13 mei 1940

Rotterdam

In het Duitse kamp was er opluchting gedurende de nacht van 12 op 13 mei. Bekend was geworden bij Von Choltitz dat 9.PD was aangekomen in het uiterste zuiden van de corridor, wat betekenen zou dat de taak van zijn zwaar beproefde bataljon er spoedig op zou zitten. Nog voor het middaguur kwamen de eerste tankcompagnieën op het Eiland IJsselmonde aan, gevolgd door divisietroepen en artillerie.

[Overzichtskaarten]

Ondertussen vond echter een voor Von Choltitz bedreigende ontwikkeling plaats. Er werd een Nederlandse actie voorbereid. De status quo aan de Nieuwe Maas was niet gewijzigd sinds de avond van 10 mei. Duitse mitrailleurs op het Noordereiland en twee op de beide bruggen beheersten de omgeving, net als Nederlandse mitrailleurs aan de overzijde. Die situatie hield een zestigtal Duitsers gevangen in het gebouw van de Nationale Levensverzekeringsbank en onder de brug aan de noordzijde, waar een tunnelgewelf enkel geisoleerde militairen schuilplaats bood, maar geen uitweg. Aan Nederlandse zijde deed zich het merkwaardige feit voor dat lang niet alle bevelhebbers op de hoogte waren van de exacte Duitse posities. Zelfs op de vierde oorlogsdag waren er eenheden die niets wisten van de Duitse bezetting van het Verzekeringsgebouw (op noord) of de Duitsers onder de brug. Dat gegeven zou een aantal mariniers lelijk opbreken tijdens de dingen die komen gingen.

In Den Haag was men eindelijk wakker geworden. Scharroo kreeg opdracht koste wat kost de Willemsbrug en het spoorviaduct te vernietigen. Men zag in dat Rotterdam de enige hoop bood de Duitse penetratie van Vesting Holland te vertragen. In de vroege ochtenduren overlegde kolonel Scharroo met de Commandant der Maritieme Middelen [CMM] kolonel der mariniers Von Frijtag Drabbe. De verhouding tussen beide bevelhebbers was uiterst gespannen. Dat was in de laatste fase van de mobilisatietijd veroorzaakt door pogingen van Scharroo om het algehele bevel over alle troepen in Rotterdam te krijgen in geval van oorlog, terwijl formeel was geregeld dat de CMM en zijn maritieme eenheden buiten die bevelsketen zouden blijven. Scharroo zijn inzichten waren juist geweest, zo zou wel blijken, maar tevergeefs. De legerleiding weigerde Scharroo zijn verzoek in te willigen. De CMM nam het de genist echter zeer kwalijk dat hij de poging had gedaan en zou na de strijd op buitengewoon curieuze wijze Scharroo in een kwalijk daglicht stellen in zijn krijgsverslagen. Terug naar de gebeurtenissen.

De afdeling mariniers kreeg opdracht om de Duitse weerstand aan de noordzijde op te ruimen en vervolgens vuurpunten in te nemen die de Willemsbrug in lengte konden beheersen. Het was de bedoeling zodoende genisten de kans te bieden springladingen aan te brengen. Er was echter veel ruis op de lijn bij de mariniers. Ruis die de rapporten van Von Frijtag Drabbe overigens niet haalde, in zijn pogingen de strijd in Rotterdam bijkans geheel tot mariniersepos te doen laten verworden. Maar de luitenant-kolonel der mariniers Lugt – commandant van de Afdeling te Rotterdam – lichtte de beoogde taakgerichte eenheid der mariniers ronduit slecht in. Vooreerst bleek de overste geen kennis te dragen van de bezetting van het Verzekeringsgebouw door Duitsers. Daarnaast kende hij of meldde hij niet dat de intentie was de brug zodanig te beheersen dat springladingen konden worden aangebracht. Kortom, omstandigheden en tactische doelstellingen werden onvolkomen overgebracht aan de kapitein der mariniers Schuiling die de aanval moest gaan leiden. Kennelijk was de overste Lugt geen moment in vertwijfeling over het gebrek aan informatie. Want een opdracht tot schoonvegen van het noordelijke landhoofd zou toch de logische vraag hebben moeten opwerpen waar dan de 'te vegen' Duitsers zouden zitten. Ook is het uiterst merkwaardig dat de overste geen vragen stelde waarom men eigenlijk moest aanvallen en met welk te verwezenlijken doel. Niets van dat alles. Kortom, de malaise der bevelsuitgifte in het Nederlandse leger anno mei 1940 was ook de veelgeroemde mariniers niet vreemd.

De aanval werd ambitieus ontworpen en op papier voorzien van adequate ondersteuning. Een compagnie mariniers met vier secties werd samengesteld uit de beschikbare geoefende mariniers en aangevuld met enkele veelbelovende mariniers in opleiding uit de een-na-jongste klas. Dat verband werd door de kapitein Schuiling gecommandeerd. Als tweedelijns verband werd een circa honderd man sterke formatie van het Marinedepot ingeschakeld, waarvan het gros evenzo marinier was en door de kapitein der mariniers Keuchenius werd aangevoerd. Twee batterijen 10-veld zouden voorbereidende vuursteun geven. Twee pantserwagens werden ingezet om directe vuursteun te bieden aan de aanvallers en zes mortieren beschikbaar gesteld voor operationele ondersteuning. Middelen die men elders in Nederland vaak node miste bij offensieve acties. Maar een juiste coördinatie tussen de bevelhebbers ontbrak volledig. Ook daarin was overste Lugt niet geslaagd te overtuigen.

De overste Lugt wilde dat de beide verbanden reeds voor het licht worden tegen het Duitse bruggenhoofd zouden aanliggen. Daartoe werd beide verbanden te kennen gegeven bij het Beursstation – het station in het verlengde van de spoorbrug – te verzamelen. Omdat de compagnie uit het depot op zich liet wachten, kreeg kapitein Keuchenius van de overste Lugt opdracht direct de aanval in te zetten. Drie van de vier secties zouden via het Bolwerk de brug naderen terwijl de laatste sectie [onder sergeant der mariniers Zimmerman] via de Wijnhaven op het midden van de Boompjes terecht zou komen, vlakbij de westelijke brugoprit. Zo zou men van twee zijden het landhoofd van de brug benaderen. Twee secties mariniers kwamen vooruitgeschoven bij de Jan Kuitenbrug te liggen op de Gelderse Kade (vlak tegen het Bolwerk), waar hen verder optrekken, door intensief vuur van het Noordereiland en vanuit het gebouw van de Nationale Levensverzekeringsbank, werd ontzegd. Ondersteunend artillerievuur kon niet worden gegeven en de mortieren waren ook nog niet beschikbaar. Zoals zo vaak, kwam er dus van effectieve samenwerking niets terecht. De mariniers bleven daarom in dekking liggen. Verzoek tot afgeven van mortiervuur op het bankgebouw werd door de commandant van de compagnie mortieren afgewezen omdat dit volgens hem geen effect op het gebouw van de levensverzekeringsbank zou hebben. Dat werd – ongelofelijk maar waar – door overste Lugt aanvaard en bovendien zonder als alternatief verzoek te vragen de Maaskade (noordzijde Noordereiland) te beschieten om althans het vuur van die positie te onderdrukken.

De vierde sectie had ondertussen via de Rederijstraat (halverwege de Boompjes) de Boompjes bereikt en sloop voorwaarts richting brug. Omdat men op die locatie, mede gegeven de schemering, nog in de luwte van de woningen kon voortbewegen zonder gezien te worden, kreeg de sectie geen vuur. Ze wilden zodoende de dichtbij beginnende oprit van de verkeersbrug bereiken, onder de gewelven voort gaan tot zij de trap omhoog richting de eigenlijke brug bereikt zou hebben. Een groep was met een lichte mitrailleur achtergelaten voor rugdekking, terwijl voorts de bedoeling was met elk een groep de oostelijk en westelijke trap naar de brug op te gaan. In de gewelven troffen de mariniers uitrustingstukken van Duitse troepen aan en wapens, maar in eerste instantie geen Duitsers. Dat veranderde zodra het vuurgevecht van de voorste groep op de brug zou uitbreken.

Die voorste groep bereikte inmiddels de zijwaartse stenen trappen van de brug. Een aantal mariniers werkte zich behoedzaam de westelijke trap op en kwam daar terecht tussen opgeworpen maar verlaten Duitse stellingen (waarbij men de stenen van de weg als vuurdekking had gebruikt) en het uitgebrande wrak van een vrachtwagen, die op de 10e mei door genisten en mariniers in brand was geschoten. Een ontspoorde tram, vele Duitse uitrustingstukken en de lijken van talloze Duitsers maakten het apocalyptische plaatje compleet. Ondertussen werden de mariniers nog steeds met rust gelaten, mogelijk omdat Duitse troepen in het schemerdonker dachten met eigen mannen te maken te hebben. Maar toen ook mariniers uit het oostelijke trappenhuis verschenen, brak ineens de hel los. Een drietal mariniers werd al snel geraakt, waarvan één direct stierf. Het weerhield de anderen niet door te zetten en de wapens in stelling te brengen op de brug. Nog een marinier sneuvelde, terwijl de anderen de vele doelen aan de zuidzijde van de brug op de korrel namen. Het vuur werd echter zo dicht dat er geen doorkomen aan was. Zowel in de rug als in front werd met mitrailleurs op hen geschoten. De mariniers wisten gedeeltelijk in de gewelven terug te keren, maar enkele werden op het brugdek vastgepind. Ondertussen gaven de overige mariniers van de sectie vuur op het gebouw van de Levensverzekeringsbank, zodat de Duitsers aldaar niet ongestoord en goed gericht op de mariniers op de brug konden vuren. De zes nog levende mariniers op de brug, kregen daarom de kans een ontsnappingsweg te zoeken en vonden een losse plaat waardoor zij onder het dek in de pijlerruimte konden schuilen. Eén van hen was gewond aan zijn been. Ze zouden daar blijven tot na het bombardement de volgende dag en vervolgens figureren in de Duitse oorlogsjournaals toen zij voor het front van Duitse cameramensen en fotografen zich in de late middag van 14 mei zouden overgeven.

Ondertussen was de rest van de sectie, grofweg twee groepen sterk, in vuurgevecht geraakt met de Duitsers in het verzekeringsgebouw en die welke zich in de gewelven onder de brug schuil hielden. Zo nu en dan drongen andere Nederlandse militairen – alsmede mariniers van de andere drie secties – door tot de ruimte onder de oprit en zodoende nam de strijd alleen maar in hevigheid toe. Aldaar sneuvelden nog meer mariniers, maar ook aan Duitse kant vielen slachtoffers. Iedereen was het overzicht kwijt, maar desondanks behielden de mariniers het inzicht geen overmoedige dingen te doen. Kapitein Keuchenius wist uiteindelijk met enige landmacht militairen en delen van de andere secties mariniers aansluiting te vinden bij de restanten van de vierde sectie en gaf leiding aan het gevecht, trachtende opnieuw een aanval op de brug te ontwikkelen. Ondertussen was het vuur op de brug door de zes overlevende mariniers verstomt, wat beneden ook opviel, en begon Duits mortiervuur te vallen op het noordelijke einde van de brug. Daarop was het ook de kapitein duidelijk dat de aanval geen enkele kans van slagen meer had, te meer daar eigen vuursteun uitbleef. Sprongsgewijs werd het verband teruggenomen richting Rederijstraat.     

Onderwijl hadden twee M.38 pantserwagens zich ook gemeld. Zij reden op langs het Beursstation en richting Gelderse Kade. Maar aldaar aangekomen kreeg de voorste wagen een PAK treffer, die commandant en chauffeur verwondde. De wagen reed terug. Daarop volgde de tweede M.38, die vervolgens vanaf de kop van de Nieuwe Haven vuur uitbracht op de Maaskade. Veel effect had dit niet en het vuur gaf in ieder geval geen directe ondersteuning voor de mariniers. Overste Lugt meldde zich onderwijl bij de 10-veld Afdeling. Daar werd beloofd het Noordereiland onder vuur te gaan nemen, met een batterij links en een batterij rechts. De eerste lagen vielen echter consequent tekort, waarop telefonisch gecorrigeerd werd. Nadien vielen de lagen deels veel te lang, waarop nieuwe correctie opnieuw kortvallend vuur opleverden. De Afdelingscommandant liet daarop het vuren staken en verklaarde het doel als niet effectief te beschieten! Het betekende dat de mariniers van vuursteun in het geheel niets merkten tijdens hun urenlange gevecht met de Duitsers.

De actie leek op een totale mislukking te zijn uitgelopen. Dat was ook het concrete resultaat. Maar het had weinig gescheeld of de circa 50 resterende Duitsers in het verzekeringsgebouw hadden de vlag gestreken. Zij hadden namelijk vrijwel geen patroon meer over en hadden bovendien talloze gewonden die urgente verzorging nodig hadden. Maar zover zou het niet komen en bovendien was de laatste beproeving voor de moedige Duitse manschappen in het gebouw nog niet voorbij. Zij zouden er op een steenworp afstand van de bombardementen op de 14e nog menig zweetdruppeltje moeten laten.

Met de acties van de mariniers kwam wel een einde aan de Nederlandse pogingen de verkeersbrug te hernemen, hoewel dat in essentie al niet de bedoeling was geweest. Grote vraagtekens kunnen worden gesteld bij het lokale krijgsbeleid, waarbij de noodzaak tot vernietiging van het Verzekeringsgebouw kennelijk nooit doordrong tot de hoofden van de bevelhebbers ter plaatse. Zou men daarin zijn geslaagd, dan was de kans groot geweest dat Nederlandse genisten de verkeersbrug alsnog zouden hebben kunnen vernielen. Maar zover zou het niet komen. Ook pogingen het spoorwegviaduct voor vernieling voor te bereiden faalden uiteindelijk.

Om 1930 uur begon in Rijsoord een krijgsberaad der hoogste bevelhebbers aan Duitse zijde. De generaals Student en Schmidt, de laatste commandant van het die dag geactiveerde XXXIX.AK, dat naast 9.PD binnen Vesting Holland bestond uit de SS Leibstandarte en de restanten van de luchtlandingstroepen, bespraken met hun ondercommandanten de te volgen koers voor de volgende dag. Er zou een grote aanval worden ontworpen om de Duitsers over de Nieuwe Maas te brengen.

De aanval zou door twee formaties worden vormgegeven, waarbij de Groep A door het hart van de stad over de bruggen de Maasstad zou binnendringen na een voorbereidend artilleriebombardement, eventueel aangevuld met een nog toe te zeggen tactische luchtbombardement op de Nederlandse verdedigingslinie langs de rivieroever. De Groep A – gecommandeerd door Kurt Student – zou bestaan uit III./IR.16 en daaraan toegevoegde onderdelen, een bataljon van de SS Leibstandarte en enige tankcompagnieën van 9.PD. Alle voorhanden artillerie zou bijdragen aan een inleidende beschieting, die zeer kort op de Maasoever zou moeten liggen. De hoofdaanval zou op rechts door een flankaanval van Groep B worden ondersteund. Deze zou bij het dorp IJsselmonde de rivier oversteken, daarbij geassisteerd door alle oversteekmiddelen voorhanden. De Groep – gecommandeerd door Oberst Kreysing (C.IR.16) – bestond uit 2./IR.16, 3./IR.16, een sMG peloton van 4./IR.16, een peloton van 13./IR.16, 14./IR.16 (min een peloton), delen van 7./IR.65, een peloton van 1./Pi.22, 13./IR.47 (min een peloton) en vier berghouwitsers van AR.22. Goed gezegd was die sterkte niet veel meer dan van een versterkt bataljon. Groep B diende na oversteken als eerste doel de autoweg Rotterdam – Gouda te bereiken en vervolgens richting Kralingen door te stoten.  

De aanval zou om 1300 uur aanvangen met een hevige artilleriebeschieting met alle voorhanden artillerie, zijnde ongeveer twee afdelingen 10,5 cm en een batterij 15 cm geschut. Om 1305 uur zou de aangevraagde Luftwaffe Stuka aanval moeten plaatsvinden, zodat artillerie en bommenwerpers gezamenlijk het Nederlandse verdedigingsstelsel zouden beschieten. Om 1350 uur zou dan de aanval door Groep A en B worden ingezet.

Als reserve voor Groep B fungeerden tien stukken PAK [van 14./IR.47 en 14./IR.16], zeven sMG van IR.16 en IR.65, twee stukken IG van 13./IR.16 en enige kleinere infanterieverbanden ter grootte van een peloton.

Voor het plan werden gedurende de late avond en nacht de eerste bevelen uitgegeven. De nadere uitwerking zou op de 14e volgen.

De aanval in de ochtend door de mariniersverbanden was mede ingegeven door de herijkte defensieoverweging dat de bruggen in Rotterdam de sleutel tot de Vesting Holland vormden nadat de Duitse tanks Moerdijk hadden bereikt. Na de mislukte mariniersaanval in Rotterdam kon men zich nog slechts concentreren op een hechte defensie langs de Nieuwe Maas. De vertegenwoordiger van het AHK in Rotterdam, overste Wilson, ontlokte de OLZ een instructie omtrent hoe te handelen. Winkelman meldde zich telefonisch bij de kantonnementscommandant en liet de instructie achter dat Rotterdam ten koste van alles hardnekkig verdedigd moest worden. Daarbij gaf de generaal aan zich bewust te zijn van de kosten. Tegelijkertijd werd door het AHK een provisorisch pantserafweerfront gevormd tussen Den Haag en Amsterdam. Haastig werden verbanden en middelen in dat nieuwe verdedigingsfront ontplooid, in de overtuiging dat ook na een Duitse doorbraak bij Rotterdam zou worden doorgevochten.

Langs de Nieuwe Maas werd de defensie verstevigd. De laatste troepen die al sinds 10 mei aan het vechten waren geweest langs de rivier werden afgelost. Een sterkte van twee infanteriebataljons lag langs de noordoever en meer troepen werden daarachter paraat gehouden direct te kunnen ingrijpen als een Duitse oversteek dat nodig zou maken. Antitankgeschut werd aan de kop van de verkeersbrug geplaatst, zodat een tankaanval zou kunnen worden gepareerd. Overwogen werd voorts de bevolking in het centrum te evacueren, maar na ampel overwegen werd dit niet verordonneerd. De vluchtelingen zouden groot gevaar lopen tijdens de evacuatie en eventueel tijdens het verblijf in de open ruimte buiten de stad. Bovendien bestond het grote gevaar dat wegen verstopt zouden raken of vluchtelingen in gevechtsgebieden terecht zouden komen. De bevolking die op eigen gelegenheid vluchtte werd echter niet tegengewerkt.

Op het Noordereiland speelde een gelijksoortige kwestie. Von Choltitz weigerde de mannelijke inwoners te laten evacueren en gaf hen mee dat slechts een Duitse overwinning of Nederlandse capitulatie hen zou bevrijden. Op de 13e hadden de bewoners enige tijd flinke hinder ondervonden van de 10-veld beschietingen, waarbij ondanks het slecht liggende vuur, diverse huizen op het Maaseiland waren geraakt. Een kapelaan en een medewerker van het KNMI werden op zeker moment gedwongen zich bij Von Choltitz te melden en kregen de instructie de Nederlanders te verzoeken zich over te geven. Een weinig verheffende vertoning, hoewel de aanleiding in de bronnen onduidelijk blijft. In die zin dat niet helder wordt of de burgers uit lijfsbehoud of werkelijk onder dwang van de Duitsers naar de Nedelandse legerleiding in de stad gingen. De heren kregen volgens het 'dwangscenario' in elk geval opdracht met een witte vlag naar de Nederlandse zijde te vertrekken en daar bij de bevelhebber te melden dat de stad diende te capituleren. Aan de noordzijde aangekomen werden zij eerst door politieagenten ondervraagd, nadien geblinddoekt en min of meer als vijanden behandeld. Ze werden door de beide adjudanten van kolonel Scharroo – de kapiteins Backer en Duhoux – gehoord. Het verhaal van de burgers werd aangehoord en formeel met Scharroo gedeeld door beide officieren, hoewel zij vooraf wisten dat de commandant met burgeronderhandelaars geen zaken zou doen. Daarna werd de burgers te verstaan gegeven dat van overgave geen sprake kon zijn, maar dat zij bovendien als burgers zich niet in militaire zaken dienden te mengen en zodoende de witte vlag moesten achterlaten als ze terug wilden keren naar het Noordereiland. Een curieuze beslissing van de kantonnementsstaf. Als remedie liepen de moedige burgers met de handen hoog boven het hoofd terug naar het Noordereiland, waar beide partijen het fatsoen toonden niet te vuren. Von Choltitz had het negatieve resultaat al verwacht.

In de avond schoot Duitse artillerie in op het Maasfront. Met vervroegde ontsteking [met als gevolg luchtspringers] testte men kennelijk de juistheid van de instelling der vuurmonden. De commandant der infanterieverbanden in noord, C-11.RI, meldde scherpzinnig op dat het wel eens een voorbode zou kunnen zijn van een flinke barrage. Inderdaad, en nog veel meer …

Het Eiland IJsselmonde

Twee gevechten zouden op de 13e mei op het Eiland IJsselmonde plaatsvinden en één afstandelijke confrontatie langs de Noord.

Ten westen van het dorp Pernis lag nog steeds een compagnie van het kantonnementsbataljon van Rotterdam, de vorige dag versterkt met een peloton van IV-15.RI en een reeds sinds 10 mei aanwezig peloton luchtdoelmitrailleurs (ingezet als mitrailleurs tegen gronddoelen), die gezamenlijk een verdediging rondom de olie-installaties vormden. Die installaties zelf waren door Britse sappeurs al voorzien van springladingen en de inhoud van tanks was vermengd om de producten waardeloos te maken. De positie in de uithoek van het Eiland en het feit dat men westelijk van de Eerste Petroleumhaven lag, betekende dat men slechts een sterk front aan de zuidzijde had hoeven bouwen, met slechts een lichte beveiliging van de waterzijde.

De Duitse offensieve actie kwam in hoofdzaak vanuit Hoogvliet, waar 1./IR.72 versterkt met een half peloton mitrailleurs en een half peloton mortieren van 4./IR.72, posities had ingenomen sinds 12 mei. Vanuit het zuiden en via het havenspoorlijntje (zuidoosten) vielen de Duitsers langs twee vectoren aan. De Duitse aanval werd ten koste van enkele gesneuvelden afgewezen. Aan Duitse kant sneuvelde één man, mogelijk een tweede.

Inmiddels was wegens de precaire strategische status van de landsdefensie het sein vanuit Den Haag gekomen de installaties te vernielen. Vanuit Vlaardingen werd de wachtende Britse vernielingsploeg – 40 man genisten onder een luitenant – overgezet en rond 1600 uur stonden de olievoorraden in vlam, wat een dikke vettige rookkolom deed ontwikkelen boven de Waterweg en het westen van Rotterdam. Een onheilspellende voorbode van zaken die nog komen gingen. De verdedigers evacueerden nadien de locatie, waarmee de laatste Nederlandse positie op IJsselmonde op de vierde oorlogsdag werd ontruimd.

Bij Barendrecht gebeurden spectaculaire dingen die vierde dag. Het was na de mislukte aanval door 3.GB op de 11e rustig gebleven langs de Oude Maas. Verklaarbaar uit het feit dat beide partijen geen ambities (meer) hadden de overkant te bereiken. Dat veranderde op de 13e mei, toen in de middag een licht tankpeloton van I./PR.33 opdracht kreeg om de brug bij Barendrecht over te steken en de Nederlandse defensie aldaar te verdrijven. De stafcompagnie van het eerste tankbataljon werd hiervoor aangewezen, uitgerust met vier Pz.II tanks [2 cm kanon en MG]. Leutnant Grix van de staf werd aangewezen de aanval te leiden en zijn Pz.III tank mee te nemen. Met de troepen van I./IR.16, die de oever bezet hielden, werd een aanvalsplan ontworpen. Achter de dijk zouden twee Pz.II aan weerszijde van de brug worden opgesteld, achter de dijk. Samen met mitrailleurs en mortieren van de luchtlandingstroepen zouden zij de defensie in dekking dwingen. Twee Pz.II en de Pz.III met Leutnant Grix zouden over de brug aanvallen en de Nederlandse zware wapens vernietigen. Aan Nederlandse kant lagen in de sector anderhalve compagnie van 3.GB, vijf zware mitrailleurs en twee stukken PAG. Beide stukken stonden niet direct in het verlengde van de brug maar – elkaar dekkend – meer achterwaarts. Dat was gedaan om niet consequent Duitse vuur te trekken. De Duitse aanval werd vooraf gegaan door een plotselinge vuuroverval, die aan de zuidzijde van de brug aanleiding tot paniek was, in het bijzonder bij de links en rechts van het vak aanleunende compagnieën van 3.GB. In het aanvalsvak zelf hielden de verdedigers echter vooral het hoofd koel. De Duitse tanks konden naderen tot kort voor het zuidelijke einde van de brug. Toen opende de voorste PAG het vuur. Vier treffers werden op de voorop rijdende Pz.III geplaatst, waarbij de tank volkomen uitgeschakeld raakte, hoewel deze zich na de eerste treffers nog wist te verweren met enkele schoten, die naast het stuk PAG terecht kwamen (en de schutter doodden). Ook de beide achterop komende Pz.II’s werden echter door de PAG buiten gevecht gesteld eer ze de brug over waren. Een der Pz.II’s kreeg bovendien een treffer in haar munitieopslag, zodat de tank explodeerde en enige tijd later als een fakkel midden op de brug uitbrandde. Aan Duitse kant vielen twee doden en zeven gewonden. De bemanningsleden der tanks zochten dekking tussen de tramrails op de brug, terwijl achter hen hun luchtlandingskameraden vuursteun verleenden. Onder dekking van de duisternis konden ze later terugtrekken naar het noorden. Aan Nederlandse kant waren vijf man gedood, merendeels door één mortierinslag in een loopgraaf.

De Duitse overval was mislukt. Men zou dus denken dat het moraal der verdedigers onbreekbaar was geworden, zeker na de minder geslaagde acties op 10 en 11 mei. Dat was bij de Barendrechtse brug ook het geval, want daar had men de vijand eindelijk eens van jetje gegeven. Echter elders was ander kwaad geschied. Bij de C-3.GB, de beroepsmajoor Reijers, was het bericht van de linker nevencompagnie aangekomen dat de Duitsers de Oude Maas overstaken tussen Heinenoord en de brug. Daar klopte niets van. Maar de duidelijke geluiden van felle strijd, die voortkwamen uit allerhande vurende Nederlandse wapens en de Duitsers aan de overzijde, bevestigde slechts de door de berichten gerezen vermoedens bij de majoor. Bovendien was tussen Barendrecht en Puttershoek de rechtercompagnie – eveneens in de veronderstelling dat de Duitsers over de brug kwamen – teruggeweken met verhalen van Duitsers die de verdediging van de brug uitschakeld hadden. Daarop besloot de majoor zijn bataljon tot aan Westmaas terug te nemen, waardoor de Barendrechtse brug onbezet bleef. Het was een groot geluk dat de Duitsers ontmoedigd waren geraakt door de afgeslagen aanval en geen nieuwe poging inzetten. Maar aan Nederlandse kant volgde daarentegen een kettingreactie.

Chef-staf Groep Kil kapitein Calmeijer had in Puttershoek ook de onmiskenbare nabije strijdgeluiden gehoord, maar kreeg geen enkele informatie uit het veld. Hij zond in de late avond een patrouille naar Barendrecht, die even later terugkwam met het bericht dat behalve enkele gesneuvelden er geen militair meer langs de oever van de Oude Maas lag! Calmeijer schrok zich wezenloos, overwoog korte tijd of hij nog ergens troepen vandaag kon halen ter reparatie, maar constateerde spoedig dat de reserves waren uitgeput. Het zou ertoe leiden dat in de vroege ochtend de gehele Groep Kil het oosten van de Hoekse Waard zou ontruimen en achter het Spui zou terugtrekken. Een bevel dat al gepreludeerd was door bevelen aan de artillerie de stellingen naar het westen te verplaatsen.

Zo had het enige aansprekende defensiesucces van de Groep Kil in de Hoekse Waard, direct het meest dramatische negatieve effect voor die Groep. Een bizarre kwestie, die ook gevolgen zou hebben voor de verantwoordelijke bataljonscommandant. Deze werd kort na de strijd aan een onderzoek onderworpen, maar uiteindelijk toch niet voor de krijgsraad gebracht, omdat zijn houding tijdens de oorlogsdagen voor het overige onberispelijk was geweest. Er is voor die beslissing begrip op te brengen. Individuele militairen aansprakelijk stellen voor twintig jaar falend krijgsbeleid en navenant slechte militaire opleiding zou onredelijk zijn geweest.

Aan de Noord waren ook ontwikkelingen. Van de Lichte Divisie lag daar de zogenaamde vasthoudende groep. Dat was het restant troepen dat een Duitse overgang moest voorkomen en ondersteund werd door een afdeling KRA met acht stukken 7-veld. Bovendien waren twee batterijen 10-veld van 11.RA aangevoerd, die ter beschikking waren gesteld van de LD. De stukken 7-veld openden al kort na het ochtendgloren vuur op Duitse troepenconcentraties rond Ridderkerk. De stukken 10-veld legden storende vuren op de Duitse posities rond de brug bij Hendrik Ido Ambacht. Terwijl de artillerie vuurde verschenen ineens Duitse Stuka’s boven hun hoofd. Ze doken onder andere op één der batterijen van het KRA, waarbij de bommen vooral op een nabij gelegen boerderij landden, waar drie leden van het boerengezin de dood door vonden. De vuurmonden en batterijleden bleven ongedeerd en zetten kort nadien het vuren voort. De Stuka’s werden tezelfdertijd door Britse jagers – zes Spitfires en zes Defiants – aangepakt. Vier Stuka’s zouden die aanval uiteindelijk niet overleven, maar te hulp geschoten Bf-109’s schoten vijf Defiants neer tegen één eigen verlies. Het betekende in elk geval voor de artillerie op de grond dat het gevaar even was geweken. Onderwijl beantwoordde de Duitse artillerie het Nederlandse vuur. Alblasserdam lag steeds onder storend vuur. Door het Duitse artillerievuur, maar vooral ook door de viegtuigbommen die de laatste drie dagen waren gevallen, was de gehele omgeving geteisterd en brandden vele woonhuizen en bedrijfspanden. Naast Alblasserdam was Oud Alblas en Bleskensgraaf ook zwaar aangepakt, in alle gevallen vooral door vliegtuigen die samengepakte Nederlandse colonnes hadden waargenomen. Het betekende dat er aanzienlijke schade werd geleden door de burgerij, met natuurlijk de onvermijdelijke burgerdoden tot gevolg.

Het Eiland IJsselmonde stroomde vanaf de ochtend van de 13e vol met Duitse eenheden. Het gros verplaatste zich over het tracé van de aangelegde nieuwe autoweg Rotterdam – Dordrecht. Een deel van de Duitse troepen trok direct door naar het zuiden van Rotterdam, maar een aanzienlijk deel bleef rond Rijsoord liggen in afwachting van nadere opdrachten. De artillerie werd grotendeels opgesteld onder Rotterdam en zou in de avond zich vast inschieten op de Nederlandse defensie aan de Nieuwe Maas. De SS Leibstandarte, die in de late avond arriveerde, trok ook direct op naar Rotterdam, waar zij zich gereed diende te maken voor de aanval van de volgende dag, die door de SS geleid zou worden.

Op de 13e mei zou nagenoeg de helft van 9.PD zich op het Eiland concentreren, terwijl nog een aanzienlijk deel onder de Moerdijk bleef. Zo was een deel van het tweede tankbataljon ondersteund door een bataljon van 11.SR [aangemerkt als de Gruppe Sponeck] ter afscherming tegen eventuele Franse tegenmaatregelen rond Breda blijven liggen en was de verkenningsafdeling opgedragen het bruggenhoofd te beveiligen en op de 14e tot aan Bergen op Zoom agressief te verkennen. Een batterij 10,5 cm artillerie was bij Moerdijk gebleven om daar steun te kunnen verlenen. Het ook aan XXXIX.AK toegewezen 254.ID bleef nog ruime tijd onder de Moerdijk.

Het Eiland van Dordrecht

De kaarten leken geschud op de 12e mei. De Nederlandse troepen hadden weliswaar een Duitse poging de stad in te nemen verijdeld, maar waren zelf niet geslaagd in hun opzet de Duitse corridor tussen Moerdijk en Zwijndrecht te doorbreken. De C-LD zag echter nog steeds kansen en ontwierp gedurende de nacht een nieuw aanvalsplan.

Het Nederlandse aanvalsplan zag op een aantal elementen. Allereerst wilde men de Duitsers uit de zuidelijke stadrand werpen. De operatie dat te bewerkstelligen kwam onder commandant van overste Mijsberg [westelijke aanvalsgroep]. Overste Van Diepenbrugge zou een aanval leiden van de beide bataljons in het hart van het Eiland richting Tweede Tol [oostelijke aanvalsgroep]. Als die succesvol zou zijn, zou een vervolgoperatie richting Moerdijk worden ontworpen. Vanuit Kil zou men het bruggenhoofd Wieldrecht versterken en vervolgens Amstelwijk herinnemen. Nadien wilde men richting Krispijn ageren. Laat de lezer niet misleid worden door de onjuiste benamingen als westelijke en oostelijke aanvalsgroep [die echter gehanteerd zijn om de oorspronkelijke benaming te handhaven]. Accuraat was geweest als men dit de noordelijke en zuidelijke aanvalsgroepen had genoemd, wat de werkelijke positie t.o.v. de windstreken had weergegeven – of in militair jargon zou hebben gesproken van de rechter en linker aanvalsgroep.

Nu zou men denken dat de lokale legerleiding op één of andere manier op de hoogte was gebracht dat Duitse tanks de Moerdijk hadden bereikt. Niets van dat alles. De Groep Kil werd vroeg in de ochtend geïnformeerd dat de Moerdijkbruggen vernietigd moesten worden en dat voorhoedes van de Duitse tankdivisie Moerdijk hadden bereikt. Kolonel Van der Bijl had echter onderwijl de informatie van vaandrig Marijs laten verifiëren en was tot de ontdekking gekomen dat de gewantrouwde Marijs wel eens gelijk kon hebben. Hij had (nog in de avond van de 12e mei) de C-VH opgebeld met de constatering dat Duitse gepantserde grondtroepen wellicht de Moerdijk hadden bereikt. Maar tot zijn niet geringe verbazing had generaal Van Andel gezegd dat dit niet kon kloppen en dat Franse tanks gereed stonden een grote aanval op Moerdijk te plegen. Daarom moest de Lichte Divisie ervoor zorgen dat de sector Wieldrecht en Amstelwijk onder controle zou worden gebracht. Toen echter ook op de staf VH op enig moment gedurende de nacht het nieuws moet zijn aangekomen dat de Duitse tanks Moerdijk naderden, kreeg C-LD geen nadere inlichtingen daarover.

Generaal Van Andel handelde dus wederom op een opvallende wijze. Hij hechte in de avond van 12 mei in het geheel geen geloof aan de berichten van de vaandrig Marijs. Anderzijds is uit de bronnen duidelijk dat de C-VH lang niet alle informatie kreeg die het AHK wel had. Het moge zo zijn dat de generaal in de avond van 12 mei nog Franse tanks verwachtte, maar op 13 mei rond 0200 uur werd de Groep Kil – rechtstreeks door de chef-staf landmacht – geïnstrueerd de Moerdijkbruggen te beschieten en mogelijkerwijs te vernietigen, omdat een Duitse tankdivisie in aantocht zou zijn. Die instructie greep rechtstreeks in, in de bevelketen van de C-VH, dus lijkt het zeer aannemelijk dat C-VH uiteindelijk in die instructie gekend werd. En dus wetenschap droeg van de inmiddels aangepaste verwachtingen. Die informatie werd in elk geval niet gedeeld met de C-LD. Pas rond 0700 uur in de ochtend kreeg die eenheid in de commandopost te Papendrecht (!) van Groep Kil het nieuws dat Duitse pantserwagens de bruggen al een tijdlang passeerden. Dat nieuws resulteerde echter in het geheel niet in een gewijzigde aanpak voor wat betreft de LD aanval.

De oostelijke aanvalsgroep had als opdracht gekregen om voor 0400 uur gereed te staan voor de aanval. Dat tijdstip werd niet gehaald. Dat kwam enerzijds door de late bevelsuitgifte, maar evenzo door de kluwe van eenheden die op de smalle dijken hun posities moesten innemen en elkaar letterlijk in de weg zaten. In de noordelijke sector, waar de meest bescheiden aanvalsformatie gereed werd gesteld aan de Zuidendijk, was er nog voldoende ruimte voor manoeuvres. De sector Zeedijk – Elzingenweg – Schenkeldijk was echter werkelijk vergeven van de manschappen, wapens en vuurmonden. Het betekende dat van een georganiseerde ontplooiing voor de actie geen sprake kon zijn. Verbanden vielen uit elkaar en waren op hun aangewezen posities niet terug te vinden. Niet vreemd, als men bedenkt dat in de beperkte sector een 1.500 man met zware wapens en voertuigen de schaarse ruimte moest verdelen. Men bedenke dat in het polderlandschap slechts de smalle dijken tot verplaatsing konden dienen. Eenheden die dus al gereed lagen, lagen verplaatsende andere eenheden gruwelijk in de weg. Dit alles vond plaats bij daglicht en met een volstrekt dominante Luftwaffe in de lucht, waarbij luchtafweer bij de LD geheel ontbrak. Daar kwam bij dat de buitenste grenzen van het gereedstellingsgebied geen vooruitgeschoven posten kenden en dat afweerwapens zoals 7-veld en PAG niet in de voorste lijn stonden om direct te kunnen optreden tegen een onverhoopt ontwaarde vijand. Het recept voor een tragedie werd dus aan alle kanten gebrouwen.

Reeds kort na 0400 uur begon Duitse vuur rond het kruispunt van Zeedijk en Elzingenweg te vallen. Uiteraard hadden de Duitsers vanaf de westelijke oorsprong van de Zeedijk de Nederlandse concentratie waargenomen. Daar was geen kunst en vliegwerk (letterlijk) voor nodig, want het open polderlandschap bood een ieder die op een dijk liep een diep zicht. En dat gold andersom natuurlijk net zo. Het Duitse vuur toonde zich weinig effectief, maar kort nadien kwam langs de Zeedijk een veel grotere dreiging aan. Een volledige Duitse tankcompagnie [de Duitsers spraken niet van eskadron, zoals bij andere legers en tegenwoordig gewoon is] kwam over de smalle Zeedijk richting de oostelijke aanvalsgroep gereden, vurend uit alle boordwapens. De smalle dijk beperkte gelukkig de effectiviteit, omdat slechts de voorste tanks in de colonne vuur konden uitbrengen. Direct werd een stuk 7-veld op de dijk gezet en het slaagde erin de voorste tank uit te schakelen. Een Duits verkenningsvliegtuig hing boven de Duitse colonne en vuurde lichtkogels af, kort erop gevolgd door een luchtaanval door duikbommenwerpers. De hel brak los.

De Nederlandse verbanden vlogen uit elkaar toen de eerste bommen neerkwamen. De voorste gelederen leden zware materiële verliezen, en een detonerende munitiecaisson van het KRA vergrootte het psychisch effect nog. De verliezen aan mensenlevens bleven relatief beperkt, maar de vlucht die ontstond onder de begrijpelijk geshockeerde troepen bleek onstuitbaar. Ook de noordelijke aanvalsgroep bij de Zuidendijk werd aangevallen door vliegtuigen, maar daarbij vielen nauwelijks slachtoffers en men had bovendien aldaar nog geen tanks in zicht. Nadat de bommenwerpers verdwenen boven het slagveld, zetten de Duitse tanks de opmars weer voort. De voorste verdediging van de Nederlanders was weggeslagen. Toen de eerste Duitse tanks vervolgens de Schenkeldijk opdraaiden naar het noorden, kwamen ze daar troepen tegen die de oranje lappen op de tanks [okergele lappen op de tanks waren bedoeld voor identificatie naar de Luftwaffe] als teken zagen dat er Franse tanks naderden. Nederlandse militairen stonden op om hen welkom te heten, waarop de voorste tanks direct het vuur openden. Het liep geheel uit de hand, toen twee Duitse tanks naast elkaar de dijkranden opzochten en zo enfilerend vuur langs het dijklichaam gaven. De posities der zware wapens waren ontworpen voor een optrekkende, niet een verdedigende actie. Men werd volledig onder de voeten gelopen en een groot deel van de gevechtsgroep en de verbanden langs de Schenkeldijk gaf zich over. Een doorslaand succes voor de Duitsers. Aan de Zeedijk, achter het kruispunt, hadden enkele Nederlanders echter de geest hervonden. Twee stukken 7-veld werden ingezet en verschoten zo’n 30 granaten op naderende Duitse tanks, waarbij diverse tanks werden uitgeschakeld of geïmmobiliseerd. Daarop grepen wederom duikbommenwerpers in, maar deze keer zonder het gewenste effect. In het bijzonder 4-II-KRA weerde zich dapper en wist van geen wijken. Het betekende dat de Duitse tanks terugtrokken, zich bewust van de gevaren van effectief afweervuur op een smalle dijk. Spoedig nadien kwam het Nederlandse bevel terug te trekken naar het noordoosten. Talloze gehavende verbanden werden zodoende langs het Wantij verzameld, waarbij de afweerwapens richting zuidwesten werden opgesteld in de veronderstelling dat de tanks zouden nadringen. Fracties van de oostelijke aanvalsgroep trokken de binnenstad van Dordrecht in en werden in de – inmiddels gevormde – binnenstaddefensie opgenomen. De Duitsers zouden zich enige tijd koest houden en hun geschonden verband herorganiseren. Van de oostelijke aanvalsgroep van de LD was driekwart echter verloren gegaan. De bij het Wantij verzamelde restanten kregen korte tijd later bevel de spoorbruggen over Wantij en Merwede over te steken. Daarbij werd het gros der auto’s achtergelaten, met daarin de vervoerde zaken. De oostelijke aanvalsgroep was daarmee – met uitzondering van de delen (inclusief twee stukken 7-veld) die Dordrecht zelf hadden bereikt – uitgespeeld.

Het bruggenhoofd bij Wieldrecht werd door Duitse tanks en pantserwagens eveneens opgelost. Hoewel korte tijd, ondersteund door een batterij artillerie, hevig weerstand werd geboden door de mannen van 3.GB, werden zij door de tanks van de 9e Panzerdivision verpletterd. Maar liefst twaalf man sneuvelde, een onbekend aantal raakte gewond, een twintigtal ontsnapte over de Kil en de rest werd gevangen genomen.

De westelijke aanvalsgroep – ofwel de formatie die het zuiden van Dordrecht diende te zuiveren van Duitsers – had ook een lastige missie. De 12e mei had het de staf van de LD verstandig geleken de posities langs het spoor op te geven en noordwaarts terug te trekken om de troepen te laten uitrusten, te herorganiseren en te voorzien van eten en munitie. Dat was echter niet middels aflossing geschied, maar door een aanzienlijk deel van de stad prijs te geven. Een besluit waartegen overste Mussert hartgrondig protesteerde, maar dat blijk van werkelijke trouw aan de Nederlandse zaak van de overste wordt zelden in literatuur genoemd. Mussert werd te verstaan gegeven dat operationeel gezien Dordrecht onder de C-LD viel en niet (langer) onder de kantonnementscommandant. Maar Mussert had in feite volkomen gelijk en dat zou blijken.

Van een grootscheepse zuivering van de stadsdelen rond het station kwam evident niets terecht. De Nederlanders moesten immers opeens weer offensief opereren, en dat vroeg tactisch gogme en vooral massale inzet van troepen en middelen. Slechts kleine formaties geleid door daadkrachtige officieren slaagden erin tot dicht aan het spoor te geraken. Daar waren overigens hier en daar nog Nederlandse steunpunten, bezet door militairen die van terugtrekking de vorige dag niets hadden meegekregen. Duitse sluipschutters en reeds bezetten huizenblokken vormden echter vervaarlijke tegenstanders. Lokaal kwam het tot intensieve straatgevechten, waarbij het gros der vooruit gestuurde Nederlandse verbanden spoedig terugtrok naar de binnenring van de stad. Ondertussen werd de binnenstad achter de gracht – die de oude stad van het jongere gedeelte scheidde – versterkt. Bruggen werden gebarricadeerd, versperringen opgeworpen en provisorische afweerposities gebouwd achter de bruggen. Er werd gebruik gemaakt van stukken PAG en enkele 7-veld vuurmondenvan het KRA. Zware mitrailleurs werden ook opgesteld. Terwijl in de voorstad werd gevochten tussen geïsoleerde groepen soldaten, trok de eerder langs de Zeedijk opererende Duitse tankcompagnie vanuit Dubbeldam de stad binnen. Eerst werden enkele lichte tanks de stad ingestuurd om verkenningen te plegen, maar die werden door goed opgestelde stukken PAG spoedig uitgeschakeld. Daarna werden Pz.III’s en enige Pz.IV’s vooruit gestuurd. Eerst denderden die vervaarlijke tanks, met respectievelijk een 3.7 cm en 7.5 cm kanon als hoofdwapen, langs het station en smoorden daar het laatste Nederlandse verzet. Vervolgens reden enkele tanks enkele dwarsstraten richting oude stad in. Bij diverse bruggen kwam het tot confrontaties met deze tanks, waar ondanks Nederlandse verliezen echter geen overgang kon worden geforceerd. Toen kwamen tenminste twee tanks bij de Vriesebrug uit. De eerste tank werd spoedig geraakt door een stuk 7-veld dat in de Vriesestraat stond opgesteld, maar een volgende Pz.III schoot de 7-veld met twee schoten buiten werking. Een stuk PAG werd even later buiten gevecht gesteld, waarna de Pz.III door kon rijden tot op en over de brug. De toegang tot het centrum was bereikt. Onderwijl drongen parachutisten en troepen van I./IR.72 dieper de stad in, waarbij zij ondanks de tankpenetratie nog verliesrijke gevechten moesten leveren met Nederlandse verbanden in het stadsdeel buiten de grachten. Een tweetal Duitse tanks wist echter over de gracht richting centrum te rijden, waar men de Nederlandse defensie volkomen in de flank verraste. De commandant van een sectie PAG – vaandrig Dekker – bewaarde zijn kalmte echter, draaide een van zijn stukken, schoot met de eerste granaat een gat in zijn eigen dekking en vuurde vervolgens op de voorste tank. Die schakelde hij uit, waarna hij op de navolgende tank vuurde. Ook die werd geraakt, maar niet geïmmobiliseerd. Duitse infanteristen sloten vervolgens onder dekking van huizen en de tank pantsers een sleepkabel aan tussen de beide tanks, waarop de combinatie terugtrok. Het betekende de enige Duitse actie noord van de grachten. Zij besloten terug te trekken en hun in de stad uiterst kwetsbare tanks niet langer in te zetten voor een inname van Dordrecht. De tanks trokken zich terug uit de stad en werden vervolgens naar IJsselmonde gedirigeerd, waar een aanzienlijk deel van de divisie al reeds naartoe was verplaatst.

De Duitsers lieten nadien de stad verder met rust. Nederlandse historische verslagen stellen dat de Duitsers erg geschrokken waren van de verliezen in Dordrecht en daarom de actie in de stad niet doorgezet hebben. Dat is echter een gekleurde voorstelling van zaken. Doordat de hoofdmacht van de 9e Panzerdivision zich reeds massaal verplaatste naar Rotterdam, vormde Dordrecht geen grote bedreiging meer voor de open corridor naar de Maasstad. De operationele noodzaak de stad in te nemen was niet meer aanwezig. Zinloze offers van kostbare tanks werden daarom vermeden. Bovendien was glashelder geworden dat de verdediging van Dordrecht geen enkel gevaar meer kon vormen voor de Duitse corridor. Daarentegen was het verzet in de stad taai geweest en hadden talloze militairen getoond dat ze over stalen zenuwen beschikten en moedig weerstand konden bieden.

Ondanks het feit dat de Duitsers zich uit de stad terugtrokken, was de slag door hen gewonnen. De in de ochtend overvallen troepen van de oostelijke aanvalsgroep waren gevangen genomen of van het Eiland gejaagd. De westelijke aanvalsgroep was eveneens gedecimeerd en bovendien helder op de feiten gedrukt door de tankaanval, die tot aan het stadshart was doorgedrongen. Aanleiding voor kolonel Van der Bijl zijn eenheden Dordrecht te laten ontruimen en over te laten steken naar Papendrecht en Sliedrecht. Overste Mussert was woest toen hij van dat besluit vernam en wilde blijven met zijn troepen. Pas na lang aandringen besloot ook de overste met zijn laatste mensen naar de veilige Alblasserwaard over te steken. Gedurende de nacht werden alle geregelde verbanden op het Eiland van Dordrecht noordwaarts geëvacueerd.

De strijd was vier dagen lang hevig geweest, met zware offers maar had uiteindelijk slechts opgeleverd dat generaal Student drie dagen lang grote kopzorgen had moeten hebben om het behoud van de bruggen bij Zwijndrecht en Dordrecht en daardoor grote contingenten van zijn schaarse verbanden aan de sector had moeten binden. De kansen die daardoor elders ontstonden waren door de Nederlanders echter niet uitgebuit.

Moerdijk

Gedurende de vroege uren van de 13e mei was de Groep Kil druk doende samen met de LD een artillerieplan te ontwikkelen voor de grote geplande offensieve actie dwars over het Eiland van Dordrecht. Alle artillerie zou assisteren. 25.AA – dat nog slechts zes werkende traagvurenden vuurmonden had - zou de Moerdijkbruggen met storende vuren zoveel mogelijk voor de Duitsers lastig te overschrijden maken. De batterijen 7-veld van 23.RA zouden bij de aanvallende acties ondersteuning verlenen. Daarom werden voor enkele batterijen nieuwe posities voorbereid. Maar terwijl men daarmee druk doende was kwam het bericht door alle artillerie in te zetten om de Duitse opmars over Moerdijk te stuiten. Het betekende wederom verandering van posities, zodat men pas vlak voor het begin van de ochtendschemering de verkeersbrug onder zwaar vuur kon nemen. Van vernietiging, zoals gehoopt door sommige bevelhebbers, kon geen sprake zijn. De granaten van de zwaarste vuurmonden, de 15 cm stukken van 25.AA, misten daarvoor de kracht. Men kon slechts het oversteken van de bruggen ontmoedigen.

Een ander initiatief om de verkeersbrug te Moerdijk te vernielen werd ondernomen door de Militaire Luchtvaart. De laatste bommenwerper werd daartoe ingezet, geladen met twee 300 kg mijnbommen met vertraagde ontstekers. Geëscorteerd door twee G-1’s vertrokken de moedige bemanningen naar het hol van de leeuw, want dat was het vlieggebied bezuiden de Maas. Zij slaagden erin tegen 0600 uur om de brug ongezien te bereiken. Afgesproken was, mede wegens de slecht werkende bommenrichter in de T-V, dat twee aanvalsruns zouden worden uitgevoerd, en telkens één bom afgeworpen zou worden. De eerste run was niet succesvol, want de bom viel ruim naast de brug. Boven Noord-Brabant werd omgekeerd, waarbij de nieuwe aanvalsrun lager werd ingezet en de bom werkelijk een brugpijler schampte, maar niet detoneerde. Kennelijk was de ontsteker niet geïnitieerd door het eerste trefmoment. Op de terugweg werd de laatste T-V bommenwerper, samen met een G-1, neergeschoten bij Ridderkerk. Alle bemanningsleden van de beide toestellen kwamen daarbij om.

Een laatste redmiddel was een oud Nederlands wapen: water. Zoals kapitein Calmeijer ondubbelzinnig aan het AHK meldde, zou men de Duitsers ‘verzuipen’. Met artillerie wilde men het al eerder beschoten gemaal – nu met sluisje – in de Beerpolder tegenover De Wacht kapot schieten, zodat het land zou onderlopen. Er werden diverse treffers geplaatst, maar de lichte granaten konden het niet vernielen. Men probeerde ook nog over land vanuit het bruggenhoofd Wieldrecht het sluisje te bereiken en te vernielen. Dat lukte niet. Het had ook weinig uitgemaakt. De schade zou zodanig zijn geweest dat het dagen zou hebben geduurd voordat enig effect zou zijn gesorteerd, waarmee slechts de inwoners van het Eiland zouden zijn getroffen.  

Duitse artillerie en tanks arriveerden al vanaf de nachtelijke uren op het Eiland. Tanks namen met hun boordwapens diverse doelen in de Hoekse Waard onder vuur, nadien geassisteerd door een 10,5 cm batterij en wellicht ook nog een 15 cm batterij. Zo werd de Nederlandse artillerie bestreden in de Waard, vuur uitgebracht op de nog immer vurende rivierkazemat aan de overzijde van de Kil tegenover de Moerdijkbrug en de watertorens beschoten bij De Wacht en ’s Gravendeel. Een groot Duits luchtbombardement werd eveneens uitgevoerd, waarbij schade aan de huizen in de Waard groter was dan aan de militaire posities. Slechts één 7-veld vuurmond kreeg een voltreffer, maar wederom waren de militaire verliezen minimaal. Na een meer dan een uur durende luchtaanval vuurde even later de Nederlandse artillerie er weer lustig op los.

In de middag kwam het bevel om de sector Strijen betreffende de artillerie te ontruimen. Men zou nieuwe opstellingen krijgen, die verder van de sterke vijandelijke corridor aflagen. Uiteindelijk zouden de nieuwe bevelen worden ingehaald door de besluiten om de gehele Groep Kil westelijk van het Spui terug te nemen.

Noord-Brabant

De 13e mei bracht in Noord-Brabant uiteraard als belangrijkste zaak dat de hoofdmacht van 9.PD al in belangrijke mate in de eerste uren van die nieuwe dag aansluiting vond bij Moerdijk. Desondanks was dat niet moeiteloos gegaan en werden ook nog aanzienlijke delen van 9.PD en andere onderdelen door lokale gevechten, vernielingen en versperringen opgehouden. Enkele van die gebeurtenissen worden nader bekeken.

De SS Leibstandarte Adolf Hitler was vanuit het centrum van de Duitse operatie in Nederland overgebracht naar de linkerflank. Dat was conform de vooroorlogse afspraken. Het SS regiment werkte zich door de Langstraat naar Moerdijk, maar kwam bij Geertruidenberg in aanraking met Nederlandse troepen. Enige huzaren en een pluriforme kleine strijdmacht, waarin aanzienlijk wat vluchtelingen van elders in Brabant, verdedigden de nog immer niet vernielde brug bij Keizersveer. Bovendien was bij de Elektriciteitscentrale een detachement van twee secties infanterie van 3.GB, dat die centrale moest beveiligen.

De sector had de voorgaande dagen al een aantal keer aanvallen van de Luftwaffe te voortduren gekregen, maar zonder al te grote gevolgen. Toen de Leibstandarte echter voorbij kwam, veranderde de zaak. De brug bij (het) Keizersveer lag ten noordoosten van Geertruidenberg. De weg van de burg naar het zuiden liep langs Geertruidenberg en Oosterhout naar Breda. Vanuit het oosten werd die weg gekruist door de meest noordelijke route van 9.PD en de SS Leibstandarte. De laatste formatie had zojuist het Wilhelminakanaal overgestoken ter hoogte van Raamsdonksveer, toen een vuuroverval plaatsvond. Dat geschiedde door verkennende huzaren, die ondersteund door twee eigen stukken PAG een verkenning pleegden om contact met de Fransen te krijgen, en zodoende voordien bij Keizersveer over de brug waren gekomen. Het was een domme actie van de Nederlanders om het vuur te openen, omdat de overmacht enorm was. Want naast de colonne van 9.PD die aldaar zich over de brug wurmde, stond een deel van de gemotoriseerde Leibstandarte aan de zijkant van de weg. Direct werd door de Duitsers tegenactie ondernomen. Het was 15./SSLAH [Kradschützen, voorzien van 3 lichte mortieren, 2 zware mitrailleurs en 9 lichte mitrailleurs], ondersteund door 16./SSLAH [4 stukken 7,5 cm le IG infanterigeschut] en een batterij van 10./SSAR [4 vuurmonden 10,5 cm leFH.18]. Zij trokken langs de oostzijde van Geertruidenberg direct naar de brug.

Bij Keizersveer was een brugdetachement aanwezig, van een veelomvattend pluimage aan militairen. Het oorspronkelijke detachement was samengesteld uit troepen van IR.6 en telde 56 man. Het had voor de bediening van de beide kanonnen van 5 in de brugkazematten een groep politietroepen van 16 man en 8 man van 6.GB voor de bediening van de beide zware mitrailleurs. De politietroepen waren ook verantwoordelijk voor de eventuele vernieling van de brug en het sluiten van de versperringshekken. Naast twee rivierkazematten, met elk naast een kanon van 5 een zware mitrailleur, bestond de gehele positie uit aarden loopgraven. Aan de zuidzijde was daarvoor een simpele draadversperring geplaatst. Een voordeel voor de verdedigers was een nagenoeg open schootsveld. Het detachement was versterkt tijdens de meidagen. Niet alleen waren er nog enige militairen van de Peeldivisie en van het 3.GB detachement Geertruidenberg aangesloten, maar bovendien een eskadron huzaren [6-2.RH] met enige stukken PAG.

Tegen 1400 uur naderde een eerste formatie Duitsers. Enkele motoren en (tenminste) één vrachtwagen. Het stuk van 4,7 cm in de zuidelijke kazemat opende het vuur, waarop de Duitsers omkeerden en buiten schootsveld reden. Enige tijd nadien werden Duitsers in het grasveld gezien tegenover de positie. Onder sterke vuursteun van infanteriegeschut – en mogelijk de batterij artillerie – tirailleerden de SS mannen voorwaarts. Zij waren nauwelijks waar te nemen, omdat zij heel goed van de structuren van het terrein gebruik maakten. De eerste offensieve actie werd echter afgewezen, waarna de Duitse artillerie de positie begon te beschieten. Dikke stof en rookwolken hingen om de zuidelijke Maasoever, waarop rond 1800 uur een tweede Duitse actie volgde, die wel succes had. De Nederlandse wapens hadden zwaar geleden onder het intensieve gebruik en vermoedelijk de dikke stofwolken van de opgeworpen droge aarde en zand. Het bevel werd gegeven over de brug terug te trekken, wat wegens de beschermende werking van de pantserdeuren niet eens zo’n hachelijke onderneming was. Nadat alle manschappen terug waren getrokken werd de brug opgeblazen. Het was toen circa 2030 uur. Aan Nederlandse kant was een burgerchauffeur omgekomen, een militair van 29.RI (Peeldivisie) en twee huzaren. Aan Duitse kant meldt de officiële gevallenenlijst van SSLAH geen slachtoffers. Een Duits rapport van de eenheid meldde vier gewonden.

Met Franse eenheden werd in geheel West-Brabant contact verkregen door de voorste Duitse eenheden. Daarbij werden enkele lokale schermutselingen uitgevochten. Voornamer is het om kort het Franse dispositief te bekijken. Dat was constant in beweging. De Fransen liepen in België zwaar achter de feiten aan. In het hart van de verdediging in België woedde inmiddels een veldslag tussen twee Duitse en twee Franse tankdivisies in de sector die bekend stond als het gat van Gembloux. Dat was de centrale sector van de Belgische hoofdverdediging, die niet op een natuurlijke barrière kon leunen, maar waar middels betonnering een versperring was opgeworpen waarachter de defensie gevoerd zou worden. De Fransen hadden daarheen twee DLM’s gedirigeerd, die voor de hoofdverdediging dat gat moesten dekken ter beveiliging van de aankomst van de Franse en Britse hoofdmacht in de hoofdstelling. Reeds op 12 mei kwam het tot intensief gevechtscontact met de 4e Panzerdivision, die op de 13e assistentie van de 3e Panzerdivision kreeg. De Fransen leden zware verliezen, overigens net als de Duitse divisies. De Franse legerleiding maakte uit de tankslag in het centrum op dat inderdaad de Duitse hoofdstoot een moderne versie van het WOI aanvalsplan van de Duitsers toonde. De Franse legerleiding dacht in die zin de Duitse bedoelingen juist gelezen te hebben, maar waren anderszins ongerust over de Duitse progressie. Het noorden leek te worden onthoofd. Dat was al aanleiding geweest om het plan Dyle-Breda op 12 mei formeel los te laten, maar in de avond van de 12e voorzag men dat zelfs het plan Dyle-Schelde – dat erop zag de oevers van de (Wester)Schelde veilig te stellen voor Duitse bedreiging van Antwerpen – onder druk kwam te staan. Zodoende vreesde de Franse legerleiding voor het behoud van het 7e Leger, en instrueerde dat leger vervolgens zich vertragend op Antwerpen terug te trekken. Zelfs West-Brabant zou dus niet hardnekkig worden verdedigd en Zeeland – lees: Walcheren, Zuid-Beveland en Zeeuws-Vlaanderen – slechts zolang er zich Franse troepen noord van Antwerpen bevonden. 

In Nederland was op 12 mei nog door de Fransen de instructie aan de burgemeester van Breda gegeven om de gehele stad te evacueren omdat deze hardnekkig verdedigd zou worden. Van dat plan werd op de 13e al weer afgeweken, hoewel de evacuatie al op gang was gekomen. Er zou nog slechts sprake zijn van vertragende verdediging rondom Breda, om zodoende de hoofdmacht georganiseerd te kunnen terugnemen op Antwerpen. De troepen van het 1e Franse Legerkorps zouden Noord-west België, West-Brabant en Zeeland verdedigen tot dat het 7e Leger zich op Antwerpen (en nadien zuidelijker) had kunnen terugtrekken. Zodoende kregen 25.DIM [licht gemotoriseerde infanteriedivisie] en de Groupe Beauchesne [bestaande uit drie verkenningsafdelingen, totaal de waarde van een versterkt bataljon, maar al sinds 11 mei ontdaan van het aangesloten tankeskadron] de hoofdtaak om de sector West-Brabant te verdedigen. Het riviertje Mark [Dintel] werd de noordelijke sectorgrens, de lijn Geertruidenberg – Breda de oostelijke sectorgrens. Langs de Mark werd een regiment van 25.DIM geplaatst, dat zuidelijk aan weerszijde van de grens werd aangeleund door een tweede regiment van die divisie. De Group Beauchesne kreeg als taak het noordoosten te dekken. Onduidelijk bij dit laatste is of de Groupe in werkelijkheid wel de taak kreeg opgedragen die zij in de annalen krijgt toegewezen. Ze moest namelijk de sector Geertruidenberg – Breda ook afsluiten, ter voorkoming van het noordelijk omvatten van de verdediging door Duitse formaties. De Groupe deed echter niet eens een poging aan die opdracht te voldoen. Zodoende bleef de sector geheel ontbloot van Franse eenheden, wat de 9e Panzerdivision, zoals bekend, de gelegenheid bood ongehinderd ten noorden van Breda naar Moerdijk te rijden. Het was echter totaal niet in Frans belang de Duitsers boven Breda tegen te houden, omdat het een zware aanval zou kunnen uitlokken in zuidwestwaartse richting. Dat zou catastrofaal kunnen zijn voor het 7e Leger, dat dan in haar hart getroffen zou worden, terwijl haar sterkste eenheid, 1.DLM, zich in hoofdzaak nog in het gebied onder Tilburg en Breda bevond. Het is dus bepaald niet uit te sluiten dat de Franse generaal Giraud ‘stiekem’ opdracht had gegeven de Duitse tanks een open corridor te bieden richting Moerdijk. Een theorie die door de geschiedenisboekjes niet wordt gedekt, maar die wel zeer voor de hand ligt.

Aan Duitse kant ontwikkelde zich in de ochtend van de 13e mei een brede opmars. In de noordelijke sector van het front in Brabant trok de 9e Panzerdivision over twee routes stormachtig voorwaarts. Achter haar kwam de SS Leibstandarte – een gemotoriseerd versterkt regiment – eveneens via de Langstraat richting Moerdijk. Zuidelijker had de SS-Verfügungsdivision – bestaande uit twee grote regimenten SS troepen met divisietroepen uit de bewapende SS organisatie – de leiding genomen. Zij werd geflankeerd door de meest rechtse formatie van het 6e Leger, de 56e Infanteriedivision, dat op haar beurt door de 30e Infanteriedivision werd aangeleund. De 56e trok richting Turnhout in de avond van de 12e en de 30e ID over Lommel richting de Belgische Kempen. Achter de voorste gelederen van het XXVI.AK trokken vier infanteriedivisies mee. In tweede lijn 254.ID en 256.ID en daarachter de 208.ID en 225.ID, die beiden legerkorpsreserves waren. Zo vormde zich dus een brede en diepe Duitse aanvalsgolf, die in wezen in het noorden het sterkste was met twee gemotoriseerde eenheden als 9.PD en SS-VT. Zoals bekend waren de Duitse voorste eenheden al in staat via de Langstraat en het noorden van de provincie contact te maken met Moerdijk in de avond van 12 mei. Zuidelijker lag men echter rond diezelfde tijd nog oost van Tilburg. Er was dus een diagonaal getrokken met een flinke verspringing oostwaarts. Op 13 mei zou die diagonaal worden gecorrigeerd tot een rechte lijn zuidwaarts. Daarbij werden de Duitsers geholpen door de Franse ontruiming van de sector Tilburg / Breda.

In de vroege ochtend van 13 mei werd de Franse hoofdmacht dus naar het westen verplaatst. Slechts het uiterste westen van Brabant behoorde toen nog tot gebied dat hardnekkig verdedigd zou worden. Kolonel de Beauchesne moest met zijn verkenningsafdelingen en enkele kleine onderdelen van 25.DIM een voorverdediging vormen om de grote terugtocht af te schermen. Slechts een van zijn verkenningsafdelingen moest het noordelijke front in haar eentje dekken. Dat betekende dat de gehele sector tussen de Mark en de weg Breda – Roosendaal nog slechts door een paar honderd Fransen werd verdedigd. Daarbij werden bovendien de drie compagnieën van 6.GB, die daar nog plichtsgetrouw aan het riviertje en een sector daarachter lagen, niet eens ingeschakeld, laat staan geïnformeerd. Van een verdediging noord van Breda was in het geheel geen sprake meer.

Bijzonder te vermelden was een geval waarbij een Franse eenheid zeer hardnekkig vasthield aan haar positie, wat zelden voorkwam in Nederland tijdens de meidagen. Dat was bij een riviertje onder Breda. In de omgeving Ginneken lag het 3e bataljon van 38.RI [25.DIM] aangeleund door een compagnie van 121.RI [25.DIM], die gezamenlijk posities westelijk van de rivier Mark [Dintel] innamen. Omdat de rivier noordwestelijk van Breda ineens een pal zuidelijke afbuiging maakte, kon het zo zijn dat er ten zuiden van Breda Fransen achter het riviertje lagen. Al in de late avond van 12 mei ontstonden gevechten tussen de Fransen en Duitse militairen van het 1e bataljon van SR.11 [gemotoriseerde infanterie regiment], die onderdeel vormden van de Gruppe Sponeck van 9.PD. Daarbij waren ook tanks van II./PR.33 aangesloten, alsmede een verkenningsafdeling [Gruppe Bentele] en ondersteunende eenheden. In de ochtend van 13 mei rond 0400 uur ontstond een zwaar gevecht aan het stroompje genaamd de Aa tussen Franse en Duitse pantserwagens, waarbij aan Duitse zijde ook enige tanks betrokken werden. De Fransen gaven flink partij en schakelden onder meer twee pantserwagens uit. De Fransen werden echter spoedig gedwongen op Princenhage terug te trekken, maar deden dit niet zoals elders in een wilde vlucht, maar middels een goed uitgevoerd vertragend gevecht. Een peloton van een middelzware tankcompagnie drong na, maar werd in haar geheel uitgeschakeld. Twee Pz.II en twee Pz.IV raakten door treffers (of storing) buiten gevecht, waarbij een der Pz.IV’s ook een gesneuvelde te betreuren had. Samen met een infanterist van SR.11 de enige aan Duitse kant. Aan Franse zijde vielen twee Panhards uit door treffers en sneuvelden acht militairen. De Fransen moesten voor de overmacht uiteindelijk wijken, maar hadden met waardigheid gevochten. Voor de Duitsers was het echter nog niet voorbij, want een Franse gevechtsgroep was nog in Breda aanwezig en wilde aan de westzijde van de stad uitbreken. Het kwam in aanraking met de Duitsers van SR.11 en werd geheel gevangen genomen. Een kleine Franse formatie pantserwagens was in de stad zelf afgesneden geraakt en had te voet de stad verlaten, waar men gevangen werd genomen vlakbij het Liesbosch. De wagens had men provisorisch vernietigd.

De Duitsers drongen niet na. Althans, niet de troepen van 9.PD die rond Breda bleven liggen, waar de Gruppe Sponeck opdracht had om op de 13e een sterke verdediging te vormen tegen eventuele Franse tegenmaatregelen. Dat gold niet voor de verkenningsafdeling van Major Lüttwitz. Die kreeg bevel de Franse verdediging aan de Mark aan te vallen en het gebied te zuiveren. Daardoor vonden er langs de Mark en de autoweg Breda – Roosendaal enkele kortstondige vuurgevechten plaats tussen de pantserwagens en troepen van Lüttwitz en Franse (en enkele Nederlandse) verdedigers. Daarbij werd met name rond Etten enige tijd flink gevochten, waarbij de Luftwaffe een aanzienlijke ondersteuning bood. Het dorpje Etten werd door enkele bommenwerpers zwaar aangepakt, waarbij de Fransen een aanzienlijke materiële tol betaalden en het dorp rond het centrum zware schade opliep. De SS-VT trok in de avond van de 13e tot aan Rijsbergen op. Daarmee was men volkomen op het snelste operationele schema dat vooroorlogs was voorzien.

Zo hadden de Duitsers op de 13e mei de op 12 mei in de avond nog bestaande diagonale lijn recht getrokken. Zij hadden een stevige basis gecreëerd op de lijn Breda – Moerdijk, waarbij de voorste Duitse formaties zich al in het uiterste westen van Brabant manifesteerden. De Duitse progressie had minimale verliezen gekost, terwijl de Fransen op de vlucht gejaagd leken.

De 13e mei was voor de Duitsers een keerpunt in de noordelijke veldtocht. De slag om Nederland leek beslist, want het was nog slechts een kwestie van tijd voor het Nederlandse leger tot capitulatie was gedwongen. De door de Duitsers verwachtte sterke Frans-Britse vertegenwoordiging in de sector ten noorden van Antwerpen was niet aanwezig gebleken. Breda was bereikt en stevig in handen. Dat was het moment dat het XXVI.AK werd opgesplitst en de meegereisde legerkorpsstaf van XXXIX.AK kon worden geactiveerd. Het XXVI.AK zou verder gaan als een infanteriekorps, met naast de SS-VT divisie, drie infanteriedivisies: 208.ID, 225.ID en 256.ID. XXXIX.AK werd gevormd door 9.PD, 254.ID en SS Leibstandarte, aangevuld met de restanten van de luchtlandingstroepen en parachutisten.   

Balans van een dag oorlog

De 13e mei – de vierde oorlogsdag slechts – was een dag geworden waarin op het Algemeen Hoofdkwartier het kwartje viel omtrent de Duitse strategie. Het was eveneens de dag dat het op datzelfde AHK glashelder werd dat de weerstand tegen de Duitsers aan een zijden draadje hing. Het strategische plaatje was zodanig slecht – mede indachtig het die middag vallen van de Grebbelinie in het centrum van de landsverdediging – dat de Regering in voltalligheid werd geïnstrueerd door de opperbevelhebber om het land spoedig te verlaten. Het volhouden van de landsverdediging werd inmiddels in uren, niet langer in dagen of weken gemeten.

In Den Haag had men voor het Zuidfront volledig op de Fransen vertrouwd en was men volkomen indolent omgegaan met de toestand aan de 'achterdeur'. Men concentreerde zich op het afsluiten van de Duitse navelstreng rond Dordrecht en Waalhaven en liet Moerdijk geheel met rust. Bovendien had men kennelijk op geen enkel moment enig rekenschap gegeven van de dreiging van een snelle aansluiting, die de Duitsers bij Moerdijk over land zouden maken. Talloze berichten uit Brabant dat grote gemotoriseerde formaties zich in de Langstraat snel westwaarts bewogen werden simpelweg weggewuifd als spookverhalen. Bovendien faalde men volledig in de appreciatie van de algemene fronttoestand, met name die ten zuiden van de Nederlandse grens. Winkelman was vooroorlogs nog (terecht) een groot cynicus geweest ten aanzien van Franse hulp, omdat hij de strategische noodzaak van assistentie vanuit Frans perspectief niet inzag. Tijdens de meidagen verloor hij dat cynisme kennelijk volledig en had volkomen op diezelfde Franse assistentie vertrouwd. En niet de OLZ alleen. Ook de lokale bevelhebbers aan het zuidfront waren – vooral op instigatie van de volkomen falenden C-VH – behept met de Franse ziekte. Men dacht in ieder voertuig de Franse bondgenoot te herkennen. In feite had men vier dagen lang op een fopspeen zitten sabbelen en daarmee zich afgekeerd van de essentie op het slagveld. Die essentie was geweest om alle krachten op Moerdijk te concentreren.

Toen Radio Bremen om middernacht – 13 mei 00.00 uur – meldde dat een tankdivisie de Bremen Division [22.Luftlande Division was een divisie uit de Bremen Wehrkreis] in de luchtlandingscorridor bereikt had, had men in Den Haag dezelfde emotie die de Fransen twee dagen later zouden hebben toen ze hoorden dat de Duitsers bij Sedan met sterke tankformaties waren doorgebroken. Men schrok zich een hoedje. Het had echter nauwelijks gevolgen voor de veldcommandanten aan het zuidfront. De C-VH leek in het geheel niet van gedachten te zijn veranderd. Het in de avond van 12 mei aan de LD opgedragen doel tot hernemen van een brede sector over de breedte van het Eiland van Dordrecht werd niet gewijzigd in een plan tot een convergerende aanval op Moerdijk. Er werd ook geen grotere spoed achter de maatregelen gezet. Het enige tastbare dat de Duitse aankomst bij Moerdijk opleverde, waren de instructies aan de artillerie en ML tot beschieting en mogelijk vernietiging van de verkeersbrug bij Moerdijk en de opbouw van een nieuwe provisorische pantserafweerlinie tussen Den Haag en Leiden om een mogelijke Duitse doorbraak bij Rotterdam te kunnen opvangen. De instructie aan de kantonnementscommandant van Rotterdam dat tot het uiterste moest worden standgehouden was een obligaat sluitstuk op de maatregelen die men nam.

De OLZ en zijn chef-staf realiseerden zich echter heel goed dat de zaak uit was, toen de Duitse tanks aan de poort stonden bij Moerdijk. De Regering werd geïnformeerd dat de zaak spoedig beslist zou zijn. Dat werd nog duidelijker toen in de middag helder werd dat de Grebbelinie op het punt stond te worden doorbroken. In de avond van 13 mei, toen men op de hoogte was de van de mislukkingen aan het zuidfront en de evacuatie van het veldleger uit de Grebbelinie, besefte de OLZ dat de fase van stuiptrekkingen was aangebroken.

Aan het zuidfront was de dag catastrofaal verlopen. In de vroege ochtend zou de Lichte Divisie nog met relatief sterke krachten trachten de Duitse corridor te doorbreken, maar werd zij al ruim voor het middaguur volkomen uiteengeslagen door het enige geval van directe tactische samenwerking tussen Luftwaffe en Panzers tijdens de gehele veldtocht in Nederland. Het betekende dat de laatste hoop op het Eiland van Dordrecht voor het middaguur de grond in was geboord en een voornaam deel van de LD ophield te bestaan of haar heil zocht ten noorden van de Merwede. Het resterende deel verzette zich in de middag goed tegen de Duitse tankactie in de binnenstad, maar in de avond realiseerde de C-LD zich dat verder verzet in Dordrecht geen enkel doel meer diende en trok zijn eenheden terug. Schoorvoetend gevolgd door de kantonnementscommandant, die besefte met de terugtrekking zijn commando te verliezen. Dordrecht was uiteindelijk na vier dagen moedige strijd aan de Duitsers gelaten.

Elders was er niet veel beter nieuws. In Rotterdam werd een op papier veelbelovende offensieve actie door slecht lokaal krijgsbeleid een ‘mission impossible’. De moedige en doortastende mariniers werden gevangen tussen twee vuren, terwijl de bevelhebbers van ondersteunende onderdelen om drogredenen geen medewerking verleenden aan de mariniersactie. De commandant van de afdeling mariniers in Rotterdam had zelf hopeloos gefaald in het juist informeren van zijn uitvoerend bevelhebbers en de operatie bijzonder matig voorbereid. Het gevolg was dat de mariniers tijdens de uitvoering tussen twee (vijandelijke) posities in kwamen te zitten en ondanks vasthoudendheid en moed, daarin geen resultaten konden bereiken. Restte de verdediging van Rotterdam slechts om zich schrap te zetten in afwachting van een ongetwijfeld volgend sterk Duits offensief.

Op het Eiland IJsselmonde waren enkele lokale gevechten gevoerd die er op het grote plaatje weinig toe deden. Bij Pernis had men een zwakke Duitse actie tot innemen van de olie installaties van de BPM verijdeld en die installaties vervolgens in brand gestoken met behulp van Britse sappeurs. Nadien had men de positie – begrijpelijk – ontruimd. Bij Barendrecht hadden de Duitsers een tankaanval over de brug uitgevoerd die was afgeslagen, maar merkwaardig genoeg waren het de Nederlanders die wegens paniek en misverstanden alsnog op de loop gingen. Het gevolg zou op papier ernstig zijn, want in de nacht van 13 op 14 mei zou de gehele Groep Kil de oostelijke Hoekse Waard ontruimen, waardoor de Duitse corridor geheel van bedreiging in de flanken werd ontdaan. Op het grote plaatje maakte dat echter niets meer uit.

De Duitsers slaagden er niet alleen in de Nederlanders in Dordrecht, de Hoekse Waard en in het westen van IJsselmonde tot de terugtocht te dwingen, zij waren er tevens in geslaagd om grote delen van de 9e Panzerdivision reeds onder Rotterdam te concentreren. De plannen voor een allesbeslissend offensief werden gevormd in de late avond van 13 mei. In Noord-Brabant waren de Duitsers er in geslaagd de cruciale sector Breda – een scharnierpunt in de Duitse Fall Gelb operatie aan het noordfront – zonder enig probleem volledig onder controle te krijgen en met sterke formaties te bezetten. Zij werden tot hun grote verbazing in het geheel niet gehinderd door Frans verzet, terwijl verkenners meldden dat de sterke 1.DLM, met zijn bijna 200 tanks, onder de grens lag. Desondanks draalde de Duitsers niet. Ze lieten een deel van een tankbataljon ter beveiliging bij Breda liggen en ontplooiden voorts infanteriedivisies ten zuidoosten en westen van de Breda sector. De Luftwaffe bleef buitengewoon actief om de op papier zwakke Duitse noordelijke legerkorpsen onmiddellijk van vernietigingskracht te voorzien, mochten de Fransen het in hun hoofd halen te reageren. Dat deden de Fransen niet, want - zoals symptomatisch voor de Franse legerleiding in mei 1940 - faciliteerden zij de Duitse aanvaller aan alle kanten. In plaats van de (relatief) zwakke opgerekte Duitse verbanden krachtig aan te vallen in de kwetsbare flanken, trok het Franse leger terug. Geen enkele formatie van het 7e Leger zou op enig moment tijdens hun noordelijke ontplooiing een opdracht krijgen tot krachtdadig optreden. Het werd verplaatst zoals de Koning op het schaakbord achter de rokade. En dat speelde de Duitsers volledig in de kaart.

Aan Duitse kant was er ondanks het jolijt over de snelle en positieve ontwikkelingen op het noordfront, ook zorg. Want hoewel de kennis achteraf de geschiedenisboekjes doet schrijven, was aan Duitse kant beslist geen sprake van gerustheid. De grote Duitse strategie was immers om in België beslissend te kunnen toeslaan, door de gepantserde vuist vanuit de Ardennen door Noord-Frankrijk te jagen en daarmee de Belgisch-Franse-Britse legermacht te kunnen uitschakelen. Het was voor het slagen van die strategie niet alleen essentieel dat de Entente niet reeds in een vroeg stadium de opzet van de Duitse strategie zou lezen, maar eveneens zaak dat het Duitse dispositief op alle cruciale fronten sterk genoeg zou zijn en blijven. Aangezien Duitsland, in weerwil van de geschiedschrijving over de betreffende periode, helemaal geen massaal modern leger bezat en bovendien reserves tekort kwam, waren alle gemotoriseerde eenheden hard nodig om het tempo van de opmars hoog te kunnen houden en de oprekkende fronten te kunnen blijven bemannen zonder dat er gapende gaten zouden vallen. In dat kader was met name 9.PD hard nodig om ingezet te kunnen worden als pantserreserve, want die ontbrak geheel. Op 13 mei was er nog geen sprake van een beslissende doorbraak aan de Maas bij Sedan, hoewel de eerste tekenen daarvan wel al vorm kregen. De Duitse legerleiding – chef-staf landmachtstaf Halder in het bijzonder – was er helemaal niet gerust op. Die noodzaak voor het vrijmaken van troepen gecombineerd met de zorg die de Luftwaffe had omtrent de 'gezondheid' van haar nog immer zwaar belaste vliegtuigen, luchtlandingstroepen en parachutisten in het westen van Nederland, zou leiden tot interventies van bovenaf in het Nederlandse theater. Operationele overwegingen lagen ten grondslag aan die interventies en niet – zoals door sommige bekende auteurs gesuggereerd – de taaie weerstand van de Nederlandse weermacht. Het zou betekenen dat er vanuit de Duitse legertop een aantal directieven kwamen die een acute beslissing in Nederland moesten forceren. Het zou zodanige gevolgen hebben voor de Duitse veldtocht in Nederland, dat vandaag de dag de 14e mei 1940 nog steeds prominent in het collectieve geheugen staat gegrift …