Duitse spionage op het zuidfront

Inleiding

Naast het feit dat vooral uitgebreid vanuit de lucht werd verkend en gefotografeerd, was er eveneens aanmerkelijke Duitse activiteit op de grond: zogezegd ‘traditionele spionage’. Dat wordt in dit hoofdstuk beknopt behandeld.

Beknopte geschiedenis van de Abwehr

De Abwehr was de Duitse officiële inlichtingendienst. Ze bestond al sinds 1866, maar kreeg pas echt vorm in de zeventiger jaren van de 19e eeuw naar aanleiding van de, ook na de Pruisisch-Franse oorlog [1870-1871], blijvende spanningen tussen het – toen nog – Pruisen en Frankrijk.

In 1919 werd de dienst als gevolg van de voorbereidingen op het Verdrag van Versailles opgeheven, maar al snel werd ze heropgericht toen bleek dat Duitsland een beperkt leger mocht houden. In 1938 werd de Abwehr een onderdeel van het Oberkommando der Wehrmacht.

De Abwehr was een echte spionagedienst. Het was niet alleen als inlichtingendienst [Abwehr I] actief, maar eveneens als organisatie van waaruit contraspionage [Abwehr III] en subversieve acties [Abwehr II] werden georganiseerd. Zo was de dienst eveneens betrokken bij het inzetten van geheim agenten, opzetten van spionage- en sabotagecellen en geheime commando acties.

De Abwehr was decentraal georganiseerd. Zij werkte met regio afdelingen die elk verantwoordelijk waren voor hun eigen activiteiten. Dat gold zelfs voor buitenlandse activiteiten. Het Duitse Rijk was in 1938 opgedeeld in Kreisen [of Wehrkriesen], ofwel regio’s. In 1939 kende men vijftien van die Kreisen. In al die Kreisen was een Abwehrstelle gevestigd. Zij rapporteerden aan het centrale ambt in Berlijn. Iedere Abwehrstelle had weer satellieten [Nebenstellen] in andere steden, en bovendien waren er lokale kantoren actief die als Meldeköpfer werden aangeduid. Soms was dit slechts een man, meestal een kleine aantal functionarissen. Het gros van de in Nederland ontwikkelde Abwehr activiteiten werd door de Abwehrstellen Hamburg en Bremen georganiseerd, maar andere Stellen waren ook betrokken. De genoemde twee Stellen hadden echter alleen al dertig vaste agenten die werkzaam waren in ons land. Het toont aan dat in werkelijkheid – en de incidentele medewerkers niet meegerekend – vele tientallen Abwehr agenten in ons land actief moeten zijn geweest. Het bijzondere is dat deze Stellen volkomen onafhankelijk waren. Dat was niet altijd efficient, maar het voordeel was wel dat men daardoor niet snel als gehele organisatie door de mand kon vallen.

De Abwehr [Amt Ausland, onder Abwehr I] had ook bijvoorbeeld een hoofdrol in de organisatie die algemeen bekend zou worden als ‘Die Brandenburger’,  maar die onder de vleugels van de Wehrmacht zou opereren. Deze eenheid – die gedurende de oorlog nog enorm zou groeien en uiteindelijk zelfs een Panzergrenadier-Division zou worden – ontstond oorspronkelijk puur voor inzet als commando eenheid waarbij onoirbare praktijken [ofwel: praktijken in strijd met het oorlogsrecht] leidend zouden zijn. Het was een verzameling specialisten die bijeen was gebracht uit Duitsers maar vooral ook uit individuën uit de landen die men op het oog had aan te vallen. In dat verband werd in Nederland het ‘Kommando 800’ of ‘Lehrverband z.b.V. Brandenburger’ het meest bekend, omdat zij prominente rollen speelden bij de heimelijke verovering [of pogingen daartoe] van de bruggen over de Maas en het Maas-Waalkanaal.

De Abwehr was een bijzondere organisatie om meer dan een reden. Naast het feit dat de organisatie – in tegenstelling tot andere organisaties tijdens het nazibewind – grote vrijheden genoot, ondernam zij ook acties die in feite tegen instructies van de Führer ingingen. Zo waren er diverse ondernemingen in Engeland en de VS gaande die beter niet bekend hadden kunnen zijn bij Adolf Hitler. Deze had namelijk voor september 1939 de grote angst de Engelsen munitie te geven hem te wantrouwen. Daarnaast herbergde de Abwehr opvallend veel niet-nazi’s. De grote baas, Admiral Canaris, en diverse van zijn directe ondergeschikten, waren alles behalve fanatieke nazi’s. Toch konden zij van zuivering blijven gevrijwaard, en alleen maar omdat de dienst het voor elkaar kreeg ook in eigen land heimelijk te opereren. Uiteindelijk echter legden vrijwel alle kopstukken het loodje. Vanaf 1943 was de Gestapo actief in het zuiveren van de dienst, nadat achterdocht in harde bewijzen was omgezet. Diverse kopstukken, inclusief Canaris en Oster, zouden de oorlog niet overleven en worden geëxecuteerd als landverraders.

Het Duitse contact van de Nederlandse militaire attachee in Berlijn – de majoor Sas – was ook een Abwehr man, en wel de commandant van het ‘Abteilung Z’ [de centrale stafdienst van de Abwehr] Oberst Oster. Bizar genoeg was de man die Nederland [en België] voorzag van informatie omtrent geplande Duitse invasiedatums tegelijk de medeverantwoordelijke voor de ‘Brandenburger’.

De Abwehr had echter niet het alleenrecht op inlichtingen en spionagediensten. Zo waren voor politieke en sommige andere gevoelige zaken de dossiers in handen van de SD, de Sicherheitsdienst. Hoewel de Abwehr wel de best geoutillieerde organisatie had, organiseerden de Luftwaffe, Wehrmacht en SS ook eigen inlichtingdiensten, waarbij dit met name binnen de SS ook een binnenlandse politieke betekenis had, of liever gezegd; een kwestie was van machtstrijd. Het probleem dat door deze concurrentie al voor de oorlog ontstond was dat de diensten verre van optimaal samenwerkten. Het mooiste voorbeeld daarvan – gerelateerd aan Nederland – was wel dat de Abwehr kennis droeg van het bestaan van het geheime vliegveld Ruigenhoek, maar dat de Luftwaffe deze kennis in de meidagen nooit bleek te hebben gekregen.


Spionage in Nederland

In Nederland waren veel spionagediensten actief, ook niet-Duitse. Dat was deels een gevolg van de neutraliteitsstatus tijdens WOI, maar ook omdat Nederland met haar vrij open maatschappij een toegankelijk land was voor spionagediensten. Vanzelfsprekend wordt in deze beschouwing geconcentreerd op de Duitse activiteiten.

De Abwehr speelde in Nederland ook haar rol, maar ze was bepaald niet de enige. Naast het feit dat diverse V-männer – inlichtingenmannen – werden ingezet werden ook diverse ‘Spielen’ opgezet. Het bekendste was wellicht het ‘Spiel’ dat leidde tot het Venlo incident, maar juist dit was een opzetje van de SD. Er werden echter veel meer acties opgezet, waarbij de op een-na-bekendste wellicht de uniformsmokkel [agent Gerken] is. Deze kwam deels uit, en leidde tot een grote diplomatieke rel. Daarnaast zou het leiden tot extra waakzaamheid bij de Nederlandse grenseenheden.

Naast het feit dat de Abwehr actief agenten inzette, probeerden zij ook te ronselen. Zo werden diverse Nederlanders succesvol benaderd voor de Abwehr te werken en inlichtingen te leveren. Ook een aanzienlijk aantal in Nederland wonende Duitsers werd geronseld, of bood zichzelf aan. Een sprekend voorbeeld daarvan volgt in het volgende hoofdstuk. Uit documentatie van de Grenzpolizei kon naoorlogs worden opgemaakt dat tenminste 69 grensoverschrijdende agenten in ons land werkzaam waren. Overigens waren hiervan maar liefst 46 oorspronkelijk of genaturaliseerd Nederlander. De agenten waren geregistreerd bij de grenswacht omwille van het voorkomen van in- en uitreisstempelsin hun reisdocumenten. Die stempels zouden immers duiden op grensoverschrijdingen die uit hoofde van de schuilmantels waaronder men opereerde lang niet altijd uit te leggen zouden zijn.

De Duitse spionage activiteiten op de grond zijn vermoedelijk maar voor een zeer beperkt deel bekend. Dat is logisch, en een evident gevolg van de aard van deze tak van sport. Ook was een aanzienlijk deel slechts te verbinden met contraspionage jegens niet-Nederlandse inlichtingendiensten die ook in Nederland opereerden. Desondanks zijn enkele markante gevallen bekend geworden die zuiver en alleen op ons land waren gericht.

Daarnaast is het zaak te onderkennen dat er talrijke geruchten bestaan omtrent de reikwijdte en mate van activiteit van de Duitse inlichtingendiensten. In Nederland werd bijvoorbeeld in 1988 door de schrijver Loek Elfferich [‘Rotterdam werd verraden’] een wel heel bijzondere theorie geponeerd over de Duitse luchtlandingsactie in Rotterdam. De schrijver van dit werk zag vele complotten en illegale voorbereidingen in het Rotterdamse, waarbij een groot netwerk aan collaborateurs, V-männer en Duitse burgers allerlei hand- en spandiensten verricht zouden hebben om de Duitse troepen te faciliteren en van zware wapens te voorzien. Hoewel in sommige gevallen een redelijk geloofwaardige context werd geschapen, lijken bewijzen voor deze verregaande betrokkenheid van niet-reguliere Duitse troepen vrijwel volledig te ontbreken*. Dat laat niet onverlet dat de theorie van Elfferich ook niet zomaar naar het land der fabelen kan worden verwezen. Het toont eens te meer aan hoe complex een betrouwbaar beeld kan worden gegeven van de daadwerkelijke betrokkenheid van de Duitse inlichtingen- en spionagediensten.

* Er is wel bewijs van een sabotage actie die door de Abwehr is voorbereid in de haven van Rotterdam. Enkele Nederlanders waren erin geslaagd explosieven naar de haven te smokkelen om daarmee na de invasie Engelse schepen in de haven te vernielen. Deze actie had overigens geen succes, hoewel de explosieven wel succesvol in de haven zijn opgeslagen geweest.

Vijde Colonne

Daarnaast is er uiteraard de kwestie van de Vijfde Colonne. Dit [qua bekendheid] uit de Spaanse Burgeroorlog stammende fenomeen van een ‘ghost enemy’ – een plotseling opduikende vijand – zou in de meidagen in Nederland, België en Frankrijk tot enorme paniek en spanning leiden. Feit is dat het gros van de Vijfde Colonne meldingen en ‘constateringen’ geen enkele grond bleek te hebben, en simpelweg als feitelijk geval van bewust of vooropgezet verraad of subversieve actie naar het land der fabelen kan worden verwezen.

Het fenomeen van Vijfde Colonne is in haar aard sterk verbonden met de inzet door de Duitsers van V-männer en de eventuele aanwending van NSB’ers als actieve assistentie. Overigens wel in dier voege, dat het gerelateerd is aan activiteiten tijdens de strijd; niet ervoor. Het is onderzoekers tot op heden volmaakt onduidelijk in welke mate deze V-männer daadwerkelijk zijn ingezet. Op basis van een tijdens de meidagen gevonden V-mann registratiekaart met daarop een registratienummer is men tot op heden uitgegaan van de inzet van tenminste 50 V-männer. Echter, de enige aanwijzing is die registratiekaart, en dat is bijzonder dunnetjes, zeker daar men de opzet van het registratiesysteem onvoldoende kende. En wellicht was de kaart zelf wel een opzetje … Onduidelijkheid dus.

Aan het zuidfront zouden tijdens de strijd enkele gevallen van vermeende Vijfde Colonne activiteit zijn waargenomen, en in Dordrecht werden zelfs twee jongens met een NSB achtergrond geëxecuteerd wegens vermeend subversief handelen tegen de Nederlandse Staat. Het gebeuren rond de kantonnementscommandant van Dordrecht, overste Mussert – broer van Anton Mussert, is uiteraard het meest prominente geval van vermeend subversief handelen. Zelfs binnen heel Nederland. Het zijn echter onbewijsbare zaken, en bovendien hebben ze met de voorbereidingen voor het offensief helemaal niets van doen. Althans, daarvoor is niet de geringste aanwijzing.

Daadwerkelijk spionage zuidfront

Het staat vast dat er spionage activiteiten zijn ontplooid aan het zuidfront. Enkele gevallen zijn bewijsbaar en deze zullen worden behandeld. De lezer bedenke dat dit vrijwel zeker geen volwaardige en volledige opsomming is. Slechts dat wat gedocumenteerd bekend is wordt hier gemeld.

Een bijzondere rol speelde een gepensioneerde spion in Nederland. In 1938 was oud marineofficier Protze op verzoek van Canaris zelf naar ons land gestuurd, en had zich in Wassenaar gevestigd. Hij opereerde onder de schuilnaam Paarmann, en had een dekkingsmantel in de vorm van een middenkaderfunctie bij het Deutsche Verkehrsbüro* in Amsterdam. Protze rapporteerde direct aan Berlijn, en was vooral actief in de contraspionage, waarbij hij succesvol gebruik maakte van enkele Nederlandse agenten. Voor het zuidfront waren zijn activiteiten op zich niet boeiend, maar wel het vermelden waard als algemene kennis.

* Het Deutsche Verkehrbüro was een organisatie die allerhande aan het verkeer gerelateerde activiteiten ontplooide, waaronder het afgeven van rijbewijzen, voorzien van verkeerskaarten, organiseren van reizen, verzekeringen, agentschappen voor de Lufthansa, Deutsche Bahn, etc.

Veel spionage activiteiten werden vanuit de Duitse ambassade in Den Haag ontwikkeld. Allerhande verkenningen werden verricht, en inlichtingen werden via slinks opgezette netwerken verzameld. Ambassade personeel zelf maakte ook veldverkenningen. Dat gebeurde in de regel onder het mom van economische motieven, zoals het bezoeken van de opzienbarende waterwerken [Afsluitdijk], veelbelovende commerciële vliegroutes [Schiphol, Waalhaven], bollenvelden [vliegvelden] en de industrie in Brabant [Moerdijk, Peel-Raamstelling]. De militair attache zelf [Oberstleutnant von Papenheim] wordt nauwelijks genoemd, maar de plaatsvervangend attache Oberstleutnant Otzen, de luchtmacht attache Generalleutnant Wenninger, attache-inlichtingen Oberstleutnant Schulze-Bernett en het hoofd van de (politieke) Reichdeutsche Gemeinschaft Butting worden regelmatig met spionage activiteiten in verband gebracht.  Ook liet de ambassade vaak economische gezantschappen heen en weer reizen tussen Nederland en Duitsland. Deze zakenlieden waren zeer geinteresseerd in onze zware industrie, en zodoende kwam allerhande informatie in Duitse handen.

Oberstleutnant Schulze-Bernett was in eerste aanleg vooral actief in de contraspionage, en concentreerde zich daardoor vooral op Franse en Britse inlichtingendiensten die (ook) actief waren in ons land. Echter, in 1939 ging hij samenwerken met Butting en gaf deze opdracht zijn politieke relaties [Butting was de pion van de NSDAP in Nederland, met o.m. als doel Duitsers tot repatriëring te bewegen en de Nederlandse nationaal-socialisten te beschouwen] uit te buiten inlichtingen over het Nederlandse leger in te winnen. De vrij algemeen bekende ronseling van Duitse dienstmeisjes voor de nazizaak was een van Buttings verdiensten. Butting was een van de grote spinnen in het Duitse spionageweb, en had na verloop van tijd vele tientallen spionnen rondlopen die hem een allegaartje aan informatie aanboden. Deze informatie werd gecodeerd en – via tussenpersonen – naar Duitsland verstuurd. Enkele brieven zijn door de GS-III – de Nederlandse inlichtingendienst – al voor de oorlog onderschept. Daardoor was al vroeg bekend dat veel spionage van onze militaire en economische objecten werd verricht*. Bovendien leidde het tot een diplomatiek schandaal. Butting werd uitgezet. Maar het kwaad was allang geschied.

* Geen wonder dan ook dat mede hierdoor GS-III - de Nederlandse inlichtingendienst - bij de OLZ aandrong op de instelling van de Staat van Beleg. Het Kabinet was op de hoogte van de spionage. Des te meer is de beslissing van de Regering de Staat van Beleg niet af te kondigen te betreuren en te veroordelen.

Oberstleutnant Otzen was vooral actief als coördinator van agenten en bij het in kaart brengen van de Nederlandse troepen, stellingen en voorbereidingen. Hij had in 1940 vooral veel aandacht voor de kwesties die van belang waren voor de luchtlandingsoperaties bij Den Haag en Rotterdam / Zuid-front Vesting Holland. Zijn – en Butting’s – bijdrage waren aanzienlijk. Zo organiseerde Otzen vooral alle gegevens rondom routes, adressen en bijzonderheden inzake Koninklijk Huis, hoge militairen, regeringsfunctionarissen en staven. Ook bracht Otzen tenminste een bezoek aan de Moerdijkbruggen, onder het motto van een werkbezoek in Noord-Brabant. Hij maakte uitvoerig rapport over de waargenomen bijzonderheden en beveiligingen. Aangezien het gros van de Nederlandse maatregelen langs en op de openbare weg plaatsvond, was een vrij nauwkeurige indruk te geven van de weerstandkwaliteiten en schietgatspecificaties [i.v.m. schootsrichtingen] van de stellingen rondom het bruggenhoofd Moerdijk.

De Wehrmacht was ook actief in de toekomstige operatiegebieden, hoewel zij zich specifiek richten op de linies en de eigenaardigheden van het terrein rondom die gebieden. In de periode 23-26 februari 1940 werd een tweetal legerofficieren [Hauptmann der Generalstab Kriebel en Hauptmann - Stab des 18. Armee Heinrich] ingezet voor een uitgebreide schouwing van de Nederlandse linies. Op 23 februari was het zuidfront aan de beurt, en werd per auto de hele zone tussen Rotterdam – Moerdijk – Tilburg – Vianen bekeken. Volgens hun rapport konden ze volledig vrij bewegen, en werden ze slechts eenmaal op een zwaar bewaakte brug aangehouden. Dat zal een brug in de buitenverdediging zijn geweest, want elders was nog nauwelijks sprake van zware beveiliging.  De officieren hadden ook instructies achtergelaten op de 25ste bij de attachees Otzen en Schulze-Bernett terzake specifieke focus op belangrijke informatie.

In dezelfde periode dat de eerder genoemde landmachtofficieren actief verkenden, was een derde officier van de landmacht actief. Dit was een inlichtingenofficier van de Heeresgruppe B, Major Mantey. Deze concentreerde het meest van zijn tijd rond de Grebbelinie, maar ook hij bracht een uitgebreid bezoek aan de Moerdijkbruggen alsmede de bruggen die Ysselmonde met de rest van het land verbonden.

De rapporten van beide missies waren eensluidend. Los van de rivierkazematten en de Grebbelinie, was men nauwelijks te spreken over de kwaliteit van de Nederlandse defensiewerken. Men kwalificeerde de gewone kazematten als waardeloos en mensenvallen, en de Nederlandse soldaat als overwegend matig tot inferieur. Wel concludeerde Major Mantey dat voor de bruggen in het opmarsgebied van het 18e Leger, vooral de Maas- en Yssellinie dus, de risico’s groot waren op aanzienlijke vertraging als deze niet intact in Duitse handen vielen. Deze rapportage was de aanleiding veel meer bruggen door Brandenburger kommandos te laten overvallen. Over Moerdijk meldde Mantey dat weliswaar zware kazematten de beide bruggen aan de noordzijde beveiligden, maar dat de veldversterking aan de zuidzijde niets voorstelden. En die conclusie leek gerechtvaardigd en accuraat.

Ook waren er veel – min of meer – zelfstandig opererende agenten – standaard met codenamen aangeduid in Duitse [en Nederlandse] documentatie – actief. Diverse rapporten van verkenningen bleven bewaard, en daaruit kon ook naoorlogs worden opgemaakt dat soms zeer inaccuraat te werk werd gegaan. Daarnaast bleken rapporten soms zeer tegenstrijdig, en is niet duidelijk welke informatie tot wat leidde. Zoals gezegd blijkt uit documentatie van de Grenzpolizei uit 1939 en 1940 dat tenminste 69 agenten geregisteerd waren die grensoverschrijdende activiteiten in Nederland hadden ondernomen. Allen waren in dienst bij een van de twee in ons land opererende organisaties, de Abwehr of de SD.

Doordat de operatie rond de Residentie eigenlijk mislukte, en vele Duitse militairen sneuvelden of hun materieel hals over kop moesten achterlaten, werden relatief veel gegevens gevonden die deze militairen op de man hadden gedragen. Hieruit ontstond een schat aan aanwijzingen dat Den Haag en omstreken minutieus in kaart was gebracht en dat allerhande aanwijzingen, schetsen en kaarten waren gemaakt door inlichtingendiensten die overduidelijk ter plaatse waren geweest. Het is zeer verleidelijk te denken dat deze inlichtingendiensten dergelijke activiteiten ook in Rotterdam en wellicht Dordrecht/Zwijndrecht hebben ontplooid. Zeker gezien het feit dat het strategische belang van de laatste locaties aanzienlijk groter was, dan van Den Haag, dat als een uiterst riskant operatiedeel werd gezien. Slechts een geval is echter met zekerheid bekend. Dat van een geronselde Nederlandse fotograaf die uitvoerig de bruggen bij Dordrecht alsmede de directe omgeving heeft gefotografeerd. Deze foto’s zijn in een restaurant [Bellevue] aan een Duitse spion overhandigd. Eveneens is het nauwelijks aan enige twijfel onderhevig dat op 10 mei tenminste enkele V-männer op diverse sleutelposities Duitse troepen aanwijzingen hebben gegeven, of hen zelfs deels door het operatiegebied hebben gegidst.

Voor het zuidfront zijn tenslotte nog tweetal andere kwesties van groot belang. De eerste is die van de bewering die Kurt Student in 1971 deed in een gesprek met onderzoeker Jan van de Vorm. Hij beweerde in dat gesprek reeds in 1939 het operatiegebied te hebben verkend. Hij zou in hotel Bellevue [Dordrecht] zijn geweest, en uitgebreid rond hebben gekeken op het Eiland van Dordt. Dat strookt slecht met de Duitse geschiedschrijving, die immers stelt dat pas in januari 1940 de plannen voor een grootscheepse luchtlanding werden ontwikkeld. Anderzijds schrijft Werner Haupt in zijn werk ‘Sieg ohne Lorbeer’ [‘Overwinning zonder glans’] dat al in oktober 1939 plannen werden ontwikkeld voor de luchtlandingen aan het zuidfront. Hoewel dit wellicht sommigen als onwerkelijk zou kunnen treffen, is het naar de mening van de auteur dezes niet onaannemelijk dat tenminste een kern van waarheid in deze bewering zit. Allereerst is bekend dat Student al in 1939 vele plannen voor luchtlandingen onwikkelde, waaronder ook bijvoorbeeld een grote landing in Ierland. Bovendien is bekend dat zelfs Halder al enige luchtlandingscomponenten in versie drie van Fall Gelb [30 januari 1940] had verwerkt. Daarnaast is eerder al gememoreerd dat Duitse luchtverkenningen al in 1939 en op 22 januari 1940 heel specifiek doelen van Fall Gelb bezochten die overeenstemden met de versie van Fall Gelb die pas in februari 1940 gelanceerd werd. Dat geeft opnieuw aanleiding te denken dat de plannen voor de strategische brugovervallen aan het zuidfront eerder bestonden dan menig historicus zal willen toegeven. Anderzijds is het van belang te beseffen dat Student in zijn memoires {geschreven door Götzel] blijk gaf van een behoorlijke vrijheid van weergave als het aankwam op de waarheid c.q. werkelijkheid. Het is dus moeilijk vast te stellen of Student achteraf een stoer verhaal ophing of de waarheid verkondigde.

Het tweede geval is beslist wel werkelijkheid. Dat betrof een officier van de FallschirmjägerLeutnant Lamm van het 2e bataljon 1FJR. Deze Lamm was getrouwd met een Nederlandse vrouw, en had vijftien jaar in Zevenbergen [gehucht Zwartenberg] gewoond. Hij was fabrieksarbeider geweest, en stond te boek als een onsympahtiek, heimelijk en stil mens. Hij vertrok terug naar Duitsland om dienst te nemen in het leger. Hij was vanzelfsprekend zeer bekend in de omgeving, en zal vermoedelijk aan de staf van het 2e bataljon zijn toegevoegd geweest als inlichtingenofficier. Deze officier heeft vrijwel zeker vele inlichtingen kunnen geven aan zijn eenheid. Overigens sneuvelde hijzelf in het eerste uur van de landing op 10 mei door vuur uit de Marechausseekazerne in het dorpje Moerdijk. Zijn inlichtingen zullen behulpzaam zijn geweest, maar zijn gidsende rol zal door zijn snelle dood slechts beperkt tot wasdom zijn gekomen.

Nawoord

Zoals heel duidelijk gesteld in deze beschouwing van de Duitse spionage op het zuidfront is vermoedelijk slechts het topje van de ijsberg bekend geworden als het aankomt op in kaart gebrachte Duitse spionage. Het zij herhaald dat door omstandigheden relatief veel bekend is geworden omtrent de Duitse inlichtingen en voorbereiding op het operatieplandeel rondom Den Haag. Dat is nadrukkelijk minder het geval elders in het land, hoewel alom Nederlandse militairen met ontzag spraken over de gedetailleerde staf- en plankaarten die Duitse officieren toonden van de Nederlandse stellingen. Slechts recente veranderingen bleken vaak te ontbreken. Het typeert een grondige voorbereiding van Duitse zijde. En die grondigheid kon bepaald niet alleen door luchtverkenningen en luchtfotografie zijn bereikt.

Het zou onverantwoord zijn - wetenschappelijk gezien - om te stellen dat de Duitse verkenningen en spionage van het zuidfront even grondig zal zijn geweest als die van de omgeving van Den Haag. Het zij gezegd dat Den Haag, met zijn infrastructuur en vele legaties, eenvoudig was te verkennen. Een buitenlander viel hier niet op, en het zich verplaatsen in de 'eigen' stad was dus bepaald niet ongewoon. Maar in feite gold hetzelfde voor de wereldhaven die Rotterdam reeds was. Ook hier viel het nauwelijk op - tussen alle Duitse binnenvaartschippers - dat iemand Duits sprak. Daarnaast was ook Rotterdam een stad die bruiste van de activiteit. Het zal daarom vrijwel zeker als stad en prominent toekomstig doel zorgvuldig zijn verkend.

Voor de omgeving van Dordrecht geldt niet helemaal hetzelfde. Uit bijvoorbeeld de Duitse (geplande) luchtlanding in de Polder [zuid van Dordrecht] zou men kunnen aflezen dat de Duitsers de posities van de Nederlandse kazernes maar matig in kaart hadden gebracht, of de waarde van de eenheden wel heel sterk hebben onderschat. De aanwezigheid van een relatief groot depot in de stad Dordrecht lijkt hen toch te zijn ontgaan. Anders is hun landing van slechts een compagnie bij Dordrecht nauwelijks verklaarbaar

De stelling bij Moerdijk is beslist zorgvuldig in kaart gebracht, en gezien het open terrein en de verkeersaders door dit gebied, is dat ook geen wonder. De luchtfoto's waren glashelder, en vrijwel ieder Nederlands steunpunt is minutieus en accuraat aangegeven op de Duitse luchtfoto's. De Duitse bekendheid met de beperkte schootsvelden en de eenzijdige schootsrichting is daarnaast terug te vinden in de verstandig gekozen landingsterreinen bij de overval. Heel duidelijk had men zich hier goed voorbereid op de aard van de stellingen. Daarnaast heeft het er alle schijn van dat de Duitsers zelfs de opdracht van het 6e Grensbataljon kenden [die opdracht had in geval van oorlog met Duitsland snel richting Moerdijk te verplaatsen], want men dacht in de ochtend van de 10de mei dit bataljon te hebben verslagen. Of dit tegelijkertijd een aanwijzing is dat men de bestaande bezetting van de bruggenhoofden noord en zuid van de Moerdijkbruggen onvoldoende in kaart had gebracht, lijkt niet boven twijfel verheven.

Een andere indicatie dat het zuidfront als geheel niet feilloos in kaart was gebracht, was het feit dat Student door de aanwezigheid van de nieuwe brug bij Alblasserdam verrast lijkt te zijn. Die brug was volgens de Duitsers nog in aanbouw, terwijl deze al maanden in gebruik was. Overigens zijn andere indicaties dat de Duitse inlichtingendiensten bepaald niet feilloos waren nog sterker. Zo was men niet op de hoogte van het feit dat de Grebbelinie in feite de hoofdverdediging was [en niet Vesting-Holland Oost] en ook niet dat het 3e LK en de Lichte Divisie uit Noord-Brabant zouden worden weggenomen op de eerste dag van een invasie. Dat laatste is overigens vermoedelijk een beter bewaard geheim dan het eerste. Het is echter wellicht niet ver bezijden de werkelijkheid te stellen dat de Duitse inlichtingendiensten een aantal focuspunten hadden, waardoor enkele belangrijke zaken onterecht tot 'bijzaak' werden of helemaal niet als een 'zaak' werden (h)erkend.

Hoe het ook zij - de Duitse aanvaller was op 10 mei 1940 - dankzij grondige spionage en inlichtenwerk - bijzonder goed voorbereid op zijn taak.