14 mei 1940

Noord-Brabant

De vijfde oorlogsdag in Noord-Brabant zou zuiver ontluisterend Nederlands en Frans optreden tonen. Wat de Nederlanders betreft was de rol aldaar vrijwel uitgespeeld. Op sommige locaties waren nog min of meer georganiseerde verbanden aanwezig, maar zij werden stelselmatig genegeerd door de Fransen, die inmiddels andere zorgen aan hun hoofd hadden en – wie geeft hen ongelijk – van het Nederlandse leger geen enkele verwachting hadden.

[Overzichtskaarten]

Alleen in de oude vestingstad Willemstad was nog een onaangetaste Nederlandse defensie. Daar waren een compagnie infanterie en een halve MC – intussen versterkt met enige tientallen militairen van elders uit Brabant alsmede enige achterblijvers van 3.GB, waaronder ook een sectie mortieren. De defensie rond het vestingstadje was in feite een voorverdediging van de Groep Spui, Vak Numansdorp. Gezien de algemene toestand aan het zuidfront was er veel voor te zeggen geweest de positie Willemstad te ontruimen en de vrijgemaakte troepen elders in te zetten, waar werkelijke noodzaak was te vinden voor hun aanwezigheid. Daarvoor had Groep Spui niet gekozen. Men had de defensie zo gelaten als deze was, wat betekende dat de toegangswegen naar Willemstad provisorisch waren versperd, bruggen veelal vernield of grondig gebarricadeerd en dat op de toegangswegen enige zwak bewapende secties waren ingedeeld. Daarbij werd gebruik gemaakt van oude forten in de omgeving. Een ander deel van de bezetting was rond het haventje in Willemstad geconcentreerd waar ook het hoofdkwartier zat van de commandant van het geheel, de kapitein Meijjes, die tevens CC was van 1-I-39.RI. De kapitein Meijjes werd echter in de praktijk overvleugeld door de C-MC-I-39.RI [kapitein Isaäcs], die met zijn staf en twee secties mitrailleurs de defensie ondersteunde. Isaäcs was een daadkrachtige officier, die ervoor zorgde dat gedurende de eerste oorlogsdagen de zaken redelijk op orde waren. Maar de kapitein zou op de 13e in Dintelsas en nadien te Bergen op Zoom vertoeven en daardoor buiten beeld van de vestingverdediging blijven.

In de middag van 12 mei zocht en kreeg de kapitein Isaäcs contact met de Fransen, kon nadien de Groep Spui op de hoogte brengen van de Franse dislocatie en kreeg bevel om met de Fransen in contact te blijven. Enige tijd later werd hij door de Franse overste Moslard [C-12.GRDI, van Groupe de Beauchesne] geïnstrueerd om een brug bij Dintelsas te beveiligen. Groep Spui fiatteerde die opdracht, zodat de stelling Willemstad een aanzienlijk deel van zijn troepen verloor en haar meest daadkrachtige officier. Het was toen weer aan de zwak opererende kapitein Meijjes om de bezetting te leiden. Onderwijl was Franse assistentie beloofd, maar nooit gekomen. Zoals zo vaak stemden de Fransen nauwelijks af met de door hen als minderwaardig geachte Nederlanders. En de Fransen hadden tussen 12 en 14 mei de bordjes strategisch gezien al tweemaal verhangen. Willemstad was voor hen vanaf de avond van 12 mei niet interessant meer.

Vlak voor het middaguur van de 14e mei kwam een peloton zware pantserwagens [Gruppe Lüttwitz] met enkele motorrijders langs de Oostdijk richting Willemstad gereden. Daar stopten zij voor een barricade en werden prompt door Nederlandse mitrailleurs onder vuur genomen. Hoewel de mitrailleurs op de pantsers niets uithaalden, trokken de Duitsers weer weg, drie gewonden achterlatend. Maar even later bleken ze simpelweg te zijn omgereden en de stad vanuit het zuiden te willen benaderen. Dat bracht hen echter eerst bij het oude Fort de Hel, dat met een sectie en een zware mitrailleur bezet was. Een kwartier lang werd een vuurgevecht geleverd, waarbij de mitrailleurs van de Nederlanders wederom niets tegen de pantsers van de Duitsers uitrichten konden. Opeens was er een misverstand in het Fort en kreeg men bericht dat het Franse wagens waren, mogelijk mede veroorzaakt door de okergele lappen op de Duitse pantserwagens. Hierop werd op het fort een Nederlandse vlag uitgestoken. De Duitsers reageerden door te sommeren dat de Nederlandse commandant naar het hek moest komen. De plaatselijk bevelvoerende luitenant deed dit, werd gevolgd door vrijwel alle militairen in het fort en had toen geen andere keuze dan zich over te geven. Hoewel een handeling waar men vraagtekens kan stellen bij de lichtvaardigheid van de Nederlandse luitenant direct op de Duitse oproep te antwoorden, had men met de voorhanden lichte wapens geen schijn van kans gemaakt om het gevecht met enige kans op succes door te zetten. De bezetting werd gevangen genomen. Het had een epidemisch effect. Een ontsnapte sergeant meldde in Willemstad op de CP van kapitein Meijjes dat het fort de Hel zich had overgegeven. Tevens ontving de commandant een ultimatum dat aan de luitenant op de Hel was gegeven dat de stad zich om 1500 uur moest hebben overgegeven op straffe van een bombardement. De kapitein dacht even na en besloot toen toe te geven. In plaats van zijn mannen direct de oversteek naar Numansdorp te laten maken, besloot hij tot directe capitulatie. En zo geschiedde. De kapitein ging met een witte vlag richting Duitsers, zonder eerst te zorgen voor een kundige verspreiding van het nieuws. Menig militair in Willemstad besloot op eigen houtje ondertussen naar Numansdorp te vluchten, wat enige tientallen lukte. Enkele manschappen van de zuidwestelijke weerstand, die nog niet waren aangevallen, vluchtten richting Ooltgensplaat, waar ze aldaar in het dorp inkwartiering vonden. Andere soldaten, zoals enkele in een door een sectie bezet bastion op de oude oeververdediging aan de haven, waren na vertrek van het kader echter besluiteloos. Toen zij Duitse militairen ontwaarden in het stadje openden zij het vuur. De Duitsers waren furieus. Ze wilden de verdedigers executeren maar die zaak kon nog in de kiem worden gesmoord, doordat kapitein Meijjes opbiechtte de mannen niet te hebben verwittigd. Het lot van de verdediging van Willemstad had uitstekend voorkomen kunnen worden. De verdediging van het stadje had op 14 mei geen enkele zin meer en dat had Groep Spui moeten inzien. Tegelijkertijd was het optreden van de kapitein Meijjes onbegrijpelijk zwak geweest. Hij had er immers alle tijd voor gehad zijn troepen uit Willemstad te doen laten evacueren naar Numansdorp terwijl hijzelf onderhandelingen voerde. Het kwam kennelijk niet bij deze officier op.

In het zuidwesten van de provincie waren de ontwikkelingen niet florissanter. De Fransen hadden de Schelde inmiddels opgegeven, en de achtergebleven eenheden, zijnde de Groupe Beauchesne, een deel van de Groupe Lestoquoi en de 60e en 68e Infanteriedivisie, dienden langs de kust in Zeeuws-Vlaanderen en op Walcheren, Duits nadringen te verijdelen, zodat het 7e Leger zich zonder bedreiging uit het noorden kon terugtrekken. Zware gevechten mochten de eenheden in Brabant echter niet aangaan. Bergen op Zoom had een lichte bezetting, waarbij ook nog enige Nederlanders waren betrokken. Hier vond men het detachement Michon, dat drie dagen eerder zo opvallend zwak had opgetreden bij Moerdijk. De Franse majoor zou zich niet revancheren voor dat zwakke optreden. Door de zwakke Franse bevelvoering bleef Michon met enige pantserwagens en motorinfanterie onverhoopt geïsoleerd achter en werd spoedig gevangen genomen met circa 250 man. Hij mocht vier jaar lang zijn zonden overdenken in een Duits gevangenkamp, maar zou in 1944 als oorlogsinvalide (Michon was in 1923 tijdens een gevecht in Marokko zijn linkerarm kwijtgeraakt) worden vrijgelaten. Michon zou daarop direct weer dienst nemen en zou de oorlog als kolonel (commandant van een regiment Spahi's) beëindigen. In 1946 werd hij tot generaal bevorderd.

Twee andere Franse verkenningseenheden lagen in de sector Hoogerheide – Woensdrecht. Het waren de restanten van de Groupe Beauchesne voorzien van Panhard zware pantserwagens en antitankgeschut, die bij het vliegveld bovendien met het eskadron H-35 lichte tanks van de Groupe Lestoquoi waren versterkt, dat uit België was aangevoerd (nadat het in Nederland voordien niet was aangesloten geweest bij de Groupe). Dat eskadron had de beschikking over twaalf tanks plus een commandotank. Ter plaatse lagen tevens delen van 38.RI [25.DIM]. Bovendien was er een verzameld verband met voormalige Peeltroepen (alsmede de sectie van de kapitein Isaäcs uit Willemstad), dat door overste Van der Schrieck [voorheen C-Vak Bakel] werd geleid en door deze officier was georganiseerd tot een bruikbare formatie voor lichte verdedigingstaken. De Frans-Nederlandse bezetting van deze sector was dus een pluriform verband, geleid door kolonel de Beauchesne, maar qua gevechtskracht en vuurkracht op papier beter toegerust dan de beide bataljons SS troepen die men tegenover zich zou krijgen, die naast infanterie slechts enkele lichte pantserwagens hadden.

De beide bataljons SS kwamen uit verschillende regimenten. SS Deutschland viel aan richting Woensdrecht, met zuidelijk aangeleund het SS regiment Germania. In beide gevallen met een bataljon voorop. De Nederlanders hadden opdracht gekregen om de bossen tussen Huijbergen en Bergen op Zoom te bezetten en die actief te verdedigen. Daartoe had het Nederlandse contingent overigens slechts lichte wapens ter beschikking. Dat kolonel Beauchesne ondertussen zijn CP verhuisde naar een locatie diep op Belgisch grondgebied werd de Nederlanders niet verteld. Bovendien werd niet met hen gedeeld dat de verdediging zich intussen nog meer naar het zuiden verplaatste. Daarop trokken ook de Nederlanders terug naar het zuiden. Franse troepen kwamen echter tijdens die terugtocht in gevechtsaanraking met de voorste Duitse eenheden. Dat gebeurde bij Huijbergen en Hoogerheide. Opvallend is dat bij die tweede plaats zelfs Franse tanks en pantserwagens waren betrokken, die tegen de lichte Duitse troepen aanzienlijke verliezen leden in plaats van hen danig afbreuk te doen. Een groot deel der Fransen – met name van 2.GRDI dat bij Huijbergen lag – gaf zich over en een groot aantal Panhard pantserwagens stond uitgeschakeld langs de kant van de weg. Talloze Franse voertuigen en vele uitrustingstukken werden achtergelaten. De Duitse bataljons joegen de Fransen na tot op Belgisch grondgebied. Met name in de grensstreek Essen – Wildert kwam het tot enige korte maar felle gevechten. De Fransen trokken zich grotendeels rap terug en de Duitsers staakten uiteindelijk de opmars vlak over de Belgische grens. Noord-Brabant was echter van geregelde Franse troepen ontdaan door de Duitsers. Bovendien was de opmarsroute richting Zuid-Beveland en Walcheren geopend.

Nog dezelfde 14e mei begon ’s avonds een artilleriebombardement van de Bathlinie, die Zuid-Beveland aan de oostzijde afsloot. Dat was de prelude tot het laatste deel van de Duitse veldtocht in Nederland, waarbij de door de Nederlanders bezette Bathlinie en Zanddijkstelling zonder enige moeite door het SS regiment Deutschland doorbroken zouden worden. Nadien zouden de Duitsers op 17 mei Walcheren tot overgave dwingen, na een Frans regiment eveneens met speels gemak opzij te hebben geschoven. De Duitsers deden dat met een kleine gevechtsformatie van hoogstens een regiment, waarbij bovendien onderweg eenheden achterbleven om de zuidelijke kuststrook van Zuid-Beveland en Walcheren te beveiligen. Uiteindelijk namen slechts twee SS bataljons met enige artillerie, ondersteund door de Luftwaffe, het eiland Walcheren in. Zeeuws-Vlaanderen ontsprong de dans nog enige tijd. Daar werd het oosten op 24 mei door Duitse troepen bezet en de rest van dit laatste onbezette rijksdeel op 29 mei 1940. Daarmee was de Duitse bezetting van geheel Nederland op 29 mei 1940 een feit geworden ...

Alblasserwaard

Na de evacuatie van het Eiland van Dordrecht, was het zaak langs de Merwede en de Noord een afsluiting te bouwen, die Duitse expansie noordoostwaarts diende te voorkomen. Langs de Noord lagen nog twee bataljons Wielrijders van de zogenaamde vasthoudende groep, die daar al sinds 11 mei lag, gesteund door twee batterijen 7-veld van I-KRA. Ten noorden van die vasthoudende groep werd een uit Dordrecht mee overgekomen compagnie pontonniers gepositioneerd om ook de sector Kinderdijk te bezetten. Tussen Papendrecht en het meest rechtse vak van de Groep Merwede werden de overige delen van de Lichte Divisie, versterkt met enige pontonniers uit het depot, gepositioneerd. Deze nieuwe linie tussen Papendrecht en Sliedrecht werd door overste Mijsbergen onder bevel genomen. Het zwaartepunt van de linie tussen Kinderdijk en Sliedrecht lag in de winkelhaak Alblasserdam – Papendrecht.

Er gebeurde nog wat opvallends bij de vorming van het ‘Merwedefront’. De C-VH instrueerde kolonel Van der Bijl (C-LD) in de avond van 13 mei om hardnekkig het nieuwe front te verdedigen in geval van Duitse offensieve actie, maar bovendien dat de C-VH een vertegenwoordiger zou sturen, die ter plaatse onderzoek moest doen naar de bevelvoering. Wat de generaal niet vertelde was dat die vertegenwoordiger – luitenant-kolonel Veldmeijer [van de staf Inspecteur der Infanterie] – ook de autoriteit had gekregen om – des benodigd – het algeheel bevel ter plaatse over te nemen. Dat was een duidelijke indicatie dat C-VH niet tevreden was over de kolonel Van der Bijl. Uiteindelijk zou de overste in de vroege ochtend van 14 mei constateren dat kolonel Van der Bijl de organisatie langs het nieuwe front redelijk goed voor elkaar had en dat hij het bevel aan de kolonel kon laten.

Opvallender was echter een ‘coupe’ van het Veldleger. Het 3e Legerkorps had na de terugtocht op 10 mei in de Waal-Lingestelling haar beoogde nieuwe positie ingenomen. De generaal Nijnatten, commandant van het legerkorps, vroeg op 14 mei aan de Commandant Veldleger [luitenant-generaal J.J.G. van Voorst tot Voorst] of het niet in de lijn der logica lag om zijn gezag uit te breiden met de op 14 mei verlengde stelling tot aan Papendrecht / Kinderdijk. De CV was dat met de C-III.LK eens, maar omdat de LD overgedragen was aan de C-VH en bovendien het een sector betrof die tot het zuidfront behoorde, was de CV niet gemachtigd zelfstandig zo’n maatregel goed te keuren. Dat diende de OLZ te doen. De CV gaf als antwoord aan de C-III.LK dat hij de zaak onmiddellijk aan het AHK zou voorleggen, maar onderwijl de generaal Nijnatten vast contact met kolonel Van der Bijl kon opnemen dat III.LK de zeggenschap over de troepen langs de Merwede zou overnemen. Een besluit waarvoor men rationeel gezien wel begrip zou kunnen opbrengen, maar wat beleidsmatig tegen alle regels indruiste. Uiteindelijk werd de zaak nooit geformaliseerd, omdat de gebeurtenissen elders zulks voorkwamen.

Behalve deze perikelen gebeurde er in feite weinig langs het front in deze sector. Er waren wel enkele schootswisselingen tussen Duitsers in Dordrecht / Zwijndrecht en de Nederlanders in Papendrecht, maar dat was alles. De Duitsers hadden geen ambitie de Merwede over te steken. Daarbij hadden de Nederlanders ondertussen ook de twee spoorbruggen opgeblazen, zodat een Duitse oversteek een maritieme actie zou moeten zijn geweest. Daar hadden zij begrijpelijk geen trek in, maar belangrijker nog, geen noodzaak toe. Hoewel enkele Nederlandse bronnen beweren dat de Duitsers wel degelijk een veerboot probeerden te gebruiken om met troepen over te steken naar de Alblasserwaard, lijkt er weinig aanleiding om dat verhaal als geloofwaardig over te nemen. Als het al zo was, dan was het een voorzichtige aftasting van de Nederlandse weerbaarheid langs de rivier.

Onderwijl werd in Dordrecht de burgemeester – na vertrek van de militairen weer de hoogste gezaghebber in de stad – door enkele Duitse officieren benaderd en te verstaan gegeven dat de stad diende te capituleren op straffe van vernietiging. De stad werd in de vroege morgen overgegeven en een witte vlag werd in de hoogste kerktoren gehangen ter onderstreping van die status.

Er zou nog één opmerkelijke kwestie spelen in het gebied. Dat was een zaak die speelde rond de broer van NSB leider Anton Mussert, luitenant-kolonel Jo Mussert.

De zaak Jo Mussert

Luitenant-kolonel Jo Mussert was tot kort voor de Duitse inval Hoofd Bruggen en Veren op de Sectie V [Genie]  van het Algemeen Hoofdkwartier. Hij werd in maart 1940 uit die functie ontheven en overgeplaatst. In die functie gebleven zou hij grote betrokkenheid hebben gekregen bij voorbereidingen, die in het geheim moesten worden getroffen, voor de nieuwe strategie van OLZ Winkelman, die immers het Veldleger uit het zuiden wilde evacueren tijdens de eerste oorlogsnacht. De kennis over die aangepaste strategie droegen slechts zeer weinigen binnen het leger, omdat dit evident niet naar de Duitsers mocht uitlekken. Hoewel e.e.a. niet is gedocumenteerd als zodanig, vergt het niet al te veel fantasie om te concluderen dat Winkelman de overste Mussert in de voornoemde functie verving door een officier waarvan de antecedenten geheel betrouwbaar leken. Want hoewel Jo Mussert zelf niet te betrappen was op onoirbare politieke engagementen (wat bovendien sinds 1933 aan beroepspersoneel was verboden), was hij de broer van NSB leider Anton Mussert, en zijn vrouw een gekend NSB lid. Daar kwam nog bij dat Jo Mussert enkele jaren voordien was geopereerd aan een tumor in het hoofd. Hoewel hij recupereerde van die zware ingreep, tonen voorhanden zijnde psychische rapporten dat de overste – voordien al gekend als een norsige man – zo nu en dan opvallend opvliegerig, dan weer opvallend indolent, kortom wispelturig en enigszins labiel was geworden. In hoeverre die rapporten een werkelijk beeld van de vooroorlogse toestand van de overste bieden is niet vast te stellen. En aangezien de tekenen haast overdadig zijn dat de overste gecriminaliseerd is naoorlogs, kan manipulatie van de gezondheidsverklaringen niet worden uitgesloten. Hoe het ook zij, de overste zou in maart 1940 wederom (hij was het voordien ook al geweest) commandant van het depot pontonniers en torpedisten worden. Daarmee tevens kantonnementscommandant van de depotstad Dordrecht. Mussert was een erkend specialist in het pontonniersvak en werd gewaardeerd om zijn kennis terzake. En niemand in Den Haag die in maart 1940 bevroedde dat Dordrecht frontstad zou worden vanaf het eerste uur van de oorlog. Daarmee leek een ‘veilige’ positie te zijn gecreëerd voor een beroepsofficier die gewaardeerd werd om zijn vakkennis, maar gewantrouwd werd vanwege zijn antecedenten.

Tijdens de meidagen zou Mussert dus geconfronteerd worden met het leiden van een aanzienlijk verband militairen in een om hem heen woedende slag. Een functie waarvoor hijzelf noch zijn depotstaf was geoutilleerd. Want hoewel Mussert naoorlogs zwaar bekritiseerd werd om zijn prestaties (of gebrek daaraan) tijdens de vierdaagse strijd in de stad, toonde ook zijn adjudant q.q. chef-staf kapitein Van der Mark zich geen goede secundant. Zoals elders de chef-stafs regelmatig de minder gelukkig opererende chef konden aanvullen of – zoals kapitein Calmeijer bij Groep Kil – geheel uit de wind houden, zo trof het Depot in Dordrecht het lot dat geen werkelijk bekwame officier naast Mussert de stafzaken kon waarnemen. Mussert had reeds bij de Duitse inval de verdenking van vele officieren en manschappen dat hij als broer van de NSB leider a priori de Nederlandse zaak niet met overtuiging zou dienen. Zo werd iedere handeling die ongelukkig was of leek, direct als bewust verraderlijk handelen uitgelegd. Daar waar kantonnementscommandanten of hoge bevelhebbers overal in den lande grossierden in falend of onhandig beleid, maar dit altijd als een eenvoudige zaak van ongeschiktheid werd uitgelegd, daar werd Jo Mussert bij iedere schijnbare onhandigheid of fout beschuldigd van landverraad. Die negatieve tendens werd versterkt door de norse en stugge houding van de overste. Bovendien had de overste de sterke neiging nauwelijks met zijn ondercommandanten en staf te communiceren. Dat leidde ertoe dat contacten die hij zelf had of instructies die hij zelf gaf, niet of slechts summier met zijn entourage werden gedeeld. Zodoende kenden zijn officieren de overwegingen van de overste onvoldoende. Dat Mussert zodoende de zweem van verraad zelf – door eigen handelen – versterkte, kan men slechts hem aanrekenen. Want hoewel hij meermaals reclameerde bij voorbaat als verrader te worden bestempeld, faalde hij, door het vermijden van uitvoerige afstemming met zijn entourage, die vooroordelen weg te nemen of tenminste te beteugelen. Juist door zo autonoom te handelen en zijn overwegingen niet of onvoldoende te delen met zijn officieren, had de overste zelf bijgedragen aan de verraadcultus.

Anderzijds zijn er sterke aanwijzingen – zie daarvoor (t.z.t.) het complete dossier Mussert op deze website – dat Mussert van alles in de schoenen is geschoven in de naoorlogse vastlegging van de gebeurtenissen aan het zuidfront. Zo werd de overste verweten bizarre instructies te hebben gegeven op 11 mei rond de Zeehaven, terwijl een zorgvuldige analyse van de gebeurtenissen een flinke dosis rationaliteit aantoont bij de kantonnementscommandant, die poogde zijn stad af te grendelen. Mussert werd ook meermaals op meerdere plekken tegelijk ontwaard in de stad, waar hij controversiële instructies zou hebben gegeven. Zeker is dat een deel van die verhalen verzinselen zijn, omdat geen mens op meerdere plaatsen tegelijk kan zijn. Op 10 mei smeekte Mussert om versterking voor zijn stad. Is dat een oproep die iemand zou doen die zijn stad aan de Duitsers wil laten? Later die eerste dag werd Groep Kil bijkans ‘gek’ van de telefoontjes van de overste dat hij gevechtstroepen wilde hebben om tegen het Duitse bruggenhoofd te kunnen ageren. Zou een verrader dat verzoek doen? Mussert was het, die volgens vele, in weerwil van de feiten, de tanks, die de stad binnendrongen, als Frans aanduidde. Maar het was de C-VH alsmede de staf van de LD, die deze berichten initieerden en niet Mussert. De overste protesteerde tegen de onverstandige ontruiming van het zuiden van de stad door de LD in de avond van de 12e, wat niet alleen in de tactische essentie een juist protest was, maar tevens geen protest dat een verrader zou maken, want de door Mussert sterk bekritiseerde handeling van de LD bevoordeelde immers juist de Duitsers. Op 13 mei in de avond toen de LD het bevel gaf de stad te ontruimen, protesteerde Mussert weer heftig. Hij wilde de stad achter de grachten blijven verdedigen, want hij achtte die inmiddels weer herstelde defensie nog houdbaar. Wederom lijkt dat geen daad van een verrader. De advocaat van de duivel kan er hoogstens een daad in zien van een officier, die zijn autoriteit zag wegvallen met de ontruiming van zijn kantonnement. Mussert gaf ook nog een bevel tot inunderen van een gebied, wat wederom geen bevel was dat een aan Duitsland toebehorende geest zou hebben gegeven.

Kortom, in tastbare zin is er – naoorlogs – eigenlijk geen enkele aanleiding om te blijven twijfelen aan de toewijding van deze officier. Zou een en ander strafrechtelijk zijn onderzocht, dan was vrijspraak gevolgd. Er was geen greintje van bewijs tegen de overste dat hem linkte aan verraad of anderszins subversief optreden. Eerder erg veel aanleiding te denken dat hij bewust geslachtofferd was, een zondebok was geworden waarop de frustratie gebotvierd kon worden én de reputatie van menig beroepsofficier kon worden gered, door Mussert onwerkelijke bevelen aan diezelfde beroepsofficieren toe te dichten. Men kon de overste zoals zoveel Nederlandse bevelhebbers betichten van matig tot slecht beleid, hem aanrekenen dat hij een slechte houding aannam jegens zijn officieren. Tegelijkertijd toonde de overste zich alles behalve bang, begaf zich alle gevechtsdagen op straat midden tussen de langs vliegende kogels en toonde in zijn handelingen geen enkele neiging de stad zomaar aan de Duitsers over te willen geven. En wat was er voor Mussert eenvoudiger geweest, zou hij verraderlijke zin hebben gehad, om de gevechten in zijn stad spoedig tot een gedwongen overgave van zijn kantonnement te doen laten leiden? Maar juist Dordrecht vormde vier dagen lang een voor de Duitsers onneembaar bolwerk dat de Duitse generaal Student met afstand de meeste kopzorgen bezorgde. Hoe macaber dat de kantonnementscommandant van dat bolwerk door de eigen partij van verraad aan de Nederlandse zaak werd beticht!

Opvallend aan de kwestie Mussert is echter dat – hoewel er veel meer verraadcultussen ontstonden tijdens de meidagen, met andere (onder)officieren in de lijdende rol – naoorlogs het nooit kwam tot een officiële analyse van de zaak met een helder eindoordeel of duidelijke conclusie in het publieke domein. Nog in 1990 schreef de toen allang gepensioneerde overste b.d. G. van der Mark - de adjudant van Mussert tijdens de meidagen - aan de Minister van Defensie dat de zaak Mussert hem nog altijd achtervolgde en zijn carriere altijd was blijven bezoedelen door de zweem van verraad. De naam Mussert was vermoedelijk te beladen naoorlogs, maar desalniettemin, zou Jo Mussert duidelijk bewezen subversief hebben gehandeld, dan zou hij vermoedelijk naoorlogs tegen diezelfde achtergrond van de beladen achternaam hard zijn veroordeeld met feiten. Dat gebeurde niet. En de aanleiding daarvoor lijkt te zijn dat Mussert helemaal geen verraad pleegde, maar slachtoffer werd van een beladen achternaam, van onsympathiek gedrag en vooral van de chaos die in Dordrecht heerste in die dagen in mei 1940, waar Mussert deels natuurlijk wel degelijk schuld aan had. De voorwaarden waren samengekomen om de overste sterk te verdenken, ja zelfs collectief te veroordelen. Tijdens de oorlog gevoerde proces tegen de executeur luitenant Kruithof leverde talloze (militaire) getuigenissen op, die Mussert van verraad betichten. De daartuit sprekende sympathie voor de luitenant Kruithof was al direct na de daad te merken. Er was tenslotte na ruim vier dagen zware strijd voor de oververmoeide entourage weinig nodig om de overste af te rekenen op zijn vermeende landverraad. Zodoende werd luitenant-kolonel Jo Mussert op 14 mei 1940 in Sliedrecht vermoord door de doorgedraaide 1e luitenant Kruithof, en vond die daad vrij algemene goedkeuring onder de militairen ter plaatse.

Hoe een en ander tot deze dramatische climax kwam, wordt kort beschouwd. Mussert had na de evacuatie van Dordrecht zijn commandopost ingericht in Sliedrecht, in het kantoor van de directeur van het Gemeentelijk Elektriciteitsbedrijf. Hij verzamelde daar in de ochtend van 14 mei zijn kleine staf, bestaande uit de gedetacheerde majoor De Bie, adjudant kapitein Van der Mark en kapitein Van der Flier. Onduidelijk was het welk commando de overste nog had. Een voornaam deel van zijn compagnieën was immers toegewezen aan de LD en overigens viel het gezag over het gebied de C-LD toe. Restte hem slechts tactisch bevel over de onderdelen, die niet direct aan de nieuwe linie langs de Merwede waren toegewezen. Formeel gezien was de overste echter uitgespeeld en dus een commandant zonder troepen. Het stafoverleg zag dan ook op het lokaliseren en hergroeperen van zijn depottroepen in en voor zover die niet elders aan de nieuwe linie waren toegewezen.

Reserve kapitein A. Bom [C. MC-I-2.RW] was intussen door de overste Mijsbergen aangewezen als Vakcommandant voor de sector Sliedrecht. Aldaar ontmoette de kapitein de tot zijn bataljon behorende reserve 1e luitenant A. Kruithof, sectiecommandant bij de Cie PAG I-2.RW. De nogal opgewonden luitenant meldde de kapitein dat de verrader van Dordrecht, de overste Mussert, in zijn Vak vertoefde. Beide officieren waren het al spoedig eens dat dit ongewenst was, daar de overste de boel ‘ook’ in het Vak Sliedrecht kon komen verstieren. Daarop werd besloten de overste te arresteren. Een politieagent werd meegenomen om de arrestatie een formeel tintje te geven. Gezamenlijk trok het drietal naar het kantoor waar Mussert krijgsberaad hield, hielden de wacht onder schot met getrokken pistool en drongen het kantoor binnen. Kapitein Bom liet de overste weten hem te arresteren. De overste protesteerde en wilde de zaak samen met de kapitein bespreken en zond daarom de andere drie officieren van zijn staf naar buiten. Daarop kwam de luitenant Kruithof met getrokken pistool de kamer binnen en maakte duidelijk dat er geen overleg zou plaatsvinden, maar de overste zich diende te laten arresteren. Toen Mussert zich vervolgens naar Kruithof toedraaide – en volgens de luitenant daarbij naar zijn pistooltas greep – schoot de luitenant – uit noodweer zoals hij beweerde – viermaal op de overste, die zwaar gewond neerviel. De overste werd naar Gorinchem vervoerd en overleed daar later die dag op de operatietafel. De andere drie officieren waren door de kapitein Bom gearresteerd, maar na korte verhoren in Oud-Alblas vrijgelaten.

De luitenant Kruithof werd tijdens de bezettingstijd door de Duitsers veroordeeld voor zijn daad en zijn opdrachtgever kapitein Bom evenzo. Respectievelijk 20 en 10 jaar gevangenisstraf volgden in 1942. Kruithof – die pas enkele jaren geleden overleed – hield de rationaliteit van zijn beslissing vol tot aan zijn dood. Wellicht voor hem begrijpelijk, daar hij het voor zichzelf kon verantwoorden. Maar Kruithof had in feite slechts gehandeld op onderbuikgevoelens en speelde geen eerlijk spel in zijn verweer dat hij uit noodweer de overste doodde. Noodweer betekent niet dat men vier schoten afgeeft, zeker niet op iemand die op dat moment nog op enige afstand staat en nog geen wapen in de hand heeft. Kruithof zat op het moment suprême simpelweg vol vooroordelen en vol adrenaline. In de gegeven omstandigheden van mei 1940, met de oververmoeidheid als gevolg van de strijd, de geestelijke uitputting wegens de ervaringen en de pijnlijke gang van zaken in Dordrecht alsmede de menselijke neiging zaken te willen verklaren, kunnen vele argumenten worden gevonden waarom Kruithof – toen en daar – tot die daad kwam. De luitenant heeft in die zin ook geboet voor zijn handelingen, doordat hij drie jaar door de Duitsers gevangen zou worden gehouden. Het is echter niet juist dat Mussert naoorlogs niet uitdrukkelijk gerehabiliteerd is [rehabilitatie vond door OLZ Winkelman wel plaats, maar kreeg nauwelijks aandacht en geloof] en de zweem van verraad daardoor bewust boven deze plichtsgetrouwe beroepsofficier mocht blijven hangen. Het is wellicht begrijpelijk dat dit zo geschiedde, maar daarom nog niet terecht.