Kritiek van A de B

Inleiding

In 2009 werd er door A. de B. kritiek gegeven op de content die de gebeurtenissen beschrijft rond Amstelwijk en De Polder op 10 mei 1940. Volgens A. de B. klopte de volgtijdigheid en de aard van de weergave van auteur dezes niet en diende dit te worden aangepast. Opvallend genoeg baseerde de criticaster zich goeddeels op dezelfde bronnen als auteur dezes, hoewel hij niet over de Duitse bronnen zei te beschikken (en deze bovendien bij voorbaat als ongeloofwaardig betitelde).

Hoewel de kritiek niet bijzonder sportief en opbouwend was verwoord, was de onderliggende casus wel aanleiding voor auteur dezes de gebeurtenissen rond Amstelwijk nogmaals vanuit een andere invalshoek te toetsen. Het leidde echter niet tot het delen van de inzichten van A. de B. De zekerheid waarmee deze zijn theorie verdedigde leek auteur dezes onterecht. Hieronder zijn de hoofdpunten van de ontvangen kritiek beschouwd.

Weizicht

Een tweetal korzelige e-mails werd ontvangen van A. de B. Ze zagen op het gebeuren rond Amstelwijk en Weizicht. A. de B. heeft een beperkt afwijkende mening van auteur, hoewel hijzelf vindt dat auteur 'volstrekt misplaatste gevolgtrekkingen' pleegt alsmede 'op hol gaat'. Letterlijk geciteerd zegt A. de B. het volgende:

"Het is allerminst mijn bedoeling geweest de rol van de Spoorwegtroepen in twijfel te trekken of te bagatelliseren;  men dient deze echter wel in de juiste context te zien. Hierin gaat Goossen [sic] m.i. volledig op hol.

3-IFJ viel bijna ‘op het dak’ van hun legering in Huize Weizigt, en ze hadden daar zeer zeker het voordeel van een logeplaats bij dit spektakel.

Het had de beschrijving van de landing en de daaropvolgende strijd aanmerkelijk verduidelijkt, indien in het kort de totaal verschillende aanvankelijke sterkteverhoudingen tegen het licht waren gehouden.

De FJ sprongen met het primitieve valscherm RZ1, dat met een relatief hoge daalsnelheid de parachutist in een merkwaardige houding aan de grond bracht.  Op zijn gunstigst landde hij met geringe rugwind ‘kop voor’ eerst met knieën de grond om vervolgens in een koprol de snelheid eruit te halen. Maar gezien de lage hoogte waarop werd gesprongen – ca 400 vt – kon hieraan door het tevens hevig slingerende scherm niet onder alle omstandigheden voldoende inhoud worden gegeven.  De man kwam dus in een aantal mogelijke houdingen met een smak aan de grond.  Daar vielen onder relatief gunstige weersomstandigheden – weinig wind – 2 à 3 % gewonden bij.  Zelden ernstig, behoudens dan bij het niet openen van het scherm en dat kwam vrijwel niet voor. Stond er meer wind, dan liep het aantal gekwetsten snel op.

En de FJ was dan bovendien op dat moment nog volstrekt weerloos. Door het beperkte draagvermogen van de RZ1 werd slechts het uiterste aan gewicht ‘op de man’ meegegeven. Dit bestond qua bewapening uit een pistool P08; een aantal geweerpatronen en enkele steelhandgranaten. Maar dat zat allemaal onder een typisch ruimvallend overall met korte pijpen, de ‘Knochensack’. Behalve dat de man zich moest ontdoen van zijn parachutetuig of harnas, moest hij ook nog zijn koppel met aanhang aan de andere kant van zijn overall zien te krijgen. Dan had hij tenminste een pistool en kon ook nog een granaat werpen. Zijn geweer – de meesten gebruikten het standaard Duitse wapen Mauser 98K – zat echter in één der vier parachutecontainers – die met dezelfde ‘drop’ uit de lanceerschachten van de Ju 52-3m waren gekomen. En met een beetje geluk niet al te ver weg lagen. Maar ook in een boom konden hangen….

De ‘Polder’ bestond overwegend uit grasland, doorsneden door een aantal sloten. Het peil was ca  0.40m -NAP, met uitschieters naar 0.65m –NAP, terwijl de sloten op 1.20m - NAP stonden. Er was weinig tot geen begroeiing. En ook de sloten boden dan ook maar een zeer beperkte dekking.

De FJ waren daarmede aanvankelijk op hun landingsterrein gedwongen de rol van ‘sitting ducks’ op zich te nemen, voor zover er althans ook nog sprake was van jagers. En deze waren er wel degelijk  aan de noordkant van het landingsterrein.

Geheel overeenkomstige het klassieke doemscenario van de FJ – beschoten te worden vanuit een ‘Waldrand’ – kregen de binnen schootsafstand van de Spoorweg troepen gelande FJ vuur, waartegen zij aanvankelijk weinig konden uitrichten. In deze eerste fase van de strijd moet dit al een aantal ‘casualties’ hebben opgeleverd. De verderaf gelande groepen moeten hiervan veel minder last hebben gehad en konden – na een bepaalde assemblagetijd - kans gezien hebben over hun onfortuinlijke kameraden heen tegenvuur te geven. Vanaf dit moment moeten de Spoorwegtroepen zich geleidelijk hebben teruggetrokken op het station. Weizigt zelf was immers voor hen geen strategisch object – het station wel – en daar zouden zij geïsoleerd van kunnen raken. Vanuit het station bleven zij vuren op het beboste gedeelte, waarin zich ook naar enige tijd de FJ nestelden. Ook al vanwege het feit, dat er nu ook incidenteel vuur kwam uit de ten westen gelegen woonwijk.

Het landingsterrein werd intussen hiertegen gezekerd door middel van een aantal mitrailleuropstellingen, o.a. tegenover de zijstraten van de Krispijnse weg. V d Houwen moet juist voordien vanuit de Wilhelminastraat over de Krispijnseweg zijn gegaan. De burgemeester kreeg als een der eersten met dit stuk te maken, toen hij bij het einde van de tunneloprit onder vuur werd genomen.

V d Houwen kreeg er mee te maken, toen hij via de P C Hooftstraat naar het landingsterrein wilde oprukken.

Met nadruk dient vastgesteld te worden, dat dus al in een vroeg stadium  Huize Weyzicht zelf door de Spoorwegtroepen moet zijn ontruimd – anders hadden deze korte metten hebben kunnen maken met dit mitrailleursnest.  Uit de getuigenverklaring van V d Houwen moet worden afgeleid, dat in een eindstadium van de landing  een voorhoede van 3-1FJ onder de commandant langs en door de noordrand van het landingsterrein klaar stond om via de noordwesthoek van het terrein ‘uit te breken’, waartegen V d Houwen ‘just in time’ kon optreden. Hierbij – en het is niet zo relevant hoe of door wie – moet Hennis Von Brandis zijn gesneuveld. Hij was namelijk de enige officier in deze groep en kan dus moeilijk al eerder door toedoen van de spoorwegtroepen zijn gevallen.

In de volgende groep(en), die zich in het ‘Bos van De Roo’ hadden teruggetrokken, zaten nog twee officieren en belangrijk; een aantal gekwetsten, die typisch niet in een voorhoede thuis horen. Deze kwamen tot de conclusie klem te zitten tussen V d Houwen, de bezetting van het station en de groep onder AOO Koster. En ten zuiden van hen was er alleen de geen enkele bescherming biedende vlakte van de polder. Koster was met de zijnen  vanuit zijn kwartier aan de Jac. Marisstraat kennelijk zuidover via de Nieuweweg naar het abattoir-DFC complex getrokken en had hieruit de FJ verjaagd. Van enige onderlinge coördinatie tussen de drie groepen, waarbij zich later nog een groep onder Lt. Ruige voegde, is niet of nauwelijks sprake geweest.

Het vermelde ‘oprukken langs de Krispijnseweg tegen de Spoorwegtroepen’ is hiermede wel zeer onwaarschijnlijk geworden.  Qua onzingehalte haast even onwaarschijnlijk  als de ‘biljarters’. Indien Von Brandis inderdaad zo ‘stevig tegen de spoorwegtroepen is aangegaan’, dan zouden hier toch tenminste ook aan die zijde enige slachtoffers moeten zijn gevallen. Het is blijkbaar uitermate verleidelijk  geloof te hechten aan Duitse verslagen; zij zijn echter vaak een sluipend vergif. Daarover later meer.

De grote verdienste van de Spoorwegtroepen is gelegen in de hinder die zij veroorzaakten bij de ontplooiing van de FJ direct na de landing. De normale ‘assemblagetijd’ – voor een als de FJ uitgeruste groep destijds door een collega bij BPO - een veteraan van de ‘1st Parachute Brigade’(Arnhem) - geschat op tenminste 20 minuten, wellicht zelfs 30 minuten, liep daardoor uit met tenminste 30 minuten, waardoor de pontonniers in staat werden gesteld tot een eindafrekening te komen. Hierdoor alleen al is de bijdrage van de Spoorwegtroepen als meer dan significant te achten, maar dan wel te beschouwen in de juiste context.

Acceptatie van de ‘nova’ ten aanzien van Weizigt betekent dat we belangrijke delen van het relaas van Lt. V.d. Houwen na een telefoontje aan Netwerk aan de kant van de weg kunnen zetten."

Een zeer sterk aangezet en schromelijk overdreven uiteenzetting over de Duitse parachute en gereedstelling, waarbij nota bene een vergelijking met een Britse landing in 1944 als ijkpunt diende. Het doet niet terzake. De geoefende Duitse parachutist met RZ1 was in minder dan tien minuten gevechtsgereed. Het hele epistel over onbereikbare bewapening gaat ook niet op. De Knockensack (wat A. de B. een overall noemt) werd in tien seconden geopend waarna men de koppel eronder vandaan kon halen en over de Knockensack kon aanbrengen. De meeste parachutisten voerden munitie en tot wel tien handgranaten (eiergranaten) in de broodzak mee. Het Duitse gevechtsverslag maakt ook geheel duidelijk dat vrijwel alle Behalter snel gevonden werden en de eenheden spoedig volledig bewapend en uitgerust waren. Men landde niet onder vuur, hoewel tijdens de aanvlucht wel geschoten werd op de vliegtuigen. Bovendien kwam het gros van de Duitse compagnie op grote afstand van Weizicht terecht en niet op een steenworp afstand zoals de criticus A. de B. suggereert. De rest van de uiteenzetting over landingen van parachutisten hoeft niet te worden besproken.

De criticus schrijft over de positie en geleidelijke terugtrekking van de spoorwegtroepen en wijkt daarbij niet af van wat auteur terzake heeft gemeld aan de hand van de verslagen van de spoorwegtroepen.

De vaststelling dat vd Houwen en de burgemeester met dezelfde wapenpunten van doen kregen is onjuist. Kennis van de situatie terzake, die de criticus heeft, maakt deze vaststelling contradictoir. Het punt waar de burgemeester werd beschoten (komende uit de Spuitunnel) was onmogelijk hetzelfde punt als waar 1e luitenant Van der Houwen voordien werd tegengehouden. Het verslag van de luitenant maakt ook duidelijk dat het de mitrailleurs bij de Julianakerk waren die hem zijn eerste poging deden afbreken. Die mitrailleurs hadden niets van doen met de beschieting van de burgemeester 350 meter noordelijker.

Daarnaast is de volgende frase van A. de B. opvallend: 

"Uit de getuigenverklaring van V d Houwen moet worden afgeleid, dat in een eindstadium van de landing een voorhoede van 3-1FJ [sic] onder de commandant langs en door de noordrand van het landingsterrein klaar stond om via de noordwesthoek van het terrein ‘uit te breken’, waartegen V d Houwen ‘just in time’ kon optreden. Hierbij – en het is niet zo relevant hoe of door wie – moet Hennis Von Brandis zijn gesneuveld. Hij was namelijk de enige officier in deze groep en kan dus moeilijk al eerder door toedoen van de spoorwegtroepen zijn gevallen"

De passage waarin staat 'de eindfase van de landing' is niet zo goed te begrijpen. De luchtlanding eindigde vijf minuten na zijn begin. Toen waren de pontonniers nog lang niet in beeld. De actie waarbij luitenant van der Houwen met een handvol pontonniers via de groentewinkel een Duitse formatie van ca. 20 man overviel, was al in een zeer gevorderd stadium van de strijd. Uren na de landing. Dat de Duitsers op dat punt wilden uitbreken, met die vermoedelijk 22 man die waren verzameld, staat al in de tekst op de website. Zou dat A. de B. hebben geinspireerd? Een vermoeden is in elk geval niet noodzakelijk. Het Duitse verslag maakt namelijk heel helder dat deze groep wilde uitbreken.

Dat Von Brandis juist bij de voornoemde actie sneuvelde is zeer onwaarschijnlijk, overigens niet uitgesloten. Het Duitse verslag is namelijk uiterst gedetailleerd over de actie die langs de Krispijnseweg plaatsvond. En daarbij wordt niet gemeld dat von Brandis sneuvelde. Dat was volgens het Duitse gevechtsverslag al veel eerder gebeurd. Rangen en standen aan Duitse kant herkennen was geen sterk punt van de Nederlanders. Een onderofficier werd al snel voor officier uitgemaakt en andersom. Dat kwam doordat in tegenstelling tot het Nederlandse systeem het rangonderscheidingsysteem veel minder onderscheidelijk was. In het Nederlandse leger konden een adjudant, vaandrig en tweede luitenant door elkaar worden gehaald, maar voor de rest was het verschil tussen officier [sterren] en onderofficier [mouwstrepen] glashelder. Aan Duitse zijde was dit niet zo. Zowel qua aanzien als qua rangtekens was dat onderscheid niet eenvoudig gemaakt, zeker niet met de witte vleugeltjes op de 'jump-suit' van de parachutisten.  

Zeker is dat er vier Duitse officieren waren, te weten de Oberleutnant von Brandis, Leutnant Schmelz, Leutnant Hauber en Oberarzt Noack. Daarnaast de Feldwebel Görtz (tegen die tijd al naar de brug) Unterfeldwebel Schönfeld. Von Brandis sneuvelde als enige kaderlid (op twee Oberjäger na) van de hoofdmacht van 3./FJR.1 die dag. Eén officier raakte gewond.

Voor zover het er naar laat uitzien was Leutnant Schmelz zelf bij de groep aan de Krispijnseweg. Niet alleen is zijn verslag van het gebeuren namelijk bijzonder gedetailleerd, maar evenzo is het logischer dat hij als Kp-Chef bij de linkergroep zal zijn geweest. Zeker is dat enkele manschappen uit de Krispijnse groep ontsnapten én dat Leutnant Schmelz zich pas overgaf in het Bos van de Roo. De kans dat von Brandis pas sneuvelde in deze late fase van de strijd (het was tussen 0900 en 1000 uur) en dat dit volledig buiten het gedetailleerde Duitse gevechtsverslag zou zijn gebleven, is uiterst gering. Uitgesloten is het echter niet. Maar de criticus heeft geen enkele reden zo beslist te concluderen. Dat er namelijk een officier sneuvelde bij de actie van de groep vd Houwen is alles behalve zeker. De meeste Nederlandse verslagen reppen er niet over en hier en daar wordt slechts de suggestie gewekt dat 'een hoge' werd neergeschoten. Dat een of twee Nederlandse verslagen geheel voor eigen rekening suggereren dat het de Duitse commandant betrof, heeft nauwelijks waarde. Uit niets blijkt namelijk dat het op feiten of vaststellingen is gebaseerd.     

De heer A. de B. trekt een uiterst curieuze conclusie als hij stelt:

'Het vermelde oprukken langs de Krispijnseweg tegen de Spoorwegtroepen is hiermee wel zeer onwaarschijnlijk geworden. Qua onzingehalte haast even onwaarschijnlijk als de biljarters.'

In zijn inleiding om te komen tot deze onwaarachtige conclusie somt A. de B. allemaal zaken op die tussen 0700 en 1000 uur plaatsvonden. Het optrekken van Von Brandis - zowel door de Spoorwegtroepen waargenomen als in het Duitse gevechtsverslag gedocumenteerd - is geen afgeleide conclusie van de auteur, maar een gegeven. Nodeloos hier verder op in te gaan. Dat A. de B. dit niet alleen onwaarschijnlijk noemt, maar zelfs onzinnig (verwijzend naar de biljartende Duitsers zoals Siem Heiden in een verslag aanduidde), typeert slechts zijn gebrek aan realiteitszin. Er is geen enkele aanleiding voor de Duitsers geweest dat gegeven erbij te verzinnen. A. de B., die helemaal geen inzicht in alle bronnen heeft, heeft geen enkele autoriteit daar dergelijke etiketten op te hangen.

De reden waarom A. de B. veel in twijfel trekt blijkt uiteindelijk uit zijn ongenuanceerde beoordeling van Duitse verslagen. De suggestie wordt gewekt alsof A. de B. uitgebreide ervaringen heeft met dergelijke verslagen, maar dat kan niet zo zijn. De wrange werkelijkheid is dat in de regel de Duitse gevechtsverslagen een veelvoud betrouwbaarder zijn dan de Nederlandse gevechtsverslagen. Hoewel te allen tijde sprake is van kleurstellingen, blijken Duitse gevechtsverslagen - daar waar verifieerbaar - zelden onjuist als het de hoofdlijnen betreft en ook vaak zeer accuraat op details van tijd en ruimte. Alle zaken die vanuit het gevechtsverslag van 3./FJR1 zijn te verifiëren met Nederlandse verslagen, blijken passend. Zo klopt de uiterst gedetailleerde beschrijving van de actie aan de Krispijnseweg die uitmondde in de clash met Van der Houwen zeer precies. Ook andere gebeurtenissen die door Nederlandse eenheden als 'successen' worden geclaimd kloppen nauwgezet. Er is dus geen enkele reden aan te nemen dat precies de zaken die niet in Nederlandse verslagen zijn opgenomen, precies haaks op de werkelijkheid stonden. Als scepsis verword tot een sterk vooroordeel dan vertroebelt dat het heldere blikveld sterk.

De grote verdienste van de Spoorwegtroepen is door auteur duidelijk aangegeven in de content. Dat was dat zij niet op de loop gingen voor de parachutisten, zoals elders vaak het geval was bij de overvallene, maar juist weerstand boden en wel zo lang dat én 3./FJR1 zich had laten binden én de pontonniers tijd genoeg kregen hun eerste verbanden goed van wapens en munitie te voorzien en zodoende kort nadien in actie konden komen. Dat was een cruciale rol. Dat is de enige juiste context, waarbij een brede beschouwing over gereedstellen voor de strijd van de 1e Parachute Brigade in september 1944 niets maar dan ook niets met deze materie van doen heeft. Bovendien lijkt A. de B. het in essentie helemaal niet oneens te zijn met de content, des te opmerkelijker sommige kwalificaties.  

Amstelwijk

Betreffende het deel over Amstelwijk heeft A. de B. ook een aantal zaken genoemd. Terzake dient te worden opgemerkt dat het enige contact dat A. de B. en auteur ooit hadden, enkele jaren geleden op instigatie van de B., over Amstelwijk ging. Daarbij gaf de B. in een telefoongesprek al hele 'duidelijke' meningen over het gebeuren (en andere zaken in mei 1940, elders). Anderzijds, de B. bleek uitermate goed geinformeerd omtrent Amstelwijk en stuurde later per post een schets van het complex toe alsmede een getypte eigen analyse vergezeld van een verklaring van een burger. Nadien is er nooit meer contact geweest tussen partijen. Recent werd via derden een mail gestuurd aan auteur waaruit bleek dat A. de B. alom in de anonimiteit kritiek op de website Zuidfront rondstuurde. Die kritiek was niet zo erg, wel het feit dat gesuggereerd werd dat uitgebreid afstemming met auteur had plaatsgevonden en auteur 'desondanks' de durf had anders te denken dan de B. Daarop heeft auteur de B. om opheldering gevraagd en geduid dat er sprake moest zijn van misverstanden. Een antwoord kwam terug dat geen enkele fatsoensnorm had. Desondanks is wat de B. meldt interessant. Vandaar de behandeling hieronder.

Het Amstelwijk deel:

"De gebeurtenissen rond de gelijknamige boerderij moeten eigenlijk in tweeën worden gesplitst; een met betrekking tot het lot van Van Hoek en de zijnen en dat van de te hulp gesnelde Van Daalen.

De beschrijvingen tot dusver hebben zwaar geleden onder de onduidelijkheden wat waar was… De naam Amstelwijck komt eigenlijk alleen toe aan de boerderij; het enige nog duidelijk overgebleven object, aangezien het echte buiten Amstelwijck in 1866 werd gesloopt. De in 1940 bestaande villa heette ‘Klein Amstelwijck’(van 1920); dan was er ook nog het belendende Gravesteyn(1872), ten westen daarvan gelegen en dat oorspronkelijk wel tot het grondgebied van Amstelwijck heeft behoord. Een en ander was ook in 1940 blijkbaar al niet zo duidelijk, getuige het feit dat Van Daalen beide zaken door elkaar haalde en Amstelwijck voor  Gravesteyn hield, en omgekeerd.

Ook in ‘Zuidfront’ gebeurt dit; de staf AGP wordt hierin een aantal malen ten onrechte op Amstelwijck gepositioneerd, verder laten diverse foto’s  ‘Klein Amstelwijck’ zien onder de naam ‘Amstelwijck’.

In ’Zuidfront’ is een paar maal sprake van de ‘Bierweg’. Zo staat inderdaad de Reeweg Zuid aangeduid op de stafkaart uitgave 1935. Maar al in 1923(bron: ‘Dordrecht Weerzien’ ) werd deze al Reeweg Zuid genoemd. ‘Ree’ staat in dit verband voor ‘grens’; het was namelijk tevens de grens tussen de gemeenten Dordrecht en Dubbeldam.

Uit het verslag van Van Daalen blijkt:

- dat hij niet verder kwam dan Gravesteyn; derhalve nooit op Amstelwijck arriveerde en dit niet eens door had. Dat is verbazingwekkend, omdat hij daar alleen maar artilleristen moet hebben ontmoet, hetgeen hem er kennelijk niet toe bracht om zich af te vragen, of hij wel aan het juiste adres was.

- dat hij zelf niet veel verder optrok dan een positie even ten westen van Kp 47.

- daar vuur ontving vanuit het zuiden en ‘…eveneens uit ri. boschperceel Gravesteyn…’(of wel uit het bosje noord van ‘Klein Amstelwijck’!)

- pas DAARNA ziet hij ‘…den toegang tot Gravesteyn(= Amstelwijck) forceren …’ en komt tot de conclusie:’..de vij. schijnt verassend snel óók Amstelwijck(= Gravesteyn) doorgetrokken te zijn, blijkbaar begunstigd door het boschterrein…’. Dit laatste toont mede aan, dat Van Daalen zich toen ten noorden van de zuidelijke ingang van Gravesteyn moet hebben bevonden; derhalve nabij Kp 47… En dat hij zich er kennelijk van bewust was, dat Gravesteyn inmiddels was verlaten.

Hij moet tenslotte de strijd staken, nadat hij ook vanuit het oosten vanuit het inmiddels ingenomen Amstelwijckcomplex werd bedreigd.

De conclusie is derhalve gewettigd Van Daalen’s claim dat hij  door ‘friendly fire’ vanuit het bosperceel noord van ‘Klein Amstelwijck’ werd belaagd, volledig te moeten honoreren.

Op het complex Amstelwijck zelf – hierin het vertrouwen wekkend verslag van dr. Van Hattum volgend, zien wij een en ander bevestigd.

Ook uit een verslag van Lt. Trouwborst, dat overigens met betrekking tot de beschieting niet tot andere conclusies kan leiden, blijkt eveneens dat het complex tot aan de overval vanuit Gravesteyn nog NIET langs de autoweg – de latere A16 – vanuit het zuiden werd bedreigd. En dat men kennelijk onkundig was van het feit, dat hun westelijke rechterflank geheel onbeschermd open lag."

Het eerste deel van de kritiek ziet op enkele details en kan voor sommige lezers uit de directe omgeving natuurlijk inderdaad storend zijn. Van een verwijzing van de artilleriestaf op Amstelwijk was alleen in de eerste versie van de content sprake, maar al zeer lange tijd verbeterd. Dat het er in oorsprong verkeerd stond is overigens een gegeven.

A. de B. zijn theorie over van Daalen en Amstelwijk is een interessante. Die theorie ziet er kort en goed gezegd op dat de twee secties van Daalen niet als eerste Nederlandse verband door de parachutisten van 2./FJR1 werd verslagen, maar - in deze omgeving - juist als laatste. De Duitsers zouden eerst het hoofdkwartier in het Park hebben opgerold en pas nadien westwaarts zijn getrokken om van Daalen aan te pakken. A. de B. houdt heel hardnekkig vast aan deze theorie. 

Laten we eens kijken hoe de zaken zich verhielden. En laten we daar wat citaten bij pakken, zodat iedereen mee kan oordelen.

Het verslag van 2./FJR1 over de aanval op Gravensteijn en Amstelwijk:

"Aus dem Südrand des Parkes von Amstelwijk [sic] erhält die Spitze starkes Schützen- und MG-Feuer. Die Stellung wird genommen. Die Spitze durchkämmt den Park und nimmt soweit möglich am Nordrand die Feuervervolgung auf den flienenden Feind in Stärke von ca. 100 Mann auf. Der Gegner stellt sich jedoch nach 150 Meter zur Verteidigung (...) Als das sMG zum zweiten Mal genommen war, setzte Hptm Gröschke den III.Zug zum rechtsumfassenden Angriff auf den mit den II.Zug im Kampf befindlichen Gegner an. Der Feind wird nieder gekämpft. 100 Gefangene werden eingebracht. (...) Schon während des Entwaffnens der Gefangenen und auch später beim sammeln der Kp. fallen aus dem Park vom Amstelwijk Gewehrschüsse gegen die 2.Kp. Fw Himmrich erhält den Befehl mit seinem Zug als Sicherung nach Norden weiter zu marchieren und der II. Zug Widerstandsnester bei Amstelwijk, aus dem die Gewehrschüsse auf die 2.Kp und schweres MG-Feuer auf die jenseits des Parkes kämpfende 4.Kp fallen, zu vernichten. Lt Graf von Blücher bildet hierzu einen Stosstrupp unter seiner Führung und geht entlang der Strasse gegen den Park vor. Nachdem sich dem Feuer aus dem Park verschärft, durchswimmt der Stosstrupp einem etwa 10 Meter breiten Graben um nach rechts aus zu weichen und erkennt dass sich das Widerstandsnest um 6 Schwere Bunker [sic], die ganz im Gebüsch versteckt liegen, herum konzentriert. Ausserdem wird festgestellt dass die Bunker, soweit die deutlich zu erkennen sind, nur Schussscharten in den Türen haben. Diese liegen nach Norden."   

Het verslag van 4./FJR1 over de gebeurtenissen:

"Die Kp hatte sich unter Zuhilfenahme von Karren, Pferden und leichten Wagen entlang der Autobahn in Richtung Dortrecht bis an die in dem Park Amstelwijk, 2 km südlich Dortrecht gelegene Bunkerlinie herangearbeitet und nahm hier den Kampf mit dem dort liegende Feinde, in Stärke eines Batallions [sic], auf. Der Angriff gestaltete sich äusserst schwierig, da die im Park gelegenen Bunker durch dichte Bewachsung überhaupt niet zu erkennen waren, und der Gegner auch ostwärts der Strasse in Stellung lag, und die Kompanie in der Flanke beschoss. Nach mehrstündichem Gefecht wurden die Bunker durch Unterstützung der 4.Kp durch 2.Kp, die von Westen her angriff, genommen. Die Kompanie machte hierbei ca 150 Gefangene und verlor selbst 4 Tote (...) und 5 Verwundete."  

Volkomen helder blijkt uit de Duitse verslagen dat eerst de groep van Daalen werd verslagen en daarna door de beide compagnies de 'Bunkerlinie' werd aangepakt. Ook blijkt dat vuurcontact met 4./FJR1 al ontstaan is voordat de aanval door von Blücher is ingezet.

Waar de beschrijving op Zuidfront afwijkt van het verslag van bijvoorbeeld Trouwborst, maakt A. de B. niet duidelijk. 1e Luitenant Trouwborst, commandant van de MC-I-28.RI zegt:

"Deze opstellingsplaats [AG: ten oosten van de meest noordoostelijke kazemat] heb ik ca 1 uur ingenomen gehad. Munitie kreeg ik aangevuld vanuit de op Amstelwijck staande patroonwagen. Vermeld dient te worden dat ik aldaar één krijgsgevangene heb gemaakt die uit een vrachtauto sprong die door mij met mitrailleurvuur tot stoppen moest worden gedwongen en vanuit de richting Willemsdorp kwam. Toen later bleek dat groepen parachutisten om het park van Amstelwijck waren heengetrokken en aan de andere zijde dan waar ik mij bevond Amstelwijck aanvielen, heb ik op last van C-I-28.RI mijn opstellingsplaats moeten prijsgeven om bij een ander bedreigd punt mijn stelling in te nemen. Op deze laatste opstellingsplaats [AG: westzijde park, naast kazemat] zijn de stukscommandant en de opvolger stukscommandant zwaar gewond geraakt. Te ca 0930 uur waren de parachutisten aan alle zijden het park binnengedrongen."

Trouwborst zijn verklaring, die zeer weinig details bevat, lijkt in lijn met zowel het Duitse verslag als de beschrijving op Zuidfront. Dan gaan we kijken naar wat [officier van gezondheid 2e klas] dokter van Hattum zegt [25 mei 1941]:

"Ik ben daarna in het bosch bij de kazematten rond gegaan en zag de in ons bezt zijnde zware mitrailleur opgesteld in den noord-oosthoek van het terrein. Daarna was ik in de commandopost (kazemat 1) getuige van telefoongesprekken van majoor van Hoek (...). Enkele ogenblikken later zagen wij in de richting Amstelwijk op de weg twee Duitse valschermjagers waarop het vuur geopend werd. Deze verdwenen toen van de weg en lieten zich niet meer zien. Even later werd uit dezelfde richting op de ingang van de kazemat gevuurd. Hierop werd de zware mitrailleur verplaatst naar kazemat 1 [AG: meest noordwestelijke kazemat]."

Dr van Hattum beschrijft daarna de aanval, die kort op het laatste voorval volgde. Uit zijn verslag komen ook geen onregelmatigheden naar voren in vergelijking tot de versie die op Zuidfront wordt weergegeven. Dat Van Daalen zijn mannen de twee parachutisten waren die richting Amstelwijk waar werden genomen, zoals A. de B. beweert, zou betekenen dat het kort daarop volgende vuur vanuit die hoek op de kazemat door van Daalen zijn manschappen werd gegeven. In feite - en zo blijkt uit werkelijk alles - waren dit natuurlijk gewoon de manschappen van 2./FJR1, die van Daalen en manschappen op dat moment allang gevangen hadden genomen. 

Het is duidelijk uit bovenstaande extracten van verslagen - uit diverse bronnen en hoeken - hoe de volgtijdigheid van gebeurtenissen hoort te worden weergegeven. Dat Van Daalen niet pas na de inname van het complex Amstelwijk werd opgerold is glashelder. Dat A. de B. hier onhoudbare theorieën op loslaat evenzo.

Conclusie

De content op Zuidfront geeft geen weergave van 'de' werkelijkheid. Dat wordt nergens gepretendeerd, blijkt reeds uit de vele grote of kleine aanpassingen in de loop der tijd en de uitdrukkelijke uitnodiging te reflecteren. Dat proces van reflectie werkt gelukkig erg goed. Uiteindelijk is het noodzakelijk om fouten en omissies uit het verhaal te halen, te komen tot een nog duidelijker benadering van de 'werkelijkheid'.

Discussies aangaan op een respectloze en fatsoensloze wijze is zinloos. Iemand mag het hardgrondig oneens zijn, maar grote woorden gebruiken zonder dat je daartoe bent geoutilleerd of ingelezen, diskwalificeert. Discussies mogen scherp, heel scherp. Maar daarvoor moet eerst wederzijds respect en begrip ontstaan. Dat is voor sommige luyden niet van toepassing helaas. Desondanks zijn de aangedragen kwesties boeiend, zeker ook omdat ze wellicht - al dan niet door alternatieve uitdraging - het publieke domein bereiken. Door het alhier geanonimiseerd weer te geven, wordt de persoon in kwestie "beschermd" maar de kwestie toch bespreekbaar gemaakt.

[datum: 20 april 2010 - inleiding aangepast op 13 sept 2010]