11 mei 1940

Moerdijkbruggen

Gedurende de nacht had 6.GB een bescheiden aanval ontwikkeld, om daardoor gebruik makend van het donker de grote nadelen van de open naderingszone van het Duitse bruggenhoofd te minimaliseren. Artilleriebeschietingen door de afdelingen in de Hoekse Waard moesten in eerste instantie op de Duitse hoofdverdediging (langs de wegen, in de oude Nederlandse stellingen) worden afgegeven en nadien op de landhoofden van de bruggen om versterking vanuit het noorden te belemmeren. In het zuidelijke bruggenhoofd hadden de Duitsers drie compagnieën parachutisten verdeeld over even zoveel segmenten. De zware mitrailleurs waren geconcentreerd op de as van het bruggenhoofd met aan weerszijde een jagercompagnie. In Willemsdorp lag de vierde compagnie van het bataljon en stonden twee stukken 7.5 cm berggeschut, die in de avond van de 10e waren aangevoerd. Eveneens gearriveerde pioniers hadden versperringen gebouwd in het zuidelijke bruggenhoofd en diverse beperkte maar strategisch gelegde mijnenveldjes aangelegd.

[Overzichtskaarten]

De artillerie gaf de afgesproken vuren af, maar had daarbij een rekenfout gemaakt, zodat een deel van de artilleriegranaten op Nederlandse posities viel. De op de as van het bruggenhoofd voor de aanval gereed liggende Nederlandse troepen moesten daardoor wijken in plaats dat zijn konden optrekken. Vervolgens blies men de aanval in het centrum van het bruggenhoofd, rond Zevenbergsche Hoek, af. Men kreeg echter geen contact met de compagnie op de rechtervleugel, die daardoor wel voorwaarts ging en zelfs ook enige terreinwinst boekte omdat de Duitse verdediging dicht op de bruggen lag. Maar uiteindelijk werd ook aan de rechterzijde de voorwaartse beweging gestaakt.

In de ochtend wilde men het opnieuw proberen, toen ineens een Franse eenheid verscheen. Dat was een formatie verkenners die tot taak hadden een agressieve verkenning richting Moerdijk en Geertruidenberg te ondernemen. De Franse eenheid bestond uit motorhuzaren, ondersteund door een vijftal pantserwagens met een 2.5 cm kanon. Na enige afstemming besloot de Franse commandant, een majoor, om een voorzichtige aanval op Moerdijk te ontwerpen. Maar voordien wilde hij kunnen verkennen en gaf daarom zijn pantserwagens opdracht in twee patrouilles rond het Duitse bruggenhoofd de Nederlandse en Duitse posities te verkennen alsmede de beste route voor de aanval te bepalen. Al met al treuzelde de Franse commandant zo lang, dat het al ruim in de middag was voordat hij een plan had ontworpen. Onderwijl was een andere kleine Franse taakgerichte eenheid gearriveerd, die de Franse liaison officier voor het AHK – Général Eugene Mittelhauser – naar Den Haag moest brengen. Deze eenheid had ook een peloton pantserwagens ter beschikking alsmede enige motorrijders. Zij wilden bij Moerdijk de brug over in de kennelijke veronderstelling dat die nog vrij was. In gezamenlijkheid besloten de Franse officieren een aanval te wagen op Moerdijk. Daarbij bleven de Nederlanders geheel buiten beeld. Het moest een Franse operatie worden. Hoewel de Fransen reeds ruim voor het middaguur waren gearriveerd, waren zij pas tegen 1700 uur gereed voor de aanval. In Zevenbergsche Hoek stelden enige pantserwagens en motorhuzaren zich gereed, toen het onheil geschiedde. De Duitsers hadden de Fransen waargenomen tijdens hun wilde ritten rond het bruggenhoofd en vermoedelijk via de bevelsketen contact gekregen met Duitsland, waar bommenwerpers waren aangevraagd. Die verschenen rond 1700 uur boven de sector en pakten direct de gereedstaande Franse troepen in Zevenbergsche Hoek aan. Talloze woningen werden vernield en één Franse pantserwagen werd buiten gevechtgesteld waarbij vijf Fransen het leven lieten. Talloze burgers kwamen om en branden braken uit. Ook Zevenbergen en even later het verderop gelegen Etten werden aangevallen. De Duitse luchtactie ging een uur lang door. De Fransen verlieten ogenblikkelijk de sector en kwamen grotendeels bij Etten weer samen in de late avond om via een omweg weer bij Princenhage samen te komen. De voorste troepen van 6.GB hadden tijdens het bombardement ook hun posities opgegeven, maar waren even buiten Zevenbergsche Hoek weer geformeerd. Van een vlucht was aan hun kant geen sprake, maar de bataljonscommandant achtte de situatie hopeloos en besloot terug te trekken. De niet bereikte 3e Compagnie bleef echter in Lage Zwaluwe rustig in zijn positie, terwijl de rest van het bataljon zich positioneerde achter het riviertje de Mark.

Na deze hopeloos mislukte tegenactie bij Moerdijk, werd het Duitse bruggenhoofd door de Nederlanders en Fransen losgelaten om – tijdens de meidagen – niet opnieuw te worden bedreigd. Aan Duitse kant versterkte men de zaak nog wel, uiteraard in anticipatie op een zwaardere Franse reactie na de mislukte eerste poging. De zware wapenscompagnie van III./FJR.1 werd aangetrokken om de noordzijde van de bruggen te bezetten, terwijl extra parachutisten en enig antitankgeschut naar de zuidzijde werden verplaatst.

Dordrecht

Gedurende de late avond van 10 mei was vanuit de Hoekse Waard een bataljon infanterie onder de beroepsmajoor Ravelli bij Wieldrecht aangekomen en voerde een aanval uit op het overigens onbezette Amstelwijk. Met veel bombarie was de aanval door de chef-staf Groep Kil, kapitein Calmeijer voorbereid, en met evenveel gewicht uitgevoerd, waarbij een paar honderd artillerie- en mortiergranaten op het sinds de ochtend van 10 mei volkomen van Duitse troepen geruimde Amstelwijk en Gravesteijn waren gevallen. In aanvalslinie werd opgetrokken om slechts sporen van de strijd in de ochtend te vinden en aangerichte vernielingen aan burgerbezit te aanschouwen die veroorzaakt waren door de nodeloos verschoten artilleriegranaten. Nadien kreeg het bataljon opdracht naar Dordrecht op te trekken en daarbij de spoorlijn als leidraad aan te houden. De bataljonscommandant koos er echter voor om de rijksweg te gebruiken, omdat het in het donker haast ondoenlijk was door de velden en sloten langs de spoorlijn te trekken en tijdig – dat wil zeggen voor het licht werd – in Dordrecht aan te komen. Dat was op zich een begrijpelijk besluit, als hij daarbij onder de Zeehaven zou zijn gestopt voor nadere verkenning en afstemming. Echter, zonder dat het bataljon kennis had van de Duitse posities in Dordrecht, trok men in colonne op naar en vervolgens zelfs voorbij de Zeehaven. In plaats van op die logische locatie aan de buitenzijde van de stad het daglicht – en nadere orders van de kantonnementscommandant – af te wachten, besloot de bataljonscommandant zijn voorste compagnie door te laten marcheren tot aan de voet van de verkeersbrug oprit.

Aan Duitse zijde was er ook het een en ander geschied. Gedurende de avond van de 10e was een tweetal stukken 7.5 cm berggeschut te Zwijndrecht gearriveerd, waarmee onder meer al enige schoten waren afgegeven op kerktorens in Dordrecht, waarvan de Duitsers dachten dat er waarnemers in waren gehuisvest. Daarnaast was een compagnie infanterie van IR.16 gearriveerd, die eveneens te Zwijndrecht, de westoever van de Oude Maas bezette. In de vroege nacht was door generaal Student besloten het gehele 3e Bataljon parachutisten van Waalhaven en omgeving naar Dordrecht te sturen om het zodoende aan het 1e Regiment ter beschikking te stellen dat zodoende met nieuwe krachten Dordrecht onder controle zou kunnen brengen. Dat bataljon arriveerde gefaseerd gedurende de ochtend van de 11e. Als klap op de vuurpijl hadden de Duitsers een ordonnans onderschept van het bataljon Ravelli, die verklaarde met een boodschap van zijn bataljon naar Dordrecht te zijn gestuurd. De Duitsers wisten zodoende dat een nieuw bataljon in opmars was. Gauw werd een stevig vuurfront gebouwd rond de verkeersbrug aan Dordse zijde.

Nog voor het licht werd, werd de kopgroep van het bataljon Ravelli op de Mijlweg (parallel aan de rijksweg) door een aantal vuursalvo’s in dekking gedwongen. In plaats van daarop direct de kopgroep, bestaande uit de staf plus twee secties van 1-I-34.RI, terug te halen tot achter de verhoogde kruising noord van de Zeehaven, liet Ravelli hen dekken in het volmaakt vlakke gebied west van de weg, dat geen enkele dekking bood, alsmede tegen het talud van de licht stijgende rijksweg. Toen de zon haar eerste stralen verschenen brak ineens een vuurstorm los over de hoofden van de kopgroep, en vielen binnen enkele minuten het gros van de voorste sectie en twee officieren. Twaalf hunner waren gesneuveld of dodelijk gewond. De voorste compagnie en de daarachter liggende twee compagnie raakten volkomen in paniek en weken ongeorganiseerd terug, terwijl enkele Duitse stoottroepen direct nadrongen. Een massale vlucht richting de Zeehaven was het gevolg. Daar trachtte de bataljonscommandant de resterende eenheden te herorganiseren, maar hij was toen reeds anderhalve compagnie kwijt aan slachtoffers en krijgsgevangen gemaakte mannen. Bovendien verspreidde hij de restanten van het bataljon naar alle kanten van de Zeehaven, en verzuimde een sterk front noord te bouwen.

Terwijl de Duitsers vuurcontact onderhielden met de voorste gelederen van het bataljon bij de Zeehaven, kregen twee compagnieën Wielrijders van de kantonnementscommandant opdracht de Duitsers rond het Zeehavencomplex aan te vallen. Wat was het geval. In de late avond van de vorige dag had de commandant van de Lichte Divisie [C-LD] opdracht gekregen een bataljon Wielrijders naar Dordrecht te sturen ter versterking van de gevechtscapaciteit binnen het kantonnement. Gedurende de nacht was men aangekomen en waren twee compagnieën met twee secties zware mitrailleurs naar het zuiden van de stad gestuurd om aldaar te assisteren bij de verdediging, die tot dan toe door de restanten artilleristen van Groep Kil (op het Eiland) werd gevoerd langs de Zuidendijk. Toen de kantonnementscommandant duidelijk werd dat de Duitsers offensief optraden vanuit hun bruggenhoofd bij de Oude Maas, verordonneerde hij een aanval op het door hem in Duitse handen veronderstelde Zeehavencomplex. Eén compagnie moest via Amstelwijk en één compagnie via de Zuidendijk aanvallen. Toen de beide eenheden op weg gingen en vlakbij de Zeehaven geraakten, namen zij militairen waar en beschoten het complex met hun twee mortieren. Het kostte de nodige moeite aan majoor Ravelli om de overkant te overtuigen dat ze in werkelijkheid op Nederlanders schoten. Nadat dit misverstand was opgelost, en het Zeehavencomplex in Nederlandse handen bleek, zouden de beide compagnieën Wielrijders terug trekken naar de stad.

Onderwijl was echter de beruchte Hauptmann Schulz [C. III./FJR1] ook gearriveerd en nog net zo doortrapt als de dag ervoor. Hij besloot de Nederlanders te misleiden. Gevangen genomen militairen werden op twee vrachtwagens geladen en met een Nederlandse vlag zwaaiend richting Zeehaven gereden. Onderaan het lagere talud sloop een compagnie parachutisten mee. Toen de twee langzaam rijdende vrachtwagens beschoten werden door enkele verdedigers in de wijk Krispijn, dacht majoor Ravelli dat wederom eigen troepen op hen vuurde. Hij toog naar het krijgsgewoel, en werd gevolgd door het grootste deel van zijn officieren. Slechts twee officieren vertrouwden de zaak niet en bleven achter. Bij het viaduct van de Zeehaven naar de wijk Krispijn, draaide de vrachtwagen met Nederlandse krijgsgevangenen het viaduct op. Ze werden benaderd door de commandant van één der compagnieën Wielrijders, die prompt door de verscholen parachutisten werd ontwapend. Vervolgens liep de majoor Ravelli met zijn officieren in dezelfde val en werd ook verrast door plots op de weg springende parachutisten. Hierna werd de majoor gedwongen om voorop te gaan met enkele parachutisten en de compagnie Wielrijders die op de Zuidendijk op het punt stond terug naar de stad te keren te sommeren zich over te geven. Dat weigerde de majoor, waarop Schulz hem naar achteren liet voeren en zelf met zijn mannen richting de Wielrijders trok. De gevangen genomen Nederlanders werden later naar Willemsdorp afgevoerd. Schulz zou bij een vervolggevecht aan de voet gewond raken en afgevoerd worden. De aanval verder oostwaarts langs de zuidgrens van Dordrecht werd door de Duitsers afgebroken.

Nog was de tragedie van het bataljon Ravelli niet afgelopen. De inmiddels tot een sterkte van anderhalve compagnie teruggebrachte eenheid trok onder leiding van de commandant van 1-II-28.RI [kapitein Schouten], de enige overgebleven officier naast een luitenant van de 2e Compagnie, terug naar Wieldrecht. Daar richtte het zich ter verdediging in. Spoedig werd het daar aangevallen door 11./FJR.1, ondersteund door 12./FJR1. Bij het korte maar hevige gevecht werd kapitein Schouten gedood, waarna het restant van het bataljon op enkele tientallen manschappen, na zich overgaf. In drie opeenvolgende confrontaties met de Duitsers was het gehele bataljon in een dag tijd vernietigd, zonder dat het ook maar een fractie afbreuk aan de tegenstander had gedaan. Het was een aaneenschakeling van falend krijgsbeleid geweest dat deze zo kostbare eenheid aan de Duitsers had doen vallen.

Ten zuiden van de stad waren er ook boeiende ontwikkelingen. Rond 0600 uur landde een parachutistencompagnie – bekend als de Kompanie Moll, een kleine reserve eenheid – rond de Tongplaat en het oosten van de Zeedijk. Het bestond uit circa 60 man omdat een deel der vliegtuigen onderweg was neergeschoten en een ander deel teruggekeerd was. Die 60 man zouden de gehele dag in gevecht blijven met een deel van 2-I-28.RI onder de vaandrig Marijs. Aan het einde van de dag besloten de beide partijen tot een unieke en ridderlijke wapenstilstand. De Nederlanders hadden geen munitie meer en de Duitsers waren door de vaandrig en zijn mannen geisoleerd geraakt. Besloten werd dat beide partijen een boerderij zouden betrekken voor de nacht, de gewonden zouden verzorgen en de doden begraven. Als in de ochtend Nederlandse troepen zouden naderen zouden de Duitsers zich overgeven. Zouden het Duitsers zijn die hen benaderden, dan zouden de Nederlanders zich overgeven. Uiteindelijk zou de opvallende afspraak in Nederlands nadeel eindigen. Mede door toedoen van – opnieuw – zeer zwak Nederlands optreden elders. Want gedurende het gevecht bij de Tongplaat – in het uiterste zuidoosten van het eiland van Dordrecht – was een andere compagnie van I-28.RI [de 3e Compagnie] samen met de plaatsvervangend compagniescommandant van 2-I-28.RI - en dus de directe commandant van vaandrig Marijs - net ten noorden van de Tongplaat erin geslaagd de oude artillerieopstelling van III-14.RA te heroveren op de Duitsers. Zij bleven echter niet ter plaatse omdat zij het bedienen van de vuurmonden, door enige meegetrokken artilleristen, te riskant vonden. Enige door de Duitsers vanuit Tweede Tol afgeschoten mortiergranaten deden hen terugtrekken, waarbij zij niet de twee secties te Tongplaat besloten te ondersteunen, maar terugtrokken naar Kop van ’t Land! Zodoende werd de vaandrig Marijs, nota bene door zijn eigen commandant, in de steek gelaten. Had men de vaandrig bijgestaan, dan was de gehele Duitse formatie gevangen genomen.

Midden op het eiland, tegen de Zuidendijk aan, zouden in de loop van de middag nog enige parachutisten landen. Zij waren vermoedelijk het peloton dat in de ochtend teruggekeerd was uit de formatie Ju-52's dat de compagnie van Oberleutnant Moll vervoerde en alsnog afgezet. De mannen kwamen in vuurgevecht met Nederlandse troepen langs de Zuidendijk, maar bereikten in elk geval ten dele eigen troepen te Tweede Tol. De restanten Nederlandse troepen langs de Zuidendijk werden in de avond op bevel van de C-Groep Kil teruggenomen op Dubbeldam. De volgende dag zou de Lichte Divisie op het eiland arriveren en de resterende troepen dienden daarom een beveiligingsscherm om Dordrecht op te trekken. Zodoende eindigde ook de tweede oorlogsdag op het eiland van Dordrecht in mineur.

Alblasserwaard

In de avond van 10 mei, rond 2000 uur, kwamen de eerste onderdelen van de hoofdmacht van de Lichte Divisie in de sector Alblasserdam aan. Al aan het einde van de middag was de divisiestaf gearriveerd, en aan het begin van de avond volgde een inspectie van de grote verkeersbrug over de Noord, die de Alblasserwaard met IJsselmonde verbond. De brugwachter meldde aan de kolonel Van der Bijl dat hij enige Duitsers had waargenomen, die hij had geweigerd de geheven brugklep neer te laten. Daardoor wist de kolonel dat de Duitsers een eventuele overgang in elk geval niet onopgemerkt zouden laten gebeuren. Toen hij rond 1700 uur het bevel van de C-VH bevestigd kreeg om die nacht een bataljon naar Dordrecht te sturen en met de rest van zijn divisie direct over te steken naar IJsselmonde en om 0230 uur Waalhaven aan te vallen, ontbrak vitale informatie. Er werd de kolonel niet verteld dat de Dordtse bruggen in Duitse handen waren, zodat de kolonel meende het naar Dordrecht te sturen bataljon wel via Zwijndrecht te kunnen laten trekken. Hij kreeg ook geen informatie omtrent de Duitse sterkte, noch dat 3.GB hem op zijn linkervleugel zou bijstaan.

Het plan dat door de divisiecommandant werd ontworpen was eenvoudig van opzet. Twee aanvalsgroepen werden geformeerd. De linker, die na de oversteek via Barendrecht zou trekken, bestond uit de hoofdmacht van 2.RW [Regiment Wielrijders] en II-KRA [twee batterijen gemotoriseerd 7.5 cm veldgescht]. De rechtergroep bestond uit 1.RW en I-KRA en zou bij Bolnes verzamelen na bij Alblasserdam de brug te zijn overgestoken. 2.RW zou een bataljon vanuit Barendrecht naar Dordrecht sturen. Beide groepen zouden zelfstandig hun weg naar Waalhaven vinden, waarbij uit de aard der zaak de linkergroep vanuit het zuidoosten en de rechtergroep vanuit het oosten zou aanvallen. Op papier een aardige gedachte. Maar in de praktijk een kansloos plan. Allereerst was er natuurlijk het bataljon dat nooit door het bezette Zwijndrecht zou komen. Daarnaast was Barendrecht óók door de Duitsers bezet, met circa twee compagnieën troepen. Bij Hordijk, midden op het eiland, lagen enkele Duitse verbanden in reserve. Die zou men ontegenzeglijk tegenkomen. Bovendien diende de rechtergroep door Rotterdam Zuid te trekken richting Waalhaven, waarbij men evident met Duitse troepen in aanraking zou komen. Het plan was dus volkomen gespeend van enige realiteit. Kennelijk ging de kolonel er vanuit dat heel IJsselmonde tot aan Waalhaven onbezet was. Met welke aanleiding zoveel irrationaliteit bij de bevelhebber opkwam, is haast niet te duiden. Voor een gedeelte was een gebrek aan informatie vanuit de C-VH een oorzaak, maar anderzijds kon de kolonel zelf ook rekening houden met onverhoopte Duitse tegenstand, daar deze ook al door de brugwachter was gemeld. Hij had als eerste tegenmaatregel enige verkenners naar voren kunnen sturen door hen met (aanwezige) boten over te zetten. Dat kwam echter niet in de plannen voor.

Toen de eenheden van de Lichte Divisie, met name die van 1.RW, sterk vertraagd leken te zijn, besloot de kolonel ook nog eens de aanval over de brug uit te stellen tot de volgende morgen. Een fatale fout. De Duitsers die de brugwachter had geweigerd te woord te staan, hadden zich teruggemeld bij hun divisie. Met schrik om het hart had Student tegen middernacht te horen gekregen dat er een brug bij Hendrik Ido Ambacht was, die niet op Duitse stafkaarten stond. De brug was inderdaad nog maar korte tijd geleden geopend, maar de constructie lag er toch al twee jaar. Het was een blunder van de Duitse inlichtingendienst geweest dat de brug, die wel gefotografeerd moet zijn, niet was ingetekend. Maar Student twijfelde niet en stuurde direct een (verzwakt) bataljon naar Hendrik Ido Ambacht, versterkt met enige stukken antitankgeschut en twee berghouwitsers. Die troepen kwamen nog voor het aanbreken van de dag aan. Tot die tijd had er één Duitse peloton gelegen met één stuk antitankgeschut. Een grote kans om relatief eenvoudig naar de overzijde te komen had de weinig doortastende Van der Bijl dus gemist. Het zou zijn effecten niet missen.

Toen in de ochtend Nederlandse troepen zich bij de brug lieten zien, werden zij direct beschoten. Duidelijk was onmiddellijk dat de brug simpelweg met enig dekkingsvuur overschrijden niet meer aan de orde was. Besloten werd twee landingen met stormboten – die de divisie standaard had – uit te voeren op enige afstand aan weerszijde van de brug. Zo geschiedde en beide formaties ter grootte van een halve sectie bereikten zonder beschietingen de overzijde. Daar vond de noordelijke groep zichzelf echter midden in weilanden met vele brede sloten, wat optrekken richting brugoprit zeer bezwaarlijk maakte. Ze werden door hun sprongen spoedig ontdekt en zwaar beschoten. Ten zuiden van de brug deelde de daar gelande sectie hetzelfde lot, zij het nadat het enige tijd heimelijk mortiervuur had kunnen leiden via een gevonden werkende telefoonlijn. Kort nadien kreeg men echter vuur zodat de actie werd afgeblazen. Tweemaal trachtte men een stormloop over de brug te plegen, maar tweemaal was het neerlaten van de brugklep een niet te missen signaal aan de Duitsers. De eerste keer was het felle Duitse vuur direct een signaal een poging over te steken te staken. De tweede keer, nadat het geleide mortiervuur enkele Duitse posities had doen ontruimen, was het vuur even minder zwaar, maar toen opeens ook granaatvuur viel, was er over de volkomen open brug geen doorkomen aan. Vervolgens werd getracht met een iets groter verband zuid van de brug over te steken door gebruik te maken van een stalen platbodem. Maar ten zuiden van Hendrik Ido Ambacht hadden enkele pelotons van II./IR.16 posities ingenomen in anticipatie op zo’n landing, zodat het weer tot mislukken gedoemd was. Gereedstellingen ten noorden van Alblasserdam werden direct met mitrailleurvuur beantwoord, zodat het ondoenlijk leek over te steken.

Wat bij alle Nederlandse pogingen opviel was enerzijds de moed, anderzijds het totale gebrek aan gogme bij de commandovoering. Geen moment werd overwogen de grote vuurkracht van de divisie te mobiliseren. Men had zestien vuurmonden van 7.5 cm die een geweldige barrage op de Duitsers hadden kunnen afgeven. Men had achttien mortieren ter beschikking, 28 stukken antitankgeschut (die lichte brisantgranaten konden verschieten) en zware mitrailleurs. Maar niets werd er gedaan om een goed voorbereide oversteek uit te voeren. Aan moed bij de militairen ontbrak het geenszins; hier en daar was zelfs sprake van overmoed. Maar de officieren ter plaatse bakten er qua beleid niets van. Het was hen ook niet bijgebracht. Toen even na 1000 uur ook nog eens de Luftwaffe verscheen en een bombardement begon op de Nederlandse posities langs de Noord, was het einde zoek. De modernste Nederlandse divisie, de LD, had namelijk geen luchtafweergeschut! De eenheden deinsden terug, sommige sloegen op de vlucht nadat bommen in hun midden vielen.

Uiteindelijk rapporteerde de divisiecommandant aan Den Haag dat zijn pogingen over te steken mislukt waren. Generaal Van Andel gaf toen opdracht gedurende de nacht met de hoofdmacht over te steken naar het Eiland van Dordrecht, dat van vijand te zuiveren en vervolgens de Kil over te steken richting Oude Maas. Van daaruit kon men dan, na de rivier te hebben overgestoken, Waalhaven indirect aanvallen. Een plan dat eenvoudiger uitgesproken was dan uitgevoerd!

Er was dus van het plan Waalhaven te hernemen niets terecht gekomen. De C-LD had opmerkelijk geblunderd door niet dezelfde avond (van 10 mei) dat zijn eerste bataljon arriveerde de oversteek te hebben geforceerd, toen de Duitse bezetting nog minimaal was. Het uitstel dat hij zelf initieerde was bovendien pas laattijdig met Den Haag besproken, zodat 3.GB bij Barendrecht en Goidschalxoord gewoon op pad was gegaan om Waalhaven aan de zijde van de Lichte Divisie te heroveren. Een tweede Nederlandse blunder, ingegeven door de barslechte instructies en afstemming door generaal Van Andel zelf. Geluk bij een ongeluk was het dat het bataljon van 2.RW dat naar Dordrecht moest, niet via de brug bij Zwijndrecht hoefde over te steken, maar in de nacht al via Papendrecht overstak en zodoende ongeschonden in Dordrecht aankwam, waar het direct in actie mocht komen.

IJsselmonde

Op de tweede oorlogsdag was IJsselmonde in hoofdzaak een logistiek centrum en scharnierpunt van de Duitse operatie. Waalhaven bleef onder regelmatig vuur van de Nederlandse artillerie liggen, maar Student vreesde – ondanks Nederlandse troepenconcentraties rond het eiland – minder voor de veiligheid van deze navelstreng – dan voor de precaire situaties in Rotterdam en bij Dordrecht. Zodoende werd de bezetting van het vliegveld gedurende de vroege nacht geminimaliseerd en het bataljons parachutisten naar Dordrecht gedirigeerd. Andere troepen bleven ter verdediging niet op het vliegveld achter, hoewel te Hordijk en Rijsoord - waarheen gedurende de nacht de Duitse centrale commandopost was verplaatst - enige reserves paraat waren om snel per gevorderde voertuigen iedere gewenste richting op te kunnen trekken. In de loop van de dag landden delen van het 1e bataljon van IR.72, waaruit een kleine formatie ter beveiliging op het vliegveld werd achtergelaten, maar ook een compagnie naar Rhoon en (het dorp) Pernis trok. Het 1e bataljon van IR.72 kreeg opdracht om de volgende dag het nog onbezette IJsselmonde west te bezetten en af te rekenen met de Nederlandse bezetting in Hoogvliet (t.o. Spijkenisse) en bij de olie installaties west van Pernis. Aan Nederlandse kant was de diepere Duitse penetratie van IJsselmonde west aanleiding voor Groep Spui enige formaties langs de Oude Maas te posteren. Voor het overige leidde e.e.a. slechts tot enige lokale schermutselingen met Duitse patrouilles. De brug bij Spijkenisse bleef onder Nederlandse controle en bij de olie installaties werd ook geen noodzaak gezien terug te trekken.

Tegenover Alblasserdam was een klein bataljon van IR.16 gedurende de nacht ingezet om de dreigende Nederlandse oversteek te pareren. De eenheden werden langs de Noord gepositioneerd, in hoofdzaak rond Hendrik Ido Ambacht. De sector Ridderkerk bleef slechts door een Duits peloton bezet, omdat men daar – terecht zo bleek – geen Nederlandse oversteek verwachtte. Zoals eerder omschreven slaagde men erin, mede geholpen door de Luftwaffe, om de oversteekpogingen van de Lichte Divisie te verijdelen. Dat alles ten koste van slechts drie gesneuvelden.

In Barendrecht veranderde er weinig. Ongeveer twee compagnieën van II./FJR2 bleven in en rond de plaats de bezetting vormen, ondersteund door een compagnie luchtlandingstroepen, die ook patrouilles langs de Oude Maas verzorgden tussen Barendrecht en de sector Rhoon. Men kreeg daar te maken met een offensieve actie van 3.GB, die later zal worden besproken. Het was nadien geen aanleiding voor de Duitsers de Oude Maas zijde tussen Barendrecht en Rhoon te versterken.

Ondanks het feit dat Student op de tweede oorlogsdag grote zorgen had over de ontwikkeling van de operatie en zijn gehele oost en zuidoost front in de ochtend bezocht, toonde hij zich een typisch moderne Duitse opperbevelhebber. Zoals kapitein Calmeijer terecht in zijn Memoires opmerkte – naar aanleiding van zijn opleiding aan de Höhere Kriegsschule Berlin aan de vooravond van de mobilisatie – was het grote verschil tussen de Duitse tactische opvatting en de Nederlandse, dat de Duitsers juist aanvielen c.q. zich offensief toonden, daar waar de Nederlanders terugtrokken of het defensief kozen. Zo handelde Student ook. In plaats van de navelstreng Waalhaven sterk te verdedigen, koos Student ervoor het offensief te kiezen in Dordrecht en een sterke buitenwaartse verdediging te voeren bij Rotterdam, in Moerdijk en tegenover Alblasserdam. Slechts kleine reserves werden centraal gepositioneerd, volledig voorzien van gevorderde motorisatie, om direct daar waar nodig te kunnen ingrijpen. De gehele sector zuid en zuidwest alsmede noordoost, ofwel de sector Zwijndrecht – Hoogvliet en IJsselmonde (dorp) – Ridderkerk, werd nauwelijks bezet. Sterker nog, met uitzondering van de locaties Barendrecht, Rotterdam, Hendrik Ido Ambacht en Zwijndrecht was de rest van IJsselmonde slechts beveiligd met patrouilles. Die patrouilles moesten waarschuwen voor onheil zodat tijdig centrale operationele reserves naar bedreigde locaties konden worden gestuurd. Voor het overige koos Student dus voor slechts twee zwaartepunten op 11 mei: Dordrecht en Hendrik Ido Ambacht. Beiden om de meest voorname Nederlandse bedreigingen te pareren. Een sprekend voorbeeld van met schaarse middelen kundig manoeuvreren op de binnenlinies, zodat telkens daar waar het brandpunt was een sterke strijdmacht aanwezig was. Daar kan tegenin worden gebracht dat het de Nederlanders waren die deze mogelijkheid voor Student schiepen. Want op geen enkel moment koos de C-VH ervoor om een integraal offensief te verlangen van zijn eenheden, zodat de Duitse sinaasappel gelijkelijk verdeeld over alle fronten uitgeperst werd. Nee, dankzij het versnipperde Nederlandse legerbeleid en het totale gebrek aan samenhang tussen de diverse locale commando’s, kreeg Student de kans om te manoeuvreren met zijn eenheden en schaarse reserves. Het was dus enerzijds een verdienste van Student dat hij daartoe besloot, maar anderzijds een door de Nederlanders gefaciliteerde kans.

Rotterdam

In het hart van Rotterdam was de strijd op en rond het noordelijke landhoofd van de Willems- en naastgelegen spoorbrug gedurende de eerste oorlogsdag bikkelhard geweest. De Duitsers hadden aanvankelijk eenvoudig de bruggen kunnen innemen, maar waren nadien verrast door een snel reagerend Nederlands leger. Mariniers en genietroepen waren razendsnel begonnen met de eerste tegenmaatregelen om het kortstondig door de Duitsers bezette bruggenhoofdje in noord af te grendelen en nadien te bestrijden. Allerhande depoteenheden assisteerden bij die operatie. Voor de Duitsers betekende het dat ze aan het eind van de dag op één pand na, volledig teruggedrongen waren op het Noordereiland. Aan Nederlandse kant waren de verliezen relatief licht geweest, terwijl in dit specifieke theater de Duitse verliezen zeer aanzienlijk waren. Van de oorspronkelijke eerste landingsformatie was nog maar een klein deel niet gewond of gesneuveld.

De lokale Duitse commandant was de bataljonscommandant van III./IR.16, Oberstleutnant Von Choltitz, de later zo bekende commandant van Parijs die zou weigeren die stad in het aangezicht van de naderende Geallieerden te vernietigen. Von Choltitz had grote zorgen ontwikkeld in de loop van de eerste dag. Zijn strijdmacht was maar mondjesmaat gevormd, omdat de logistiek rond Waalhaven in het honderd was gelopen. Bovendien werden hem nauwelijks ondersteuningswapens toebedeeld, omdat die elders nodig waren. Generaal Student redeneerde dat hij er niets aan zou hebben als de Rotterdamse bruggen in zijn handen zouden blijven, maar die bij Dordrecht of Moerdijk zouden vallen. Zodoende werd Von Choltitz versterkingen ontzegd en moest hij het doen met het kleine bataljon wat hem ter beschikking stond en een handvol ondersteunende wapens. Daar kwam nog eens bij dat voor mortieren en licht geschut de munitie schaars was. Want ook de bevoorrading verliep aan Duitse kant bepaald niet vlekkeloos.

Von Choltitz had aan het eind van de eerste oorlogsdag de ambitie opgegeven het bruggenhoofd op de noordoever verder uit te bouwen. Consolidatie werd zijn doel. Er werden stellingen ingericht die de Nederlandse posities in het noorden konden bestrijden en de zuidoever van de Nieuwe Maas werd met patrouilles beveiligd tegen Nederlandse oversteekpogingen aan weerszijde van het Noordereiland. Ter voorkoming van eenvoudige afsluiting van straten op het Noordereiland door Nederlands vuur, werden grote doeken in de straten opgehangen, die Duitse militairen die de straten overstaken aan direct zicht ontnamen. De burgerbevolking werd geëvacueerd, met uitzondering van de mannelijke bevolking. Von Choltitz vreesde ervoor dat mannelijke bewoners veel eerder dan vrouwen of kinderen nauwkeurige informatie over de Duitse sterkte, bewapening en posities zouden doorbriefen aan Nederlandse militairen in noord, gebruik makende van nog werkende telefoons. Bovendien speelde door zijn hoofd dat het niet geheel evacueren van het Noordereiland wellicht Nederlands artillerievuur en bombardement zou voorkomen. Een zaak die Von Choltitz door sommige Nederlandse auteurs euvel wordt geduid, maar aan Nederlandse kant evacueerde men de verdedigde noordelijke stadsdelen evenmin, zij het daar omwille van de overweging dat vluchtelingen en evacués de wegen zouden verstoppen en kwetsbaar in het open veld zouden bivakkeren, met alle risico’s van dien.

Opvallend was dat Von Choltitz van generaal Student op de 11e mei het fiat kreeg om indien hij daartoe noodzaak zag het noordelijke bruggenhoofd (in feite slechts het gebouw van de Levenverzekeringsbank) te evacueren en zich volledig in Rotterdam zuid ter verdediging in te richten. Von Choltitz vond dat echter zijn eer te na, en zei dat zijn mannen het zouden volhouden, ondanks de loodzware omstandigheden. Student was met dat antwoord uiteraard content, maar gaf aan dat III./IR.16 gegeven de algemene toestand van de Duitse corridor geen versterking hoefde te verwachten en geen voorrang zou krijgen bij het toekennen van gedropte voorraden.

Aan Nederlandse kant kwamen de eerste door de kantonnementscommandant gevraagde versterkingen in de stad aan. Daarmee werd een strak cordon om de stad gelegd, mede met het oog op talloze meldingen van Duitse troepen ten westen en noorden van de stad. Die ten noorden van Rotterdam bestonden echt. Het waren uitgeweken luchtlandingstroepen en parachutisten, die op en rond Ypenburg door Nederlandse tegenacties waren verdreven en daarom ten zuiden van dat vliegveld in diverse grotere of kleinere concentraties goed waren voor talloze meldingen. Uiteindelijk zouden de meest in het oog springende concentraties zich in Berkel Rodenrijs en Overschie bevinden. Daartegen werd een afsluiting aan Nederlandse kant ontwikkeld. Bovendien werd de rivierbezetting verbeterd en konden reguliere infanteriebataljons de posities van ongeoefende depottroepen deels overnemen. Ook werd een infanteriestaf gevormd die de kantonnementscommandant moest gaan ondersteunen.

Aan het front langs de Nieuwe Maas zelf veranderde in wezen niets. Er was een status quo bereikt in de avond van de eerste oorlogsdag, welke tot aan de capitulatie van de stad op 14 mei niet zou wijzigen. Het enige dat veranderd was, was dat de legerleiding de ambitie tot het behoud van de bruggen op 10 mei, had gewijzigd in een bevel ze te vernielen. Zodoende werden twee bombardementsvluchten met telkens twee Fokker T-V’s (begeleid door enige jagers) op de Willemsbrug afgestuurd om die te vernietigen. In de late ochtend en de vroege middag werden bommen afgeworpen die allen het eigenlijke doel misten. Wel werden enige panden met Duitse posities geraakt, waarvan een deel in brand raakte. Na de tweede vlucht werd één der T-V’s neergeschoten door een Bf-110. Er was toen – halverwege de tweede oorlogsdag - nog één bommenwerper in de ML over. Op de grond werden wel enige voorzichtige offensieve acties door de Nederlanders gelanceerd, maar geen kwam er tot wasdom. De partijen hielden elkaar in een ijzeren greep.

Hoekse Waard

Reeds vroeg in de middag van 10 mei was het van de grens bij Bergen op Zoom gekomen grensbataljon 3.GB aangewezen als een hulpformatie voor de LD bij een voorgenomen aanval op Waalhaven. Reeds in de mobilisatieperiode was 3.GB een reserve eenheid geweest voor de LD, zo lang de divisie was aangewezen om het gapende gat tussen Weert en Tilburg te verdedigen. 3.GB had toen een autocompagnie gekregen voor twee van haar vier compagnieën, om die evenals de LD gemotoriseerd te maken. De andere twee compagnieën bleven van de fiets afhankelijk. 3.GB had echter slechts eenmaal in tactische samenwerking met de LD geoefend in die periode. Het was echter vermoedelijk de aanleiding voor de C-VH om 3.GB weer aan de LD te paren.

Zonder dat het bataljon enige rust had gekregen sinds het in de vroege morgen van 10 mei haar vernielingstaken had verricht en noordwaarts was gekeerd, zou het in één stuk door in de strijd worden geworpen. Het bataljon werd naar de oevers van de Oude Maas gedirigeerd, waar het door de Groep Kil operationeel gecoördineerd moest worden tot dat het de rivier zou zijn overgestoken. Samen met de chef-staf Groep Kil ontwierp de bataljonscommandant een plan. Eén compagnie met de zware wapens zou over de intacte, edoch door de Duitsers aan de noordoever bezette, brug bij Barendrecht moeten aanvallen. Als ondersteuning werd een andere compagnie enkele kilometers oostelijk, bij Puttershoek, overgezet om via Heerjansdam het Duitse bruggenhoofd bij Barendrecht in de flank aan te vallen. De combinatie van de twee incomplete compagnieën die resteerden diende een flink stuk ten westen van Barendrecht, bij het veerpunt Goidschalxoord, de Oude Maas over te steken en rechtstreeks naar Waalhaven op te rukken en daar op aansluiting te wachten.

Een plan dat in alle toonaarden slecht ontworpen was. Twee fundamentele fouten bevatte het. Het eerste was dat niet het gehele bataljon tegen Barendrecht zou ageren, maar dat het zonder tactische of operationele noodzaak opgesplitst zou worden waarbij de delen bij Goidschalxoord op geen enkele wijze operationeel bij Barendrecht zouden kunnen steunen. Het tweede grote falen, niet van de bataljonscommandant, maar van de chef-staf Groep Kil, was dat geen gebruik werd gemaakt van de intacte en in Nederlandse handen zijnde brug bij Spijkenisse om op IJsselmonde te komen, maar dat een lange door de Duitsers bezette brug bij Barendrecht met zwakke krachten veroverd zou moeten worden. Beide zaken waren fundamentele blunders, omdat ze het welslagen van de operatie en het tijdschema waaraan men was gebonden onwerkelijk op het spel zetten. Men moest immers om 0230 uur gereed zijn voor de aanval. Men had of het gehele bataljon over Spijkenisse – alternatief bij Goidschalxoord – moeten overzetten, of het gehele bataljon op Barendrecht moeten doen laten aanvallen. De gekozen tactiek was echter zeer slecht. Veel kwalijker was echter nog dat de voorbereidingen voor de aanval zo uitliepen, dat het allang licht was geworden voordat men de aanval in zou zetten. Welke noodzaak had de risicovolle actie toen nog, gegeven dat men aan een aanval op Waalhaven – zou die er al zijn geweest – allang niet meer zou kunnen bijdragen?

Bij Goidschalxoord kwam men met enige kleine vaartuigen voorspoedig aan de overzijde. Er was een Duitse post die vlakbij het oversteekpunt zat, maar wijselijk geen vuur afgaf. De Nederlanders merkten hen niet op. De Duitsers gingen inmiddels 'hun grote broers' halen. De tijd voor ontbijt was al aangebroken toen de Nederlanders aan de overzijde waren gekomen en dus besloot de compagniescommandant het ontbijt te laten aanrukken, terwijl één sectie vooruit werd gestuurd en op slechts korte afstand van Waalhaven terugkeerde toen het daartoe middels een boodschapper was gemaand. Want intussen was een Duitse eenheid, in reactie op waarschuwingen van hun voorpost, de secties die rustig aan de Oude Maas zaten te ontbijten genaderd. De Nederlanders werden plotseling met mortieren en mitrailleurs beschoten. Absolute paniek brak uit, waarbij een deel van de mannen westwaarts op de loop ging terwijl een klein deel plichtsgetrouw verweer bood. De plaatselijke Nederlandse commandant sommeerde onmiddellijk de Oude Maas weer over te steken en de missie af te blazen. De Nederlanders verloren twee gesneuvelden en ettelijke manschappen die hetzij gevangen werden genomen, hetzij de benen hadden genomen richting westen. Van de naar Goidschalxoord teruggekeerde manschappen had een aanzienlijk deel de wapens en uitrusting aan de noordzijde achtergelaten.

De compagnie die te Puttershoek overstak en in de Groote Lindt polder terecht kwam, had de fietsen achtergelaten en tirailleerde voorzichtig richting Heerjansdam. Het was nog donker en men wist niet of het gebied door de vijand was bezet. Dat was het niet overigens. De gehele driehoek tussen Zwijndrecht – Rijsoord – Heerjansdam zou gedurende de meidagen nooit een vaste Duitse bezetting krijgen. Wel werden er periodiek patrouilles door het gebied gestuurd. Dat was echter niet het geval toen de compagnie grenstroepen zich naar Heerjansdam begaven. Maar bij het kleine stadje aangekomen werd men door een burger geïnformeerd dat er veel Duitsers in Barendrecht zaten. De compagniescommandant liet zich direct afschrikken. Toen de burgemeester bevestigde dat inderdaad sterke Duitse contingenten in Barendrecht zaten, keerde de kapitein direct om met zijn manschappen en keerde terug naar de Hoekse Waard. Het zou hem op een fikse uitbrander komen te staan van de commandant Groep Kil.

Zodoende merkte de versterkte compagnie van 3.GB bij Barendrecht helemaal niets van een gestarte flankaanval vanuit Heerjansdam, waarop men wachtte om zelf ook voorwaarts te gaan. Het was al diep in de ochtend toen chef-staf Calmeijer naar Barendrecht kwam, na voordien te Goidschalxoord te hebben vernomen van de mislukte actie aldaar. Inmiddels was duidelijk dat van de voorgenomen aanval op Waalhaven geen sprake meer kon zijn. Toch wilde Calmeijer de brug laten innemen, zelfs zonder steun van de flankcompagnie, die onvindbaar bleef. De kapitein redeneerde echter dat hem inmiddels het nieuws ter oren was gekomen dat de Lichte Divisie via het Eiland van Dordrecht en de Hoekse Waard naar Waalhaven zou opstomen. Het bezit van de Barendrechtse brug was hem daarom nog liever geworden. De kapitein zelf had op 10 mei echter zelf mede aanleiding gegeven tot het verlies van die brug, toen hij de toen nog volkomen verlaten overgang door Nederlandse troepen slechts aan de zuidzijde had laten bezetten, in plaats van aan de noordzijde. Een tactische blunder van formaat en het betekende dat er nu bloed moest vloeien om die blunder recht te zetten.

De 400 meter lange brug moest door twee gevechtstroepen worden overgestoken, gedekt door lichte en zware mitrailleurs op de flanken. Een batterij 7.5 cm geschut werd ingeschakeld om de aanval te voor te bereiden. Zij moesten een korte voorbereidende beschieting uitvoeren. Een beschieting van de fabrieksterreinen ten noorden van de brug was om 1230 uur een feit, maar lag ruim voor het doel, hoewel waarneming uitstekend mogelijk was. Bovendien werd het vuur na een paar lagen gestaakt en wachtte de infanterie het einde af alvorens naar voren te gaan, terwijl het vuur circa 750 meter voor hen landde en zij dus beter gebruik hadden kunnen maken van de ongetwijfeld verwarde tegenstander! Toen men naar voren ging lag men binnen enkele ogenblikken onder een moordend vuur van mitrailleurs en een mortier. Nauwelijks het eerste gedeelte van de brug bereikt hebbende, lagen al twaalf man gewonden en vier gesneuvelden op de brug en moest de hopeloze actie worden afgebroken. Een volkomen zinloos bloedbad, dat slechts typeerde hoe hopeloos slecht de tactische scholing van Nederlandse officieren was, terwijl de aanwezige kapitein Calmeijer zelfs tot de zogenaamde ‘topgroep’ van Nederlands beroepsofficieren behoorde met zijn Nederlandse en Duitse hogere krijgsvorming. Het fiasco werd moreel gezien door Calmeijer nog van een toetje voorzien. Hij gaf bevel het fabrieksterrein te vernielen met de artillerie, en dat geschiedde. Het vuur lag nu wel goed en in plaats dat onder dekking van dat veel intensievere en goedliggende duurvuur een nieuwe poging werd gedaan over te steken, keek men slechts genoegzaam naar de in brand gerakende fabrieksgebouwen. Er sneuvelde overigens geen enkele Duitse militair ter plaatse. Het betekende wel een slotserenade voor de offensieve beweging van 3.GB.

Toen kapitein Calmeijer na zijn halve dag in het veld terugkeerde naar het stafkwartier te Puttershoek, trof hij daar net de compagnie die de flankaanval had moeten uitvoeren. Hij was getuige van de preek die kolonel van Andel hen gaf, waarna de zaak was afgedaan. Het voordeel voor Groep Kil was dat 3.GB ter beschikking bleef in plaats van zich los te maken van de Groep door een aanval op Waalhaven.

Voor het overige werd de Groep Kil slechts gepijnigd door een sterk afnemende munitievoorraad voor de enige batterij luchtafweer in haar sector en de batterijen artillerie, die constant in werking waren tegen de vele lonende doelen. Een lokale buffervoorraad artillerie en infanterie munitie was er niet aan het Zuidfront. Alles moest uit de depots te Amsterdam komen. Staf Vesting Holland achtte het Zuidfront echter onbereikbaar en zegde slechts toe artilleriemunitie via een omweg per schip te laten vervoeren. Daarop werd door Groep Kil enige munitie bij de aanleunende Groep Spui geregeld en werden een tweetal vrachtwagens uitgestuurd om munitie dan maar zelf te Halfweg (bij Amsterdam) te gaan halen. Ze waren op 11 mei al terug met een nieuwe voorraad geweer en lichte mitrailleur munitie. Wat de staf CH voor onmogelijk had gehouden hadden vier moedige militairen bewezen wel te kunnen. De artilleriemunitie zou echter een grotere uitdaging opleveren …

Zoals gezegd waren de vijf batterijen 7-veld en de afdeling die met oude stukken vestinggeschut van 15 cm was uitgerust, zeer actief. Het oude geschut concentreerde zich op de beide bruggenhoofden aan weerszijde van de Moerdijkbruggen, en verschoten veel munitie in weinig effectieve voor de vijand eenvoudig te voorspellen storende vuren. De 7-veld batterijen hielden zich – naast ondersteuning van de aanval van 3.GB – vooral bezig met vuren op gelegenheidsdoelen langs de as Willemsdorp – Amstelwijk. Diverse vuren werden afgegeven, zonder overigens enig werkelijk resultaat. Bovendien werd een bescheiden Nederlandse aanval op de Zeedijk ingeleid, terwijl die aanval pas veel later plaats zou vinden. Er werden zo’n 2.000 artilleriegranaten vanuit de Hoekse Waard verschoten die tweede oorlogsdag, maar vrijwel zeker zonder dat ze ook maar één Duitse militair doodden. Enig ongerief zal het overigens wel hebben veroorzaakt.

Noord-Brabant   

In Noord-Brabant werd de strijd precair. De Duitsers waren er de vorige dag al in geslaagd om de Peel-Raamstelling bij Mill te doorbreken, maar hadden die nacht niet direct hun troepen laten doorstoten. Daarbij speelde vermoedelijk twee zaken een hoofdrol. Allereerst de Duitse perceptie dat het Nederlandse 3e Legerkorps en Lichte Divisie nog achter de Peel-Raamstellingen vertoefden (het XXVI.AK vernam pas op 12 mei na verhoor van kolonel Schmidt en zijn stafofficieren dat 3e Legerkorps en de Lichte Divisie in feite al op 10 mei waren weggetrokken) en ten tweede het gegeven dat de logistiek aan de Maas zo haperde dat van doorstoten met gemotoriseerde eenheden geen sprake kon zijn. Het eenvoudigweg met de kleine slechts fractioneel gemotoriseerde verkenningsgroepen van de infanteriedivisies doorstoten achtte men te gevaarlijk. Onderwijl werd klokslag middernacht de grote Nederlandse evacuatie naar de Zuid-Willemsvaart gestart, waarbij de troepen tussen de sector Mill en het Vak Weert succesvol hun nieuwe posities achter de Vaart wisten te bereiken, hoewel een aanzienlijk deel van de munitie en voorraden, alsmede verbindingsmiddelen en enige ondersteuningswapens, achter was gebleven. Veel erger was het dat de bataljons die in de sector Mill-Bruggen met de vijand in contact waren, vrijwel geheel verloren waren gegaan. De fracties die wel konden terugtrekken wisten van geen nieuwe instructies en druppelden Den Bosch binnen of zochten een goed heenkomen elders.

Het betekende dat vlak onder Den Bosch een enkele kilometers brede sector in de geïmproviseerde linie langs de Zuid-Willemsvaart geheel onbezet bleef, wat in eerste instantie volledig te wijten was aan armoedig beleid van de staf Peeldivisie, want die hadden noch een veiligheidsbezetting verzorgd noch de genie opgedragen de brug in de betreffende sector te doen vernielen. Het gapende gat werd echter in tweede instantie ook door de verantwoordelijke vakcommandant (Schaijk) niet gerepareerd. Voor de Duitse voorste eenheden, die bij zonsopgang de motoren weer gestart hadden, een koud kunstje om vlak onder Den Bosch de onbeheerde brug bij Heeswijk over te steken en westwaarts door te stoten. Intussen was ook de 9e Panzerdivision in beweging gekomen en in de ochtend de grens met Nederland overgestoken. Ook de gemotoriseerde regimenten van de SS Verfügungsdivision begonnen richting Gennep en Mook te bewegen. De beide gemotoriseerde eenheden zouden de spits van de Duitse formaties in Brabant overnemen van 254.ID en 256.ID. Reeds in de middag van 11 mei reden de eerste tanks richting Zuid-Willemsvaart.

De Duitse penetratie bij Heeswijk bleef tot diep in de middag onbekend bij de staf Peeldivisie. De commandant van dat pluriforme verband was de kolonel Schmidt, die vooral druk doende was afstemming met de Fransen te vinden. De kolonel was de gehele eerste oorlogsnacht en ochtend van de 11e mei elders en kon geen leiding geven aan zijn verbanden. Hij had gedurende de nacht twee overleggen met Franse hoofdofficieren, die hem tegenstrijdige berichten gaven over de opzet van de Franse strategie, maar wel duidelijk maakten dat van belangrijke ondersteuning van de Nederlandse defensie in oost Brabant geen sprake kon zijn. Men wilde wel enige gepantserde verkenningsgroepen richting Eindhoven en Den Bosch sturen, ook de bruggen bij Keizersveer en Moerdijk verkennen, maar meer niet. Voorts was duidelijk dat de Fransen een voorverdediging bij Tilburg wilden opbouwen, die onderdeel werd van een front tussen de Bergsche Maas en Turnhout. Daarachter zouden een verkenningseenheid en de 1e lichte gemechaniseerde divisie [1.DLM] – in feite een tankdivisie – een stevige voorverdediging vormen. Op Nederlandse bodem zouden echter slechts lichte eenheden worden ontplooid, zoals 6.RC, 4.DRP en de licht gepantserde verkenningseenheid van overste Lestoquoi, die in feite maar twee bataljons sterkte kende. Kolonel Schmidt wilde eenduidigheid en bovendien wilde hij weten welke rol zijn verbanden zouden spelen. Daarom toog hij naar het Belgische Oostmalle waar generaal Picard, commandant van 1.DLM, zijn stafkwartier aan het inrichten was. Onderwijl was de massa van zijn eigen Peeldivisie overgelaten aan een minimale staf, onder commando van een kapitein der generale staf!

Die staf van de Peeldivisie was nauwelijks in verbinding met haar ondercommandanten. Men zat bovendien in Tilburg terwijl de verbanden zich achter de Willemsvaart ontplooiden. De meeste Vakcommandanten hadden geen verbinding met hun bataljons, laat staan dat alle Vakcommandanten verbindingen hadden met de staf te Tilburg, waarlangs men accurate informatie kon geven. Het feit dat er een gapend gat (onder Den Bosch) in de linie zat, was dan ook lange tijd niet bekend in Tilburg. Onderwijl deden zich allerhande gevechten voor aan de Zuid-Willemsvaart, waar verschillende kleine Duitse verkenningsverbanden, veelal met pantserwagens versterkt, contact maakten met de verdedigers. Die laatste werden sterk gehinderd door de hogere oostelijke dijk waardoor het naderen van de vijand nauwelijks zichtbaar was voor de verdedigers. Desondanks werden de Duitsers op veel locaties afgewezen, daarbij geholpen door vakkundig opgeblazen bruggen over de Zuid-Willemsvaart. Cruciaal was echter dat de brug bij Heeswijk onverdedigd en bovendien onvernietigd was gebleven. Daar kon daarom in de loop van de middag een sterke verkenningseenheid van 9.PD ongehinderd oversteken. Deze bekommerden zich niet om de sectoren in de flank, maar reden direct westwaarts door om al voor middernacht Helvoirt te bereiken. Pas de volgende dag zouden achtergebleven verdedigers in de rug en flank worden aangevallen door achterop komende Duitse eenheden. Vanuit het oosten zochten SS en eenheden van de 9e Panzerdivision aansluiting bij de verkenners van 9.PD. Die verkenners waren voordat het 12 mei werd in het noorden bij Helvoirt geraakt en in het midden en zuiden bij Best en Moergestel. Nog gedurende de nacht wist de noordelijke formatie zelfs Loon op Zand te bereiken.

Zuidelijker werd de Zuid-Willemsvaart verdediging ook, op twee locaties, door de Duitsers beslissend doorbroken in de middag van 11 mei. Het was 256.ID dat bij Veghel en Erp de dans leidde. Bij Veghel wist men lange tijd Duitse aanvallen af te weren. Tussen Veghel en Gemert kregen de Duitsers rond 1600 uur de verdediging op de loop en zij volgden dat op met een oversteek van het kanaal met rubberboten. Om 1600r uur, of kort erna, werd de gehele terugtocht van de Zuid-Willemsvaart een gegeven. De Duitsers konden door de gesprongen bruggen echter niet direct nadringen, maar ontplooiden in de avond diverse doorstoten richting Moergestel, Best, Boxtel en Helvoirt. Men was daarmee nog slechts op een steenworp afstand van de Franse verdediging ten oosten van Tilburg en tevens vlakbij de open sector ten oosten van Moerdijk.

In het zuidelijke gedeelte van de Zuid-Willemsvaart was er complete chaos ontstaan. Daar kon men ter plaatse niet veel aan doen. Het Vak Weert was al achter de Zuid-Willemsvaart gepositioneerd en daarom niet verplaatst gedurende de nacht. Men wist in de ochtend van de 11e Duitse agressie af te weren, maar ten noorden van Weert had de Duitse 56e ID wegens de teruggetrokken troepen van 27.RI geen moeite door te stoten tot aan Eindhoven, dat zij in de avond met haar verkenningseenheid bereikte. Dat betekende dat Vak Weert was afgesneden, te meer daar men daar de terugtocht pas in het donker had willen aanvaarden. In het begin van de middag kregen alle troepen onder het Wilhelminakanaal bevel ten noorden van het kanaal nieuwe stellingen in te nemen, maar voordat een evacuatie een feit was werd men aan alle kanten vanuit het noorden en zelfs vanuit de rug door Duitse troepen ingehaald en verrast. Dat kon gebeuren door de grote Duitse progressie in het vak van 56.ID, die daardoor de troepen van met name Vak Weert de pas konden afsnijden.

Met de beslissende doorbraak van de Duitsers langs de Zuid-Willemsvaart en het afsnijden van de meest zuidelijk gelegen troepen die richting Wilhelminakanaal trokken, was het Duitse succes compleet en het operationele bestaan van de Peeldivisie voorbij. Vanaf de middag van 11 mei was er sprake van een ongestructureerde terugtocht van de overlevende onderdelen van het Peeldivisie verband, waarbij nieuwe instructies vanuit de staf van de divisie niet bij de eenheden aankwamen of de eenheden aan wie ze gericht waren feitelijk niet meer bestonden. Het was een hopeloze chaos geworden, vooral veroorzaakt door bijzonder slecht krijgsbeleid aan Nederlandse kant, maar tevens door een zeer beperkte competentie bij de Vakcommandanten, die vrijwel allen faalden bij de tactische en operationele leiding van hun eenheden. Het betekende dat de lijn Den Bosch – Eindhoven op 11 mei door de Duitse voorhoedes was bereikt en de gemotoriseerde Duitse verbanden eenvoudig konden aansluiten. Van de luchtmachten der verbonden landen hadden zij niets te duchten, zodat de Duitsers veel van de verloren tijd en logistieke achterstand van de eerste oorlogsdag konden goedmaken.

In het westen van Noord-Brabant kwamen inmiddels steeds meer Franse eenheden aan, die zich in hoofdzaak in twee imaginaire linies opstelden. De voorste linie was de reeds besproken lijn van Geertruidenberg – Tilburg – Turnhout. Dat was een voorverdediging, die de ontplooiing van de hoofdverdediging bij Breda en achter de Mark – alsmede in de Antwerpse sector – moest beveiligen. Daarachter werd een verdediging opgebouwd langs Breda en achter het riviertje de Mark (en Dintel) tot aan Roosendaal. Daar zouden de verkenners van de Groupe Beauchesne en de 25e gemotoriseerde infanteriedivisie (die overigens slechts ten dele werkelijke gemotoriseerd was) hun posities innemen. Op Nederlandse assistentie werd op 11 mei aan Franse kant al nauwelijks meer gerekend.

Op die tweede oorlogsdag begon ook de campagne van de Luftwaffe in Noord-Brabant tegen alles wat zich op de wegen voortbewoog. Naast het feit dat ze de troepenverplaatsingen ernstig zouden frustreren, honderden voertuigen zouden uitschakelen, tientallen Nederlandse en Franse militairen zouden doden en complete verbanden zouden doen desintegreren, richtten de aanvallen ook veel schade aan in bebouwde kommen, waarbij tientallen burgers zouden omkomen. De absolute superioriteit van de Luftwaffe zou tot aan de 13e mei zeer voelbaar zijn, waarna hun focus zich verschoof naar de zuidelijke Maas sector in België en Noord-Frankrijk.

Balans van een dag oorlog   

Nadat de schok van de eerste oorlogsdag was verwerkt, en de Duitsers al hun operationele doelen hadden bereikt, werden de rollen omgekeerd. De Duitsers zouden moeten verdedigen en de Nederlanders aanvallen. Het bleek echter de gehele tweede oorlogsdag dat aanvallen voor het slecht opgeleide Nederlandse leger, waarin bevelhebbers geen idee hadden van de moderne tactische oorlogsvoering, een nog veel grotere uitdaging was dan verdedigen. Geen enkele offensieve actie slaagde en de Duitse reacties waren bovendien veelal zodanig dat een Nederlandse offensieve actie in de dramatische aftocht of zelfs een defensief eindigde.

In Dordrecht leden de Nederlanders het grootste kwantitatieve verlies. Een tactisch treurspel ontspon zich rond een bataljon van II-28.RI, dat als het bataljon Ravelli bekend werd, genoemd naar de beroepsmajoor die het verband leidde. Deze officier, die lange tijd met marinierskader in Rotterdam had gediend, deed bijkans alles fout wat hij maar fout kon doen. Het ontbrak deze officier niet aan moed of toewijding, maar wel aan inzicht en gogme. Hij trok op naar Dordrecht zonder verkenners vooruit te sturen, in een verplaatsingsformatie en dat zonder dat hij iets wist van de vijandelijke posities, terwijl hij wel wist dat de vijand er zat. Nadat zodoende de kopgroep van de eenheid was overvallen en gedecimeerd, schutterde de majoor bij de herorganisatie van zijn eenheid, verspreide zijn eenheid over de vier windstreken rond de Zeehaven en verzuimde om een stevige positie richting het bedreigde noorden in te nemen. Toen vervolgens een platvloerse Duitse krijgslist hem richting niemandsland verleidde, deed hij er niets tegen toen vrijwel zijn complete kader hem volgde. Vervolgens werd hij met op twee na alle resterende officieren van zijn bataljon gevangen genomen, verloor nog een halve compagniesterkte in de Zeehaven en had zodoende in enkele uren driekwart van zijn bataljon verloren zonder dat ook maar een fractie afbreuk aan de vijand was gedaan. In de middag zou het laatste restant van zijn bataljon – ondanks kortstondig moedig verzet – bij Amstelwijk worden uitgeschakeld. Slechts enige tientallen mannen wisten aan het haast collectieve lot van het bataljon te ontsnappen. Het debacle van het bataljon Ravelli stond echter niet op zich. Het was het sprekend voorbeeld van het tactische onbenul dat in het Nederlandse leger anno mei 1940 bestond. Het was niet de moed en de toewijding waar het aan ontbrak, maar de totale afwezigheid van krijgskunst en basaal tactisch inzicht bij het Nederlandse kader, reservist én beroeps.

Een vergelijkbaar debacle, met een minder onfortuinlijke afloop, zag 3.GB. De eenheid had in de eerste uren van 11 mei de Oude Maas moeten oversteken en de Lichte Divisie moeten assisteren bij een aanval op Waalhaven. Op hoog niveau was zoals gebruikelijk het bevel uitgestippeld, overigens zonder dat men ook maar enig accuraat beeld van het gevechtsveld had. Zodoende maakte 3.GB niet gebruik van de vrije brug bij Spijkenisse, werd het niet in haar geheel te Goidschalxoord overgezet, maar werd het in drie formaties opgedeeld waarvan twee de door de Duitsers bezette brug bij Barendrecht ‘en passent’ moesten innemen. Dat alles moest voor 0100 uur afgerond zijn, want om 0230 uur diende men ten zuiden van Waalhaven klaar te liggen om de aanval van de Lichte Divisie vanuit het oosten te ondersteunen. Alles liep mis. Men startte de operatie pas toen men al voor Waalhaven had moeten liggen. De ruim één compagnie sterkte die bij Goidschalxoord overstak, ging op bevel van de compagniescommandant doodleuk ontbijten na de oversteek en werd tijdens de kuch met confiture overvallen door een haastig aangevoerde Duitse formatie ter sterkte van niet meer dan een groot peloton, en haastte zich terug naar de overzijde van de Oude Maas, daarbij veel wapens achterlatend. De eenheid die bij Puttershoek de overzijde bereikte keerde direct terug toen burgers meldden dat er veel Duitsers in Barendrecht zaten. Toen na lang wachten geen flankaanval op Barendrecht loskwam, ging de hoofdmacht bij Barendrecht onder leiding van de chef-staf Groep Kil zelfstandig tot de aanval over. Het was inmiddels al bijna middag geworden. Een voorbereidend artilleriebombardement lag te kort, maar desondanks zette men de aanval over de 400 meter lange brug in. Na enkele tientallen meters lagen zestien man dood of gewond op de brug, waarna men de aanval afblies. Een toetje in de vorm van een artilleriebarrage op de vijandelijke positie op het fabrieksterrein aan de overzijde was een morele opkikker, maar leverde niets meer op dan brandende gebouwen. De aanval was volslagen mislukt.

De derde offensieve actie van importantie, was die welke de Lichte Divisie over de Noord had moeten brengen op weg naar Waalhaven. Ondanks een bevel op 10 mei in de late middag om op 11 mei om 0230 uur oost van Waalhaven gereed te liggen voor de aanval, besloot de divisiecommandant kolonel Van der Bijl dat zijn troepen een nachtelijke aanval over de brug bij Alblasserdam niet aan zouden kunnen wegens de inspanningen van de eerste oorlogsdag en aanvallen bij donker nu eenmaal geen eenvoudig te kraken noot waren voor Nederlandse militairen. Dat terwijl er toen slechts een veertigtal Duitsers aan de overzijde lagen met één stuk PAK. Gewaarschuwd door het rumoer aan de overzijde van de Noord, waren diezelfde Duitsers wel bij de les. Zij gaven een bericht door aan het hoofdkwartier van Student en die schrok zodanig dat hij een bataljon naar de Noord stuurde, ondersteund door twee stukken berghouwitsers en enkele PAK’s. Toen de Lichte Divisie de volgende dag wilde aanvallen werden alle pogingen in de kiem gesmoord, met als klap op de vuurpijl een vliegtuigaanval, die de divisiecommandant bedremmeld naar Den Haag deed bellen dat de oversteek kansloos was. Gebrek aan initiatief tijdens de vorige avond had een gouden kans op succes in de kiem gesmoord. Daar waar Kurt Student in de wetenschap van een grote Nederlandse formatie aan de Noord een bataljon naar Hendrik Ido Ambacht stuurde en zijn beveiliging van Waalhaven opgaf en ter versterking naar Dordrecht stuurde, liet de commandant van de Lichte Divisie grote krijgskansen bewust liggen. Het was een groot contrast.

Een andere zaak die de wenkbrauwen had moeten fronzen, maar naoorlogs opvallend genoeg nooit werd onderzocht, was een kwestie in het zuidoosten van het Eiland van Dordrecht. In de vroege ochtend was daar onverwacht een Duitse parachutistenlanding geweest van circa 60 man, die midden tussen een zich net verplaatsende Nederlandse compagnie terecht kwam. Twee van de Nederlandse pelotons, onder de vaandrig Marijs, bonden de strijd aan, terwijl de (plaatsvervangend) compagniescommandant zich merkwaardig genoeg spoedig losmaakte van de strijd en elders aansluiting zocht. De gehele dag vocht de vaandrig met zijn mannen tegen de parachutisten en had deze afgesneden van de buitenwereld. Onderwijl besloot de eerder genoemde plv compagniescommandant aan een actie mee te doen om de artilleriestukken van III-14.RA te heroveren, nabij het gevecht dat de vaandrig voerde. Toen men slaagde de positie aldaar te heroveren ontving men even later licht mortiervuur. Daarop besloten de heroveraars zich terug te trekken. De plaatsvervangend compagniescommandant trok met zijn twee overige pelotons op enige honderden meters afstand langs het nog steeds ontwikkelende gevecht – tussen de vaandrig en zijn mannen tegen de geïsoleerde parachutisten – maar in plaats van te assisteren, trok de luitenant wederom naar het noordoosten weg en liet zijn vaandrig simpelweg stikken. Die laatste werd in de avond door munitiegebrek gedwongen een wapenstilstand met de Duitsers overeen te komen en de vaandrig moest zich de volgende dag gevangen laten nemen met zijn moedige mannen. Assistentie van de luitenant en zijn troepen had ontegenzeglijk een Nederlandse overwinning opgeleverd. Het pakte precies andersom uit, omdat de luitenant zijn plicht verzaakt had.

Bij Moerdijk was eerst gedurende de nacht een volledig mislukte tegenaanval ingezet vanuit de omgeving van Zevenbergsche Hoek en Lage Zwaluwe. De artillerie verleende vuursteun die deels in eigen gelederen viel en zodoende konden de meeste formaties niet vooruit, maar moesten zij juist achteruit om zich tegen het eigen vuur te beveiligen. In de late ochtend verscheen echter Franse hoop. Spoedig bleek dat die Franse bondgenoot bijzonder besluiteloos was. Een nieuw aangekomen kleine Franse formatie, die de taak had een Franse generaal naar Den Haag te brengen, bracht nieuw elan. Een aanval werd gepland, maar toen tenslotte zes uur na de eerste Franse aankomst Duitse bommenwerpers boven de sector verschenen en de opstellingen die troepen bombardeerden, verdwenen de Fransen spoedig naar het zuidwesten. Het Nederlandse grensbataljon dat dit alles had aanschouwd verwijderde zich nadien evenzo van het bruggenhoofd. 

De vijf bovenstaande gebeurtenissen typeren de tweede oorlogsdag aan het zuidfront. Operationeel gezien was het een grote mislukking geweest, zonder één succes en ook zonder dat uit enige van de acties – met uitzondering van die van de vaandrig Marijs en zijn mannen – ook maar een greintje waardigheid viel te halen. Het gros van de troepen had ontegenzeglijk moed getoond, maar werd geleid door officieren die hun eigen oorlog voerden (chef-staf Calmeijer), of hun vak niet verstonden (Ravelli) of die simpelweg de moed en het inzicht ontbeerden de juiste tactische besluiten te nemen (Van der Bijl). 

De strijd in Noord-Brabant zag een ander fenomeen dat typerend was voor de defensie die de verbonden landen toonden tijdens de Westfeldzug. De absolute onkunde van Nederlands, Belgische en Franse bevelhebbers om het terugtrekkende gevecht in goede banen te leiden. Daarbij kwam – zie daarvoor de bespreking van de tweede gevechtsdag in het hoofdmenu – dat de Nederlandse planning vooroorlogs totaal gefaald had en de staf van de Peeldivisie in het geheel niet in de zin van kwaliteit of kwantiteit was voorbereid voor de loodzware taak, waarvan vooroorlogs al bekend was dat die haar wachtte. In die zin was het debacle van de falende defensie in Brabant – na de moedige en taaie defensie die aan de Maas en in de Peel-Raamstelling was gevoerd – een zaak die de hogere legerleiding zich minstens net zo sterk mocht aanrekenen als de lokale bevelhebbers. Dat deed die hogere legerleiding overigens niet. Ook naoorlogs zou zijn zich op geen enkele wijze verantwoordelijk tonen ten aanzien van het gevoerde krijgsbeleid.

Feit was dat de organisatie van de geïmproviseerde defensie van Noord-Brabant vooral faalde door het ontbreken van het meest basale inzicht in de krijgskunst bij de staf van de Peeldivisie. Zij verordonneerden een evacuatie van de Peel-Raamstelling op de Zuid-Willemsvaart, zonder zich te realiseren dat een sector die was aangewezen voor de in volle strijd zijnde verbanden rond Mill en Bruggen vrijwel zeker niet door diezelfde troepen bereikt zou kunnen worden. Men ging er én vanuit dat uitgezonden ordonnansen de betreffende bataljons zouden kunnen bereiken én dat die bataljons zich succesvol van de vijand zouden kunnen losmaken én nog tijdig de aangewezen sector zouden bereiken. Bovendien had men niet geregeld dat de brug in de betreffende sector – die bij Heeswijk – zou worden vernield. Dat waren vier verbonden blunders, die aantoonden dat men er geen moment werkelijk bij stil had gestaan wat men nu werkelijk als plan had ontworpen. Deze opzichtige serie blunders werd door het lokale veldcommando op geen enkele wijze gecompenseerd: in tegendeel. Men wist uiteindelijk van het bestaande gat, maar deed er niets aan. Het betekende in elk geval dat de nieuwe defensie in Brabant onmiddellijk failliet was, toen Duitse verkenners de onbewaakte brug te Heeswijk bereikten en deze eenvoudig over konden trekken richting westen. Vanaf dat moment was de gehele Nederlandse verdediging van Noord-Brabant uitgespeeld en restte hen nog slechts het devies ‘redden wie zich redden kan’. In het zuiden speelde daarbij mee dat de sector Weert pas tegen het middaguur vernam dat zij nieuwe posities achter het Wilheminakanaal (noordoever) moest innemen, terwijl rond die tijd het vak ten noorden van hun posities reeds doorbroken was door de 56e Divisie. Zij werden aan alle kanten omringd door vijand en vrijwel geheel gevangen genomen. Het betekende het einde van de gestructureerde defensie van Nederlandse eenheden in Noord-Brabant.

De Fransen zetten onderwijl de ontwikkeling van het plan Dyle-Breda gewoon door. Hun voorste eenheden waren opvallend snel in hun posities aangekomen, waarmee aan een eerste voorwaarde voor het slagen van hun ambitieuze defensieplan was voldaan. Op de lijn Turnhout-Tilburg werd een voorverdediging gevormd, en enkele zwakke verkenningseenheden werden voor die linie uitgezonden. In de sector Breda – Roosendaal werd een infanteriedivisie ontplooid.

De Franse ontplooiing – die zich vrijwel geheel volgens plan voltrok – was het enige wat die tweede oorlogsdag een voorzichtig optimisme mocht zaaien. De Nederlandse prestaties aan het zuidfront waren daarentegen ronduit bedroevend geweest en hadden geen enkele optimisme mogen bieden. De Duitsers hadden zich versterkt via Waalhaven en met een kleine formatie parachutisten op het Eiland van Dordrecht, terwijl de Nederlanders slechts eenheden hadden verloren en op geen enkele locatie zelfs maar de minste progressie hadden weten te boeken.