Het interbellum

Inleiding

België en Nederland hadden in de geschiedenis een wisselend hechte en minder hechte band gehad. Onder het Habsburgse rijk was het Karel de Vde die de beide landen samenvoegde tot één staat. Daarin kwam gedurende de onafhankelijkheidsstrijd van de noordelijke Nederlanden [80-jarige oorlog] weer verandering. Een groot deel van het huidige België werd onder Spaanse katholieke invloed gehouden. Eind van de 18de eeuw werd het gebied samen met Nederland door de Fransen ingenomen en tot 1815 bezet gehouden.

Toen in 1813 onder leiding van het Driemanschap in [het door de Fransen reeds verlaten] Nederland de zoon van stadhouder Willem de Vde als eerste Koning der Nederlanden werd binnengehaald, begon een periode waarin Napoleon van zijn rijk werd ontdaan. Na de Slag bij Waterloo in 1815, werd België toegevoegd aan het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden. Zodoende werd een flinke bufferstaat gevormd tegen Frankrijk. Dit alles gebeurde vooral op instigatie van de Engelsen, en bepaald niet naar de zin van veel Belgen.

De Belgen kregen sterk de indruk dat hun nieuwe koning zich nauwelijks om de zuidelijke delen van zijn koninkrijk bekommerde, en ze kwamen in opstand in 1830. België scheidde zich actief af van het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden. De koning trachtte met militair ingrijpen vanuit het noorden het tij nog te keren, maar onder meer door inmenging van Frankrijk en Engeland kwam het tenslotte na negen jaar tot een ook door Nederland erkende afscheiding van België. België werd een zelfstandige souvereine staat.

Overigens is een opmerkelijk en weinig bekend feit dat België in 1839 meer inwoners dan Nederland had. Het had circa 4,300,000 inwoners terwijl de noorderbuur Nederland slechts iets meer dan 3,000,000 inwoners had. Een demografisch gegeven dat in de komende eeuw drastistisch zou wijzigen.

Voorspel WOI

België werd zwaar getroffen door de Grote Oorlog die het land volkomen overviel. De opgelopen spanning in Europa leidde tot het kookpunt in de zomer van 1914. De feitelijke casus belli was de moord op de Oostenrijkse troonopvolger Frans-Ferdinand op 28 juni 1914 in Sarajevo. Het overmoedige Oostenrijk - dat zich gesterkt wist door een defensief verbond met grote broer Duitsland - gaf de eerste zet aan een slinger die een enorm momentum zou krijgen na de Oostenrijkse aanval op Servië op 29 juli 1914. Rusland mobiliseerde onmiddellijk en gaf daarmee een signaal af Servië te zullen steunen. Duitsland reageerde hierop door Rusland een ultimatum te stellen, dat onbeantwoord afliep. 1 Augustus 1914 verklaarde Duitsland hierop Rusland de oorlog. Frankrijk, dat zich op haar beurt al twintig jaar verbonden wist met Rusland, mobiliseerde toen ook zijn leger. De sneeuwbal was gaan rollen, en nam onmetelijke proporties aan.

Duitsland had sinds de negentiger jaren van de 19de eeuw gewerkt aan strategiën om het Frans-Russische verbond het hoofd te kunnen bieden als dit opportuun zou worden. De Duitse generaal Alfred Graf von Schlieffen [1833-1913] had sinds 1894 gewerkt aan de strategische plannen voor het Duitse leger. Als hoofd van de Duitse generale staf had hij de leiding over deze zwaarwegende activiteit van de Duitse generale staf. Nadat in 1904 de Fransen en Britten ook een defensief verbond [Entente Cordiale] hadden gesloten, werd de Duitse ambitie nog groter om een doorslaggevende strategie te ontwikkelen om een oorlog op twee fronten slagvaardig te kunnen aangaan, en op tenminste één front snel te kunnen beslissen. Op basis van de gedachte dat de Russen veel tijd nodig zouden hebben voor hun mobilisatie, werd de focus gericht op het vooreerst verslaan van de Fransen om daarna het gros van de legermacht richting oosten te kunnen keren. Het klassieke voorbeeld van de grote strategische manoeuvre op de binnenlinies: met een beperkt leger een overmachtige vijand alsnog de baas zijn door zelf op basis van volgtijdigheid gebundeld het offensief te kiezen.

Von Schlieffen produceerde twee plannen, waarbij in beide gevallen het doel was Frankrijk snel op de knieën te dwingen om daarna maximale aandacht te kunnen geven aan de ongetwijfeld langdurige strijd op het oostfront tegen het machtige Russische tsarenleger. Dat Russische leger, zo veronderstelde men, zou zeker zes weken nodig hebben om te mobiliseren. Het eerste plan Von Schlieffen was een geconcentreerde aanval dwars door de Vogezen in de richting van Parijs. Hierbij zou de aanval strikt op Frans grondgebied tot ontplooiing komen. De Duitse generale staf kwam echter snel tot de conclusie dat dit niet alleen erg voorspelbaar was, maar tevens dat de zo beslissende snelheid nooit tot ontwikkeling zou kunnen komen in een dergelijke smalle corridor. Daarom kwam in 1904 de ontwikkeling van een alternatief op gang, dat voorzag in een aanval via Belgisch grondgebied waarbij de Franse legermacht via het noorden zou worden omtrokken. In 1905 was dit plan gereed. Het zou als hét Plan Von Schlieffen de geschiedenis in gaan.

Het liep allemaal net even anders. In de avond van 1 augustus - de dag dat Duitsland de Russen de oorlog verklaarde - trokken al de eerste Russische troepen Oost-Pruisen binnen. Duitsland had ondertussen Luxemburg reeds bezet, en legde bij de Belgische Koning een ultimatum op tafel waarin vrije doortocht werd geëist. Op de Belgische weigering verklaarde Duitsland het neutrale België de oorlog en trok op 4 augustus over de Belgische grens. Daags ervoor had Parijs ook een oorlogsverklaring ontvangen, en als gevolg van de Duitse schending van de Belgische souvereiniteit verklaarde Engeland op 4 augustus aan Duitsland de oorlog. De sneeuwbal was gaan rollen, en een enorme Europese oorlog was het gevolg.

WOI voor België

Het Belgische leger anno 1914 was een archaische verzameling bont geklede miliciens. Op papier bestond het uit meer dan 200,000 man, maar feitelijk waren dat er veel minder. Tienduizenden dienstplichtigen kwamen niet opdagen tijdens de mobilisatie, en uiteindelijk bestond het veldleger uit niet veel meer dan 110,000 man. Met nog geen 100,000 geweren, een 300 veldkanonnen - merendeels klein kaliber - en 100 mitrailleurs was het geheel niet in staat een krachtige en kundige weerstand te bieden tegen het machtige Duitse leger. Generaal Leman moest met dit leger een voorbereide tegenstander zien tegen te houden. Dankzij de relatief sterke fortengordels in het oosten en westen van het land, was tenslotte nog tegenstand van enige importantie mogelijk.

Binnen enkele weken vielen de oostelijke delen van België - ondanks hevig verzet - ten prooi aan het grote Duitse aanvalsleger. De fortengordels bezweken onder de zware Duitse artillerie beschietingen en de Belgen trokken terug richting westen van het land. Van de laatste week van september tot begin oktober woede de slag om Antwerpen en na zware beschietingen van de stad met duizenden stukken geschut - waaronder stukken van 42 cm - werd het op 9 oktober door de Belgische en Engelse troepen geëvacueerd. Aan de Schelde werd opnieuw bikkelharde strijd gestreden. Half oktober viel ook het gefortificeerde Gent, en geleidelijk werd bijna heel Vlaanderen bezet. Uiteindeling was op 16 oktober vrijwel geheel België in Duitse handen. Slechts een klein hoekje in het zuidwesten, langs het riviertje Yzer bij Ieper, bleef verdedigd. Ruim 300 jaar na de fameuze overwinning van Maurits op het strand van Nieuwpoort, is opnieuw dit stadje een van de rotsen in de branding van de lokalen. Het zou vier jaar lang geteisterd worden tijdens de ontstane loopgravenoorlog en aan het einde van de oorlog waren alle Belgische stadjes en dorpen in de sector volkomen vernietigd. De Duitsers zouden dit kleine hoekje België de ganse Eerste Wereldoorlog niet weten klein te krijgen ondanks vier grote slagen bij Ieper. De rest van België en een deel van Noordoost Frankrijk werd door de Duitsers bezet, bijna vier jaar lang, en ervoer de bezetting van een vijandelijk leger in de moderne tijd in alle aspecten.

Doordat deze grote Europese oorlog ook zijn exponenten in het Midden-Oosten, Afrika en de wereldzeeën kreeg, alsook de Verenigde Staten vanaf 1917 als actief betrokkene zag, werd de oorlog een werkelijke Wereldoorlog. Het begon als een 19de eeuwse oorlog, met bont geklede legers, massale cavaleriecharges en sabel- en bajonettengevechten en eindigde als modern conflict met troepen in camouflage grijs-groen, zware artillerie, moderne infanteriewapens als de mitrailleur, licht veldgeschut en mortier alsmede introductie van de tank en het aanvalsvliegtuig.

Toen op 11 november 1918 de Eerste Wereldoorlog eindigde was België een zwaar geteisterd land. Het had zwaar geleden onder de bezetting door de Duitsers, en te maken gekregen met pure terreur. Volgens recente schattingen [de verliezen van WOI zijn in geen enkel land 'harde' cijfers] verloor het Belgische leger zo'n 35,000 man aan gesneuvelden. Het aantal gewonden wordt geschat tussen de 45,000 - 100,000. Ook bij dit laatste cijfer blijkt duidelijk dat er sprake was van buitengewoon slechts registratie. De bevolking verloor 92,000 mensen, waarbij echter sprake is van een vervuild cijfer door met name de Spaanse griep. Het land zelf was leeggeroofd door de Duitsers, en nog eens 100,000 mannen waren in Duitsland te werk gesteld. Uiteindelijk deelde België in de opmerkelijke demografische daling van de bevolking in de Euopese landen die deelnamen aan WOI en als gevolg daarvan vele miljoenen jonge mannen en burger ten prooi zagen vallen aan strijd, bezetting en ziekte.

De naschokken

Nadat de wapenstilstand resulteerde in een terugtrekking van de Duitse troepen op eigen authentieke gronden [inclusief ontruiming van Elzas Lotharingen] achter de Rijn en Moessel, werd België weer een vrij land. Als belligerent aan de zijde van de Entente kreeg het land een plaats aan de onderhandelingstafel waaraan de voorwaarden voor de Duitse capitulatie werden voorbesproken onder de Geallieerden. En die voorwaarden gingen heel wat verder dan alleen Duitslands rekening. Heel Europa werd hergeschikt, en nieuwe staten ontstonden. Het Duitse rijk van voor WOI werd volkomen ontdaan van haar franje. Het verloor Elzas-Lotharingen aan Frankrijk, een uitstulping onder Nederlands Limburg [Malmedy, Eupen] aan België, Posen, West-Pruisen en Oost-opper-Silezië aan Polen en een deel van Sleeswijk Holstein aan Denemarken. Ook Litouwen en Tsjechoslowakije kregen kleine gebiedsdelen toegewezen. Voorts verloor Duitsland alle kolonieën die het bezat. Het Saarland en de pruisische stad Danzig kwamen onder Volkenbondbestuur, en het Rijnland werd militair bezet door de Geallieerden. De vernedering en het gevoelde verlies was groot.

Versailles ging echter nog veel verder. Het Duitse leger mocht nog slechts 100,000 man onder de wapenen hebben, en het aantal reservisten werd sterk beperkt. Paramilitaire eenheden mochten niet bestaan, en alle hogere staven inclusief de generale staf moesten verdwijnen. Zware en offensieve wapens mocht Duitsland nauwelijks meer hebben, tanks en zware artillerie werden geheel verboden. De marine mocht slechts enkele grote oppervlakte eenheden bezitten en deze mochten niet meer waterverplaatsing genereren dan 10,000 ton. Onderzeeboten waren niet toegestaan. Een luchtmacht was zelfs in zijn geheel verboden. Voorts moesten verdedigingslinies worden ontmanteld, kust- en grensverdedigingen worden opgeheven en waren er gedemilitariseerde zones langs de Duitse grenzen. Zware inspectiecommissies zouden worden ingesteld om dit alles te controleren. Het waren bizarre eisen. Duitsland hield een grenslengte over van 4,500 km waarvoor zij maximaal 100,000 man mocht inschakelen. Dat betekende zo'n 25 man per kilometer grens in het westen. Ter vergelijking, het Franse leger anno 1920 had voor iedere kilometer van haar grenzen 6,750 man beschikbaar. De Duitsers hadden dan daarbij geen enkele tank, geen enkel vliegtuig, geen enkel stuk zwaar geschut en een handvol lichte ondersteuningswapens. Bovendien mochten de Duitsers geen enkel fort en geen kust- of gefixeerde batterij geschut bezitten. Volkomen onwerkelijke beperkingen die vroeg of laat zouden moeten leiden tot spanning.

Daarnaast moest Duitsland enorme herstelbetalingen afdragen aan de Entente, om te beginnen in natura en later in grote jaarlijkse bedragen. Een zwaar economisch juk werd op Duitsland gelegd, wat werd versterkt door het feit dat men ook geen grootschalige zware en technologisch hoogwaardige industrie meer mocht huisvesten. Een vlucht van werkgelegenheid was het gevolg, omdat Duitse bedrijven hun heenkomen elders zochten.

Duitsland werd een strop om de nek gelegd, en het was vooral Frankrijk dat de aanzet tot deze onwerkelijke sancties gaf. Maar voordat het Tractaat van Versailles tot uiteindelijke ondertekening kwam, zou België nog een knap staaltje opportunisme etaleren waarbij Nederland betrokken raakte. Wellicht hoopte men gebruik te maken van de irritatie die bij de Entente ontstond jegens Nederland toen de gevluchte Duitse Keizer asiel kreeg in dat land. Begin 1919 initieerden de Belgen een plan dat bij de oorspronkelijke Entente leden Frankrijk en Engeland werd neergelegd. Het betrof een correctie van de noordgrens van België ten koste van Nederlands grondgebied. De Belgen wilden Nederland Limburg annexeren, alsmede Zeeuws-Vlaanderen tot en met het kanaal van Gent naar Terneuzen om daarmee de souvereiniteit over de Westerschelde te kunnen afdwingen.

De Entente beschikte anders, hoewel men erkende dat het onafhankelijkheidsverdrag van 1839 aanpassing vroeg. Nederland was echter een neutraal land, en het werd door de Entente weinig opportuun geacht van dit neutrale land grondgebied af te pakken ten faveure van België. Anderzijds had men wel al besloten een deel van (Duits) Sleeswijk Holstein aan het eveneens neutrale Denemarken af te staan. Het volkomen verraste Nederland werd uitgenodigd zich tegen de Belgische claim te verdedigen in mei 1919 en zo geschiedde.

Een zware Nederlandse diplomatieke delegatie, onder leiding van minister Van Karnebeek, toog naar Parijs.Onder hen ook drie officieren van landmacht en marine. Van Karnebeek lobbyde zich wezenloos, en 3 juni 1919 presenteerde hij een goed doorwrochte repliek aan de vijf grote Entente leden. België verloor op vrijwel alle fronten, maar de Entente legde beide landen wél op om in redelijkheid het verdrag van 1839 te herzien middels bilateraal overleg. In Nederland ging een zucht van verlichting op, en ware volksfeesten in Limburg en Zeeland waren het gevolg. Een bilaterale overeenkomst zou er voor de Tweede Wereldoorlog overigens niet meer komen. Het enige resultaat dat bleef was dat Nederland en België wantrouwig tegenover elkaar bleven staan en de relatie koel en zakelijk bleef tussen beide landen.

Er gebeurde nog meer zo vlak na het einde van WOI. Zoals kort aangehaald bood Nederland asiel aan de gevluchte Keizer Wilhelm, en laadde daarmee de woede van de Entente op zich. De neutraliteit van Nederland prevaleerde echter boven de politieke druk die de Entente op Nederland legde, en Nederland weigerde in 1920 de Keizer uit te leveren aan Frankrijk. Toen Nederland later lobbyde voor de hoofdzetel van de Volkenbond in Den Haag bleek al snel dat de relatie van Nederland met de Geallieerden danig was verstoord. Nederland kreeg geen enkele stem bij de bepaling van de locatie van de hoofdzetel. Alle stemmen gingen naar Geneve of Brussel. Wel kreeg Nederland het Internationale Hof van Justitie, maar dat was slechts een schamele compensatie. Ondertussen verbond België zich weer met Frankrijk, en gaf daarmee haar neutrale status op. Frankrijk was er gelukkig mee, want het zag België als gunstige buffer voor haar noordgrens.

De Belgische annexatiepoging

Het is van belang de Belgische annexatiepoging van Zeeuws-Vlaanderen en Limburg kort nader te beschouwen. Er heerst in Nederland nogal wat onbegrip over die zaak, zelfs vandaag de dag nog.

Er was bij de claim op Zuid-Limburg in feite geen sprake van een kwaadaardige Belgische opzet, of kinnesinne uit de voorbije korte periode dat het Belgische grondgebied onder het Koninkrijk der Nederlanden viel. In feite was de Belgische claim zelfs zeer logisch.

Als er over deze kwestie wordt geschreven in Nederland, dan overheerst vaak een nationalistische of chauvinistische focus. Men acht de Belgische claim bruusk en brutaal en vooral opportuun. Dat was zij ten aanzien van Zuid-Limburg alles behalve.

België was zwaar getroffen door de Eerste Wereldoorlog. Hoewel men zich terdege bewust was dat de eigen voorbereidingen en de staat van het leger in augustus 1914 zeer onvolkomen waren geweest, herkende men een groot defensie probleem in de hoedanigheid van de landsgrenzen aan het oostelijk- en noordoostelijk deel van het land. De Belgen realiseerden zich terdege dat de Duitsers bij een mogelijk nieuw conflict, Nederlands Limburg niet zouden omzeilen. Dat betekende dat de Belgische defensie zich in die sector afhankelijk moest opstellen van de Nederlandse defensieve maatregelen. En reeds tijdens WOI was gebleken dat daarbij bepaald geen zwaartepunt in Nederlands Limburg lag. Dat gegeven bevreesde de Belgen niet alleen voor een directe oostelijke bedreiging doordat Limburg zo onder de voet zou worden gelopen, maar eveneens voor de vrijwel open sector ten noorden van Limburg. Daardoor zouden Duitse troepen via Noord Brabant België vanuit het noorden kunnen bedreigen. Het zou betekenen dat België een vrijwel rondom beveiliging nodig zou hebben om het land enigszins verantwoord te beveiligen tegen een Duitse bedreiging.

De kwestie betreffende Zeeuws Vlaanderen lag enigszins anders. Het was een alleszins terechte Belgische grief dat Zeeuws Vlaanderen bij de onafhankelijkheidsbepalingen van België de meest onlogische gebiedstoedeling was geweest. Het bewuste deel van de Zeeuwse provincie grensde in feite niet eens aan Nederlands land, slechts aan de Westerschelde. Het Belgische bezwaar was echter vooral dat hun grote haven Antwerpen afhankelijk was van een (te smalle) toegang die via Nederlandse wateren voer, en bovendien dat in 1839 was bepaald dat de haven als zuivere handelshaven was bedoeld. Met andere woorden, België kon het niet als oorlogshaven gebruiken in tijden van internationale spanning of oorlog. Maar de Belgen vermengden deze terechte grieven wel degelijk met economische en annexionistische belangen. Zo eist men ook een veel betere waterbouwkundige ontsluiting van Antwerpen en noord België met Nederland én met Duitsland.

Uiteindelijk eindigden de Belgische eisen met een volledige nul op het rekest, zoals reeds omschreven. Dat zou grote gevolgen hebben voor de verhoudingen, zowel militair als politiek maar evengoed maatschappelijk. Pogingen van de Belgen om alsnog een soort van compromisbeleid te bereiken, zoals de gezamenlijke soevereiniteit over de Westerschelde en gezamenlijke defensie van Limburg en het oosten van Noord-Brabant, stuitten hard af op de Nederlandse rigide afzijdigheidspolitiek. Slechts enkele waterbouwkundige projecten van Nederlandse zijde waren vruchten die de Belgen - overigens nog lange tijd slechts op papier - konden plukken van het geheel.

De spanning stijgt weer

België leed enorm onder de leegroof en vernieling die haar tijdens WOI ten deel was gevallen. Het bezette land was ontdaan van werkelijk al haar industriële en materiële rijkdommen, en daardoor was de economie van het land volkomen geruineerd. Pas halverwege de twintiger jaren kwam er een duidelijk economisch herstel op gang, maar de financiële wereldcrisis in 1929 was ook voor België een ramp. Wederom kwam een periode van vijf tot zes jaar dat het land enorme werkloosheid en kansloosheid kende, en net als elders kwam het herstel pas vanaf 1935 langzaam op gang.

In Nederland en België was er een grote parallel te vinden in de sociaalmaatschappelijke ontwikkeling van de beide landen. Algemeen stemrecht voor mannen werd ingevoerd en stemrecht voor vrouwen, zij het in België later dan in Nederland, werd ook mogelijk gemaakt. Vele sociale en economische hervormingen leidden tot substantieel betere arbeidsomstandigheden. De democratie werd verfijnd en voorname sociale structuren ontstonden. Als tegenbeweging ondervond België ook - in sterkere mate dan Nederland - een autoritaire tegenrevolutie in de politiek en maatschappij. De Belgische equivalent van Anton Mussert werd gevonden in de bekende Waal Léon Degrelle, die het later binnen de Waffen SS tot generaal zou schoppen.

België had zich in 1920 - vooral op aandringen van haar zuiderbuur - met Frankrijk verbonden en haar neutraliteit opgegeven. In 1925 veranderde dat in enige mate. Het Verdrag van Locarno werd in Londen gesloten tussen Engeland, Frankrijk, Italië, België en Duitsland. De bepalingen van dit verdrag voorzagen in een Duitse belofte België en Frankrijk nooit meer aan te zullen vallen en de grenzen van 1919 te erkennen. Duitsland kreeg dezelfde garanties van de anderen. Frankrijk lieerde zich met Polen en Tsjechoslowakije en gaf hen defensiegaranties. Duitsland mocht zich bij de Volkenbond aansluiten. Het verdrag hield stand tot 1936, toen Adolf Hitler het opzegde. Spoedig hierna zegde België haar verbond met Frankrijk uit 1920 op. België besloot zich in 1937 toch weer als neutraal land te profileren, niet in de laatste plaats door actief optreden van Koning Leopold. Die Belgische neutraliteit had echter een licht andere vorm dan de Nederlandse. Daar waar Nederland strikte neutraliteit uitlegde als geheelonthouding van enig verbond, kreeg België van de oud Locarno bondgenoten Frankrijk en Engeland wel een garantie dat indien het land werd aangevallen deze naties zouden assisteren bij de verdediging. Dat deze genereuze toezegging niet gespeend was van eigen belang zijdens de oude Entente mag de begrijpende lezer duidelijk zijn. Anderzijds hadden de Belgen weinig andere keuze dan zich te manoeuvreren tussen de vele krachten en machten die het land bespeelden. Daarom werd België een werkelijke neutraliteit onmogelijk gemaakt en was hun opstelling beter als 'onafhankelijk' te typeren.

Nederland en België voeren nadrukkelijk een andere koers in de periode tot 1936. Nederland had zich uitdrukkelijk tot afzijdige staat verklaard in de veronderstelling dat dit haar buiten WOI had gehouden. Daarom zocht Nederland vooral aansluiting bij de traditionele neutralen, de Scandinavische landen. Het verbond van zogenaamde ex-neutralen [de zogenaamde Oslo Staten, waar 'ex' in ex-neutralen verwijst naar de periode tijdens WOI] liet geen landen toe die zich anderszins hadden verbonden, zoals België. Pas nadat het Verdrag van Locarno in 1936 wegens Duitslands opzegging in rook was opgegaan, ging de deur naar België open voor aansluiting bij het losse verbond der ex neutralen. Inderdaad was België vanaf 1938 een aantal maal in Noorwegen bij besprekingen der ex-neutralen. Zwitserland en Spanje waren echter inmiddels afgevallen. De Zwitsers om hun moverende redenen en Spanje vanzelfsprekend vanwege haar burgeroorlog. Het verbond stelde daarom nauwelijks meer wat voor anno 1936, en werd al helemaal niet gepruimd door Frankrijk en Engeland.

In 1936 veranderde veel. Door de militaire herbezetting van het Rijnland door Duitsland, de acties van Italië in Ethiopië en de Spaanse burgeroorlog kwamen twee belangrijke verbonden op losse schroeven te staan. Het Locarnoverdrag werd onhoudbaar en sneuvelde officieel in 1937, en het Oslo Staten verband verloor Spanje als prominent lid. Bovendien besloot Zwitserland tot absolute neutraliteit en trok zich uit alle verbonden terug, hoewel de hoofdzetel van de Volkenbond in Geneve mocht blijven zitten. De herbezetting van het Rijnland had echter voor België een extra bedreigende betekenis. Het Belgische defensieplan dat gedurende het interbellum was ontwikkeld en vorm gegeven, ging uit van een onbezet Rijnland, wat een ruimte- en tijdbuffer bood indien Duitsland zich wederom agressief zou willen manifesteren. Nu de Duitse legers weer tot aan de rijksgrenzen konden komen, veranderde dit voor de Belgische defensieplannen veel.

Belgisch-Nederlandse afstemming defensie

De Nederlandse en Belgische verhoudingen verbeterden zich, ten opzichte van de voorgaande bijna 100 jaar, aanmerkelijk in de paar jaar voor mei 1940. Beide landen hadden zich weer op strikte neutraliteit georiënteerd, net als voor WOI, hoewel Nederland zich uit de aard der zaak deze positie beter kon veroorloven. Formele pogingen toch een zekere afstemming in defensiebeleid te krijgen [BNMA, Belgisch-Nederlands Militair Akkoord] faalden echter door toedoen van Nederland. Hoewel hierbij beslist nog wantrouwen uit 1919 en 1920 een rol speelde, was met name Nederland beducht voor verwijtbaar in strijd handelen met de strikte afzijdigheid die een neutraal land diende te betrachten. Het braafste jongetje in de klas voorkwam zo een vruchtbare kans om tenminste enige defensie afstemming te vinden met België, waarvan het wist dat het zich op de achtergrond gesteund wist door Engeland en Frankrijk. Anderzijds was het België dat zich - logischerwijs - vooral op de Entente bleef richten en de (latere) beperkte Nederlandse initiatieven tot (informele) afstemming nogal arrogant bejegende. Daarbij was het de Belgen in de laatste fase van het interbellum duidelijk geworden dat de Nederlandse defensie dusdanig zwak was, dat in het onverhoopte scenario van een Duitse aanval op alleen Nederland, België met een BNMA wel eens zwaar gedupeerd kon worden! Met name de Belgische generaal Van Overstraeten vreesde de verwezenlijking van dit scenario.

Het bijzonder schimmige en complexe spel dat Nederland en België onderling speelden in de laatste vijf jaar van het interbellum is goed voor een boek op zich. Zeker is dat aan Belgische zijde een samenwerkingswil op gebied van defensie prominenter speelde dan aan Nederlandse kant, wat om redenen van de noordelijke omvatting (voor de Belgen) ook begrijpelijk is. In België was echter ook veel actiever bezig met de buitenlandse politiek omdat men zich zo bewust was van de ligging van het land en de zekere betrokkenheid indien het wederom tot een grote Europese oorlog zou komen. Uit vooral ego-strategisch oogpunt ambieerde men in België een hechte samenwerking met de Nederlanders. Die bleven echter om eenzelfde reden [egoïstische strategie] op hun beurt onvermurwbaar ten aanzien van de strikte neutraliteit, waarin overigens tot september 1939 door het gros der Nederlandse landsbestuurders hardnekkig werd geloofd. Maar ook na de inval in Polen deed Nederland na 1939 geen enkele formele poging tot het ook maar enigszins aanhalen van de banden met België, Frankrijk of Engeland. Overigens liep België net zo goed op eieren, en werd dat land in het bijzonder steeds door Frankrijk en Engeland overstelpt met verzoeken tot actieve militaire samenwerking, zelfs inclusief het reeds vooraf toelaten van militaire eenheden op haar grondgebied. Hoewel België bij monde van generaal van Overstraeten de Nederlanders isolatiepolitiek zou verwijten, deed België binnen haar mogelijkheden weinig anders, zij het dat de Belgen veel beter begrepen dat een neutrale staat natuurlijk best scenario's mag uitwerken in geval de neutraliteit niet wordt eerbiedigd. België was in dit opzicht veel realistischer dan Nederland.

Er werden in het schaduwcircuit door Nederlandse militairen en diplomaten wel voorzichtig contact gezocht en onderhouden met de Franse en Belgische militaire autoriteiten. Nederland en België informeerden elkaar over hun defensies en wisselden agressie van de belligerenten boven hun grondgebied uit. Gazant Van Harinxma en ook attaché Reylandt [later kapitein P.L.G. Doorman] hadden uitstekende contacten in Brussel. En ook de Nederlandse militaire attache voor Frankrijk, overste (later kolonel) Van Voorst Evekink, had een aantal contacten met de staf van het Franse leger. Ook werden contacten gelegd met de Belgisch militair attache in Den Haag [kolonel S.B.H. Diepenrijckx], met name in de periode voordat Winkelman aantrad als OLZ. Die contacten waren allen vooral geënt op twee zaken. De eerste kwestie was de aansluiting van de Nederlandse verdedigingslinie in Brabant - de Peel-Raamstelling - die bij Weert op Belgisch grondgebied dood liep. Nederland wilde de Belgen bewegen daarop aan te sluiten. De tweede kwestie die Nederland boeide was de intentie die de Fransen zouden hebben om de Nederlandse zaak te steunen, wat vooral ging spelen toen Winkelman de scepter was gaan zwaaien. Op beide kwesties wordt nader ingegaan.

De Peel-Raamstelling was de meest markante kwestie. Deze linie was in 1934 ontstaan en later uitgebouwd tot de best voorbereide Nederlandse linie. De linie had enige diepte, had een kracht in haar opstelling achter moerassen en een waterbarriere en was voor Nederlandse begrippen behoorlijk verdiept en betonneerd. De linie was natuurlijk en kunstmatig sterk op het grootste deel van zijn breedte, maar kende zwakke uitersten. Het noordelijk deel was goed ontsloten en kende geen natuurlijke hindernissen, waardoor de linie hier kwetsbaar was. In het noorden sloot de linie aan op de hoofdstellingen van de dwars door het land getrokken demarkatielijn, die lange tijd de hoofdweerstand van het Nederlandse veldleger zou moeten vormen tot dat het zich tenslotte op Vesting Holland zou terugtrekken. In het zuiden echter sloot de linie niet aan op bestaande Belgische defensie voorzieningen. De Zuid-Willemsvaart, waarachter het zuidelijke deel van de Peel-Raamstelling zich bevond, liep op Belgisch grondgebied door en sloot middels verbindingskanalen en een scherpe bocht naar het oosten ten noordwesten van Maastricht aan op het Albertkanaal. Dat Albertkanaal was pas in 1939 gereed gekomen. Het verbond de oostelijk Belgische stad Luik - een voornaam defensief bolwerk - via een noordwestelijke boog ten zuiden van de landsgrens met Nederland, met Antwerpen. In 1940 was het kanaal nog niet officieel geopend. Het vormde echter spoedig de eerste voorname Belgische defensielinie die liep vanaf de forten bij Luik tot aan Antwerpen. België had deze linie vooral ingericht omdat Nederland de Maas in Limburg niet hardnekkig wenste te verdedigen, en omdat het Rijnland niet langer als buffer bestond. Daarom zou de linie langs het Albertkanaal als een eerste weerstand moeten gelden om ontplooiing van Belgische en Geallieerde troepen in de hoofdverdediging [KW linie tussen Koningshooikt en Waver] te kunnen laten slagen.

Het gebied tussen het Albertkanaal en de Nederlandse grens bij Weert was een gapend gat in de defensie tussen Nederland en België. De Belgen hadden wel diverse posten langs de Zuid-Willemsvaart geplaatst, maar een aanzienlijk deel bleef onverdedigd. Tot februari 1940 had de Belgische generaal Van Overstraeten nog enige troepen in gedachten gehad om het gebied te bezetten, maar toen hem bekend werd gemaakt door de Nederlanders dat de Peel-Raamstelling niet langer de meest prominente Nederlandser linie zou blijven, schrapte België die troepen. Voor de Belgen bleef het gebied ten noorden van het Albertkanaal daarom voorpostenland en had de taak van een vooruitgeschoven stelling. Grenswielrijders en enkele onderdelen van de Ardense Jagers waren hier gelegerd met eenzelfde taak als weerstandbiedende voorposten in Nederland. Een eerste hardnekkige weerstand in dit gebied was voor de Belgen een ongewenste zaak, omdat de hele defensiestrategie was toegespitst op eerste echte weerstand langs de dekkingsstelling [Albertkanaal] om de tegenstander vervolgens op de weerstandstelling [KW linie] te laten vastlopen. Het gebied ten noorden van het Albertkanaal had in de Belgische strategie dezelfde functie als het gebied ten oosten van de Maas- en Yssellinie in Nederland.

Nederlandse historici verbazen zich nog wel eens over de opstelling van de Belgen in 1939 en 1940, toen zij apert weigerden om het gebied ten noorden van het Albertkanaal tot aan Weert ook te voorzien van een verdediging conform de dekkingsstelling langs het Albertkanaal. Die keuze was echter binnen het doorwrochte Belgische defensieplan volmaakt logisch. Wat Vesting Holland voor Nederland was, waren de KW-stelling en de binnenlandse stellingen [het gefortificeerde westen van België] voor België. Daarbij was het Nederland dat de Belgen niet tegemoet kwam door Limburg nauwelijks te verdedigen en te volstaan met vernielingen als voornaamste defensiemiddel voor dat gebied. Toen als klap op de vuurpijl de Belgen vernamen van de opgave van de Peel-Raamstelling als hardnekkige verdediging werd geen soldaat meer in het gebied gelegerd. Op zich - vanuit Nederlands perspectief - was de weigering de Maas in Limburg zwaar ter verdediging in te richten overigens ook weer begrijpelijk. Zo was duidelijk dat beide landen, om hen moverende redenen, niet aan elkaars wensen tegemoet kwamen. Het was echter in beider belang geweest als Nederland t.h.v. Tilburg een linie had aangelegd, die zowel aansloot op de Belgische opstelling ten noordoosten van Antwerpen (het kanaal van Turnhout) als op de eigen stelling van het Oostfront Vesting-Holland nabij Heusden. Nederland besloot daar niet toe.

De kwestie die Nederland tevens boeide was welke ambitie de Fransen zouden hebben richting steun aan Nederland. Die kwestie was ook in enige mate verbonden met de houdbaarheid van de Peel-Raamstelling als prominente Nederlandse stelling. Van Voorst Evekink, de attache in Parijs en Brussel voor Nederland, kwam ondertussen met informatie uit veldverkenningen bij de diverse buitenlandse staven. Hij had op 29 maart en 5 april 1940 uitgebreide gesprekken met Gamelin en zijn staf. Hij meldde dat de Fransen geen ambities zouden hebben oostelijker dan Tilburg te trekken en niet noordelijker dan het Hollands Diep [het plan Dyle met variant Breda]. Zij zouden slechts interesse hebben om zich in West-Brabant te begeven om daarmee Antwerpen af te schermen en aan te sluiten - voor zolang dat opportuun was - op de Nederlandse troepen ter hoogte van Breda en Moerdijk. Het was een accurate voorstelling van zaken die de attache gaf, want zijn bevindingen klopten feilloos met de inmiddels door de Fransen geambieerde Dyle-Breda strategie. Daarbij was die Franse oversteek ook een kwestie die op de achtergrond gevoelig bij de Belgen lag. Want wat als het scenario zo zou zijn dat slechts Nederland zou worden aangevallen en België en Frankrijk (nog) niet? België bleef in die zin uitgaan van strikte neutraliteit, een kwestie die op 10 mei zou leiden tot gesloten grenzen voor de Franse en Britse troepen die zouden moeten optrekken naar het noorden ...

Pikant is zeker dat de generaal-majoor Van Overstraeten, de adjudant van de Belgische Koning, de Nederlanders liet weten dat een linie ter hoogte van Tilburg-Turnhout zijn voorkeur genoot, te meer daar de Fransen volgens het scenarion Dyle-Breda niet verder westwaarts zouden willen trekken. De Belgische attaché kolonel Diepenrijckx inspecteerde in burger in de eerste week van maart 1940 de Peel-Raamstelling en beoordeelde die als volkomen ongeschikt voor langdurige verdediging. Hoewel dat oordeel overtrokken was [de Belgische hoofdverdediging aan de KW-linie was op de meeste locaties niet in betere staat] - en mogelijk zelfs als ondersteuning voor Van Overstraeten zijn suggestie voor een stelling bij Tilburg moest gelden - ging Winkelman niet in op de Belgische voorstellen. Die werden overigens wél gedeeld door de commandant Veldleger, die tot grote ergernis in het verleden al had 'doorgemekkerd' over een door hem tot Oranjestelling gedoopte linie ter hoogte van Tilburg, waarbij in dit geval een opstelling tussen Goirle - Tilburg- Waalwijk - Heusden werd bedoeld. Het was (vanuit de visie die Winkelman had over de strijd onder de rivieren) logisch dat de OLZ in maart 1940 de kanteling van de zuidelijke defensie niet meer wilde overwegen. De Belgen op hun beurt waren verbolgen over de Nederlandse opstelling en toen zelfs basale afspraken over grensbewakingen door Nederland werden geweigerd, sprak Van Overstraeten uitdrukkelijk van isolatiepolitiek aan Nederlandse kant. Dat was het ook, maar iedere partij wikte en woog op basis van het best denkbare eigen scenario, de Belgen evenzo. Hun ambitie tot aansluiting op de Nederlandse defensie waren ook zuiver ingegeven om het Belgische theater beter beheersbaar te houden. Overigens, hun goede recht natuurlijk en - eerlijk beschouwd - hadden de Belgen theoretisch in elk geval een realistischer beeld bij de zaken dan hun noorderbuur. De Nederlandse opstelling moet aan Belgische kant haast wel als blassé en misplaatst arrogant zijn overgekomen.

De situatie was helder. De Belgen zouden niet aansluiten op de Peel-Raamstelling en de Fransen zouden niet verder willen optrekken dan het westen van Tilburg. Het betekende inderdaad dat de Nederlanders zelf de Peel-Raamstelling zouden moeten verdedigen, bovendien in de wetenschap dat het zuiden ervan in het luchtledige zou zweven. De in 1939 aangestelde opperbevelhebber Generaal Reynders hield vast aan een hardnekkige verdediging van de Brabantse linie met steun van de Lichte Divisie voor zijn kwetsbare rechterflank. Hij meende te mogen denken dat de Duitse doctrine geen ruimte bood voor uitvoerige omtrekking van de stelling. Hij handhaafde zijn standpunt dat ruim een kwart van het Veldleger achter de linie gelegerd zou blijven te meer daar Reynders overtuigd was van de noodzaak tot verbonden strijd tegen de Duitsers. Na zijn aftreden in de eerste week van februari 1940 bleek zijn opvolger generaal Winkelman uiteindelijk anders tegen de zaak aan te kijken. Winkelman overwoog - na ook inventaris van de Franse plannen te hebben gemaakt - dat zijn kleine leger de risico's van uitschakeling of omsingeling van een aanzienlijk deel van het Veldleger in Brabant niet kon lopen en besloot de Peel-Raamstelling alleen als voorverdediging te verdedigen en slechts met gebruikmaking van een versterkte Peeldivisie. Het 3e Legerkorps - zonder zes bataljon die werden opgenomen in de Peeldivisie - alsmede de Lichte Divisie zouden snel teruggetrokken worden binnen Vesting Holland. Daarmee werd inderdaad de isolatiepolitiek van Nederland actief gematerialiseerd. Een Belgisch-Nederlandse samenwerking in geval van een Duitse inval was daarmee defintief van de baan.

Winkelman koos dus voor een scenario waarbij hij besloot om alle troepen naar de Vesting-Holland te halen en de verbonden strijd niet te aanvaarden, althans daaraan geen enkele bijdrage te leveren. Alleen op papier wilde Winkelman wel de schijn wekken dat de neutraliteit ook onder de rivieren werd bewaakt, zodat hij ondanks zijn plannen om het legerkorps en de LD terug te trekken na de eerste oorlogsdag, ze desondanks geheel in Noord-Brabant liet liggen. Zij zouden onder gevaarlijke oorlogsomstandigheden in de meeste gevallen vele tientallen tot wel meer dan 100 km moeten verplaatsen. Zonder dekking van eigen luchtmacht of luchtafweer. Bovendien betekende het plan van Winkelman dat Nederland meende kennelijk zelf de strijd wel te kunnen voeren. Curieus genoeg dacht Winkelman dat de Geallieerden uiteindelijk het belang van een vrij Nederland wel zouden inzien en alsnog zouden verschijnen met aanzienlijke krachten. Een waanidee dat bovendien alles behalve geholpen werd door het feit dat Nederland zich direct aan diezelfde verbonden strijd onttrekken zou. Wetende dat de Nederlandse krijgsmacht slechts voor twee weken infanteriemunitie had en voor slechts enkele dagen munitie voor luchtafweer, was de overweging van Winkelman tamelijk onwaarschijnlijk te noemen. Hij koos bij voorbaat voor een verloren defensie, die bovendien geïsoleerd zou worden gevoerd.

De kwestie van deze strategische keuzes die beide landen maakten zou niet alleen in mei 1940 en nasleep tot enerverende discussies en analyses leiden, maar wordt zelfs anno nu nog regelmatig besproken door terzake divergerend denkende (krijgs)historici. Weinig historici slagen er echter in de zaken in het juiste perspectief - dat van de gehele Geallieerde defensiestrategie - te zetten. In het volgende hoofdstuk wordt getracht dat wel te doen, en daarmee de zaken helder te maken voor de minder in de materie ingevoerde lezer.