daarbij werden uiteraard Nederlandse eenheden (en burgers) niet ontzien. Bommen werden langs – bewust niet op [men had de wegen zelf nodig voor de opmars der tanks] – de wegen gegooid en regelmatig doken jagers mitraillerend over de colonnes vluchtelingen. Het kostte niet alleen slachtoffers, maar leverde vooral een enorme psychische belasting op voor de troepen. Daarom kwamen veel gevluchte militairen laveloos en ordeloos in het westen van de provincie Noord-Brabant en in Zeeland aan. Mede veroorzaakt door het feit dat het overgrote deel der officieren meende dat zij zich gemotoriseerd en gescheiden van hun troepen mochten terugtrekken. Ze waren tenslotte officieren! Het waren deze ordeloze troepen die op de Franse militairen en de verdedigers in Zeeland diepe indruk maakten. Zij die deze formaties aanschouwden dachten dat deze mannen volkomen waren gebroken door de verschrikkingen van een schier onoverwinnelijke vijand. De werkelijkheid was anders, maar dat werd niet uitgelegd.

De Franse strategie haperde evenzo. De ontwikkelingen in België, waar de meest voorname strijd werd gevoerd, waren zodanig dat het Plan Dyle-Breda werd gedevalueerd. Niet Tilburg zou de voorverdediging meer vormen, maar Breda. Het leidde tot een catastrofale Franse opdracht aan de burgemeester van Breda om de gehele stad te evacueren. De stad, die toch al zo te leiden had onder de Franse aanwezigheid en telkens bomaanvallen in haar buitenwijken ervoer. Bovendien bepaalde de Franse commandant dat men alleen maar zuidwaarts mocht evacueren. Alle overige wegen hadden de Fransen zelf nodig. Er zou spoedig een exodus op gang komen van burgers die naar België trokken en onderweg de gruwelen van Luftwaffe aanvallen zouden ondergaan. Menigeen zou later naar Breda terugkeren en zijn of haar huis vernield of zwaar beschadigd aantreffen. Een tragedie voor de burgers van de stad.

Op diezelfde 12e mei was de Nederlandse commandant van de Peeldivisie nog volop bezig alsnog een nieuwe defensie te vormen met de restanten van zijn troepen. Hij commandeerde gedurende de nacht zijn staf wederom te verplaatsen – de enige bezigheid waarin men routine ontwikkelde gedurende de oorlogsdagen – en deze keer naar Princenhage (bij Breda). Toen de kolonel de staf korte tijd later nareisde trof hij in Princenhage slechts een korporaal die hem kon informeren dat de staf doorgereden was naar Roosendaal omdat Princenhage steeds werd gebombardeerd. De kolonel zelf wilde zijn troepen niet in de steek laten en contact met de voorste Franse eenheden behouden. Hij reed daarom terug naar Tilburg, samen met zijn gevechtsstaf. Bij Loon op Zand reed hij rond 0500 uur met zijn escorte echter recht in de voorste verbanden van een verkenningseenheid van de 9e Panzerdivision. Hij werd onmiddellijk naar achteren doorgestuurd en verhoord. Pas op dat moment kregen de Duitse commandanten van de eenvoudig uit de school klappende Peeldivisiestaf de waardevolle informatie dat ze niet tegen het 3e Legerkorps hadden gevochten, maar tegen een achterhoede. Het zal hun ego’s geen goed hebben gedaan.

De Franse aanpassing van de strategie, waarbij het zwaartepunt in het noorden was komen te liggen rond de Schelde en Antwerpen, betekende formeel het einde van alle kansen om de Duitse troepen verbinding met Moerdijk te ontzeggen. De Franse voorhoedes trokken zich terug in de sector ten westen van Breda en ten zuiden van de autoweg Breda – Roosendaal. Maar zelfs voordat dit nieuwe dispositief was bereikt, was de voordien geldende beveiliging oost en noordwest van Tilburg niet tot stand gekomen. Slechts 6.RC en 4.DRP hadden hun posities ingenomen, maar ten noorden van Tilburg werd de ijle verdediging niet gecontinueerd, omdat de verkenningsformatie die voorzien was (Groupe Lestoquoi) om die meest noordelijke sector te bezetten simpelweg als tweede verdedigingslinie onder Breda was aangetrokken. Omdat de Fransen geen enkel doel meer zagen in de Duitsers Moerdijk te onthouden, hadden ze de verdediging tussen Breda en Geertruidenberg losgelaten en zodoende lag de gehele marsroute naar Moerdijk open voor de Duitsers. Het betekende dat al om 1500 uur Nederlandse tijd de voorste verkenningsgroep van Major Lüttwitz in staat was Zevenbergschen Hoek binnen te rijden. Enkele uren later volgde een tweede formatie, op hun beurt gevolgd door een geheel bataljon gemotoriseerde infanterie. Daarmee was het pleit beslecht. De hoofdmacht, bestaande uit de tanks en artillerie van de Duitse tankdivisie, zou gedurende de nacht voor een belangrijk deel Moerdijk bereiken en de verkeersbrug oversteken. Slechts een klein deel van de divisie (inclusief een tankbataljon) zou als afscherming aan de zuidzijde blijven liggen en Breda gaan zuiveren.

De Fransen zouden niets tegen de Duitsers ondernemen. Ze hadden zich op de 11e mei al gerealiseerd dat met de snelle Duitse opmars in de Belgische Kempen en richting het Gat van Gembloux, de Breda variant op het Dyle plan al in groot gevaar was gekomen. De Duitsers dan ook nog eens Moerdijk ontzeggen, paste in het geheel niet in de Franse strategie. Daarmee zouden de Fransen immers het onheil over zichzelf afroepen, door de gehele Duitse strijdmacht die door Brabant opstoomde – en die via Moerdijk de Vesting Holland in wilde rollen – op henzelf te richten. De Fransen hadden er slechts baat bij dat Moerdijk voor de Duitsers open bleef. Maar dat ontging Den Haag, die alle kaarten op de Fransen bleef zetten voor herneming van Moerdijk.

Balans van een dag oorlog

Zo desastreus als de voorgaande twee oorlogsdagen was de strijd op 12 mei niet verlopen. In feite gebeurde er niet zo veel werkelijk gewichtigs, althans niets dat operationeel van groot belang was. De strijd rond en in Dordrecht markeerde het zwaartepunt van de derde oorlogsdag en daar toonde het Nederlandse leger tanden. Zoals Dordrecht op het zuidfront in veel opzichten – ondanks de vaak tendentieus geschreven geschiedenisboekjes waarin het vermeende verraad van overste Mussert de hoofdrol lijkt te spelen – de witte raaf was. Want daar waar de strijd in Rotterdam zwaar bepaald werd door de barriere die de Nieuwe Maas vormde, was de vierdaagse strijd in Dordrecht een volledig open slag, waar geen der partijen zich achter een - al dan niet natuurlijke - barriere kon verschansen.

De Dordtse depottroepen waren op de derde dag versterkt met meer dan een regiment van de Lichte Divisie. Van die versterking werd ongeveer anderhalf bataljon actief betrokken bij een ontmoetingsgevecht met een Duitse aanvalsgroep, die in de nacht van 11 op 12 mei was gevormd door Kurt Student om eindelijk Dordrecht onder controle te krijgen. Zo’n 350 man infanteristen en artilleristen en ongeveer 200 man extra parachutisten van het 2e Regiment werden naar het zuiden van Dordrecht vervoerd met als doel de stad in te sluiten en de weerstand te smoren. De toevallige Nederlandse troepenopbouw in de stad – die in wezen het doel had om vanuit Dordrecht een regimentsaanval op te zetten door het hart van het Eiland – was een onbewust effectieve Nederlandse tegenmaatregel gebleken. De naar het zuiden optrekkende Nederlandse bataljons kwamen deels in aanraking met de vanuit het zuiden aanvallende Duitse compagnieën. Het gevolg was dat de gehele middag en avond hard werd gevochten aan de stadsrand, met als brandpunt de spoorlijn.

Het resultaat van de gevechten was echter dat men weliswaar aan Nederlandse kant kon stellen dat de Duitse opzet om de stad onder controle te brengen grotendeels mislukte, maar tegelijkertijd dat de laatste Nederlandse kans om een stuk controle over het Eiland terug te krijgen eveneens in de kiem werd gesmoord. Want zelfs een laat in de middag gegeven bevel om met de twee vrije bataljons ten zuiden van de stad alsnog de rijksweg te benaderen en Duitse troepen onderweg uit te schakelen, mislukte volledig. Zodoende was de laatste Nederlandse hoop verloren, hoewel men dat aan Nederlandse kant nog niet besefte. Zou men geweten hebben dat een tankdivisie de volgende nacht de bruggen bij Moerdijk zou overschrijden, dan zou men wellicht meer risico hebben genomen. De vraag blijft echter of met de lage gevechtskracht en de rudimentaire Nederlandse gevechtstactiek dusdanig succes zou zijn behaald dat de gebeurtenissen, die op 13 mei zouden ontvouwen, enigszins zouden zijn beïnvloed. Men is geneigd die vraag ontkennend te beantwoorden.

Aan het einde van de dag was van de Duitse opzet meer geslaagd dan van de Nederlandse. De Duitsers hadden weliswaar Dordrecht niet onder controle gebracht, maar waren er wel in geslaagd de Nederlandse defensie terug te dringen tot ruim noord van het spoor, in de gehele centrale en oostelijke sector van de stad. Bovendien hadden zij een voorname Nederlandse tegenaanval, met meer dan een regimentssterkte, verijdeld. Overigens zonder dat te beseffen. De Nederlanders waren niets opgeschoten. Ze hadden intussen een 4,500 – 5,000 man sterke legermacht bijeen gebracht, waarvan inmiddels het grootste deel veldlegertroepen, maar hadden geen enkele progressie geboekt.

Ten zuiden van het Hollands Diep had het Uur U geslagen. De Fransen hadden hun strategie op de derde oorlogsdag naar een lager ambitieniveau bijgesteld en zodoende het Plan Dyle-Breda opgegeven. Dat was strategisch gezien al 24 uur te laat gebeurd, maar de bewegingen der lokale Franse commandanten was in die 24 uur al aan alle kanten gebaseerd geweest op ongeloof in het Dyle-Breda plan. Dat kwam wel het meest tot uiting door het feit dat de linie die voor Tilburg een voorverdediging moest vormen in 48 uur tijd niet tot stand kwam, met daarbij een hoofdrol voor de eenheid die tussen de Bergsche Maas en Tilburg de laatste schakel had moeten vormen, maar bewust niet in die positie kwam. Toeval of niet, het was voor de Duitsers precies de open deur die nodig was om de voorhoedes van 9.PD tijdig – zelfs sneller dan het snelste schema – bij Moerdijk te laten aansluiten op het luchtlandingsbruggenhoofd. De Fransen trokken zich terug en lieten de Duitsers de corridor richting Vesting-Holland. Een opening die de druk voor de Fransen in elk geval enige tijd kon verlichten, zo beseften zij maar al te goed.

In Den Haag was geen enkel benul van wat zich onder Dordrecht afspeelde. Men toonde zich volkomen indolent voor alles onder het zuidfront, omdat men dit in goede handen achtte bij de Fransen en zich op de eveneens bedreigende fronten elders wilde concentreren. Het vertrouwen in de Fransen was niet zo heel vreemd. Die hadden immers een machtig leger en Gamelin had zelf de OLZ op 10 mei beloofd dat hij zou bijdragen aan een herneming van Moerdijk. Tegenstrijdig was echter dat het Winkelman zelf was geweest die in maart en april 1940 zijn twijfel over Franse toewijding ten bate van het Nederlandse front ernstig in twijfel had getrokken, en met reden. Het schudde tijdens de strijd echter kennelijk niemand wakker dat op de derde oorlogsdag van Franse herneming van Moerdijk - sowieso enig Frans succes in Nederland - nog niets te merken was, hoewel men wist dat al in de nacht van de eerste oorlogsdag de Franse eenheden aankwamen in het operatiegebied. Ook vroeg men zich kennelijk niet af welk Frans belang gediend zou zijn bij het door de Nederlanders laten vernielen van de Moerdijkbruggen. Want een analyse van de niet al te abstracte hypothese dat de Fransen wellicht meer baat zouden hebben van een intacte Moerdijkbrug had ontegenzeglijk moeten leiden tot het antwoord dat de Fransen eerder voordeel zouden hebben van een voor de Duitsers beschikbare dan een vernietigde Moerdijkbrug.

Men toonde zich in Den Haag horend doof en ziende blind voor alle informatie die uit Brabant kwam over het progressief optrekken van grote en zware Duitse verbanden. Zelfs naoorlogs durfden de hoofdrolspelers uit Den Haag, de generaals Winkelman en Van Voorst tot Voorst, kritiek op hun lichtvaardige ontkenning van de overdaad aan meldingen te afficheren als de eenvoud van de 'kennis van heden'. Platitudes van een formaat dat regelmatig door de bevelhebbers uit de meidagen zou worden gebruikt om hun minder gelukkige beslissingen te camoufleren. Maar een goed strateeg had een optelsom gemaakt van tenminste drie tijdens de meidagen valide argumenten: 1) de waarschijnlijke bedoeling achter een Duitse luchtlanding die kennelijk het bezit van drie (vier) opeenvolgende brugparen tot doel had, 2) de uitblijvende Franse herneming van de Moerdijkbruggen en 3) de stroom aan rapporten over grote Duitse formaties in Noord-Brabant. Die drie vraagstukken waren, ook met de kennis van die dagen, door bevelhebbers met de juiste strategische inzichten in elk geval aanleiding geweest te bevroeden dat de strategie zoals de generaals Roëll en Reynders enige jaren daarvoor voor zeer aannemelijk hadden gehouden, wel eens bewaarheid zou worden. De strategie die deze capabele Nederlandse generaals als meest aannemelijk voor ogen hadden gehad, was er één waarbij een sterk Duits leger door Noord-Brabant zou trekken en zowel de regio Antwerpen als het Zuidfront Vesting-Holland zou gaan bedreigen. Het voorgaande gezegd hebbende, was de verdediging van generaal Winkelman naoorlogs dat hij werd geconfronteerd met de ‘kennis van vandaag’ dus wel erg goedkoop. Het had hem gesierd als hij had toegegeven dat de legerleiding had gefaald om de Duitse strategie op de merites te beschouwen tijdens de meidagen, ondanks het feit dat men talloze aanwijzingen had hoe die strategie er op hoofdlijnen uit zou zien. De aanwijzingen waren immers wel heel sterk dat op de inname van de bruggenparen, die ontegenzeglijk een corridor recht in het hart van de Vesting-Holland prijs gaven, gevolgd zou worden door aansluiting met een door Brabant oprukkend landleger. Want niet alleen wedde men veel te eenzijdig op Franse steun, maar men gaf er ook blijk van tot aan de vroege ochtend van 13 mei de Duitse opmars niet te hebben verwacht!

Hoe verrast men in Den Haag was, zou blijken toen de klok de eerste minuten van 13 mei aanwees. Het bevel dat de vorige drie gevechtsdagen van kracht was geweest om de bruggen bij Moerdijk vooral niet te vernietigen werd omgezet in een bevel de bruggen met artillerievuur en de laatst overgebleven ML bommenwerper zo spoedig mogelijk wel te vernielen. Men had via de meeluisterpost in Den Haag namelijk om middernacht van Radio Bremen vernomen dat een Duitse tankdivisie de Moerdijk had bereikt. Dat bericht op de ‘vijandelijke’ radio geloofde men opvallend genoeg wel.

De gebeurtenissen op het zuidfront – of beter gezegd – onder het zuidfront, waren de derde oorlogsdag dus beslissend gebleken. Met het gegeven dat de Duitsers stevig bezit hadden van de Moerdijkbruggen, de bruggen bij Dordrecht en die bij Rotterdam alsmede intussen aansluiting met de hoofdmacht hadden gemaakt, deed de klok één minuut voor twaalf slaan. Slechts mirakels zouden het Nederlandse lot nog kunnen veranderen.