10 mei 1940

De overval

Op 10 mei 1940 om 0355 uur Nederlandse tijd [0535 uur Duitse tijd] was Nederland in oorlog met Duitsland. Reeds voordien had de Duitse Luftwaffe het Nederlandse luchtruim geschonden en werden Duitse commando’s ontplooid op Nederlands grondgebied om strategisch gelegen bruggen in de oostelijke provincies door middel van ongeoorloofde krijgslisten intact in handen te krijgen.

[Overzichtskaarten]

Aan het Zuidfront waren al Duitse vliegtuigen waar te nemen boven de Nederlandse posities, toen het formele aanvalstijdstip aangebroken was. Kort nadien vonden de eerste luchtaanvallen plaats, waarbij bommenwerpers voorverkende Nederlandse versterkingen en barakkenkampen aanvielen, luchtafweerposities bestookten en bij Waalhaven zelfs een relatief grootschalig bombardement van gebouwen en verdedigingsposities uitvoerden. Duitse jagers zoemden als horzels boven de aanvalsvliegtuigen, en doken soms mitraillerend of intimiderend naar de grond. De volkomen verbouwereerde militairen, die enige uren voordien nog relatief zorgeloos naar bed waren gegaan, die in kamp Willemsdorp zelfs nog een gezellig O&O feestje hadden gehouden, werden bij het krieken van de dag gewekt met donder en geweld.

Hoewel de luchtafweer al gedurende de neutraliteitsperiode gewend was om vanaf 0330 uur paraat te zijn om neutraliteitsschendingen van het luchtruim te bestrijden, bleef de luchtafweer op vele locaties stil. Dat had deels te maken met de Duitse aanvalsopzet, die hen vanuit het om 0400 uur nog donkere westen deed aanvliegen. Dat betekende voor de luchtafweer, zeker die welke zonder zoeklichten opereerde, dat de vliegtuigen nauwelijks zichtbaar waren. Maar evenzo speelde een rol dat men gewend was zonder bevel niet te handelen. En aangezien in het klasse gevoelige Nederland de officieren niet op veldbedjes sliepen, maar op stand waren ingekwartierd, was er maar al te vaak sprake van dat de batterijofficieren – tegen de instructie in – gedurende de vroege dienst nog heerlijk in een mooi opgemaakt ledikant lagen, ver van hun batterij verwijderd. Zo ook op 10 mei 1940. Bij de lichte luchtafweer, vorm gegeven door pelotons zware mitrailleurs van het type Spandau M.25, bleek het gros van de wapenen te haperen of zelfs helemaal dienst te weigeren. Slijtage en slecht onderhoud was de oorzaak, maar zou allang zijn ondervangen als men met de eigen wapens tijdens de mobilisatieperiode had mogen schieten. Al met al was de toch al bescheiden luchtafweer aan het Zuidfront nauwelijks in staat ook maar iets substantieels te ondernemen tegen de spoedig massaal boven het hoofd zwermende Luftwaffe.

Onderwijl kwamen ook de landmacht officieren in de diverse verdedigingsposities bij hun positieven. Geleidelijk aan begon men in te zien dat de oorlog was uitgebroken en rukte men zich los van het aanschouwen van zoveel machtsvertoon om de troepen in een weerbare staat te brengen. Ambtelijke onderofficieren, die wapen- en munitiearsenalen bewaakten, presteerden het op diverse locaties nog om geschreven instructies te vragen voor het openen van hun magazijnen en eisten ondertekening van uitgifteverklaringen. Veelal waren er officieren voor nodig om de pennenlikkers met veel bombarie op andere gedachten te brengen. Maar de centraal opgeslagen wapen- en munitie magazijnen zouden spoedig voor vele eenheden funest blijken.

Moerdijkbruggen

Bij de Moerdijkbruggen lagen twee Nederlandse verdedigingspunten. Aan de noordzijde lag het dekkingsdetachement en een compagnie infanterie, dat in het kamp Willemsdorp haar kwartieren had. De compagnie infanterie was bedoeld om de oevers van het Hollands Diep bezijden de spoorbrug te bezetten terwijl het dekkingsdetachement een allegaartje aan troepen herbergde met taken zoals het verdedigen van de bruggen, het bezetten van de drie zware kazematten, de veerdienst Willemsdorp-Moerdijk bemannen en patrouillevaarten rond de bruggen te verzorgen. De Politietroepen, een detachement van ongeveer 25 man onder een sergeant-majoor, hadden - naast bediening van de kanonnen in de kazematten - tot taak om vanuit de rivierkazematten bij de beide bruggen, de ladingen onder de bruggen te ontsteken als daartoe bevel uit Den Haag zou komen. Generaal Reijnders had tijdens de neutraliteitsperiode echter bepaald dat de slagsnoeren voor de ladingen opgelegd moesten worden in de kazematten bij de bruggen, ter voorkoming van impulsieve vernieling van de voor het Veldleger in Brabant belangrijke Moerdijkbruggen. Het aansluiten mocht pas geschieden in geval van oorlog en vernielen pas op bevel van het Algemeen Hoofdkwartier [AHK] in Den Haag. Generaal Winkelman had die modus operandi van zijn voorganger overgenomen. Het aansluiten van de slagsnoeren kostte ongeveer een uur, want men moest de kabels uitrollen vanaf de kazemat tot aan de ladingen, die in speciale kamers in de derde sectie van de brug (vanaf de noordzijde) waren ondergebracht.

Aan de zuidzijde van de beide bruggen bevond zich het Bruggenhoofd Moerdijk. Daarin lag een compagnie infanterie, versterkt met een zelfstandige compagnie zware mitrailleurs [12.MC] en een sectie infanteriegeschut met twee vuurmonden 6-veld. Deze veiligheidsbezetting diende een ijle verdedigingslinie te bemannen die rondom het landhoofd van de bruggen was aangelegd in een boog van Lage Zwaluwe, via Zevenbergsche Hoek en Rode Vaart. Langs de richting het zuiden lopende verkeers- en spoorweg, die beide door het hart van het bruggenhoofd vrijwel pal zuid liepen, was binnenwaarts nog een tweede verdediging gevormd door aarden veldversterkingen. Alle versterkingen waren buitenwaarts gericht. In het dorpje Moerdijk waren vrijwel alle officieren ingekwartierd en was ook het vredeskwartier van de Bruggenhoofdcommandant. Bovendien stond op het complex van het voormalige station een luchtafweerbatterij met drie stukken 7.5 cm, waarvan één vuurmond wegens storing buiten bedrijf was. Een detachement pontonniers, voor de bediening van de veerdienst, verbleef in de haven van het dorp. Het Bruggenhoofd had twee pelotons luchtafweermitrailleurs, die elk bij een der bruggen stonden. Vlak daarbij stond als piket een sectie met drie zware mitrailleurs naast de verkeersweg opgesteld. Voorts was er een wachtpost ter grootte van een groep bij het station Lag Zwaluwe en een groep die bij de voorgenomen coupure in het spoor ten zuiden van het bruggenhoofd piketdienst had.

Beide bruggen konden worden versperd aan beide zijden. Het spoor kon ten zuiden van het bruggenhoofd worden versperd door het uitnemen van een paar rails en het stellen van asperges. Geen dezer maatregelen was echter genomen en kwam ook niet tot wasdom toen de Duitse luchtmacht een voorspel inluidde van de zaken die komen gingen.

Kort voor 0500 uur kwamen twee formaties Ju-52 aanvliegen uit het oosten. De voorste vloog richting Moerdijk en liet twee compagnieën parachutisten tezamen met een bataljonsstaf uit boven het bruggenhoofd. Het merendeel van de parachutisten landde in de sector vlak onder de bruggen, terwijl een klein deel zuidoostelijk van het dorp Moerdijk landde. De wachtposten op de landhoofden werden direct uitgeschakeld, net als de beide luchtafweerpelotons en de mitrailleursectie op de weg. Deze waren door zo’n tweehonderd parachutisten volkomen overrompeld en moesten zich direct overgeven. Een klein Duits team met enige genisten en infanteristen richtte zich direct op de verkeersbrug en ging noordwaarts op zoek naar de ladingen. Op de spoorbrug volgde kort nadien hetzelfde scenario. Aan de noordzijde zwegen de brugkazematten, zodat de Duitse teams snel voorwaarts konden gaan.

Andere parachutisten formeerden spoedig enkele taakgerichte eenheden die zich op de resterende verdedigers in het zuidelijke bruggenhoofd concentreerden. Er werd spoedig strijd geleverd met de sectie 6-veld, die haar stukken midden in het veld tot leven had gebracht en waarvan alras de commandant sneuvelde tijdens overmoedig handelen. De infanterie, die vooral rond het station Lage Zwaluwe was geconcentreerd, werd door haar commandant merkwaardig genoeg naar de zuidelijke steunpunten gedirigeerd in plaats van naar de noordelijk gelande vijand. Toen de Duitsers zich vertoonden gaf het gros zich spoedig over, terwijl een kleiner gevlucht deel enige tijd later na een kort vuurgevecht hetzelfde lot trof. Een rond het dorp Moerdijk vormende Duitse aanvalsformatie van enige tientallen parachutisten nam al spoedig de zwak opererende Nederlandse commandant ter plaatse gevangen. Een ander Duits peloton had iets meer moeite om de luchtafweerbatterij te overmeesteren, waarvan een deel wist te ontsnappen per boot. De enige weerstand van betekenis kreeg men echter in het dorp Moerdijk zelf, waar een handvol pontonniers de kop van de haven hardnekkig verdedigde. Bij die verdediging sneuvelde enkele van de moedige pontonniers, maar zij brachten de Duitsers ook enige gevoelige verliezen toe. De met de Duitsers meegevoerde Nederlandse krijgsgevangen officieren leden echter ook verliezen. Twee hunner werden gedood, enkele andere raakten gewond. Nadat de laatste pontonniers zich moesten overgeven was het dorp Moerdijk in Duitse handen. Slechts een sectie infanterie in het dorp Lage Zwaluwe en een groep ter sterkte van een sectie infanterie en twee secties MC bij Rode Vaart slaagden erin zich nog te handhaven. Nadat ook de sectie in Lage Zwaluwe werd omsingeld, resteerde slechts de Nederlandse verdediging aan de westzijde van het Bruggenhoofd. Die trok echter voor het middaguur naar Willemstad, nadat een bevel daartoe was ontvangen. De Duitsers hadden daarmee het Bruggenhoofd geheel in handen, hadden daarbij slechts zeer lichte verliezen geleden en trachten direct de omgeving te verkennen en het bruggenhoofd ter verdediging in te richten. De Nederlandse veldversterkingen kwamen daarbij uitstekend van pas.

Aan de noordzijde landden twee compagnieën parachutisten, die vrijwel geheel terecht kwamen in de polder ten noordoosten van de spoorbrug. Zij verzamelden zich rap, overvielen direct twee boerderijen waar Nederlandse militairen zonder wapens en munitie waren ingekwartierd en slaagden er zo in de helft van de verdediging direct uit te schakelen. Tegelijkertijd werkte men zich naar de bruggen toe, waarbij zonder veel weerstand de rivierkazematten langs het spoor werden ingenomen. De bruggenhoofdcommandant had zijn in Willemsdorp verzamelde resterende troepen intussen langs het talud van de weg en in een tunnel onder de weg door verzameld en organiseerde van daaruit een provisorische defensie. Er waren geen voorbereide stellingen om gebruik van te maken, daar die zich allen langs de oever van het Hollands Diep bevonden. Hoewel men de parachutisten enige tijd op afstand kon houden, was een incident aanleiding tot het oprollen van de laatste verdediging. Ruim een peloton sterkte der parachutisten was te noordelijk geland, vlakbij Tweede Tol. Deze ‘verspringers’ kaapten een stadsbus en reden daarmee naar Willemsdorp. Toen de bus aankwam langs de weg, namen de Nederlanders de bus onder vuur. De Duitsers aan boord suggereerden dat ze zich wilden overgeven, waarna de Nederlanders uit hun dekking kwamen. Plotseling wierpen de Duitsers enige handgranaten uit de bus midden tussen de Nederlanders, waaronder vele slachtoffers vielen, onder wie de Nederlandse commandant, die gewond raakte. De verwarring was groots. Van die verwarring maakten niet alleen de Duitsers in de bus gebruik, maar ook een Duitse aanvalsgroep die aan de oostelijke zijde van de tunnel zich naar de verkeersweg had gewerkt buiten zicht van de Nederlanders. Die kwamen tijdens het incident met de bus ineens met veel geweld door de tunnel gestormd en namen zo samen met de parachutisten uit de bus vrijwel alle verdedigers gevangen. Slechts enkele kleine groepjes manschappen hielden nog korte tijd het verzet vol, maar spoedig zwegen alle Nederlandse wapens in het dorp. Toen was er nog slechts één weerstandsnest te nemen, de rivierkazemat bij de verkeersbrug.

In de kazemat bij de verkeersbrug zaten enige Politietroepen en een MC mitrailleurbediening. Zij bedienden het kanon van 4,7 cm en de zware mitrailleur, die beiden de verkeersbrug in de lengterichting konden beschieten. In diezelfde kazemat lag een reservelading explosieven opgeslagen en was de ontsteking voor de verkeersbruglading aanwezig. Pogingen de slagsnoeren aan te sluiten waren verijdeld door Duits mitrailleurvuur vanuit het noorden. Het betreden van de brug was voor de Nederlanders niet meer te doen. Curieus genoeg kon gelijktijdig een groepje Duitsers onder leiding van een genie-officier de brug wel betreden. Dat kon alleen maar omdat de kazemat aan de noordzijde zweeg. De reden daarvoor wordt vakkundig in Nederlandse verslagen verzwegen, maar duidelijk is dat de sergeant-majoor der politietroepen pas laattijdig in de kazemat verscheen en voordien de bemanning geen schot had gelost. Vrijwel zeker omdat een duidelijke instructie was gegeven dat voordat men het vuur opende hiertoe een bevel van de sergeant-majoor moest zijn gegeven. Zodoende konden de Duitsers ongehinderd tot de strekdam aan de noordzijde van de brug komen en daar de plaatselijke Nederlandse wachtpost gevangen nemen. Vanaf die strekdam, die zo’n 400 m uit de noordelijke oever lag, was het slechts enkele tientallen meters naar de kamers waarin de bruglading zat. Pas toen de Duitsers die positie bereikten, begon de kazemat vuur te spuwen. Te laat om de Duitsers de toegang tot de brug te ontzeggen en bovendien te laten vaststellen dat de ladingen niet waren aangesloten.

Nadat de verdediging in Willemsdorp tot zwijgen was gebracht, trachtten de parachutisten met mitrailleurs en een antitank geweer de kazemat bij de verkeersbrug tot zwijgen te brengen. Dat lukte hen niet. De sergeant-majoor liet zijn manschappen met voorzorg (indirect vuur) door schieten. Vervolgens gooiden de Duitsers vanaf de brug rookgranaten in het schietgat en in de luchtinlaat van de kazemat. Maar het opzetten van de gasmaskers door de bezetting voorkwam ieder effect. Toen werd door de Duitsers een gebundelde lading (een aantal samengebonden ladingen springstof) aan de stalen toegangsduur bevestigd. Met een vreselijke klap sloeg de deur uit de sponningen, en werd een toegang tot de kazemat geforceerd. Handgranaten werden omhoog de trap op gegooid. Toen besloot de sergeant-majoor dat nader verzet te gevaarlijk zou zijn. Als een explosie de opgeslagen explosieven zou doen ontsteken zou de kazemat uit elkaar zijn gesprongen. De mannen gaven zich over. Het verzet te Willemsdorp was daarmee beëindigd. Nog ruim voor het middaguur beheerste het 2e bataljon van het 1e parachutistenregiment de cruciale verkeersbruggen volledig, intact.

Dordrecht

Het kantonnement Dordrecht was in diepe slaap toen de Duitse vliegtuigen en het rumoer van oorlog de bijna 1.500 man Nederlandse militairen wakker schudde. Slechts de kleine wachtpost op de bruggen over de Oude Maas, de stationswacht en de manschappen bij de twee pelotons luchtafweer mitrailleurs bij de bruggen waren paraat. Met uitzondering van telefoonwachten in de diverse kazernes, waren alle overige militairen in rust. Dat veranderde spoedig. Tegen vijf uur kwam een formatie Ju-52 over de stad, waarvan een groot deel een lading parachutisten [3./FJR1] boven de Polder afzette. Een kleine compagnie Duitse parachutisten landde zodoende oost van de wijk Krispijn vlakbij twee Nederlandse kazernes met pontonnier rekruten en de vlakbij het station gelegerde sectie met zestig manschappen Spoorwegtroepen. Die laatste waren het die direct in het geweer kwamen. Zij waren door hun luitenant-commandant al voorzien van een rantsoen van 60 patronen en konden daarom direct in het geweer komen tegen de ten zuiden van hun kwartier landende Duitsers. De Spoorwegtroepen gaven zo’n fel verweer, dat de Duitse compagniescommandant zich liet verleiden tot een aanvalsactie. Terwijl hij slechts een peloton en zijn kleine staf langs de Krispijnse weg het westen en zuiden van zijn landingszone liet verdedigen, trok de Oberleutnant met zijn overige manschappen naar het spoor. Daar werden zijn troepen gedecimeerd en viel de Duitse commandant zelf ook. Onderwijl kwamen ook de eerste groepjes pontonniers vanuit Krispijn in actie, en begonnen vanuit het zuidwesten en westen de Duitse posities langs de Krispijnse weg op te rollen. Binnen enkele uren was de Duitse compagnie geïsoleerd en geleidelijk teruggedrongen tot een sector langs het spoor. Het inmiddels zwaar verdedigde station alsmede de aan westelijke en zuidelijke zijde opdringende Nederlanders slaagden erin het gros van de compagnie uit te schakelen, waarna kort na het middaguur het restant – op een tiental ontsnapte parachutisten na – zich overgaven. Het zou het enige Duitse tactische verlies blijken te zijn gedurende de gehele operatie.

Terwijl de hoofdmacht van de 3e Compagnie in de Polder was geland, werd het derde peloton van die compagnie afgezet in de omgeving van het Zwijndrechtse station. Zij hadden tot taak direct de bruggen over de Oude Maas te veroveren. Daarin slaagde zij binnen een half uur. De beide luchtafweerpelotons werden overrompeld en de paar man brugwacht waren spoedig door hun tien patronen heen. De Duitsers hadden slechts één gesneuvelde en een paar gewonden. Na enige tijd arriveerden tien man van de compagnie die in de Polder was geland. Men richtte direct de beide brugzijden in ter defensie. Slechts enkele zwakke Nederlandse pogingen om de bruggen te benaderen werden ondernomen en moeiteloos afgewezen. De hoge objecten met hun overzichtelijke naderingszones waren door enkele juist gepositioneerde mitrailleurs vrijwel volkomen af te sluiten.

Onder Dordrecht was bij Tweede Tol de hoofdmacht van het 1e bataljon van het 1e parachutistenregiment [FJR.1] geland. Dit bataljon was verzwakt wegens het ontbreken van de 1e Compagnie, die in Noorwegen volledig was uitgeschakeld en in die slechts weinig resterende dagen voor de inval in Nederland niet had kunnen worden heropgebouwd. De 3e Compagnie had een voorname taak in de aanvalsplannen, omdat zij de bruggen over de Oude Maas moesten innemen. De 2e en 4e Compagnie hadden slechts tot taak de Nederlandse weerstand in Tweede Tol en Amstelwijk uit te schakelen en nadien hetzij in het zuiden – bij Moerdijk – hetzij in het noorden – aan de Oude Maas – voor versterking te zorgen. De twee compagnieën landden gezamenlijk met bataljons- en regimentsstaf in de polders ten oosten en noordoosten van Tweede Tol. Een deel landde bovenop de beide in die polders opgestelde afdelingen artillerie, die beide slechts door een handvol met enkele patronen uitgeruste wachten werden bewaakt. Zonder enig probleem namen de Duitsers de Nederlandse posities in en namen bovendien grote delen van de beide artillerieafdelingen krijgsgevangen. Twee Nederlandse tegenacties rond de Zeedijk werden door de parachutisten met slechts zwakke krachten afgeweerd, waarbij veel Nederlands artilleriekader werd uitgeschakeld. De hoofdmacht der Duitsers trok onderwijl naar Tweede Tol, overrompelde daar het artilleriekamp, waar vervolgens de regimentscommandopost werd ingericht door FJR.1. Nadien trok een sterkte van anderhalve compagnie – een peloton van 4./FJR1 was abusievelijk bij Ypenburg afgezet en een peloton van 2./FJR.1 bleef in Tweede Tol achter – langs de beide hoofdwegen (nieuwe en oude rijksweg) richting noorden, waar een confrontatie met een halve Nederlandse compagnie, die vanuit de Hoekse Waard was overgezet, eindigde in een oprollen van de Nederlandse formatie. Nadien stortte de Duitsers zich op Park Amstelwijk, waar de sectorcommandant van de Groep Kil zijn CP had. Na een stormloop op de Nederlandse positie aldaar, werden de circa 80 Nederlanders in het Park gevangen genomen of gedood. Een kwart der verdedigers sneuvelde, terwijl aan Duitse kant vier man gedood werden.   

Vanuit Amstelwijk trokken de Duitse formaties richting Oude Maas. Bij de Zeehaven slaagden zij er middels een krijgslist in om een zwak geleide compagnie pontonniers – die aldaar hun kwartier hadden – gevangen te nemen. Nadien werd weinig weerstand meer ondervonden, voordat de Duitser erin slaagden halverwege de middag contact te maken met de brugbezetting. Met een sterkte van twee compagnieën parachutisten werd de brugverdediging toen vorm gegeven, zodat het voor de Nederlanders vanaf dat moment een schier onneembare positie was geworden.

Waalhaven

Het militaire vliegveld Waalhaven lag op het eiland IJsselmonde aan de Waalhaven. Het was de thuisbasis voor een G-1 jagersquadron [3e JaVA] – bestaande uit elf G-1 jachtkruisers – en in de noordoost hoek van het veld lag het complex van de Koolhovenfabrieken. Buiten het veld stonden langs de havenspoorlijn enige G-1 Wasp's geparkeerd. Die werden omgebouwd naar ML maatstaven om zodoende in het Veldleger deel van de Militaire Luchtvaartafdeling te kunnen gaan functioneren. Ze waren niet operationeel. In de hangars stonden nog enige vliegtuigen, die niet tot de operationele sterkte van de ML behoorden. Een contingent van circa 30 man luchtvaarttroepen was op het veld aanwezig. Samen met een groot deel van de infanterie, waren zij in een hangar ondergebracht.

Rond de noord, oost en het rechterdeel van de zuidzijde was – tegen spionage – een ruim 2 m hoge schutting aangelegd. Het vliegveld werd beveiligd door een bataljon Jagers [III-RJ], dat pas medio april 1940 was aangewezen en zodoende op 20 april was aangekomen. Van dat bataljon lag een kleine compagnie op het veld, ondersteund door de mitrailleurcompagnie. Aan de noordzijde, tussen schutting en haven, lag een andere compagnie (die dus geen zicht op het veld hadden), in enkele posities die een maritieme actie moesten voorkomen. Ten noordoosten lag de laatste compagnie in een aantal posities ter beveiliging tegen sabotage acties vanuit de stad Rotterdam. Ook zij hadden op het vliegveld geen zicht. Uit de compagnieën was een reserve geconstrueerd ter sterkte van twee secties. Voorts waren twee Universal Carriers [de Luipaard en de Poema] – Vickers Cardon Lloyd rupsvoertuigen met een zware mitrailleur – aanwezig voor ondersteuning. Er waren negen betonnen kazematten gepland voor de verdediging, maar op 10 mei was er nog slechts één gereed, die centraal langs de oostzijde van het vliegveld lag en twee zware mitrailleurs beveiliging bood. Enkele dagen voor de inval waren de locaties ingemeten voor de acht andere kazematten. De stellingen op en rond de vliegbasis waren nog lang niet gereed, toen de oorlog uitbrak. Verbindingen waren nauwelijks aangelegd, hoewel de commandant van het bataljon daar zelf debet aan was. Het plaatselijke commando werd gevoerd door de vliegbasis commandant, reserve majoor Simon-Thomas.

Op het veld waren enige stukken 2 cm Scotti vuurmonden en zware mitrailleurs Spandau opgesteld als directe beveiliging van het vliegveld tegen laagvliegende vliegtuigen. Op een pier ten noordwesten van het veld stond een batterij 7.5 cm Skoda luchtafweergeschut. Ten zuidoosten – op enige afstand – stond bij Smitshoek een batterij 7.5 cm Vickers luchtafweerkanonnen.

De luchtverdediging – die eveneens als de vliegbasis zelf onder de commandant luchtverdediging luitenant-generaal P.W. Best viel – was al geruime tijd onder instructies om dagelijks een uur voor (officiële) zonsopkomst paraat te zijn. Dat wil zeggen dat de luchtafweerstellingen bezet waren, de aggregaten voor de vuurleiding opgestart en de batterij volledig gevechtsgereed was. Voor de vliegtuigen betekende het dat ze warmgedraaid waren en de piloten op het vliegveld aanwezig waren. Bovendien was het bewakingsbataljon al sinds het alarm van 7 mei onder instructies om, om 0315 uur paraat in de stellingen te zijn.

Direct om 0400 uur kwamen uit het westen elf bommenwerpers aangevlogen, in groepjes van twee of drie He-111’s, die op geringe hoogte in hoofdzaak 50 kg bommen op de noordoost en oostzijde van de basis lieten vallen. Ook de luchtafweerposities op het veld werden met bommen aangevallen. In meerdere golven volgden nog enige luchtaanvallen, die vrijwel alle hangars en bijgebouwen in de noordoosthoek vernielden en een aantal treffers plaatsen op loopgraven en een luchtafweerpositie. Met name de bataljonsreserve werd hard geraakt door bommen, omdat een deel van die reserve zich nog in de hangar bevond waar zij overnachtte en deze hangar een aantal voltreffers kreeg. Ook ging vrijwel alle munitie voor het 3e JaVA en het bataljon Jagers verloren, omdat men heel onverstandig de gehele voorraad in een der hangars had opgeslagen. Het veld zelf werd vanzelfsprekend door de Luftwaffe gespaard. De bedoeling was immers om het veld te gebruiken om de operatie aan het zuidfront te voeden middels luchtlandingstroepen.

Van de elf G-1’s waren er tien operationeel, waarvan er spoedig nadat de eerste bommen vielen individueel acht het luchtruim kozen. Zij wisten vermoedelijk dertien Duitse vliegtuigen neer te schieten, waarbij slechts twee G-1’s door Duitse vliegtuigen werden neergeschoten. Helaas was het lot van de G-1’s niet veel anders dan voor hun slachtoffers, want op één G-1 na gingen zij allen verloren wegens gebrek aan een veilig vliegveld waar zij konden landen. Alle vliegvelden in West Nederland waren aangevallen en daarom werden midden in het landschap of aan de kust noodlandingen uitgevoerd die het verlies van de G-1’s betekende. Slechts één toestel overleefde deze tragedie.

Tegen vijf uur in de ochtend kwam een grote armada Ju-52 aanvliegen, die het gehele 3e Bataljon van Parachutistenregiment 1 ten zuiden en oosten van het vliegveld dropte, met uitzondering van een peloton dat naast het stadion van Feyenoord werd afgezet om direct naar de bruggen in het hart van de havenstad te trekken. Hoewel de Duitse parachutisten ten dele slecht werden afgezet, en sommige pelotons op kilometers van het doelgebied aan de grond kwamen, wist de harde kern van Hauptmann Schulz zijn bataljon zich spoedig langs drie zijden [noordoost, zuidoost, zuid] een weg naar het vliegveld te vechten. Daarbij werden de Duitsers zeer geholpen door de slechte positionering van het bataljon Jagers en de hoge schutting, die voorkwamen dat de verdedigers zicht hadden op het landingsterrein. Binnen drie kwartier wisten de parachutisten het gehele vliegveld onder controle te krijgen, terwijl nog tijdens de laatste zuivering de eerste Ju-52 met manschappen van III./IR.16 op het veld landden. Van de verdedigers wist slechts één compagnie zich goeddeels te redden door vroegtijdig naar Charlois terug te trekken. Ze deden dat samen met de bataljonscommandant van wie geen enkele leiding was uitgegaan en die naoorlogs van plichtsverzuim zou worden beschuldigd en voor de krijgsraad gebracht werd.

Na de geslaagde inname van het vliegveld zouden de parachutisten onder Schulz zich tweemaal opzichtig aan schendingen van het oorlogsrecht schuldig maken. In beide gevallen misbruikte men de gevangen genomen majoor Simon-Thomas om de verdedigers van de beide batterijen luchtafweer tot overgave te dwingen. Ten noordwesten van Waalhaven slaagde die opzet, maar bij Smitshoek hadden de Duitsers niet met de waard gerekend. Aldaar was inmiddels één van de neergeschoten piloten van een G-1 (sergeant-majoor-vlieger Buwalda) met zijn boordschutter sergeant Wagener gearriveerd. Ze waren bij Zevenbergen neergeschoten, maar waren met een auto spoedig bij Willemstad gekomen, het Hollands Diep overgestoken en per auto door een particulier naar Barendrecht gebracht. Zodoende waren zij bij de batterij te Smitshoek aangekomen, waar de boordmitrailleur die Wagener had meegenomen goed van pas kwam. Buwalda nam het bevel op zich bij een gebarricadeerd kruispunt vlakbij de batterij. Toen daar een auto verscheen vanuit het westen, met majoor Simon Thomas aan boord, waren de mannen paraat. De majoor sommeerde hun overgave op bevel van vier Duitse parachutisten in de auto. Dat weigerde Buwalda, waarop een vuurgevecht ontstond waarbij de majoor dodelijk gewond raakte toen hij tussen beide vuren terecht kwam. Er ontspon zich toen een gevecht tussen een compagnie parachutisten en de mannen van de batterij. De Nederlanders, die over weinig munitie beschikten, besloten naar Barendrecht te evacueren na de vuurmonden te hebben vernield. Zo eindigde de laatste weerstand rondom Waalhaven. In totaal waren 54 Nederlandse militairen gesneuveld, veelal door het bombardement op het vliegveld. Aan Duitse zijde waren de verliezen beduidend lichter. Vermoedelijk bleef hun aantal beperkt tot 15 man.

Gedurende de dag werd het vliegveld een aantal maal vanuit de lucht aangevallen door de RAF en de ML. De RAF voerde twee aanvallen uit overdag, met Blenheim jagers en jachtbommenwerpers. De eerste aanval gebeurde met Blenheim jagers en werd door de Luftwaffe vernietigend afgeslagen, waarbij vijf van de zes Britse toestellen neerstortten. De tweede aanval was met Blenheim bommenwerpers. Zij hadden wel succes. Enkele series bommen vielen op uitladende Ju-52 waarvan Duitse bronnen melden dat er acht werden vernield, twee stukken PAK verloren gingen, en een stuk 2 cm FLAK van de Fallschirmjäger Flakbatterie werd vernield. Drie doden vielen er en enige zwaar gewonden. De zwaarste RAF aanval zou ’s avonds en ’s nachts worden uitgevoerd door 36 Wellington middelzware bommenwerper. In totaal lieten 33 Wellingtons 54 ton bommen op en rond Waalhaven vallen, terwijl drie dwalende Wellingtons per ongeluk een kleine 5 ton loslieten boven de Wijnhaven net ten noorden van de Willemsbrug in Rotterdam (waarbij tenminste twee Nederlandse militairen de dood vonden). De 58 ton bommen die zij afwierpen was meer dan de helft dan vier dagen later door de Luftwaffe op Rotterdam zou worden gegooid, om een indicatie van de zwaarte van de aanval te geven. Geen enkele Wellington was verloren gegaan.

Overdag werden ook door de ML luchtaanvallen uitgevoerd. In de vroege ochtend nog voerden vijf Fokker C-X’s een bombardement uit op de zuidzijde van het vliegveld, waarbij 2 ton bommen werd afgeworpen. Op de terugweg gingen twee van de dubbeldekkers verloren. Vlak na het middaguur vertrokken drie Fokker T-V bommenwerpers van Schiphol geëscorteerd door zes D-XXI jagers. Zij vlogen succesvol Waalhaven aan, maar lieten de bommen te vroeg los zodat de bommen goeddeels ten oosten van het vliegveld vielen, waar geen Duitser zich bevond. Bij het optrekken na het bombardement werden de bommenwerpers door Duitse jagers besprongen en twee van de drie neergehaald bij Oud-Beijerland. Acht vliegers kwamen om. Ook werd één D-XXI neergeschoten, waarbij de vlieger omkwam en een tweede jager was na de landing volkomen afgeschreven wegens de opgelopen schade.

Bij de Kralingse Plas stond een afdeling van de meest moderne artillerie die het Nederlandse leger bezat, uitgerust met 12 stukken 10-veld. Dat was verreikend 10,5 cm geschut. Het was legerkorpsartillerie van het 1e Legerkorps, dat in het westen van het land lag. In de ochtend van 10 mei werd het beschikbaar gesteld aan de C-VH, die het op zijn beurt aan de kantonnementscommandant van Rotterdam beschikbaar stelde. De laatste had echter de instructie gekregen de Afdeling in belangrijke mate in te zetten tegen Waalhaven. Rond 1100 uur kreeg de Afdeling opdracht vuren uit te rekenen op het vliegveld, waarna de eerste vuren rond 1230 uur uit de pijpen vlogen. Er werd met vertraagde buizen [detonatie volgt dan vetraagd na de inslag] geschoten zodat de inslagen diepe gaten in het veld zouden slaan. Bij de eerste vuurstoten werden 108 granaten op Waalhaven afgeschoten. Nadien volgde nog diverse barrages op het vliegveld, zodat tussen 1230 uur en 2300 uur de Duitsers op geen enkel moment op hun dooie gemakje het vliegveld konden gebruiken, maar telkens op onverwachte ogenblikken vuurovervallen konden verwachten. Desondanks werd slechts 10% van de tijd vuur gelegd op Waalhaven. Het bleek uit Duitse verslagen dat zij weliswaar enige hinder, en lichte schade aan vliegtuigen ondervonden, maar dat op de eerste dag de nadelen van de beschieting goed te verdragen waren.

Gedurende de eerste oorlogsdag liep door de bombardementen en artilleriebeschietingen, alsmede vooral de hoge Duitse vliegtuigverliezen (in het bijzonder rond Den Haag), de Duitse planning volledig in het honderd. Zodanig dat op de 10e mei weliswaar veel van de geplande eenheden konden landen op Waalhaven, maar dat dit tot in de late uren doorging. Bovendien waren enkele eenheden van het schema geschrapt en werden vooral voorraden maar mondjesmaat aangevoerd. Het landen van de reservetroepen van IR.72 werd zelfs naar de tweede (later deels de derde) oorlogsdag verplaatst.

Desalniettemin was het voor het AHK in Den Haag een grote zorg dat Waalhaven een navelstreng voor de Duitse operatie was. Men kreeg telkens rapporten binnen van landende Duitse transportvliegtuigen en van manschappen en materieel die daaruit kwamen. Er werd aan het einde van de dag aan de uit Brabant naar de Alblasserwaard gehaalde Lichte Divisie opgedragen om nog voor middernacht bij Alblasserdam naar IJsselmonde over te steken en om 0300 uur [11 mei] Waalhaven aan te vallen. Die aanval zou vanuit het zuiden worden ondersteund door 3.GB, die via Willemstad naar de Oude Maas waren gedirigeerd om via de – inmiddels door de Duitsers beheerste – brug bij Barendrecht en via het veer bij Goidschalxoord ook op IJsselmonde te landen en vanuit het zuiden de Lichte Divisie te assisteren bij de aanval. Als voorwoord zou de RAF het vliegveld met enkele eskaders middelzware bommenwerpers aanvallen. Alleen dat laatste element zou tenslotte uit de verf komen ...

Aan het einde van de dag was vrijwel geheel IJsselmonde door de Duitse troepen bezet. Allen het westen van het eiland – vanaf Rhoon – was nog in Nederlandse handen. De brug bij Spijkenisse was door troepen van Groep Spui bezet en bij de olieinstallaties west van Pernis lag een compagnie van het kantonnementsbataljon van Rotterdam. Bij Hendrik Ido Ambacht ontwaarden de Duitsers Nederlandse eenheden in Alblasserdam en gaven aan generaal Student door dat een onbekende brug bij Hendrik Ido Ambacht de Nederlanders kon faciliteren bij een oversteek. Student nam daarop direct maatregelen en stuurde versterking naar het oosten van IJsselmonde. Die troepen zouden in de nacht van 10 op 11 mei een verdediging vormen waartegen de Lichte Divisie het zou moeten opnemen.

Rotterdam

In de havenstad was ook alles rustig gebleven in de nacht van 9 op 10 mei, omdat ook daar geen alarmering was ontvangen. Er waren wachtposten bij diverse haveninstallaties, bij de stations en enkele manschappen bij de bruggen. Voor het overige waren alle militairen in de veronderstelling dat het een nacht als alle anderen zou worden. Maar het krijgsrumoer rond Waalhaven wekte al menig militair en toen tegen vijf uur watervliegtuigen op de Nieuwe Maas begonnen te landen die militairen in rubber boten uitlieten, werd het spoedig duidelijk dat de oorlog was uitgebroken en direct Rotterdam had bereikt. De met slechts een handvol militairen bewaakte spoorbrug (de hef) vormde geen enkele belemmering voor de circa 90 man die op de Nieuwe Maas waren geland. Binnen een half uur hadden ze de vier bruggen bezet en gecontroleerd op ladingen, die er overigens niet zaten. Daarna trok een der twee pelotons direct naar het noordelijke deel van de stad, namen enkele militairen van een stationbezetting [Maasstation] gevangen en nam men de huizen aan de noordoever in bezit. Pas toen de Vier Leeuwen brug werd overgestoken ontving men het eerste vuur. Mariniers van de wacht bij de kazerne op het Oostplein hadden haastig een patrouille gevormd en waren naar de bruggen getrokken. Vanaf dat moment zou de strijd aan de Nieuwe Maas snel uitgroeien tot een waar inferno. Aan Nederlandse kant werden haastig allerhande genieverbanden bewapend en groeps- of compagniesgewijs naar diverse locaties aan de Nieuwe Maas gestuurd. Het kantonnementsbataljon werd ingeschakeld en stuurde haar zware mitrailleurs vooruit. Marinetroepen en luchtmachtdepottroepen werden ook ingeschakeld en spoedig kwamen mariniersverbanden naar de vuurhaard. Reeds gedurende de ochtend werden de Duitsers teruggedrongen naar het Noordereiland, waarbij uiteindelijk slechts één pand aan het eind van die dag in hun handen zou blijven. Zelfs twee marine eenheden assisteerden de defensie, en namen in de ochtend de Duitse posities op de Boompjes en het Noordereiland onder vuur. Ze trokken uiteindelijk terug nadat de Luftwaffe ingreep. Een derde grotere oppervlakte eenheid van de marine, de Van Galen, was op de Nieuwe Waterweg door Duitse Stuka's tot zinken gebracht.

In het zuiden van de stad waren de eerstgelande troepen op Waalhaven snel naar het Noordereiland vertrokken, maar opgehouden voor het Afrikaanderplein, waar een compagnie infanterie – versterkt met troepen die van Waalhaven waren gevlucht – een knappe verdediging voerde. Hoewel een groot deel van de Duitsers uiteindelijk om die weerstand heen trok, kwamen zij met aanzienlijke vertraging bij het Noordereiland aan. Dat was beslissend voor het beperkte succes dat de Duitsers in Noord hadden behaald, want tegen de tijd dat hun versterking aankwam waren de Nederlanders al sterk genoeg geworden om de Duitsers grotendeels te hebben teruggedrongen in de verdediging. De moedige weerstand in Zuid werd pas eind van de middag gebroken. Nadien speelde de gehele strijd zich af rond het Noordereiland en het noordelijke landhoofd rond de meander in de Nieuwe Maas. Bij die strijd vielen op 10 mei aan weerszijde vele slachtoffers. Van de eerste Duitse luchtlandinggroep die op de Nieuwe Maas was geland, was nog slechts een klein deel ongeschonden aan het eind van de dag. Vrijwel alle kaderleden waren gesneuveld of gewond en uiteindelijk had men aan het einde van de dag in het noorden nog slechts het gebouw van de Levensverzekeringsbank in handen. Alle overige gebouwen aan de Boompjes en Maaskade waren weer in Nederlandse handen of stonden in brand. 

De kantonnementscommandant van Rotterdam had zijn handen vol aan de coördinatie van de strijd en werd daarbij sterk gesteund door de CMM in Rotterdam, die tevens Commandant van het Korps Mariniers was, kolonel der mariniers Von Frijtag Drabbe. Hoewel de rol van de mariniers in de strijd om de bruggen in de literatuur schromelijk overdreven wordt, was hun inzet en doortastendheid een voorbeeld voor vele. Maar ook de depottroepen versaagden niet. Desondanks smeekte kolonel Scharroo om versterking met gevechtstroepen. Die werden hem toegezegd en zo zouden enkele bataljons uit de Grebbelinie reserve naar Rotterdam worden gestuurd en grotendeels de volgende dag aankomen.

Elders aan het Zuidfront

Bij de Positie Hoek van Holland – officieel behorend tot het Westfront – waren door de problemen die de Duitsers op de vliegvelden rond de Residentie ondervonden, zo’n 180 Duitsers neergekomen die in Den Haag hadden horen landen. Vrijwel al deze troepen waren voor Ockenburg bedoeld geweest. In de vroege ochtend was eerst een peloton parachutisten met de compagniesstaf van 3./FJR2 oost van de Hoek geland. Zij hadden zich echter spoedig naar het noorden een uitweg gebaand en zouden in de avond hun compagnie bij Loosduinen aantreffen. Zo’n 130-140 man luchtlandingstroepen waren later in de ochtend eveneens ten oosten van de Hoek neergekomen en hadden zich in en bij het Staalduinse Bos gepositioneerd. Hoewel de Positie relatief rijkelijk was voorzien van troepen, en bovendien beschikte over volledig draaibaar kustgeschut, een met zware vuurmonden bewapend fort en licht geschut als 6-veld en mortieren, slaagde men er niet in om ook maar enig succes te behalen tegen de Duitsers. Dat was wel het geval met betrekking tot een paar dozijn luchtlandingstroepen die onder de Nieuwe Waterweg op Rozenburg waren neergekomen. Zij werden, deels met assistentie van de burgerwacht van het dorp Rozenburg en enkele mariniers, spoedig gevangen genomen. De lokale bevelvoering te Hoek van Holland was echter niet bestand tegen de stress van de oorlog en stuurde constant paniekberichten uit. Hoewel men over meer dan 1,000 man troepen beschikte, waaronder een bataljon infanterie, een compagnie grenstroepen en een peloton mariniers, en bovendien door nog een bataljon infanterie [Jagers] vanuit het noorden werd geassisteerd, slaagde men er niet in de Duitsers ook maar enigszins in het nauw te brengen. Sterker nog, men suggereerde naar ‘boven’ dat de Positie in groot gevaar was. In werkelijkheid had men te maken met slechts de 130 Duitsers die eerder waren beschreven, die geen enkele ambitie hadden de Positie aan te vallen en ook in het geheel niet offensief optraden.

De Groep Spui kreeg slechts te maken met overvliegende Duitse vliegtuigen en enkele zeemijnen die in het Haringvliet en Hellegat werden afgeworpen en de veerdiensten ter plaatse zodoende het opereren onmogelijk maakten. In de positie Willemstad kreeg men te maken met de tegenvaller dat 3.GB niet tot de Groep Spui toetrad, maar ter beschikking van de Lichte Divisie kwam ter ondersteuning bij de aanval op Waalhaven.

Groep Kil had een loodzware dag. Ze verloor al haar vitale objecten en posities en bijna de helft van haar troepenmacht. Alle eenheden op het eiland van Dordrecht werden uitgeschakeld op één compagnie en een restant artilleristen zonder stukken na. De vijf batterijen artillerie op het eiland kwamen in Duitse handen. Zodoende had de Groep een aanzienlijk deel van haar slagkracht verloren, en was zij tegelijkertijd door de vijand omringt. In plaats van slechts een front op het zuiden, was er eveneens een front op het oosten en noorden ontstaan. Meer dan twee bataljons sterkte hield de Groep niet over, nadat in de avond een bataljon infanterie naar het eiland van Dordrecht was overgezet om ter beschikking te komen van de kantonnementscommandant Dordrecht, die de bruggen over de Oude Maas wilde hernemen. Wel kreeg Groep Kil tijdelijk 3.GB onder coördinatie, dat zij moest assisteren om de Oude Maas over te steken om aan de aanval op Waalhaven deel te nemen. Dat bataljon zou de Groep echter – althans volgens de plannen – ook weer kwijtraken door de geplande aanval op Waalhaven.

Onder het Hollands Diep had 6.GB in de ochtend reeds opdracht gekregen om na het stellen van de versperringen aan de zuidgrens met België – een opdracht die vreemd overkwam met de gedachte dat Franse troepen de grens aldaar moesten oversteken – een aanval uit te voeren op het Duitse bruggenhoofd bij Moerdijk. Het bataljon slaagde erin Duitse voorposten te verdrijven, maar liep daarna muurvast op de ‘eigen’ buitenverdediging van het Bruggenhoofd, die nu door de parachutisten werd gebruikt. Ook assistentie van de luchtmacht, die een bombardement op de Duitsers uitvoerde met vier C-X’s, en artilleriesteun vanuit de Hoekse Waard, mochten niet baten. De geheel open polders waren moorddadig terrein om over te steken en infanteriegeschut of mortieren om een aanval te ondersteunen had 6.GB niet ter beschikking. Wel had zij vier stukken PAG, maar die hadden bij dit bataljon slechts antitank granaten ter beschikking.

Ook 3.GB had haar grenstaken verricht en was conform plan naar Willemstad getrokken. Daar kreeg men rond het middaguur bevel over te steken en vanuit Numansdorp naar de Oude Maas op te rukken, waar instructies volgden om aan de aanval op Waalhaven mee te doen. Doordat zeemijnen waren afgeworpen tussen Numansdorp en Willemstad moesten de veren de oversteek van voertuigen staken. Het betekende voor 3.GB dat een deel van haar compagnieën hun mobiliteit verloren. Bovendien waren de verbindingsmiddelen, de keukengroep en een deel van de munitie te Willemstad achtergebleven. Daarnaast waren enkele groepen van hun vernielingstaken elders (nog) niet teruggekeerd en had men enkele secties gedetacheerd elders in Noord-Brabant. Zodoende was 3.GB in feite slechts drie compagnieën sterk. In de avond maakte het zich desondanks klaar voor een sprong over de Oude Maas, die zij bij Goidschalxoord, Barendrecht en ten noorden van Puttershoek zou moeten oversteken. Dat zou allemaal in het vroegste uur van 11 mei moeten geschieden.

Noord-Brabant

Langs het Maas-Waalkanaal, de kop van Limburg en Noord-Brabant hadden de Duitsers getracht om middels verraderlijk optreden enkele bruggen in handen te krijgen. Zij slaagden erin om twee bruggen over het Maas-Waalkanaal te veroveren, waarvan één pas na een halve dag strijd. Ook slaagde een overval op de spoorbrug bij Gennep, die men veroverde dankzij verkleedde commando’s. Hoewel deze gebeurtenissen in de Nederlandse literatuur over de oorlog sterk zijn uitvergroot, slaagden de Duitsers er in feite nauwelijks in de voordelen uit te buiten.

Langs het Maas-Waalkanaal schutterde de Duitse commandant, zodat van de veroverde licht beschadigde brug bij Hatert niet geprofiteerd werd. Bedoeling was geweest met een gemotoriseerde SS-AA eenheid naar de brug over de Bergsche Maas bij Grave te snellen en die te veroveren voordat ze vernietigd werd. Een troepentrein van de Duitsers zou naar Ravenstein rijden, daar de Maas oversteken en troepen uitladen achter de Nederlandse stelling. Maar de trein was echter al gestrand voor de brug bij Neerbosch, die tijdig was vernietigd. Daardoor kon de opzet van de Duitsers bij Ravenstein achter de stelling te komen niet slagen. Wellicht waande de Duitse commandant daarmee het plan gefailleerd en drukte hij niet door nadat de brug te Hatert in handen was gevallen. De strijd aan het kanaal duurde in het zuiden bij Heumen nog vrijwel de gehele dag. Moedig verzet van de Nederlanders kon door een uiteindelijk grote Duitse overmacht maar heel geleidelijk worden gebroken.

Meer succes hadden de Duitsers te Gennep, waar een pantsertrein en een goederentrein over de intact veroverde brug denderden en door reden richting Mill, het sleutelpunt in de Peel-Raamstelling. Daar was men nog niet zover dat de spoorbaan was versperd, en zodoende konden de beide treinen ongehinderd door de linie rijden en een bataljon infanterie van 256.ID achter de Peel-Raamstelling uitladen. Dat bataljon werd echter door taai Nederlands verzet spoedig geïsoleerd. Omdat de Duitsers geen verbinding konden maken met het oosten, bleef de Duitse hoofdmacht ongewis van hun lot. Tegelijkertijd faalde de Duitse logistiek. De genie eenheid die vlonders had moeten meebrengen om de spoorbrug voor zwaar materieel overschrijdbaar te maken, was ver achterop geraakt, en zou pas in de late avond arriveren. De naast de spoorbrug geslagen pontonbrug werd spoedig kapot gereden door een artillerietrekker, die met vuurmond en al door een ponton zakte en de brug een halve dag versperd hield. Het betekende dat de beide Duitse regimenten die voorzien waren al ruim voor het middaguur te Mill te arriveren, veel later arriveerden en bovendien op een batterij na (die al naar de overzijde was gekomen voor de beschadiging) zonder artillerie moesten worden ingezet. De strijd bij Mill was hard. Nederlandse troepen, inmiddels gesteund door haastig toegezonden motorhuzaren van de Lichte Divisie, wisten het Duitse bataljon in een kleine ‘pocket’ te duwen en volkomen te immobiliseren. Daarbij was de passiviteit van de Duitse commandant opnieuw opvallend. Een deel van door het Duitse bataljon veroverde gebied, met name een sectie van de voorste kazematlijn, werd heroverd.

Pas in de middag ontwikkelde de inmiddels aangekomen restanten van het voorste Duitse regiment zwakke aanvallen op de kanaalstelling. Zij werden zonder veel problemen afgewezen. De lokale Nederlandse militairen hielden zich uitstekend. Van vlucht of plichtverzaken was geen sprake en het kader gaf overtuigend leiding. Alle Duitse pogingen om de kanaalstelling te doorbreken liepen stuk op de taaie verdedigers. Daarbij vielen echter geleidelijk aan wel steeds meer kazematten uit door schietgattreffers. Pas in de avond zou een belangrijke Duitse aanval worden ontwikkeld, nadat het tweede regiment ook ter plaatse was gearriveerd. Voor de plaatselijke Duitse regimentscommandant kwam het als verrassing dat ineens vlak voor zonsondergang een zware Duitse luchtaanval volgde op de Nederlandse posities. Tussen Mill en de Maas werden een uurlang duikaanvallen uitgevoerd op de kazemattenlinie. Hoewel daarbij nauwelijks slachtoffers vielen, zorgde het wel voor een evacuatie van delen van de voorste linie. Toen de luchtaanval was afgelopen, wisten nog vele eenheden terug te keren naar hun stellingen, maar de kracht van de Duitse aanval die volgde, en het verlies van de inmiddels talrijke uitgevallen wapenpunten, leverde de Duitsers eindelijk succes op. Bij het dorp Mill wisten zij over het kanaal te komen en geleidelijk aan een gat in de linie uit te bouwen. Hoewel daarmee de linie was gevallen, zouden de gevechten nog tot diep in de nacht doorgaan.

De verliezen bij Mill waren voor de Duitsers aanzienlijk geweest. Aan Nederlandse kant was uitstekend gevochten, waren de verliezen relatief licht en was er zelfs na de doorbraak geen sprake geweest van een massale vlucht. Onderwijl had de voor Noord-Brabant verantwoordelijke Nederlandse commandant, kolonel Schmidt, de gehele Peel-Raamstelling boven de sector Weert, opdracht gegeven nieuwe stellingen in te nemen achter de Zuid-Willemsvaart. Om middernacht moest de terugtocht aanvangen. De kolonel was vergeten dat de drie bataljons in de sector Mill – Bruggen zich vermoedelijk niet meer los zouden kunnen maken van de vijand en dus hun beoogde posities achter de Vaart niet zouden kunnen innemen. Dat werd niet ondervangen door een veiligheidsbezetting door andere eenheden, omdat de bevelhebbers er simpelweg niet bij hadden stilgestaan. Een blunder die grote gevolgen zou hebben.

Elders in de Peel-Raamstelling zag men geen actie, met uitzondering van enige schermutselingen voor de stelling. De Maaslinie hield het relatief goed, en vertraagde de Duitse opmars op de eerste oorlogsdag aanzienlijk. Op veel locaties slaagden de Duitsers er pas in, in de middag over de Maas te geraken, nadat taaie weerstand en trage pontonbrugbouw hen parten had gespeeld. Het betekende dat de terugtocht instructie vele onderdelen in de Peel-Raamstelling rauw op het dak viel. Hoe het ook zij, rond middernacht werd de gehele linie geëvacueerd naar de Zuid-Willemsvaart.

Onderwijl waren in de late avond Franse troepen gearriveerd in Nederland. Bij Breda en bij Tilburg waren de voorste eenheden van respectievelijk een verkenningseenheid en een cavaleriedivisie in contact gekomen met Nederlandse militairen. Direct werd duidelijk dat de Fransen niet van zins waren oostelijk van Tilburg te opereren. Het betekende dat kolonel Schmidt vanaf middernacht veel te coördineren had met de gearriveerde bondgenoten.

Balans van een dag oorlog

De overval op de Vesting Holland, die geheel vanuit de derde dimensie was gekomen, had ondanks de voorbereidingen op grotere luchtlandingen aan Nederlandse kant, de legerleiding qua aard en schaalgrootte volkomen verrast. Een grote blunder was geweest dat de opperbevelhebber – die zelf op 9 mei overtuigd was geweest dat de Duitse inval de volgende ochtend zou plaatsvinden – zijn ondercommandanten de vrijheid had gegeven om eigen afwegingen te maken bij de gereedheidstelling van de troepen. De alles behalve voor zijn taak geschikte commandant van Vesting Holland had in zijn wijsheid zijn troepen nachtrust gegund boven paraatheid. Het gevolg was dat de massale overval uit de lucht veel troepen verre van paraat trof. Hoewel de vraag valide is of een geheel paraat Nederlands leger de Duitse luchtlandingen aanzienlijk succesvoller zou hebben kunnen bestrijden. Die vraag kan vermoedelijk met een ontkennend antwoord worden afgedaan. Maar het had zeker geleid tot een taaiere weerstand.

Aan het Zuidfront gingen reeds in de ochtend alle strategische objecten verloren. Met name het snelle Duitse succes bij de Moerdijkbruggen was ontnuchterend geweest. Maar ook het verlies van de bruggen bij Zwijndrecht / Dordrecht en het razendsnel gebroken verzet op Waalhaven, waren opvallend. Slechts in Rotterdam trof de overvaller een verbeten verzet dat van geen opgeven wilde weten en het aanvankelijke Duitse succes minimaliseerde tot het bezetten van het Noordereiland en het nog onvernietigd blijven van de bruggen in de stad.

Debet aan het grote Duitse succes in de eerste fase van de overval op het Zuidfront, was vooral geweest dat de stellingen en de eenheden geheel waren voorbereid op een conventionele oorlog, ondanks het feit dat men voldoende instructies had gekregen met luchtlandende vijanden rekening te houden. Die instructies waren echter nooit gepaard gegaan met degelijke opvolging en controle. De stellingen bij Moerdijk waren eenzijdig ingericht en de bevelhebbers ter plaatse reserveofficieren, die zich meer bezig hadden gehouden met de dagelijkse beslommeringen dan met het degelijk operationeel voorbereiden van hun verdedigingen. Daarbij kwam dat de munitie centraal was opgeborgen en geen verhoogde paraatheid gold. Uiteindelijk was het samenkomen van al die elementen bij Moerdijk de aanleiding voor een volkomen falende defensie. In Dordrecht was helemaal geen sprake geweest van een gevoelde noodzaak tot weerbaarheid. Men wist niets van de verhoogde paraatheid en verwachtte al helemaal geen luchtlanding in de eigen achtertuin. De brug werd bewaakt door een handvol militairen met tien patronen de man en het depot was in volledige rust. Ook daar was de nalatigheid van de C-VH funest geweest, althans voor het (mogelijke) behoud van de bruggen. De overval op de stad werd echter verrassend daadkrachtig beantwoord door met name de sectie spoorwegtroepen en de pontonniers in de wijk Krispijn. Deze troepen, waarvan een aanzienlijk deel rekruten, slaagden erin het enige werkelijke tactische succes tegen Duitse troepen te behalen van de gehele vierdaagse strijd aan het zuidfront, door de hoofdmacht van een Duitse parachutistencompagnie uit te schakelen. Nadien slaagde men er echter niet in om met de circa 1.500 man beschikbare militairen de bruggen te hernemen of de Duitse positie aldaar zelfs maar serieus te bedreigen.

Waalhaven was een rampzalig theater gebleken voor de Nederlanders. Opnieuw speelde lamlendigheid bij de lokale bevelhebber (commandant infanterie) de zaak ernstig parten. Deze had zich aan alle kanten aan zijn werkelijke verantwoordelijkheden onttrokken, een waanzinnige opstelling voor zijn troepen uitgewerkt en gaf tijdens de strijd geen enkele leiding, om er bovendien vrijwel direct vandoor te gaan met zijn staf. Hij had het onnodig geacht zijn verbindingen aan te leggen en bovendien de helft van zijn strijdmacht onwerkelijk genoeg ingezet tegen een imaginaire maritieme en stadse bedreiging. Hij handelde daarmee in strijd met ontvangen richtlijnen, maar toen hem dat op 8 mei tijdens een inspectie duidelijk werd gemaakt, was hij tijdens de bespreking uit de vergadering gelopen omdat zijn adjudant van het paard was gevallen! Een typerende verhaallijn voor de mores van het Nederlandse leger anno 1940. Het betekende dat het vliegveld op 10 mei binnen driekwartier volledig onder Duitse controle was gebracht en nadien de luchtlandingstroepen kon ontvangen om de gehele Duitse operatie van noodzakelijke brandstof en mensen te voorzien.

In Den Haag had men geschrokken gereageerd op de strategische klappen die werden geïncasseerd. Met name het verlies van de Moerdijkbruggen en van Waalhaven raakten het AHK keihard. Men besefte al snel dat een operationeel Waalhaven de Duitsers vrijwel onbeperkte mogelijkheden bood om troepen in te vliegen, midden in de Vesting Holland. Alles op alles werd gezet om de vliegbasis onbruikbaar te maken en tegelijkertijd te heroveren. Het sluiten van de deur op het Zuidfront bij Moerdijk werd aan de Fransen overgelaten, nadat Winkelman en de Franse opperbevelhebber Gamelin telefonisch hadden afgesproken dat de Franse troepen, die op weg waren naar Noord-Brabant, dat appeltje wel zouden schillen. De besluiten die op het AHK volgden waren dan ook massaal gericht op het herstellen van de grote scheur in de Vesting bij Waalhaven. Schaarse middelen van de Militaire Luchtvaart werden ingezet, de RAF werd gesmeekt te assisteren en voorname reserves van het Veldleger achter de Grebbelinie naar Rotterdam gedirigeerd. Bovendien werd de Lichte Divisie, voorzien als strategische reserve, aan de C-VH toegezegd en direct ingezet om via de Alblasserwaard over te steken naar IJsselmonde om vervolgens Waalhaven te heroveren. Daarbij moest vanuit het zuiden door 3.GB worden geassisteerd. Die aanval zou in de vroege uren van 11 mei gestalte moeten krijgen, tijdens de nog donkere uren. Men was kennelijk in de veronderstelling dat het ronduit slecht geoefende Nederlandse leger zo’n operatie wel aankon!

In Noord-Brabant was de dag met een schok begonnen nadat duidelijk was geworden dat reeds een half uur na het Duitse aanvalstijdstip al een bataljon Duitse infanterie achter de Peel-Raamstelling was uitgeladen. Het betekende dat het 3e Legerkorps en de Lichte Divisie direct opdracht kregen naar de Vesting-Holland te vertrekken, in plaats van dat dit gedurende de eerste oorlogsnacht zou geschieden, zoals het oorspronkelijke plan. Een meevaller was dat de verdediging bij Mill het hield, ondanks het vroege Duitse succes. Uiteindelijk was in de late middag reeds het merendeel van de terug te nemen eenheden over de Bergsche Maas en de Waal terug in de boezem van de Vesting Holland, en daarmee voor het AHK de situatie gered. Het betekende echter dat men de controle over Noord-Brabant geheel los liet en de troepen in die provincie overgeleverd waren aan zichzelf en hun commandant kolonel Schmidt. Deze had – toen duidelijk werd dat de situatie bij Mill precair was geworden – opdracht gegeven om met de gehele Peel-Raamstelling ten noorden van Weert te evacueren naar een geheel onvoorbereide opstelling achter de Zuid-Willemsvaart. De kolonel en zijn staf blunderden daarbij door geen rekenschap te geven aan het feit dat de troepen in de sector Mill vermoedelijk niet tijdig zouden kunnen terugtrekken en hun nieuwe sector achter de Vaart zodoende onbezet zou blijven.

De eerste oorlogsdag was voor het Zuidfront - en daarmee de Nederlandse defensiestrategie als geheel - desastreus verlopen. De vijand had zich in een smalle corridor meester gemaakt van de as Moerdijk – Rotterdam. Het Nederlandse dispositief was over die volle lengte in tweeën gesplitst en daar was de vooroorlogse strategie en planning in het geheel niet op voorbereid geweest. Er waren lokaal geen goede gevechtseenheden, onvoldoende eenheden om grootschalige manoeuvres mee te verrichten en vooral ongeschikte staven en officieren om tegenmaatregelen in goede banen te leiden. Het positieve was dat men het de tweede oorlogsdag niet slechter kon doen dan tijdens de eerste dag. Bovendien werd hoop geput uit de belofte van Franse steun uit het zuiden en de op handen zijnde tegenmaatregelen, die door de Lichte Divisie zouden worden vormgegeven.