Kruits mythe aan scherven

Inleiding

In december 2008 bracht de zojuist afgestudeerde auteur Peter Kruit een spraakmakend boek uit dat geschreven werd aan de hand van zijn afstudeerscriptie. Het is een qua omvang bescheiden auteursrechtelijk werk geworden, met de pretentieuze titel ‘Een mythe aan scherven’, subtitel ‘Een onderzoek naar de tactische gevechtsomstandigheden van mei 1940 op het Nederlandse strijdtoneel’.

'Een mythe aan scherven' - Peter Kruit

Kruit zijn scriptie kwam tot stand door onderzoek in de Rode Kruis dossiers, die informatie geven over de aard van de verwondingen van Nederlandse militairen die vochten in mei 1940. Op basis van een kwantitatieve inventarisatie tracht Kruit in zijn werkstuk een kwalitatieve beschouwing te geven van de tactische gevechtsomstandigheden. Hij noemt dat proces zelf een objectivering van de tactische gevechtsomstandigheden.

De uitgave van het boek werd niet in de bescheidenheid die bij het resultaat had gepast gelanceerd. In tegendeel. Pretentieus werd een persbericht uitgegeven alsof een gearriveerd historicus een enorm spraakmakend novum over het voetlicht had te brengen. In feite is sprake van een werk dat - ten aanzien van doorprikken van vermeende mythes en herbeschouwing van tactische gevechtsomstandigheden in mei 1940 - volkomen de mist in gaat en niets waar maakt van wat schrijver en persbericht beloven. Zonder enige gene heeft de auteur echter gemeend binnenlandse en buitenlandse media een persbericht te moeten sturen waarin feitelijke onwaarheden staan en waarmee hij de gehele Nederlandse krijgsgeschiedenis beschrijving tussen 1940 en 2008 in een paar woorden ridiculiseerde. Dit alles met steun en toeverlaat van professor Herman Amersfoort, die prominent een voorwoord invult voor Kruit en bovendien zijn studiebegeleider was. Daarmee straalt dit werkstuk eveneens negatief op Amersfoort af. Een keuze die de professor kennelijk welbewust heeft gemaakt.

Kruit bespreekt een aantal fronten, waaronder de strijd bij de Moerdijkbruggen en de overval op het vliegveld Waalhaven. Beide tonelen vormen prominent onderdeel van de bespreking op deze website. Daarom in deze sectie Uitgelicht een beschouwing van Kruit zijn bevindingen en analyses.

Opmerkelijk

Op het forum van de Grebbeberg site gaf auteur dezes al enige reacties op het werkstuk van Kruit. Daarbij de opmerkelijke vaststelling dat Kruit geen gebruik heeft gemaakt van gevechtsverslagen en onderzoeksrapporten naar de gevechtsomstandigheden in mei 1940, maar zich verlaten heeft – om toch een beeld van die verslagen te krijgen – op zeer gedateerde drukken van E.H. Brongers zijn producten over de meioorlog. In een interview in het Reformatorisch Dagblad reageerde Kruit op de kritiek van auteur dezes ten aanzien van het gebruik van oude drukken, dat in die verouderde uitgaven krijgsverslagen waren opgenomen die evident in nieuwere drukken niet zouden zijn gewijzigd. Spitsvondig, maar het zet de lezer aan het denken. Want Kruit melde in datzelfde interview immers dat hij de waarde van de krijgsverslagen niet erg hoog achtte en ze als uiterst subjectief in feite aan de kant wenste te schuiven. Waarom dan alsnog de extracten van authentieke krijgsverslagen uit een boek halen en deze niet in de archieven zelf bestuderen? Een wetenschapper die zich op secundaire bronnen verlaat, begeeft zich immers willens en wetens op glad ijs.

Een ander opmerkelijke zaak is de titel van het boek. Een auteur heeft alle recht zijn eigen titel te kiezen en deze zelfs prikkelend uitdagend te formuleren. Maar een titel kiezen als ‘een mythe aan scherven’ pretendeert een onthulling van formaat, schept hoge verwachtingen. Kruit vergaloppeerde zich met deze titel, want alle in de materie ingevoerde lezers van zijn boek zijn er al snel achter dat van een ontplofte mythe geen sprake is. Een vermeende mythe was volgens Kruit dat er tot de dag van vandaag aangenomen zou zijn dat er 2,680 gewonden aan Nederlandse kant vielen. Op de repliek van auteur dezes dat Lou de Jong al in 1969 sprak over 7,000 gewonden kon Kruit slechts tegenwerpen dat De Jong dat slechts kon benaderen maar dat hij [Kruit] het voor het eerst kon onderbouwen. Dat zal zo zijn, maar dan moet Kruit toch maar eens de etymologische betekenis bestuderen van het woord ‘mythe’. Want als de algemene aanvaarding bestaat dat er circa 7,000 gewonden zijn gevallen en Kruit kan na bestudering van dossiers slechts die aanvaarding bevestigen, dan heeft hij geen mythe ontkracht, maar een aanname als accuraat bevestigd. Verdienstelijk werk, maar door de pretentieuze titel zal dat weinig applaus oogsten. Als iemand zichzelf immers de lauweren al heeft omgehangen, hoeven anderen dat niet te doen.

Een andere mythe zou zijn dat de algemene perceptie was dat de meeste gewonden door granaatwerking zouden zijn gevallen. Dat is een mythe die Kruit geheel zelf heeft bedacht. Ik bestudeer de geschiedenis van de meidagen 1940 al ruim 25 jaar en ben die mythe – of iets dat er ook maar naar neigt – nooit tegengekomen. Zinloos dat verder te ontkrachten. Die mythe is een verzinsel van Kruit zelf geweest. Kennelijk moest het boek rond de titel worden geschreven en niet de titel bij het boek worden bedacht.

Wat auteur dezes in het hele werk – en ook het interview met het RD – het meeste stoorde, was de arrogantie van Kruit dat hij meent met een flinterdunne vertaalslag vanuit een kwantitatieve analyse een kwalitatieve analyse van de tactische omstandigheden tevoorschijn te kunnen toveren en die te poneren als objectiever dan de verzameling krijgsverslagen en daarover bestaande analyses door gearriveerde militaire analytici zoals de generaals van Hilten en Nierstrasz. Want hoewel objectivering letterlijk niet veel meer of minder inhoudt dan ‘tot de feiten beperkt’, vind ik de wijze van presentatie ‘snotneuzerig’. Kruit zijn bestudering van zaken is veel te kleinschalig en in tactische en militair-technische zin veel te maagdelijk om dergelijk pretentieuze teksten te uiten. En dan praat ik nog niet eens over de resultaten van sec zijn objectiveringslag. Want die tonen onomstotelijk aan dat zijn vertaling vanuit kwantitatieve gegevens geleid heeft tot veelal groteske onzin. Spoedig zal duidelijk worden waar auteur dezes op duidt. Dan kan de lezer zelf vaststellen waar zijn oordeel op mag rusten.

Kruit en Amersfoort

Het is gebleken dat Kruit is afgestudeerd bij professor Herman (J.M.M.) Amersfoort. Amersfoort is docent aan zowel de Universiteit van Amsterdam als de KMA [tegenwoordig 'Nederlandse Defensie Academie' genoemd]. Deze historicus is bekend om zijn vooruitstrevende wijze van analyseren van de geschiedenis. Daar is op zich niets mis mee, want hij lokt discussie uit en daarmee verbreedt het vak en de kennis zich. Het is echter niet goed te plaatsen waarom een gearriveerd historicus als Amersfoort zich heeft ingespannen om dit werkstuk met zoveel bombarie het levenslicht te doen laten zien. Amersfoort had op de vingers kunnen uittellen dat dit werkstuk met veel hoongelach zou worden ontvangen [gezien de kwaliteitsarme inhoud] door alle ingevoerde historici, amateur of niet. Daarmee straalt de gebrekkige kwaliteit van het werkstuk ook op Amersfoort zelf af, wat de logische vraag doet opwerpen wat hij daarmee wilde bereiken.

Tragisch is het dat Kruit in het interview met het RD zijn criticasters de mond denkt te moeten snoeren met een oneigenlijke verwijzing naar een inmiddels verstofte discussie tussen enerzijds oorlogsveteranen, de voorzitter van Stichting de Greb en E.H. Brongers en anderzijds de heren Amersfoort en Kamphuis in relatie tot de wijze van presenteren van conclusies omtrent oorlogsmisdaden in de meidagen van 1940 door de laatste twee heren. Kruit maakt zich er erg gemakkelijk vanaf door te zeggen dat de kritiek van auteur dezes op zijn werk wel zal zijn voortgekomen uit de oude voornoemde controverse. Daar is echter geen sprake van en vooral geen aanleiding toe.

Vooreerst leeft er geen wrok of overdreven vooringenomenheid jegens Herman Amersfoort en ten tweede is de heer Kruit in de controverse die hij aanhaalt helemaal geen speler geweest. Geen enkele aanleiding hem wegens die controverse negatief te bejegenen. Feit is dat de heer Kruit door auteur dezes is benaderd per mail en middels forumoproepen, maar niets van zich liet horen. Die contacten werden gelegd voordat er op het forum een beschouwing van het werkstuk werd gegeven. Hij wilde de inhoudelijke discussie simpelweg niet aan gaan. Dat mag, maar dan moet men zich niet verschuilen achter oneigenlijke en gezochte argumenten. Dan toont men zich klein.

Het werk van Kruit is op de eigen merites beschouwd. Daarbij heeft enige band van Kruit met Herman Amersfoort geen enkele rol gespeeld. Het zal auteur dezes een lief ding waard zijn als historici, van welke signatuur, statuur of origine dan ook, kwalitatief goede werkstukken leveren over mei 1940. Ook Herman Amersfoort kan dan op applaus en ondersteuning van auteur dezes rekenen.

Moerdijkbruggen

Op de pagina’s 83 tot en met 86 beschrijft Kruit de gebeurtenissen rond de Moerdijkbruggen in de ochtend van die 10e mei 1940.

De korte introductie toont al een incompleet beeld van de Nederlandse verdediging, maar dat is niet heel erg relevant voor het verhaal. Wel relevant – en tegelijkertijd typerend – is de volgende passage:

De landing van de Fallschirmjäger volgde het vaste stramien; eerst voerde de Luftwaffe een bombardement op de barakken en opstellingen van de Nederlandse troepen uit, vervolgens sprong aan elke zijde van de bruggen een half bataljon parachutisten. In de loop van 10 mei daalde wat noordelijker, langs de Zeedijk, een reserve bataljon parachutisten”.

Dat vaste stramien [quod non] laten we maar even grotendeels voor wat het is. Dat was er natuurlijk helemaal niet, want voor iedere locatie was een afwijkend scenario van toepassing en bovendien was er nauwelijks sprake van een bombardement. Er viel een bescheiden aantal bommen dat vooral bedoeld was om de luchtafweer uit te schakelen. Eén vliegtuig voerde een bombardement met vier bommen uit op de barakken bij Willemsdorp en twee vliegtuigen bombardeerden de (onbezette) stelling van 12.MC langs de Rode Vaart onder Moerdijk.

Voornamer is de laatste zin, over het reservebataljon. De terminologie is hier verkeerd. Kruit duidt daarbij immers op I./FJR1. Dat was geen reservebataljon. Zelfs als het een bataljon was dat een operationele reserve zou vormen, dan was het geen reservebataljon, want die term verwijst naar het in het Duitse leger gebruikelijke ‘Ersatzbatallion’ dat ieder regiment had. Zo ook FJR1 (hoewel het slechts uit één compagnie bestond, die overigens op 11 mei landde nabij Dordrecht). Dat de beide bij Tweede Tol gelande Duitse compagnieën van I./FJR1 uiteindelijk een rol als tactische manoeuvre eenheid hadden, is juist. Alle overige compagnieën hadden vaste doelwitten, de beide compagnieën bij Tweede Tol konden, ondanks een algemene taak van het vrijhouden van de corridor Moerdijk - Dordrecht, door de regimentscommandant vrijelijk elders worden ingezet. Als dat bedoeld is, dan is het slecht gepresenteerd, maar de bedoeling min of meer juist. Hieronder nuanceren we dat nader.

Kruit stelt overigens dat I./FJR1 'in de loop van 10 mei daalde’. Het sprong daarentegen gelijktijdig af met het 2e Bataljon bij de bruggen en landde globaal ten zuidoosten van Amstelwijk en langs de Zeedijk. Alle drie de compagnieën [de 1e compagnie is niet ingezet, maar was uitgeschakeld in Noorwegen] van het bataljon hadden in de eerste fase een operationele taak, waarvan echter die van 2. en 4./FJR1 niet zwaarwegend was, waardoor zij anders inzetbaar waren, als de regimentscommandant dat besliste. En dat was ook zo opgenomen in de Duitse plannen. De 3e Compagnie landde met haar hoofdmacht in de Polder (wijk Krispijn, Dordrecht) en met een peloton aan de Zwijndrechtse zijde van de bruggen over de Oude Maas. De compagnie diende de Dordtse bruggen in te nemen, wat een zwaarwegende taak was, die niet kon worden omgezet. De 2e en 4e Compagnie hadden als opdracht om primair de Nederlandse weerstand op te ruimen langs de rijksstraatweg en bij Amstelwijk, en secundair de 3e Compagnie te assisteren bij de bruggen over de Oude Maas alsmede de rijksweg en de Kil te beveiligen tegen Nederlandse tegenmaatregelen. Als het bataljon de taak had volbracht van verovering en beveiliging van de bruggen zou zij - volgens het geplande scenario - inderdaad als tactische reserve ter beschikking komen van C-FJR1. Dat zou echter pas gebeuren nadat een bataljon van IR.16 vanuit Waalhaven te Zwijndrecht zou zijn gearriveerd om I./FJR1 daar af te lossen. Desondanks konden de beide voornoemde compagnieën door regimentscommandant Oberst Bräuer anders worden ingezet. Men kan dus vaststellen dat ze tactisch gezien als vrije manoeuvre eenheden een reserverol hadden.

Een volgende citaat over de strijd op het Eiland van Dordt, ten zuiden van de stad:

In totaal zijn op 10 mei op het zuidelijke gedeelte van het Eiland van Dordrechten het Bruggenhoofd Moerdijk ongeveer 71 gewonden gevallen en zijn 61 militairen gesneuveld. Het is zeer opvallend dat 52% van de gewonden bij een luchtafweer- of artillerie-eenheid hoorde. Wellicht waren er door de overval van de barakken niet veel infanteristen over voor een gevecht waardoor er relatief weinig gewonden zijn.

Een wild suggestieve slotzin! Allereerst waren de meeste door de parachutisten direct omsingelde en uitgeschakelde ‘barakken’ [in wezen boerderijen waar troepen gekwartierd waren] op het eiland van Dordrecht gevuld met artilleristen. Alleen bij Willemsdorp werden twee secties infanterie uitgeschakeld door gevangenneming vlak na de landing. Maar de aanleiding voor de relatief vele gewonden onder de artilleristen is eenvoudig te geven. Het waren vooral de manschappen van 14.RA en 17.RA, die in de vroege uren eerst hun wachten overvallen zagen en vervolgens een aantal moedige, maar risicovolle tegenacties ondernamen tegen de Duitse posities. Daarbij raakten vele artilleristen gewond en waren enige doden te betreuren. Bovendien waren er diverse manschappen van de artilleriestaf en staf 17.RA gewond geraakt toen hun (hoofd)kwartieren te Amstelwijck en Tweede Tol werden aangevallen. De luchtaanvallen in de ochtend alsmede de strijd rond Moerdijk hadden zich voor een belangrijk deel rond luchtafweer posities afgespeeld. Zo raakte een aanzienlijk deel van de 19e batterij luchtafweer betrokken bij de strijd rond Moerdijk - waarbij een aanzienlijk aantal slachtoffers viel. Studie van de gebeurtenissen had Kruit zijn slotzin kunnen doen inslikken. Overigens - taaltechnisch van aard - waarom werd die slotzin ineens anno 2008 in de tegenwoordige tijd geschreven?

Kruit houdt echter niet op bij voornoemde gekunstelde hypothese, maar gaat wild speculerend verder:

Vooral bij de 1e Afdeling van het 17e Regiment Artillerie, die nabij Willemsdorp opgesteld stond, zijn veel militairen gesneuveld en verwond; twaalf gesneuvelden en dertien gewonden. Dat zijn er relatief meer dan bij de 12e mitrailleurcompagnie; twee gesneuvelden en geen enkele zwaar- of middelzwaar gewonde. Het is opvallend dat de infanteristen van de 12 mitrailleurcompagnie zich niet of nauwelijks verweerd hebben. De angst veroorzaakt door het luchtbombardement was hen kennelijk teveel geworden.”

Deze hele passage is uiterst tendentieus geschreven. Vooreerst stonden de stukken van 17.RA niet vlakbij Willemsdorp, maar een flink stuk daar vandaan (noord van Den Engel). Daar was behalve een handvol manschappen van de wacht geen artillerist te bekennen. Belangrijker is dat de manschappen grotendeels nog veel verder daar vandaan waren gelegerd, nabij Dubbeldam. Zij kwamen vooral met I./FJR1 in aanraking. De reden voor hun hoge tol was zoals hierboven al aangegeven. Zij verrichten een aantal (tegen)offensieve acties in de open polders en leden aanzienlijke verliezen in Park Amstelwijk.

De vergelijking met 12.MC is volslagen irrelevant en pure willekeur. Van deze compagnie kwamen slechts twee van de vier secties werkelijk in intensief contact met de Duitsers. De eerste sectie (nabij de bruggen) kon zich direct overgeven omdat een compleet peloton parachutisten precies op haar stelling landde, terwijl de manschappen van de mitrailleursectie zelf op enige afstand van de wapens voor de Duitse vliegtuigen schuilden. Kansloos als zij waren zonder hun wapens, werden ze direct gevangen genomen. De tweede sectie die in contact met de Duitsers kwam, werd eveneens heel snel uitgeschakeld, omdat men zich bij Lage Zwaluwe dankzij buitengewoon zwak optreden van de compagniescommandant van 3-III-28.RI aldaar ook vrijwel direct aan de Duitsers moest overgeven. De beide andere secties – bij de Rode Vaart – trokken rond het middaguur terug op Willemstad na bevel daartoe te hebben gekregen. Zij hadden voordien overigens enkele bescheiden Duitse verkenningspogingen vanuit Moerdijk afgewezen. Het is dus een onhoudbare conclusie te stellen dat men zich nauwelijks verweerd heeft (zonder context), maar helemaal onzuiver om een slotzin te poneren dat men kennelijk door angst bevangen was. Dat is pure suggestie, die op geen enkele wijze werd onderbouwd bovendien.

Zowel bij de Maaslinie als bij de Grebbeberg en op het Eiland van Dordrecht hebben bemanningen van kazematten zich heftig verzet, ook als de situatie volledig hopeloos was geworden’.

Er was welgeteld één kazemat op het Eiland van Dordt waar men zich ‘heftig’ heeft verzet, en dat was de rivierkazemat aan de verkeersbrug. Deze kwalificatie van Kruit is een slag in de lucht en slaat in feite helemaal nergens op. En zo meteen zal blijken tot welke hoogte hij deze curieuze conclusie doorvoert.

14,1% van de gewonde militairen bij Dordrecht en de Moerdijk had een of meer scherfverwondingen, waarvan 81,8% in het onderlichaam.(…) Vergeleken met de andere locaties waar parachutisten geland zijn, is het percentage van scherfverwondingen aan het onderlichaam heel hoog. Alleen het cijfer van Ypenburg komt daarbij in de buurt: 76,5%. Deze verwondingen zijn in het Dordtse voornamelijk veroorzaakt door handgranaten. De Nederlandse infanteristen vochten in hun kazemat aan de noordzijde van de bruggen een verbeten gevecht. Dat zouden zij lang vol kunnen houden, maar niet als een handgranaat in de kazemat geworpen werd. In een besloten ruimte heeft de ontploffing van een handgranaat vanzelfsprekend een groot effect. Het is opvallend dat deze militairen bij Willemsdorp zeer veel meer verwondingen aan het onderlijf hebben. (…) Dat kan tot de conclusie leiden dat een deel van de militairen bij Willemsdorp deze verwondingen buiten de kazemat of de stelling hebben opgelopen. Het is ook mogelijk dat eerst een handgranaat geworpen is en dat daarna de bunker of stelling is gezuiverd met mitrailleurvuur. Gezien de vasthoudendheid van de kazematbemanning, lijkt het laatste scenario het meest waarschijnlijk.”

Wederom geldt dat als Kruit ook maar een fractie van de literatuur erop had nageslagen, hij behoed zou zijn voor deze kwaliteitsarme analyse. Vooreerst is het de ingevoerde lezer volmaakt helder dat bij Willemsdorp niet in kazematten of stellingen werd verdedigd, maar in hoofdzaak langs het talud van de weg aan de rand van het barakkenkamp en rondom de tunnel onder de rijksweg door. Slechts twee kazematten verzetten zich, waarvan één maar zeer korte tijd. De eerder genoemde rivierkazemat aan de verkeersweg met zijn dozijn bezettingsmanschappen was de enige versterkte positie die werkelijk door de Duitsers veroverd moest worden met geweld. De speculaties over de wijze waarop de rivierkazemat tot overgave werd gedwongen, zijn weer volkomen uit de lucht gegrepen. Het is de lezer vermoedelijk bekend dat handgranaten, rookpotten en zelfs direct vuur met pantsergeweren de Nederlanders niet tot overgave kon bewegen. Pas nadat de toegangsdeur van de kazemat met een gebundelde lading was opgeblazen, capituleerde men.

Voor het overige speelde alles zich in het open veld, rond het dorp en de rijksweg af. De vele gewonden door granaatscherven zijn goed verklaarbaar. Die kwamen bij Willemsdorp bijvoorbeeld voort uit de actie met de bus die van Tweede Tol kwam. Die bus met verkeerd gedropte parachutisten werd door de Nederlanders bij Willemsdorp tot stoppen gedwongen, de bemanning leek zich over te geven, waarop de Nederlandse soldaten de fout maakten grotendeels uit hun provisorische dekking te komen. Enkele welgemikte granaten uit de bus zaaiden dood en verderf. Tegelijkertijd kwam door de tunnel een groep parachutisten, die gebruik maakte van de verwarring aan de andere kant en granaten mikte tussen een concentratie Nederlanders. Zie daar de verklaring voor de relatief vele granaatverwondingen aan het onderlijf. Ook de inname van Park Amstelwijk ging gepaard met het gebruik van tientallen handgranaten, zoals alle gevechtsverslagen kristalhelder maken. De bizarre conclusies van Kruit spreken voor zich. Zoals gezegd, pure slagen in de lucht, amateuristisch giswerk. Maar hij gaat op dezelfde voet onverstoorbaar verder … :

Het gevecht op de noordoever is veel heftiger geweest en heeft langer geduurd. Van de 49 gewonden op de noordoever is 57% infanterist. Deze hebben zoals beschreven is in hoofdzaak vanuit hun stelling of kazemat gevochten. Het is zeer opmerkelijk dat buiten de stellingen en kazematten slecht bewapende artilleristen en niet de infanteristen in meerdere mate het gevecht zijn aangegaan.”

De conclusie dat men in hoofdzaak vanuit stelling of kazemat vocht is al weerlegd als volslagen onzin. Ook duurde het gevecht aan de noordzijde niet veel langer; het was wel veel intensiever dan aan de zuidzijde.

Slecht bewapende artilleristen? Ten opzichte van de infanteristen misten ze slechts enkele lichte mitrailleurs, maar de karabijnen waren even uitstekend als de geweren van de infanterie. Als Kruit had opgemerkt dat artilleristen verondersteld mogen worden minder goed te zijn geoefend in het infanteristische gevecht, had hij gelijk gehad. Overigens is het gezien de ontwikkelingen van de strijd natuurlijk niet zo opvallend dat de artilleristen de strijd zo opvallend veel aangingen. Ze zaten er immers onwillekeurig midden in. De infanterie, die daadwerkelijk in de strijd betrokken raakte, werd grotendeels omsingeld en uitgeschakeld. Dat kwam vooral doordat de infanterie de zwaartepunten van de Duitse doelwitten verdedigde en uit de aard der zaak als prominent doel telde. De weinig bij de strijd betrokken infanterie (twee compagnieën sterkte) zat voornamelijk in de bruggenhoofden, waar een deel (wegens ontbreken van munitie) direct kon worden uitgeschakeld. De artillerie daarentegen, zat buiten het Duitse landingsgebied en kreeg dus kans zich gereed te stellen en te bewapenen. Nogal een belangrijke nuance.

Daarmee is het hoofdstuk over de Moerdijkbruggen besproken. Het mag duidelijk zijn dat de kwalitatieve analyses van Kruit van uiterst bedenkelijk niveau zijn en de 'claim', dat zij een nieuw licht op de tactische gang van zaken zouden werpen, tot een bespottelijke en vooral misplaatste arrogantie devalueren. Objectivering ten koste van studie van krijgsverslagen en literatuur levert dit product op, althans bij deze onderzoeker. Het is vermoedelijk onnodig dit nog nader te kwalificeren. Dit heeft met een wetenschappelijke benadering, door de kennelijk op dit broddelwerk gediplomeerde Kruit, niets te maken. Het is een aanfluiting.

Waalhaven

Het hoofdstuk over Waalhaven [blz 69 t/m 74] is minder speculatief geschreven dan dat over de Moerdijkbruggen, alhoewel ook bij de bespreking van deze overval veel onjuistheden hadden kunnen worden voorkomen.

Aan het begin van het bombardement was het 3e bataljon Jager vrijwel direct zijn bataljonsreserve en de 3e Compagnie kwijt; zij hadden bedacht dat de stedelijke bebouwing van Rotterdam meer bescherming bood tegen de vallende bommen en hebben de benen genomen.’

De bataljonsreserve werd gevormd door twee tirailleur secties van de 2e en 3e Compagnie. Deze manschappen waren in de noordoost hoek van het vliegveld, deels nog bij de gebouwen, toen de eerste bommen vielen. Onder hen vielen vele slachtoffers, waaronder die genoemd door Kruit. Zij werden door het bombardement uiteen geslagen. Om dat te sorteren onder ‘de benen nemen’ is onterecht en oneerbiedig. Als Kruit ook maar enkele luchtfoto's had bekeken en wist waar die reserve zat, had hij dit nooit zo opgeschreven. Althans, dat mag men aannemen ...

De 3e Compagnie week inderdaad – door slappe leiding – uit naar Rotterdam. Daar zou de compagnie (samen met de bataljonscommandant) zich enigszins rehabiliteren door een bijdrage te leveren aan de weerstand rond het Afrikaanderplein.

Kruit spreekt nog zijn verwondering uit over de hoge aantallen gewonden bij de luchtafweer in verhouding tot het geheel.

Het is opvallend dat 40% van alle gewonden (…) militairen van de luchtafweer zijn. Op Ypenburg was dat slechts 6%.”

Het getal van 40% van de gewonden van de luchtafweer is inderdaad opvallend hoog, maar dat is verklaarbaar. Er waren drie pelotons luchtdoelmitrailleurs en twee batterijen [op de pier in de Waalhaven en bij Smitshoek]. De drie pelotons stonden direct aan de randen van het veld, werden gebombardeerd, gemitrailleerd en tenslotte door de parachutisten aangevallen. De beide batterijen zijn eveneens aangevallen en uitgeschakeld. Op Ypenburg stond de luchtafweer niet op het vliegveld, maar in Delft en Voorburg. Op de batterij bij Voorburg na werd geen enkel luchtafweeronderdeel aangevallen, omdat zij voor de aanvallers onbereikbaar bleven. Hoe zinvol het is dergelijke scenario’s met elkaar te vergelijken, moet de lezer maar zelf beoordelen.

De verhoudingen tussen gesneuvelde en gewonde militairen van de luchtafweer is verrassend, namelijk 1 gesneuvelde op 7,7 gewonden. Het gemiddelde voor Waalhaven is 1:1,27. Dit is een aanwijzing dat de opstellingen van de luchtafweer niet geraakt zijn door mortieren of vliegtuigbommen, omdat het aantal gesneuvelden dan hoger zou liggen. Ik moet dan ook concluderen dat de posities van de luchtafweer zonder al te felle gevechten (…) in Duitse handen zijn gekomen.”

De laatste conclusie is per ongeluk juist. De luchtafweerpelotons hadden de beschikking over bijzonder weinig munitie (20 patronen per man) voor de nabijverdediging alsmede voor de luchtafweer zelf [De 2 cm Scotti’s hadden slechts 100 schoten!] en hadden deze dan ook spoedig verschoten, waarna men zich niet anders dan kon overgeven. De pelotons bevonden zich inderdaad in nauwelijks beschermende posities, maar hadden wel enige vuurdekking. Twee van de drie pelotons werden spoedig uitgeschakeld doordat zij eenvoudig benaderbaar waren voor de aanvallers. Het derde peloton kon zich achter de schutting verschuilen en werd gevangen genomen na de munitie te hebben verschoten. Overigens geven de krijgsverslagen precies aan wie hoe gewond raakte.

Aan het bombardement van een uur zijn weinig gewonden toegeschreven. ‘

Er was geen sprake van een bombardement van een uur. Er werd Kette-gewijs door een Staffel He-111’s een bombardement uitgevoerd op het overval tijdstip. Daarna volgde ongeveer 20 minuten later nog één aanval door een Staffel Ju-88's. Het bombardement was alles behalve volcontinue. Logisch ook, want men wilde vooral de noordoost en oosthoek treffen en de luchtafweeropstellingen, maar beslist niet het vliegveld en landingsterrein. Toen de parachutisten even later geland waren werd logischerwijs niet langer gebombardeerd.

De 670 parachutisten die boven Waalhaven sprongen, kwamen, in tegenstelling tot de parachutisten bij Ypenburg, in het algemeen zeer gunstig neer.’

Inderdaad kwamen de parachutisten ten dele gunstig neer, maar vooral ook doordat de vliegveldverdediging zo slecht was georganiseerd dat zelfs de vele misdrops geen nare gevolgen voor hen hadden (m.u.v. een peloton van 10./FJR1 dat vlakbij 4.Bt LuA terecht kwam). Echter slechts twee compagnieën kwamen op de geplande locatie aan de grond, de twee anderen ver van hun doelgebied, zodat ze nauwelijks mee konden doen. De schuttingen en opstellingen zorgden echter voor grote blinde hoeken voor de verdediging. Overigens landden er slechts ca. 500 parachutisten rond Waalhaven en was de 10e Kompanie zo ver oostwaarts afgezet dat ze aan de feitelijke overval niet meedeed. Voor de 12e Kompanie gold vrijwel hetzelfde. Het waren de 9e en 11e (min een peloton) alsmede de bataljonsstaf, die met elkaar Waalhaven innamen.

De aandacht van de verdedigers werd afgeleid doordat uit de vliegtuigen, recht boven het vliegpark dummy’s met vuurwerk werden gedropt.’

Het is juist dat er dummy’s werden gedropt, die ook mede aanleiding gaven voor de verhalen over verdronken en verbrande parachutisten. Maar van vuurwerk was geen sprake. De zo bekende Geallieerde poppen [‘Rupert’] werden kennelijk geprojecteerd op de stropoppen [Attrappen] die de Duitsers anno mei 1940 uitwierpen. Dat waren niets meer dan strovullingen met een uniform, die ter korte afleiding op een misleidende locatie werden gedropt. Tussen de poppen werd wel eens vuurwerk met een tijdlont gestopt, wat inderdaad tot 'Rupert achtige' taferelen moest leiden, maar er is geen aanleiding te denken dat dit hier ook het geval was. Zeker niet massaal. Er werden slechts enkele vliegtuigen met dummy's ingezet, omdat de meeste in België nodig waren en er weinig vliegtuigcapaciteit was.

De Fallschirmjäger konden door deze omstandigheden snel en georganiseerd handelen, omdat zij direct na de landing bijna niet onder vuur kwamen. Het gebruik van het mortier was zodoende minder noodzakelijk. “

Op zich een juiste conclusie dat mortiervuur uitbleef, zij het dat er ook nauwelijks (5 cm) mortieren voorhanden waren. De kleine 5 cm mortieren waren bovendien vooral in gebruik om te gebruiken bij hardnekkige weerstand. Daar kwam het inderdaad niet van. De 12e Compagnie, die mogelijk over enkele 8 cm mortieren beschikte, is nauwelijks ingezet bij de overval omdat ze te ver van het doel landde. De reden voor het ontbreken van de 8 cm mortieren in verslagen is aan auteur dezes en Duitse medeonderzoeker Karl-Heinz Golla tot op heden onbekend. Het is wel bekend dat de zware wapenscompagnie in II./FJR.1 (ook) zonder 8 cm mortieren geland is. Daar had men besloten dat alle plekken in de vliegtuigen door tirailleurs dienden te worden ingenomen en mortieren bij de overvallen weinig tot geen rol konden vertolken. Van I./FJR.1 is bekend dat zij in elk geval twee 8 cm mortieren hadden. De mortieren - ook de 5 cm mortier - werden overigens overal opvallend weinig gebruikt in de eerste fase van de gevechten. Vermoedelijk werden deze wapens vooral gehuldigd bij de defensie van een ingenomen bruggenhoofd en niet de inname ervan, waarbij de (onderdrukkende) mitrailleur en de handgranaat de dominante middelen lijken te zijn geweest.

Toen de verdedigers eenmaal in gevecht waren met de parachutisten, daalden de transportvliegtuigen met de luchtlandingstroepen. De dreiging kwam nu van twee kanten, omdat de luchtlandingstroepen op het vliegveld zelf landden. Zij konden hun mortieren of lichte kanonnen echter niet gebruiken. De parachutisten vochten immers al in de stelling van de verdedigers. Overigens valt niet uit te sluiten dat het mortier helemaal niet gebruikt is. Het ontbreken van iedere verwijzing naar een scherfverwonding van dit wapen is echter een aanwijzing dat het in mindere mate gebruikt is.”

De dreiging kwam al van twee kanten, in feite zelfs drie (alleen het noorden was enige enige tijd onbedreigd). De parachutisten werkten zich enerzijds langs de schutting noordwaarts en anderzijds onderdrukten zij met mitrailleurvuur de Nederlanders in hun opstellingen (schootsveld richting vliegveld). Toen in het front van de Nederlandse opstellingen de vliegtuigen met de bataljonsstaf III./IR16 en 9./IR.16 landden, bood dit de Nederlanders vooral goede doelen. De dreiging in het front nam weliswaar toe, maar was niet nieuw.

Dat de gelande IR.16 troepen geen gebruik maakten van mortieren en lichte kanonnen kwam niet voort uit het feit dat hun kameraden al in de Nederlanders opstellingen vochten (hoewel dat een plausibele verklaring had kunnen zijn), maar uit het feit dat de tirailleurs van 9./IR.16 helemaal geen beschikking over 8 cm mortieren en infanteriegeschut hadden. Wel hadden zij enige lichte mortieren en pantserbuksen, maar deze op het open veld in stelling brengen zou levensgevaarlijk zijn geweest.

Kruit stelt terecht – althans auteur dezes is het met hem eens (zie eerder besprokene) – dat er aanwijzingen ontbreken, die de inzet van mortieren aantonen. Zoals eerder aangehaald lijkt 12./FJR1 – dat organiek over vier  8 cm mortieren beschikte – nauwelijks te zijn ingezet. Ook de lichte mortieren niet. Dat zou inderdaad verklaard kunnen worden uit het feit dat het Duitse bataljon parachutisten de basis simultaan vanuit west, noordoost en zuidoost aanviel. Daarbij waren de Nederlandse opstellingen langs de schutting niet kwetsbaar voor de uitwerking van de 5 cm mortiermunitie, die qua brisante kracht de handgranaat niet ver oversteeg.

Op een luchtfoto van het vliegveld na de landingen is te zien dat in de zuidoost en zuidwesthoek van het vliegveld enkele bomkraters liggen. (…) De bomkraters in de zuidoosthoek liggen in het veld en op de posities van de 2e Compagnie. Een luchtbombardement is natuurlijk zeer aangrijpend, zoals we hebben gezien aan de wilde vlucht van de 3e Compagnie en bataljonsreserve.”

De luchtfoto waar Kruit naar verwijst [Brongers, ONR deel 1] is ergens op de 10e mei genomen. Daarbij is echter niet vermeld dat de Nederlandse ML in de ochtend van 10 mei twee bombardementen op het vliegveld uitvoerde, waarvan het bombardement door de C-X’s juist op de zuidzijde werd gemikt. De foto is dus geen goed analysemateriaal. Overigens is het wel juist dat er Duitse bommen op de opstelling van de 2e Compagnie vielen en ook in de zuidoost hoek.

Er was geen sprake van een wilde vlucht, noch van de 3e Compagnie, noch van de bataljonsreserve. Zoals eerder gezegd werd de bataljonsreserve zwaar door het luchtbombardement getroffen en trok de 3e Compagnie weliswaar vroegtijd, echter tamelijk geordend weg. Slechts een zeer beperkt deel der troepen deed dit minder georganiseerd. Maar bekend is dat een groep van circa 100 man van vooral de 3e Compagnie geordend in Charlois aankwam. Dat dient men niet als een wilde vlucht te kwalificeren.

Bij de 2e Compagnie zijn elf militairen gesneuveld en acht gewond. (…) Gezien de bomkraters op de stelling heb ik het vermoeden dat zij enkele voltreffers hebben gehad en dat een aantal manschappen in één klap is gedood.”

De gesneuvelden van de 2e Compagnie kwamen niet voort uit het bombardement op hun eigen stelling, maar uit de sectie die daarvan slachtoffer werd in de bataljonsreserve. Daarvan sneuvelden maar liefst tien man. De doden van de 3e Compagnie vielen ook daar. Bovendien nog 8 man van de 1e Compagnie. In totaal 21 man, door bommen vanuit de Heinkels. Vrijwel allen sneuvelden [vier na dodelijke verwonding] rond de toegangspoort en bij een van de hangars.

Bij de mitrailleurcompagnie zijn vijf militairen gesneuveld en is in totaal slechts één middelzwaargewonde gevallen met een scherf in zijn onderlichaam. (…) Eén mitrailleuropstelling kreeg tijdens het luchtbombardement een voltreffer en dat zou de oorzaak van overlijden van vijf gesneuvelden kunnen zijn. (…) Gezien het beperkte aantal gewonden en de verklaring voor de vijf gesneuvelden, heb ik alle reden om aan te nemen dat zij zich niet heftig verweerd hebben en zich snel hebben overgegeven. “

Een 50 kg bom viel midden in de opstelling van de 4e sectie en doodde vier man. Enkele wapens vielen (tijdelijk) uit. De aanname is op dat punt dus juist.

De conclusie is grotendeels onjuist. De MC was de enige die voorzien was van stevige(re) veldversterkingen, zelfs één betonnen kazemat. Zij zaten daarom goed gedekt en aangezien de enige werkelijke toegankelijke benadering van hun opstellingen aan de voorzijde (vliegveldzijde) mogelijk was, waren zij geen eenvoudig uit te schakelen doel. De MC heeft de verdediging juist het langste volgehouden van alle onderdelen. Zelfs toen de achterwachten van de infanterie waren uitgeschakeld en de parachutisten op de daken van de versterkingen klommen om granaten door de schietgaten naar binnen te gooien, bleef het verzet onverminderd overeind. Geen opstelling gaf zich over. Men werd tenslotte door de alom geroemde compagniescommandant en de minder overtuigende basiscommandant in gezelschap van Duitse officieren gedwongen de wapens te strekken. Zij hadden toen anderhalf uur lang tegen de parachutisten gevochten.

Uit deze laatste analyse van Kruit blijkt hoe gevaarlijk zijn methodiek is. Hij concludeert aan de hand van gesneuvelden de mate van weerstand. Voetbalcoach Co Adriaanse zou dat terecht met 'scoreboard journalistiek' hebben betiteld.

De meeste doden bij de infanterie vielen door het bombardement, waarbij 21 man omkwamen van de bataljonsreserve en de 1e Compagnie. Zij drukken zwaar op het aantal doden, dat op 30 man lag onder de Jagers (bij de overval op Waalhaven). In feite kwamen dus ‘slechts’ 9 man elders tijdens de strijd om van dit bataljon. Daarvan waren er vijf van de MC, die in de strijd met de parachutisten dus in feite maar één man verloren (omdat vier hunner door een bom vielen). Desondanks werden zij geroemd om hun hardnekkige verzet. In plaats dat zij zich dus ‘snel hebben overgegeven’ hebben zij zich het langst en het meest manmoedig verweerd. Daarom is het zo buitengewoon te betreuren dat Kruit nog met de volgende conclusie komt:

Zowel de mitrailleurcompagnie als de 3e Compagnie en ook de bataljonsreserve zijn het gevecht niet of nauwelijks aangegaan. Ze zijn gevlucht of hebben zich bij het eerste vuurcontact overgegeven, omdat nauwelijks scherf- of kogelverwondingen zijn opgelopen.”

Uit bovenstaande reflectie door auteur dezes blijkt hoe ver Kruit van de werkelijkheid verwijderd is. Het toont zoals gezegd aan hoe onbetrouwbaar een zogenaamd geobjectiveerde analyse is volgens de methodiek van Kruit. Het is een methode die men als experiment best eens kan toepassen, maar dat is hier niet gebeurd. Kruit betitelde zijn (eigen) werk als ontmythologiserend en zelfs kantelend, als het de analyse van de tactische gevechtsomstandigheden in mei 1940 betreft. Waanzin, zoals een ieder met verstand van zaken kan vaststellen. Als Kruit de krijgsverslagen en rapporten had gelezen had hij zich kunnen behoeden voor de grotendeels onjuiste conclusies of er althans bij kunnen vermelden dat hij tot sterk afwijkende conclusies kwam dan uit de gevechtsrapporten voortkomt.

Conclusie

Het werkstuk dat Kruit als afstudeerscriptie inleverde zal ongetwijfeld op basis van een technisch wetenschappelijke benadering applaus hebben opgeleverd, omdat zijn conclusies verifieerbaar zijn vanuit een kwantitatieve database. In die zin kan en wil auteur dezes ook geen kritiek uitoefenen op het werkstuk van Kruit, hoewel het in de zin van historisch betrouwbaar werk natuurlijk niets toevoegt.

De kritiek volgt wel naar aanleiding van de pretenties van Kruit. Als die meent dat hij met een objectivering zoals door hem uitgevoerd de tactische gevechtsomstandigheden in mei 1940 kan herschrijven (volgens zijn pretenties zelfs 'herijken'), en dat die herschrijving betrouwbaarder zou zijn dan een grondige analyse van krijgsverslagen en overige contemporaine informatiebronnen, dan bewijst Kruit met dit werkstuk niet in zijn opzet te zijn geslaagd, maar wel over een overdosis fantasie en pretenties te beschikken. Alleen de bespreking van twee beperkte onderdelen van het 99 pagina’s dikke boekje geven al aan hoe tendentieus de conclusies van Kruit zijn en vooral hoe fnuikend onjuist in veel gevallen.

Zinvol was het geweest als Kruit zijn objectivering had vergeleken met krijgsverslagen en overige bronnen. Dan had hij een aanvulling kunnen geven op hetgeen al bekend was over de strijd. De kwantitatieve gegevens die hij ontleent uit de Rode Kruis dossiers zijn een bescheiden aanvulling op de krijgshistorische gegevens die reeds openbaar zijn. Maar beslist niet van het gehalte dat past in de gekozen toonsoort en toonhoogte van Kruit.

De pretenties van Kruit zijn op geen enkel punt waargemaakt. En door veel te bombastisch de pers te zoeken, door met een hoop bombarie een persbericht rond te sturen en daarbij buitengewoon hoog van de toren te blazen omtrent vermeend doorbroken mythes en objectivering van de tactische gevechtsomstandigheden in mei 1940, roept Kruit de hoon over zichzelf af door met zo’n ondermaats boekwerkje te komen dat al die hete lucht zou moeten waarmaken.

Overigens valt op dat het betreffende boekwerk in de reguliere pers en vakorganen compleet gespeend van enige recensie wordt aangeprezen. Sommige websites stellen dat de discussie, die rond het boek is ontstaan op de websites van de Stichting Kennispunt mei 1940 aantoont hoe goed het is dat dit boek is uitgekomen. Een bespottelijke redenering natuurlijk. OP die leest geschoeid kunnen we morgen allemaal een boek met de meest groteske onzin uitgeven! Discussie is uitstekend, maar dan wel over werkstukken, die dat waard zijn. Met werkstukken als dit broddelwerk is de schade die wordt aangericht bij de kennis van geïnteresseerde lezers een veelvoud groter dan de discussie onder zeer ingevoerde kenners oplevert.

Het is buitengewoon te betreuren dat dit soort kwaliteitsarme werkstukken anno 2008 het levenslicht nog steeds ziet. En dan nog wel uit een academische hoek gelanceerd! Waarmee de 'softe wetenschappen' maar weer eens bewijzen dat ieder verband dat door hen met 'wetenschap' wordt gelegd in feite uiterst arbitrair is. Het is wederom een bron van ergernis en een werkstuk dat ondermaats, onduidelijk en verwarring scheppend over de gebeurtenissen in mei 1940 is. Er zullen toch weer een paar lezers zijn van dit boekje die zich de inhoud tot waarheid eigen zullen maken. Zoals dit tegenwoordig 'bon ton' is om alles wat gedrukt is, maar heel snel en klakkeloos aan en over te nemen (NB: het is zelfs het fundamentele uitgangspunt van een bron als wikepedia!).

Hopelijk is de frequente bezoeker van deze website beter bediend met de bespreking van de gebeurtenissen. Om die ambitie verder te ondersteunen is deze beschouwing van de relevante passages voor Zuidfront toegevoegd. Opdat de lezer het werkstukje van Kruit als curiositeit mag ervaren, maar niet als maatgevend en zeker niet als juist en accuraat.

Tenslotte kan worden opgemerkt dat de historicus Kruit nog grote stappen kan maken in zijn carriere. Er ligt voldoende ruimte tot verbetering om nog een flinke progressie te kunnen maken. Hopelijk zal hij bij een voortgezette publicatie-ambitie de zorg voor de kwaliteit van het eindproduct laten prevaleren boven de drang tot bekendheid en geldingsdrang.

Nabrander

Auteur dezes heeft ook in latere dagen nog eens getracht om Peter Kruit tot een dialoog over het hoe en waarom achter dit werkje te bewegen, maar betrokkene eiste voordien volledige schriftelijke rectificatie van de kritieken. Het kwartje was bij deze man nog steeds niet gevallen, dat niet de kritiek hoofdzaak is, maar zijn eigen pennenvruchten, die met veel bombastiek en zelfs tweetalig in persberichten aan de wereld werden gepresenteerd.

Dat het in feite om volslagen broddelwerk gaat, is veel mensen ontgaan (overigens lang niet iedereen). Zie ook de soms zelfs loffelijke besprekingen in Defensie organen, die toenterijtijd verschenen. Men had kennelijk het boekje niet gelezen of wist te weinig van de materie om te toetsen dat men om de tuin werd geleid door een pretentieuze jong afgestudeerde, die heel zelfverzekerd deed alsof hij wist waarover hij sprak. Het is niet anders. Voor het serieuze metier van krijgshistorie is het echter een tragische misser dat zo'n werk het levenslicht mocht zien en dan nog wel met zoveel bombarie. Het vernielt veel goed werk dat de laatste decennia ook wordt verricht. Overigens, opvallend vaak door wat lieden als Amersfoort en Kruit 'amateur historici' plachten te noemen. Een titel die uit hun mond overigens door vele als geuzennaam wordt ervaren. Dat dan weer wel ...

Toch is het interessant voor de lezer om te weten wat Kruit in een mailbericht aan Goossens schreef. Daarom een integrale weergave (1 november 2010) van zijn bericht:

Geachte heer Goossens

U heeft met de publicatie van een stukje in het voorjaar 2008, na een inzage door de heer Bruinsma van ongeveer tien minuten van mijn doctoraalscriptie, een onjuiste, niet onderbouwde indruk gegeven van de studie naar de tactische gevechten. Dat was niet hoffelijk en nogal vooringenomen. Ik en vele anderen vonden het ronduit vreemd dat de stichting in goed vertrouwen een niet gepubliceerd stuk ter inzage kreeg en dat vertrouwen in korte tijd weer beschaamde. Dat is geen basis voor samenwerking en dat is geheel door uzelf in de hand gewerkt. Hoe komt u toch aan een mening zonder een letter gelezen te hebben? Met 20 jaar ervaring in de tas wordt u nog niet helderziend. Uw handelingswijze was niet erg wetenschappelijk.

Ook wil ik u erop wijzen dat ik er gelukkig mee ben dat de Nederlandse en Belgische media boven verwachting de publicatie besproken en becommentarieerd hebben. Het was nogal een verrassing dat het persbericht zo massaal is opgepikt. Kennelijk had het werk zowel historische als actuele waarde. Dat heeft een bijzondere dynamiek teweeg gebracht, die niet zomaar te stoppen is. Ik wil u dan ook hartelijk danken voor uw aandacht voor het boek destijds. Al had het weinig met de inhoud te maken, heeft het de dynamiek van het moment versterkt. Ik kan me verder niet voorstellen dat uw wijze van becommentariëren positief bijdraagt aan de doelstellingen van uw stichting en de kennisvergroting over de meidagen van 1940.

Mijn mening blijft hetzelfde: of uw toon wordt inhoudelijk en een stuk zakelijker of er vindt tussen ons geen kennisuitwisseling plaats. Gezien u zo vrij ben geweest ongefundeerd in het openbaar uw mening te geven, mag u ook publiekelijk uw ongefundeerde teksten terugnemen. Ik verzoek u met klem verdere correspondentie te beperken tot een welgemeende publieke rectificatie. Ik zal hoe dan ook de komende maand niet reageren wegens verblijf elders.

Groeten, Peter Kruit

De lezer kan zich voorstellen dat op dit bericht verder geen nadere correspondentie volgde. Het is overigens, buiten de vermakelijke retoriek in het bericht, wel goed enkele zaken te nuanceren. Anders zou er zomaar weer een misverstand uit de dikke duim van deze Rode Kruis archievenman Peter Kruit tot waarheid worden verheven.

Er is geen sprake van dat er door het RK inzicht in zaken is gegeven, welke door Stichting de Greb (of Bruinsma of Goossens) is misbruikt. Laat staan 'weer', wat de mail van Kruit suggestief stelt als 'een herhaling van gebroken vertrouwen.' RK archieven werden ingezien omtrent details van doodsoorzaken van gesneuvelden op de Grebbeberg. Iedereen kan concluderen dat de door Goossens gegeven kritiek met die materie geen enkel verband houdt. Het mailbericht dat eerder werd geschreven dan het boekje, bevatte slechts een reflectie op de voorgenomen portee van het boekje. Dat zou afrekenen met de mythe rond het aantal NL militaire gewonden en aantonen dat niet artilleriegranaten de grote moordenaar waren geweest. U kunt op het forum van de Grebbeberg onze mailberichten terzake nalezen.

De agenda en klok van Kruit liepen niet synchroon met zijn memorie. Er is met geen letter naar confidentieel openbaarde zaken verwezen noch enig kritisch woord over de inhoud van het boekje geschreven voordat dit in onze handen was. Het is een volstrekt verzinsel van meneer Kruit dat er afspraken zijn geschonden of voor de publicatiedatum inhoudelijk over het werk ook maar iets is gezegd. Het enige dat vooraf met het publieke domein is gedeeld is scepsis omtrent de aangekondigde portee - en die scepsis wordt door Kruit kennelijk als uit zijn werk overgenomen geacht (!) - en de telkens uitgestelde publicatie. Dat laatste was kritiek op de pulpuitgever Aspekt, die zich zelden aan zijn beloften houdt en vrijwel garant staat voor uitgegeven rotzooi. Kun je je werk niet uitgegeven krijgen, mail dan Aspekt. Of daar dan weer een verband zit met het feit dat "Een mythe aan scherven" überhaupt werd uitgegeven, kan ik niet nagaan. Ik weet wel dat het boekje nog alom te verkrijgen is. Iets te optimistisch gedrukt wellicht?

Dat er zonder onderbouwing is gereageerd, wordt hierboven wel weerlegd. Er is uitgebreid onderbouwd. En in tegenstelling tot Kruit gebruiken wij wel een overdaad aan bronmateriaal en niet onze dikke duim.

De verwijzingen naar de geslaagde media adoptie van het persbericht is belachelijk, eigenlijk genant. Meneer heeft zelf met uitgever en (laten we het zo maar noemen) sponsoren een mediacircus opgetuigd. Alle media werden uitdrukkelijk uitgenodigd het novum van jong afgestudeerde Peter Kruit te komen bezoeken. Hij zou de (Nederlandse) historische wereld shockeren met een nieuw fenomeen. We dachten altijd dat er ca. 7.000 Nederlandse militaire gewonden waren gevallen in mei 1940, maar dat waren er in werkelijkheid ... ca. 7.000! De mythe dat we allemaal dachten dat het zo was, was nu uiteengespat; het wàs namelijk een feit en niet slechts een gedachte. Pats, weg mythe. Dat het in alle opzichten na de lamme presentatie slecht geïnformeerde journaille afdroop met het persbericht en dat klakkeloos over schreef, kennen we van alle dag. Zo werkt dat, medialand.

Zoals gezegd. In alle media (doet u vandaag nog maar eens een google slag) werd slechts het persbericht overgetypt. In enkele marginale specialistische media werd soms iets dieper op het boekje ingegaan, maar nimmer las ik een recensist die verstand van zaken had. Een (helaas recent overleden) recensist, die vroeger verdienstelijke marinewerken schreef (en het wellicht daarbij had moeten laten), roemde het boekje, maar viel curieus genoeg over het feit dat Kruit het Duitse begrip "Mörser" niet gewoon als mortier had vertaald. Zo'n fout [een Mörser was anno mei 1940 helemaal geen mortier, maar een zware houwitser; Granatwerfer was het Duitse equivalent van onze mortier] van een recensist zegt veel. Als je de materie niet beheerst, moet je er geen recensies over schrijven! Dat hindert Nederlandse recensisten overigens niet. Internet met name is vergeven van wanna-be recensisten. Het fnuikende aan die 'recensisten" is, dat ze zich in hun vaak onmetelijke ijdelheid niet realiseren, dat ze met hun meestal weinig doorwrochte "jauch und himmel" recensies massa's mensen om de tuin leiden. Meedoen met misleiding van commerciële bedrijven. Daarvoor recenseer je niet! De uitgever zelf schrijft de achterkant van het boek en een persbericht al vol plichtmatige 'eigen lauwering'. Aan een recensist is het om met verstand van zaken zijn kritische blik over de inhoud te laten gaan. Niet als maritiem historicus klinkklare nonsense over de landmachtgeschiedenis uit de pen van een jonge historicus met natte oren roemen, omdat je veronderstelt dat hij zijn werk wel goed gedaan zal hebben en dan eindigen met een zeikerige blunder over een vermiste vertaling. Alsof we in Parijs wonen, waar op ieder buitenlands woord dat gebruikt wordt de virtuele doodstraf staat! Enfin (of afijn), terug naar de inhuldiging van de enige deelnemer ...

... Het met veel bombarie, tweetalig persbericht en groots opgezette boekpresentatie gelanceerde pennenvruchtje van Kruit werd even gretig door de talloze mechanisch werkende redacties opgepakt als de spiders van google dagelijks de URL's afstropen naar te oogsten digitale vruchten. Je daarop beroepen, om de kennelijke kwaliteit van je werkstuk te onderstrepen, is onwerkelijk. Het is net zo belachelijk als in een volle ruimte met mensen ineens hard beginnen te gillen, zodat iedereen stilvalt en naar je kijkt om vervolgens te concluderen dat je zomaar spontaan in het middelpunt van de aandacht stond! Zo lusten we er nog wel een paar!

Kennelijk is de 'wetenschapper' uit het mailbericht echter veel liever omringd door amechtig applausvolk, dan een kritische volger. De werkelijke wetenschapper zorgt voor een kritische denktank om hem heen. De werkelijke wetenschapper ...