Nieuwsberichten 2013

Inleiding

In deze sectie worden nieuwsberichten weergegeven, die betrekking hebben op het onderzochte theater alsmede opzienbarende berichten, die betrekking hebben op de meidagen van 1940 in algemene zin.

Hieronder de berichten vanaf januari 2013.

Januari

Hauptmann H. Schwilden (3./KGrzbV.108)

Schwilden was, naar verluidt, de commandant van het specifiek voor de luchtlanding op de Nieuwe Maas te Rotterdam ingerichte Staffel He-59 watervliegtuigen. Deze toestellen lieten op 10 mei, kort voor 0500 uur, de 90 man van de twee versterkte pelotons infanterie van 11./IR.16 aan de oevers van de Nieuwe Maas nabij de Willemsbrug 'uitstappen'. Het Staffel behoorde tot de Luftwaffe taakgerichte KGrzbV.108 onder de Major Otto-Lutz Förster.

Er is al eens gememoreerd dat wij diverse WASt aanvragen naar een Oberleutnant of Hauptmann Schwilden bij de Luftwaffe deden. Slechts één positieve reactie daarop kwam er. Dat betrof Hauptmann Horst Schwilden, die enige maanden later op een aanvalsvlucht naar Schotland oost van Turnhouse vermist raakte als Staffelkapitän van 3./KG.26.

Er is o.b.v. aantekeningen van Dr. Heinrich Weiss door E.H. Brongers gesteld dat de Hauptmann Schwilden, die 3./KGrzbV.108 leidde, zou zijn omgekomen tijdens de meidagen. Daarvan is nog geen fractie van bewijs. Er is geen grafgegeven te vinden (in Duitsland of Nederland), geen Duits vermissingsrapport gevonden, er bestaat geen WASt dossier van een dergelijke (in mei 1940 gesneuvelde) officier, geen Rote Kreuz aantekening en nergens anders is een aantekening van dit verlies gevonden, anders dan bij Brongers/Weiss.

Dat de betreffende Hauptmann daadwerkelijk vermist zou zijn, is daarom uiterst onwaarschijnlijk en vermoedelijk een onjuiste aantekening van Dr. Weiss geweest. Het is naar alle waarschijnlijkheid zo dat Schwilden gewoon na de opheffing van de eenheid terug ging naar een reguliere eenheid en enige maanden later vermist raakte op een missie naar Schotland, zoals het WASt dossier van de enige bestaande Hauptmann H. Schwilden in de Luftwaffe aangeeft.

Onze ambitie is het dit kleine enigma op te lossen, hoewel dat aanzienlijk veel tijd en geld zal kosten.

Mysterieuze officier te Pernis

In diverse boeken over de strijd in mei 1940 en in de krijgsverslagen van 1-III-39.RI wordt gesproken over een Duitse officier en een mindere die in een auto, vol bewapend, kwamen aanrijden op de oliehaven te Pernis, waar een Nederlandse compagnie van het 'kantonnementsbataljon Rotterdam' was opgesteld. Ze werden wel omschreven als Duitse parlementairs, maar dat is een misvatting.

Inmiddels is het wel zo goed als zeker dat dit de Duitse Oberleutnant Hans Lampertsdörfer was. Hij was Nachrichtenoffizier (inlichtingenofficier, ofwel 1c) in de staf van de 7e Fliegerdivision. Hij vond het noodzakelijk om zelf op verkenning te gaan met zijn chauffeur in een gevorderde auto, nadat hij tijdens het aanvliegen oiedrums meende te hebben gezien. Die drums wilde Lampertsdörfer wel veilig stellen.

Hij maakte bij dat besluit twee kolossale fouten. De eerste was dat hij zichzelf vooral inspande om indruk te maken en een medaille te scoren - en daarbij zijn eigenlijke taken verzaakte - en de tweede was dat hij zijn tegenstander schromelijk onderschatte.

Lampi - zoals men hem in eigen gelederen minnelijk noemde - werd gevangen genomen door de mannen van kapitein Van Rooijen. Lampertsdörfer zelf maakte er een compleet fantasieverhaal van. Vermoedelijk om zijn onverantwoorde gedrag te verbloemen. Hij deed het voorkomen alsof hij net buiten het zojuist bezette Waalhaven was gevangen genomen, maar de werkelijkheid gebiedt te zeggen dat hij vlak bij de olie installaties aan kwam rijden en daar door de Nederlandse post werd gevangen genomen. Niets heroïsch aan.

Vervolgens loog Lampertsdörfer door te stellen dat hij vrijwel direct weer ontsnapte en nadien met enige para's alsnog vast ging stellen of hij de oliedrums kon zekeren. Bij die drums aangekomen was gebleken dat het ... haringvaten waren! Het verhaal van Lampertsdörfer, dat in gedrukte vorm in een blad van de 22e Infanterie Division verscheen, is het product van één grote dikke duim.

Dat was de nuchtere weergave van de gebeurtenis in de memoires van Kurt Student echter niet: "Hauptmann Lampertsdörfer, der Leiter der Abteilung Ic des Divisionsstabes, dessen Arbeitsgebiet die Erarbeitung des Feindsbildes umfasste, gab sich mit den wenigen Nachrichten, die er erhielt, nicht zufrieden. Er machte sich deshalb auf eigene Faust auf den Weg, um eine Erkundung durchzuführen. In dem Gewirr von Hafenbecken geriet er bereits in den Mittagsstunden in Gefangenschaft."

Lampertsdörfer werd naar de noordzijde getransporteerd en in Rotterdam gevangen gezet. Hij zou weer terug keren in de gelederen van de divisie, omdat de Rotterdamse gevangenen niet naar Den Haag werden vervoerd.

Hans Lampertsdörfer was tot het aantreden in de staf van Student waarnemer geweest op een Do-17 verkenner en zou na de meidagen weer waarnemer worden, deze keer aan boord van een Me-110. Tijdens een verkenningssortie aan boord van zijn Me-110 (IX.FK) sneuvelde hij op 9 mei 1941 in Griekenland (opererend vanaf Sedes-Saloniki), een jaar na zijn gevangenneming bij Pernis. Dat was een week voor zijn 29e verjaardag. Postuum werd hij bevorderd tot Major.

Een en ander is terug te vinden op http://www.zuidfront-holland1940.nl/index.php?page=ijsselmonde-2

Maart

We vonden in de beperkt toegankelijke persoonsarchieven bewijsstukken dat een aantal Nederlandse vrijwilligers die in Duitsland geronseld waren, na een korte militaire training werden toegevoegd aan de luchtlandingseenheden. De naam en toenaam van twee zulke mannen is bij ons bekend. Omwille van privacy redenen zullen we de namen niet voluit noemen.

Uit een verhoor op 29 december 1947 bleek in elk geval het NSB lid Douwe de V. (geb. 1902) te zijn ingezet in Wehrmachtsuniform bij de luchtlanding bij Waalhaven. Hij had een korte militaire basistraining op de Wahnerheide gekregen. Volgens zijn zeggen werd hij zonder voorinformatie op 9 mei 1940 naar Köln verplaatst en vervolgens naar het vliegveld Gütersloh. Van dat vliegveld vertrok de strijdmacht voor Waalhaven. Ook Douwe de V. was aan boord van een Ju-52. Na een zware beschieting tijdens de 'approach' van het vliegveld, landde men op Waalhaven. Op het vliegveld werd hij als tolk ingezet.

Van een tweede persoon zijn nauwelijks nadere gegevens bekend dan dat hij een soortgelijke inzet kende. Van weer een andere persoon is uit archiefonderzoek bekend geworden dat deze voor de Abwehr sabotagedaden in de Rotterdamse haven verrichte voor de Duitsers, waarbij onder meer in 1938 een Brits vrachtschip werd gesaboteerd dat even buitengaats zou zinken.

Juni

Bij het onderzoek voor het schrijven van het onderzoekscript over de strijd op het Zuidfront komen we opnieuw allerhande zaken tegen die nieuw zijn of afwijken van het geijkte beeld. Niet alle nieuwe zaken worden hier telkens belicht, want dan onthult het boek straks niet zo veel meer. Sommige zaken worden echter wel vermeld.

Het blijkt uit grondig onderzoek dat het Dekkingsdetachement Willemsdorp niet alleen uit twee secties infanterie van I-41.RI (stam 6.RI), een detachement Vaartuigendienst (incl. 25 man mitraillisten), 20 man politietroepen en een sectie MC bestond, maar ook nog uit een halve sectie (ca. 30 man) spoorwegtroepen. Het 'spoorbrugdetachement no. 6' onder de reserve 1e luitenant Van der Cammen was op 10 mei 1940 ook in Willemsdorp aanwezig om de spoorbrug bij Moerdijk eventueel snel als een verkeersbrug te kunnen gebruiken. Daarvoor lagen aan weerszijde van de brug houten vlonders opgeslagen. Het detachement wordt echter nergens in officiële en populaire literatuur genoemd.

In de archieven wordt de eenheid slechts in een obscuur hoekje - als kanttekening bij het verslag van het bataljon spoorwegtroepen - genoemd. Bij de verslagen van het Dekkingsdetachement bleven ze eveneens onbenoemd. Er was bovendien geen verslag van de luitenant Van der Cammen. De reden dat ze onbesproken bleven, ligt vermoedelijk in het feit dat het detachement in de periode van de voormobilisatie (april-september 1939) wel in Willemsdorp was, maar in september 1939 werd opgeheven. Het detachement lijkt echter medio april 1940 te zijn geheractiveerd. Vrijwel zeker omdat er een grote evacuatie van troepen uit Brabant op de rol stond én eventueel Franse gemechaniseerde eenheden naar de Vesting Holland zouden komen. Hun taak was om de spoorbrug met houten vlonders voor gewoon verkeer overschrijdbaar te maken. Daartoe was een grote voorraad hout aan de zuidzijde (!) van de spoorbrug opgeslagen. Tevens heeft het er de schijn van dat het gehele detachement aan de zuidzijde zijn kwartier had, mogelijk in een barak. Ze worden zijdelings in een Duits verslag van de overval genoemd. In elk geval lijken ze de brugwacht bij het spoor aan de zuidzijde te hebben gevormd.

Vastgesteld is wel dat de luitenant der genie Van der Cammen op 10 mei krijgsgevangen was en in het klooster te Moerdijk was geinterneerd met de andere Hollandse officieren. De minderen waren vrijwel allen in Willemsdorp ondergebracht, in het open veld. Omdat er een lijst beschikbaar is van alle gegradueerde krijgsgevangenen, ontstond tevens het vermoeden dat er toch een spoorwegdetachement was geweest, omdat Van der Cammen tot het bataljon SPW troepen behoorde. Zodoende is verder gezocht en is bewijs gevonden dat het detachement op 10 mei 1940 ter plaatse was.

Juli

Tijdens nader onderzoek naar het gevecht te Willemsdorp is vastgesteld dat de soldaat J.H. Buitendijk, die bij OGS en in diverse bronnen (o.a. Brongers/De Leeuw) als militair van de 1e sectie van MC-I-28.RI werd geregistreerd en bovendien begraven bij 'de spoorkazemat', helemaal niet tot die eenheid behoorde, maar tot de commandogroep van 1-I-28.RI. Bovendien dat de luitenant Hulsteijn van die compagnie beschreef dat betrokkene door een schot in het hoofd sneuvelde bij de ingang van de schuilkazemat aan het zandpad nabij het spoor, dichtbij de boerderij De Jong. Dat zandpad is de tegenwoordige Polder Oudendijk, naar wat men toen nog noemde "Den Engel". De naamgever voor "Den Engelsen polder". Betrokkene kreeg een veldgraf tot 30 mei 1940 bij de betreffende schuilkazemat. Omdat de kazemat dicht aan het spoor lag is vermoedelijk ooit de associatie gemaakt met de kazemat Hollandsch Diep II van de politietroepen.

Deze bevindingen zijn indertijd met OGS gedeeld en zij hebben daarop besloten deze met IVENT (Defensie registratiecentrum) te verifiëren. IVENT heeft de analyse van Stichting Kennispunt Mei 1940 bevestigd. OGS heeft de eigen administratie inmiddels analoog aangepast. Mocht de steen van betrokken ereslachtoffer ooit moeten worden vervangen, dan zal de wijziging vermoedelijk ook op zijn grafsteen worden doorgevoerd.

September

De herkomt van hospitaalschip 'Disponibel'.

Op basis van een vraag uit het veld (gedenkrol Genie) is een onderzoekje ingesteld naar de achtergrond van matroos Steenbergen en de soldaat Bakker, die sneuvelden aan boord van het hospitaalschip 'Disponibel', dat op 13 mei 1940 bij Steenbergen door een Duitse vliegtuigbom werd getroffen.

De marinerol heeft de matroos Harm Steenbergen opgenomen (KVD 1). De vermelding die daarbij wordt gegeven is de navolgende:

Op 13 mei 1940 kwam de dienstplichtige matroos H. Steenbergen van het Depot Vaartuigendienst Amsterdam om het leven. Hij was gedetacheerd aan boord van het hospitaalschip “Disponibel” van de Pontonniers. Dat schip was op de Lek nabij Schoonhoven door de Duitsers in brand geschoten en gezonken. Het stoffelijk overschot van Steenbergen werd op 10 november 1940 bij het lichten van het vaartuig geborgen en de volgende dag ter aarde besteld op de Algemene Begraafplaats te Zwartsluis.”

Deze informatie is niet geheel accuraat. Bovendien werd over het schip weinig gezegd en is in de historische literatuur het geval niet beschreven. Eerdere pogingen meer over de ‘Disponibel’ te weten te komen, slaagden niet. Literatuur en internet leken in alle toonaarden te zwijgen. Dan wordt de nieuwsgierigheid extra geprikkeld. Toen vervolgens enkele weken geleden de coördinator van de gedenkrol van het Wapen der Genie ons benaderde met vragen over dit geval, zijn we weer actief gaan zoeken. Deze keer mèt resultaat.

Binnenscheepvaartexpert Gert Schouwstra kwam met het antwoord, dat eigenlijk alles op zijn plaats laat vallen. Hij wist precies te vertellen waar de Disponibel vandaan kwam en wie de eigenaar was en de informatie te bieden rond de berging.

Het moet zijn gegaan om het door de schipper Willem Steenbergen (uit Zwartsluis) in 1918 verworven (grote) zeilschip Disponibel. Het had als afmeting 37 x 6 x 2 m en verplaatste 271 ton water. Een fors schip dus, dat echter tot diep in de jaren dertig in het Rijnvaartregister nog als zeilschip stond geregistreerd. Tussen 1935 en 1939 moet het schip echter zijn gemotoriseerd.

De omvang van het schip en  het grote ruim maakten het uitermate geschikt voor vordering door Defensie voor dienst als hulpschip. Het werd als hospitaalschip ingericht, zoals enige tientallen schepen als zodanig omgebouwd werden. De schipper op de ‘Disponibel’ was inmiddels de zoon van Willem Steenbergen, Hermannus (Harm) Steenbergen, geboren in 1909 en genoemd naar de broer van zijn vader. Zoals te doen gebruikelijk werd schip met schipper gemilitariseerd. Harm Steenbergen kreeg de rang van matroos der 2e klas, één stand boven de nulrang van MATR3, en bleef de schipper. Het hospitaalschip werd bij het Vaartuigendepot van Amsterdam ondergebracht.

Het hospitaalschip – dat in die dagen nauwelijks herkenbaar als zodanig dienst deed – werd op 13 mei 1940 door een Duitse duikbommenwerper gezien en aangevallen. Het schip bevond zich toen bij Schoonhoven. Het werd door een bom zodanig zwaar beschadigd dat het zonk. Een soldaat aan boord, Harm Bakker, werd dodelijk getroffen door een bomscherf. Hij werd dezelfde dag geborgen. De 30-jarige schipper ging echter met het schip ten onder en raakte zodoende vermist, hoewel naar zijn lot nauwelijks gegist hoefde te worden.

Op 10 november 1940 werd, door bemiddeling van ‘de Waterstaat’, een lichtingsoperatie in gang gezet en het motorschip Disponibel bij Schoonhoven gelicht. Daarbij werden de bokken Schiedam II en Goliath VI ingezet. In de roef van het geborgen schip vond men het lichaam van schipper Harm Steenbergen. Onder de gemeente Groot-Ammers is het geborgen schip op een uiterwaard gezet. Steenbergen werd in zijn geboorteplaats Zwartsluis ter aarde besteld.

Zo krijgt het sneuvelen van de militairen Harm Steenbergen en Harm Bakker toch weer meer context dan het enige gegeven dat beide mannen het leven lieten tijdens de verdediging van ons land in mei 1940.

Hauptmann H. Schwilden (3./KGrzbV.108) - vervolg

Inmiddels is het personeelsdossier van betrokkene in Duitsland teruggevonden. Met assistentie van onze vriend en collega Richard Schoutissen trachten we nu delen van dit vertrouwelijke dossier ontsloten te krijgen om de enige traceerbare Luftwaffe Hauptmann H. Schwilden te kunnen koppelen aan 3./KGrzbV.108, of uit te sluiten dat hij daartoe behoord heeft en daarmee de theorie van het sneuvelen van deze Hauptmann in Rotterdam in mei 1940 ontkrachten of zeer onaannemelijk maken.

Oktober

Samen met Richard Schoutissen van 'Oorlogsslachtoffers' is het personeelsdossier van Horst Hugo Schwilden in Duitsland opgevraagd en inmiddels, na lange tijd wachten, ontvangen.

Hauptmann Horst Schwilden was inderdaad in mei 1940 de Staffelkapitän van het Sonderstaffel dat met twaalf Hs-59 twee versterkte pelotons infanterie afzette in het hart van Rotterdam, op de Nieuwe Maas. Hoewel (in navolging van de private onderzoekingen van dr. Heinrich Weiss) Eppo Brongers de Hauptmann opnam als op 10 mei 1940 gesneuveld te Rotterdam, konden onze meest uitgebreide onderzoekingen in Nederland en Duitsland nog geen spoor van bewijs of aanwijzing daarvan boven tafel krijgen. Er was maar één man die voldeed aan het profiel en die was op 25 juni 1940 als Staffelkapitän in KG.26 vermist geraakt op de terugweg van een bombardementsvlucht op een Schots doel.

Het is gebleken uit het personeelsdossier dat Horst Schwilden in 1938 aan het Luftfahrtministerium werd toegevoegd, onder de Chef Flugsichterheit. Het zal een dekmantel zijn geweest voor allerhande testvluchten, hoewel hij zich beperkte tot grotere vliegtuigen en watervliegtuigen. Zonder dat het dossier uitdrukkelijk melding maakt van zijn leiding over het Sonderstaffel binnen KGrzbV.108, blijkt hij dit wel te hebben geleid, omdat op 1 juli 1940 zijn chef (Oberst und chef für Flugsicherheit Johann Raithel) hem roemt om zijn bijdragen aan het Legion Condor (Luftwaffe verband in Spanje, tijdens de burgeroorlog aldaar) en 'dem Absetzen von Luftlandeinfanterie in Rotterdam'. Schwilden overleefde dit dus gewoon en werd op 1 juni 1940 toegevoegd als Staffelkapitän aan 3./KG.26. Aldaar nam hij deel aan een aanval op een Schots doelwit, op 25 juni 1940, en werd op de terugweg door een Spitfire van 603rd Squadron neergeschoten met zijn He-111. Het toestel stortte in zee. Schwilden werd als vermist geregisteerd. In augustus 1944 werd zijn dood door de Luftwaffe bevestigd.

Hiermee is een vraagstuk opgelost. Hauptmann Schwilden was dus inderdaad de commandant van het roemruchte Staffel watervliegtuigen dat in Rotterdam opereerde, maar overleefde die actie, in tegenstelling tot de bevindingen van Weiss/Brongers. Een ruime maand later vond de Hauptmann alsnog een ontijdige dood.