Nieuwsberichten 2012

Inleiding

In augustus 2012 is begonnen met het weergeven van nieuwsberichten, die betrekking hebben op het onderzochte theater alsmede opzienbarende berichten, die betrekking hebben op de meidagen van 1940 in algemene zin.

Hieronder de berichten die in 2012 werden weergegeven.

Augustus

Nederlandse vliegtuigbom bij Wageningen-Renkum

De tussen Wageningen en Renkum gevonden vliegtuigbom (maart 2012) bleek al spoedig een Nederlandse 50 kg (mijn)bom te zijn. Deze zijn op 13 mei afgeworpen door Fokker C-X's van de StratVerVa op posities van de Duitse artillerie. Het is een uniek feit dat a priori schaarse Nederlandse vliegtuigbommen intact worden aangetroffen.

De bom bleek in een sector te liggen - vlak aan het Zwarte Pad (weg) in Wageningen nabij het Oranje Nassau Oord - waar meerdere bomkraters zijn gevonden. Een lokale amateur-archeoloog heeft ons dit medegedeeld.

September

Duitse spooktrein bij Neerbosch

In het Generale Staf onderzoek (deel 'Maas-Waalkanaal en Over-Betuwe') alsmede Brongers' Opmars naar Rotterdam (deel 2) werd melding gemaakt van een Duitse (pantser)trein die in de vroege ochtend van 10 mei 1940 bij Neerbosch (onder Nijmegen) het Maas-Waalkanaal over wilde maar door de PAG van 11.GB buiten werking werd gesteld.

De waarheid is weerbarstig. Enig onderzoek door de Stichting Kennispunt leverde op dat dit gefabriceerde onzin is. Zelfs de aan beide hiervoor genoemde auteurs bekende bronnen bieden de informatie al dat er geen sprake was van een Duitse trein. Duitse bronnen zwijgen in alle talen over een treininzet. Enig plaatselijk onderzoek zou de inzet van een Duitse trein echter al hebben doen verworden tot zeer onlogisch. Er was immers geen directe spoorverbinding tussen Duitsland en het spoor bij Neerbosch (dat naar Ravenstein - over de Bergsche Maas - leidde). Een trein uit Duitsland moest eerst naar Nijmegen rijden, daar de locomotief omrangeren, en vervolgens naar Neerbosch rijden. Alle Duitse treinacties werden georganiseerd op directe spoorverbindingen. Logisch, want er moest direct op een kans kunnen worden geacteerd. Bij Neerbosch was die er niet.

Eén Nederlands verslag was daarin overigens al expliciet. Het verslag (van sgt D. Thielen, PAG 11.GB: 20 okt 1946) geeft aan wat er vermoedelijk werkelijk gebeurde. De sergeant vertelt dat een Nederlandse (!) trein kwam aanrollen voor regulier verkeer. Deze werd door de manschappen van de PAG kanaalbeveiliging met gebaren en signalen duidelijk gemaakt dat ze moesten maken dat ze wegkwamen. Dat deden ze ook. Pas later werd de loc ook nog op bevel van de kapitein Boers van 1-11.GB in brand geschoten. Slechts één plaatselijk Nederlands verslag stelt dat het een Duitse trein was. Datzelfde verslag maakt van het gevecht voordien met de SS een scene uit een Hollywoodfilm. Dat kan niet serieus worden genomen. Andere Nederlandse verslagen melden slechts het naderen van een goederentrein. Er is één uitzondering. De BC van 11.GB stelt in zijn verslag " Pag heeft pantsertrein tot staan gebracht, deze moest weer terug". Het verslag van de majoor Bender zou zijn opgemaakt aan de hand van een aantekening van 1-11.GB. Die laatste is niet teruggevonden. Het heeft er alle schijn van dat er met dikke pen werd geschreven. Als waarnemers aan het kanaal zelf niet van een pantsertrein spreken, waarom dan wel de BC?

Duitse bronnen zijn terzake tamelijk duidelijk. De voor Nijmegen en het Maas-Waalkanaal en Maaslinie bedoelde scala aan overvallentactieken en geplande operaties is uitgebreid voor het nageslacht bewaard gebleven. Althans, de Stichting Kennispunt heeft in Freiburg veel informatie kunnen kopiëren. Zoals de Trojaanse Paard actie om in Nijmegen met een mitrailleurcompagnie aan boord van een aak aan te leggen voor het uur U. De Brandenburger acties tegen de bruggen onder Nijmegen tot en met Gennep en de organisatie van de SS Vorausabteilungen. Geen woord over een trein. Daar kwam nog bij dat in de plandetails de brug bij Grave prominent, die bij Ravenstein slechts zijdelings werd genoemd. Als doelwit komt Ravenstein slechts als gelegenheidsdoel voor. Tenslotte, wat KTB's betreft, wordt nergens in de Duitse bronnen gesproken over een mislukte treinoperatie. In het zeer expliciete rapport van de chef van het SS.AA verband, Willy Brandt, wordt met geen woord gerept over een trein en een mislukte plancomponent van dien aard. Dat zegt veel. Te meer daar de SS.AA dat uitstekend als een excuus voor de gefaalde operatie aan het Maas-Waalkanaal had kunnen aanvoeren. Wellicht zegt nog veel meer dat een SS verslag van de aanval op Neerbosch (van 3./SS.AA), waarbij men uitdrukkelijk vermeldt dat vlakbij het doelwit gekomen op de weg naast het spoor richting Neerbosch "een Hollandse trein naast hen rangeert". Als dit een Duitse trein was geweest, had de SS, die de overval op Neerbosch van momentum moest voorzien, dat zeker geweten.

Het stafwerk was van 1952, behoorde tot de eerste werkstukken van de Generale Staf. Het is begrijpelijk dat het stafwerk dit soort onzuiverheden nog bevatte. Dat Brongers het in zijn meest recente druk (2004) nog vermeldde is pure sensatiezucht. Hij weet wel beter, maar schaamt zich niet voor dit soort 'vetrandjes' in zijn boeken. Wij veroordelen dat, omdat er geen aanleiding is het als een historische gebeurtenis te melden en hierdoor mythes ontstaan.

Eppo Brongers heeft op 17 september 2012 op bovenstaand bericht gereageerd. Zijn bericht en onze repliek daarop is gepubliceerd in de sectie 'kritiek op de nieuwsrubriek' binnen het hoofdstuk "Kritieken op de content".

Conclusie na (weer een enerverende) uitwisseling met Eppo Brongers is dat hij in essentie de conclusies van Stichting Kennispunt deelt. Mocht het nog ooit van een herdruk van Opmars naar Rotterdam komen, dan zal Brongers ongetwijfeld de gewraakte passages analoog aanpassen. En daarmee is dan weer een (mogelijk) misverstand uit de wereld geholpen.

Hauptmann Schwilden - dead or alive?

Er gaat het gerucht dat de chef van 3./KGrzbV.108 - beter bekend als het Staffel met 12 He-59 watervliegtuigen die twee versterkte pelotons van 11./IR.16 in het hartje van Rotterdam afzetten in de ochtend van 10 mei 1940 - Hauptmann Horst Schwilden was. De publicist die dit suggereert is de bekende kronikeur Brongers. In zijn gesneuveldenlijst prijkt Hauptmann Schwilden als gevallene. Bron van Brongers is de nauwelijks bekende Dr. Weiss, een Luftwaffe onderzoeker. Samen met de Oberst Langmann (toen staf 22.ID) prominente bron voor veel Duitse invalshoeken in de Brongers reconstructies rond Rotterdam.

Als we niet weten waar iemand vandaan kwam, waartoe hij behoorde of waar of wanneer hij sneuvelde, staan diverse onderzoekspaden open. Allereerst voor gesneuvelden, de Volksbund. Dat is de Duitse tegenhanger van de OGS. Daar kent men geen Schwilden die in WOII sneuvelde, wat overigens voor vermisten bij de Volksbund normaal is. Nu is de Volksbund bovendien zeer incompleet qua registratie, zelfs voor het nog overzichtelijke oorlogsera 1940. Men heeft een toch wel beschamende achterstand in verwerkte gegevens. Dus dat een gesneuvelde daar niet bekend is, zegt nog niet zo veel. De WASt [Wehrmachtauskunftstelle für Kriegerverluste und Kriegsgefangene] is al tijdens de oorlog actief geworden en is dat nog steeds. Het kost moeite en geduld (en geld) om aanvragen neer te leggen aangaande Duits gesneuveld personeel. Maar uiteindelijk krijg je meestal een antwoord met meer informatie. Als men een luchtmachtofficier Schwilden aanvraagt, dan is er maar één 'hit' en dat is Hauptmann Horst Schwilden van 3./KG.26, die kort na de meidagen vermist raakte boven de Noordzee (ZO van Turnhouse) tijdens de luchtstrijd met de RAF. Schwilden was tussen februari 1940 en zijn vermissing (en dood) op 26 juni 1940 Staffelkapitän van 3./KG.26. Voor het overige is er nul op het rekest. Men stelt dan met reserve - want men heeft geen volledig overzicht door vernietigde archiefdelen - dat er geen andere Schwilden was.

Ook andere bronnen laten echter nimmer een Hauptmann Schwilden boven drijven. Voornaam is dat de man nergens op Verlustlisten verscheen (in relatie tot mei 1940), nooit in Nederland werd gevonden, maar ook in geen enkel Duits verslag werd genoemd. Volksbund (de Duitse OGS) en WASt kennen hem niet. Brongers suggereert dat de gesneuvelde direct naar Duitsland is teruggebracht. Dat kan. Als de man aan boord van een He-59 zat die wel weer kon opstijgen, is die kans zelfs realistisch te noemen. Desondanks is juist dan alle aanleiding voor een deugdelijke administratie van het verlies evident. Zoals we weten dat (alsnog) in Duitsland overleden Luftwaffe en Heer personeel gewoon later op verlieslijsten verschenen. Waarom Schwilden dan - nota bene als officier - verdwenen is, is een raadsel. Of zou Schwilden gewoon overleefd hebben en na de opheffing van zijn speciale taskforce bij KG.26 terecht zijn gekomen? Zou zo maar kunnen.

Er is ons geen informatie voorhanden dat de bevindingen van Brongers failleert, maar de onderzoeken langs de geijkte paden geven allemaal nul op het rekest. We zoeken door omdat we vinden dat de onderste steen boven moet. Wie ons bijvoorbeeld kan helpen aan gegevens rond 3./KGrzbV.108 (He-59: ook wel als Sonderstaffel Schwilden bekend geworden), met name wie de commandant was van die eenheid (de Freiburgse archieven geven geen informatie), zou zeer verdienstelijke informatie bieden. Vooralsnog is ons slechts bekend dat de Hauptmann Förster I./KGrzbV.108 (bestaande uit de staf en vier squadrons) in mei 1940 leidde. Wie de individuele eenheden leidde, is ons niet bekend. We houden ons van harte aanbevolen voor informatie!

Dossier "Rotterdam"

Voor ons is het bombardement van Rotterdam op 14 mei 1940 een doorlopend onderzoeksdoel. De reden daarvoor is dat de geijkte geschiedschrijving over deze 'wereldberoemde' luchtaanval veel onlogische elementen bevat. Iedere werkelijke historicus die over deze materie schrijft zal dan, net als wijlen Karel Mallan of zelfs de soms wat overmoedige Loek Elfferich, nader onderzoek willen doen.

Onlogica zeggen wij. In kort bestek, zien wij de volgende onlogische zaken:

  1. Bombarderen ondanks onderhandelingen
  2. Rode lichtkogels indien het bombardement niet moet doorgaan, in plaats van andersom; rode lichtkogels wanneer het wel moet doorgaan, wat misverstanden altijd zou voorkomen.
  3. De rode lichtkogel afspraak is een onlogische, omdat men zich bewust moet zijn geweest dat nimmer tijdig en zichtbaar lichtkogels van het Noordereiland zouden kunnen worden afgeschoten, die de formatie Lackner vanuit het oosten zou kunnen waarnemen voordat de bomautomaten moesten worden gestart.
  4. Het heeft er alle schijn van dat de lichtkogel betekenis op 14 mei 1940 ter plaatse voor rood gold als "wij zijn hier". Ofwel, niet op deze plek bombarderen.
  5. Het 'niet bereikbaar zijn' lijkt een gefabriceerde leugen. In de avond toen een tweede formatie vertrokken was voor een herhaald bombardement (zie ook 1.) kon men ze ineens wel feilloos bereiken.
  6. De beladingsgegevens van de kwartiermeester van KG.54 geven een belading die in de boeken staat als op Rotterdam afgegooid. Maar er week toch een eskader af?
  7. De bombardementspatronen van de vermeend afgezwaaide formatie Höhne, vertonen helemaal geen stakend bombardement, maar juist een voortgezette aanval.
  8. De schaarse beelden van het bombardement, tonen helemaal geen afzwaaiende formatie Höhne maar een bombarderende eerste Kette en rechtdoor vliegende navolgende Ketten.
  9. De kans dat brandbommen zijn gebruikt is helemaal niet zo minimaal als alom wordt beweerd.
  10. Het bombardement lijkt veel langer te hebben geduurd dan de tien minuten die menigeen stelt, waarbij tevens Ju-88 duikbommenwerpers doelen aanvielen.

Er zijn voor ons enige sporen, die we nader onderzoeken. Twee belangrijke zaken zijn de volgende.

Toen de formatie Höhne over de Hoekse Waard over Barendrecht richting Rotterdam vloog, stond net een Nederlandse leraar Duits (die de tolk voor de Duitsers in Barendrecht was) met twee officieren bij de watertoren. Toen het gedreun van de Duitse formatie klonk, keken de beide officieren verschrikt op en zagen de formatie vrijwel recht op Barendrecht af vliegen. Direct vlogen de beide officieren de watertoren in en schoten tot driemaal toe rode lichtkogels af. Ze leken dat te doen om de vloot te waarschuwen dat Duitse troepen in Barendrecht lagen. Deze gebeurtenis is dubbel opvallend. Ten eerste lijkt het de betekenis van de rode lichtkogels (die merkwaardig genoeg tot en met 13 mei 1940 wel in archieven is te vinden, op 14 mei niet) te bevestigen dat het als markering voor eigen linies gold. Ten tweede gaf het Höhne in elk geval geen aanleiding zijn koers te wijzigen.

Een heel bijzondere aanwijzing van opzet van het bombardement, vanuit welke hoedanigheid dan ook, werd gegeven door het in Nederland nauwelijks bekend geworden boek van deelnemer Hans-Joachim Ritter, die in mei 1940 nog Leutnant en piloot was in de formatie van Oberstleutnant Höhne, de plaatsvervangend Geschwaderkommodore en aanvoerder van de vermeend afgezwaaide formatie. Ritter vertelde als volgt over de uren kort na de aanval, toen men terug was op de basis:

» Am Abend nach diesem Angriff (red.: Rotterdam, 14 mei 1940) sassen wir jungen Offiziere ziemlich deprimiert im Kasino zusammen. Da erschien Höhne in Siegerpose und hatte die Stirn, uns folgendes mitzuteilen: 'Unterwegs, noch weit von Rotterdam entfernt, übergab mir mein Funker folgenden Funkspruch: 'Angriff abbrechen! Holland hat kapituliert'. Darauf reichte ich ihm diesen schicksalentscheidenden Funkspruch zurürck mit der kurzen Bemerkung 'Funkspruch nicht quittieren!' Und so konnten wir wenigstens noch unsere Morgengabe bei den Holländern abladen'. Das Urteil über diesen 'Soldaten' überlasse ich jedem, der dies liest, selbst

[Vertaling: 's Avonds na de aanval zaten wij jonge officieren gezamenlijk gedeprimeerd in de mess. Toen verscheen Höhne in een overwinnaarspose en meldde met een zekere trots 'onderweg, nog ver van Rotterdam verwijderd, kreeg ik van de radioman een ontvangen bericht 'Aanval afbreken, Nederland heeft gecapituleerd'. Ik heb hem het (fatale) bericht teruggegeven met de aantekening 'Bericht niet bevestigen'. Zodoende konden wij tenminste die ochtendlading nog bij de Nederlanders afleveren.' Het oordeel over deze 'militair' laat ik aan een ieder die dit leest zelf om te vellen!]

Een opmerkelijk verhaal, uit de memoires van een deelnemende officier, die later - overigens als jachtpiloot - zelf verdienstelijk eskaders zou gaan leiden. Naoorlogs berouw of waarheidsgetrouwe weergave? Het is voor ons vooralsnog niet te achterhalen. Het is echter wel weer een mogelijke 'lead' dat er rond het bombardement op Rotterdam zaken zijn gebeurd die ons nog steeds niet bekend zijn. Dat er zeer welbewust is gebombardeerd en in feite geen intenties waren het bombardement uit te stellen tenzij er een 'eigen troepen zijn in het doelgebied' boodschap kwam. Zoals dat in de vroege avond het geval was toen General Schmidt - commandant van XXXIX.AK dat voor Rotterdam lag - vernam van een tweede luchtaanval.

Wordt vervolgd. Het dossier 'Rotterdam' zal u regelmatig uitgebreid zien.

Italiaanse SS'er op ereveld

Wij werken bij onze vele onderzoeken naar Duitse militairen die actief waren in Nederland veelvuldig samen met Richard Schoutissen. Hij is actief betrokken bij onderzoek naar Duitse gesneuvelden in Nederland en specifiek de krijgsgeschiedenis van ‘zijn’ Deurne.

Toen wij vanwege onze onderzoeken naar de gebeurtenissen onder Nijmegen op 10 mei 1940 de sporen der Duitse gesneuvelden trachten te verifiëren, kwamen we wederom met Richard in contact. Eén naam leidde tot nader onderzoek. Karl Morre, die wij wegens een fout in de graflijsten van de ombedding der Duitse gesneuvelden, als Morze hadden geregistreerd. Richard vond uit dat deze Morre in feite Italiaanse wortels had en naoorlogs van Ysselsteyn was weggehaald en elders in Nederland was herbegraven. Karl Morre was geboren in het Italiaanse Lucca op 24 mei 1919. Nog voor hij 20 werd sneuvelde hij nabij Nijmegen op 10 mei 1940, vermoedelijk als militair van SS Aufklärungsabteilung.

Morre had een EKM “SS Aufkl.Abt. en 4./SS Deutschland no.19“. De SS Aufklärungsabteilung was voor een deel geëncadreerd door het SS regiment Deutschland. Die beide zaken correleren wel. Het is echter bijzonder dat een Italiaan bij de SS zat in mei 1940. Het aantal buitenlanders in de SS was nog zeer gering. Bovendien moesten zij een Duitse ouder hebben, anders was toetreding tot de krijgsmacht – ook de SS in 1940 – bij wet onmogelijk. Morre, die een Italiaanse achternaam (en de Duitse voornaam Karl) had, zal dus een Duitse moeder moeten hebben gehad.

Waarom bespreken wij de SS’er Morre alhier? Wij vroegen ons af waarom Morre’s graf op Ysselsteyn was geruimd. Richard kwam er achter dat er op een naoorlogs verzoek van de Italiaanse regering minstens 13 graven van Ysselsteyn zijn verhuisd naar de Italiaanse sectie op de erebegraafplaats Rusthof, bij Amersfoort. Twee hunner - Karl Morre en Pietro Mazella - sneuvelden echter in Duitse dienst. Er liggen op Rusthof 41 Italiaanse militairen, waavan de meeste in Duits krijgsgevangenschap het leven lieten en 11 anderen na 1943 sneuvelden en van Ysselsteyn werden overgebracht.

Op 8 september 1943 zwaaide Italië zijn jas om en veranderde het van zijde. Het land werd opeens Geallieerd met de vijanden van Duitsland. Dat betekende dat Italianen, die tot dan toe voor de Duitse zaak vochten, opeens de tegenstanders van de Duitsers werden. Zo kwamen er Italiaanse gevangenen in Nederland terecht. Sec gesproken waren die Geallieerd geworden en als zij na 8 september 1943 stierven, een ereslachtoffer.

Naast hen – nee, tussen hen – werden Italianen begraven die in Duitse dienst ten tijde van de Duits-Italiaanse alliantie waren gesneuveld. Zo kan het gebeuren dat SS-Mann Karl Morre, die sneuvelde op 10 mei 1940 in de strijd tegen Nederland, op Nederlandse grond begraven ligt als ereslachtoffer. Een bizarre zaak, waarvan men kan afvragen waarom Nederland eraan heeft meegewerkt indertijd.

Er geldt eenzelfde geval voor zeven voormalige Sovjet doden. Zij sneuvelden in Duitse dienst, maar werden later in de Russische sectie van Rusthof herbegraven, als slachtoffers van het Duitse regime. Dat lijkt echter zeer arbitrair, want zij kwamen om als "mitglied" van Armenische Infanterie Battalion 812, Russ.Btl.600 of Bäckerei Kompanie 522.

Er is uiteraard alle begrip en respect voor alle slachtoffers van de strijd, zoals Ysselsteyn een passende en respectvolle begraafplaats is voor ruim 30.000 Duitse militairen. De erebegraafplaatsen achten wij echter gereserveerd voor hen die sneuvelden om ons te verdedigen of te bevrijden, niet hen die meewerkten ons land juist aan te vallen en te bezetten ...

November

Luchtaanval bij Mill en Bruggen

Op 10 mei rond 1830 uur Nederlandse tijd werd in de sector Mill - Bruggen, waar het zwaartepunt van de gevechten in de Peel-Raamstelling lag, een luchtaanval door de Luftwaffe uitgevoerd.

Molenaar sprak in 1970 in zijn werk over de Luchtverdediging in algemene zin over KG.4 dat XXVI.AK ten dienste stond. Het stafwerk "Noord-Brabant" (pg. 207) spreekt heel nadrukkelijk van "Stuka-(duikbommenwerpers)". Brongers (ONR2, pg. 203/204), die inleidend al sprak van een "zwaar luchtbombardement door duikbommenwerpers" nam uit alle hem voorhanden verslagen uiteraard het meest schilderachtige citaat over en maakt het nadien in eigen woorden, zoals gewoonlijk, weer tot een beschrijving waar de overdrijving vanaf druipt, hoewel zijn slotzinnen de overdrijving voor de goede lezer weer enigszins compenseren. Eerst laat hij de gemeentesecretaris van Mill, de heer A.H. de Becker aan het woord:

» En daar begon de hel los te barsten. (...) Over onze hoofden draaiden de duikbommenwerpers, die een afgrijselijk lawaai maakten en met de regelmaat van een klok hun bommen tussen de spoorbaan en Bruggen lieten neerkomen. Grote zware stofwolken, oplaaiende vuurmassa's, duivels geluid, begeleid door scherpe knallen van pantsergeschut, de klap van handgranaten en kanongebulder. De dans macabre was bezig zijn ritmische dodengang te gaan. Een luguber schouwspel, waartoe men zich beurtelings met demonische huivering voelt aangetrokken en - vervuld met bange gedachten aan dappere vaderlanders en landverdedigers - voelt afgestoten (...).«

Dan vervolgens in Brongers zijn eigen woorden ...:

»Tot dicht bij de opstelling van de 8 Staal afdeling werd het gehele gebied voor het Duitse aanvalsfront systematisch (sic) gebombardeerd. De bommen sloegen grote, diepe trechters in de grond. Gelukkig troffen ze geen enkele maal de bunkertjes of de smalle loopgraven. Dat er ook geen verliezen aan personeel waren te betreuren, kon men na afloop nauwelijks geloven. Het leek een wonder

De schildering door de gemeentesecretaris was te dik aangezet. Ten eerste was van pantsergeschut en handgranaten vrijwel zeker geen sprake tijdens het bombardement, want in anticipatie op het bombardement en de artillerievoorbereiding was de Duitse infanterie een flink stuk van het kanaal teruggetrokken. Daarnaast maakte de man er natuurlijk een prachtige pakkende vertelling van, maar overdreef schromelijk. Althans, zijn beeld had epische randjes, wat zelden verstandig is om als historicus aan te wenden als men krijgsgeschiedenis 'bedrijft.'

Brongers doet zijn lezer echter weer geloven alsof de zaak Duits precisiewerk was, zoals hij de Duitsers graag afschilderde als haast buitenaards effectief en machtig. In werkelijkheid was er van systematisch bombarderen geen sprake, in tegendeel. De bommen vielen grotendeels buiten het doelgebied en weinig geconcentreerd. Geen der stellingen werd geraakt. De meeste bommen kwamen in het nauwelijks door militairen bezette 2e echelon, in het bos en de open delen achter de kanaalstelling, terecht. Hier en daar werd brand veroorzaakt, maar voor het overige was er nauwelijks materieel effect. Er viel geen enkele dode, wat al veelzeggend was. Een wel systematisch bombardement door een batterij artillerie volgde op het luchtbombardement en lag veel korter op het kanaal, in de sector ten noorden van de ontspoorde trein. De sector die juist door de Nederlanders grotendeels was ontruimd, vanwege het bombardement en de voordien op die locatie sterk aandringende Duitse aanvallers (vrijwel alle kazematten waren er uitgeschakeld). Vervolgens zouden in die hoek twee Duitse bataljons elkaar beschieten. Het Duitse bataljon dat bij de trein de gehele dag geisoleerd had gezeten en zichzelf aldaar volkomen passief had ingegrageven, werd door een aanvallend bataljon als Nederlandse verdedigers verondersteld en levendig beschoten. Het duurde wel even voordat het misverstand was opgelost.

In werkelijkheid werd in de sector tussen Mill en Bruggen, in (vermoedelijk) drie golven, telkens met een Staffel formatie de grondsteunmissie gevlogen. Per Staffel werd met drie of vier kleine formaties van twee of drie toestellen aangevallen. Dat gebeurde binnen een tijdsspanne van drie kwartier, waarbij vermoedelijk tussen ieder Staffel ongeveer een kwartier ruimte zat. De aangevallen sector was zo'n 4 km breed, tussen de Bosweg bij Mill en Bruggen.

De suggestie dat het om Stuka vliegtuigen ging, waarbij de eenmotorige Ju-87 werd bedoeld in de periode waarover we schrijven, is zoals vaak, onjuist. Het ging echter vrijwel zeker wel om de eveneens voor scherp aanvliegen (duiken) van doelen geschikte Ju-88's van III./KG.4. In het KTB van XXVI.AK wordt terzake opgemerkt:

»Angriff auf Peelstellung 20.45 Uhr befohlen. Hierzu Bombenabwurf durch 1 Gruppe K.G.4 von 20.00 - 20.45 Uhr auf Peelstellung

I./KG.4 stond niet ter beschikking. Dat was vanaf de middag van 10 mei tot en met 12 mei aan Gn-Maj Putzier toegewezen voor bevoorrading van 22.ID en 7.FD. II./KG.4 was het vermoedelijk ook niet, want die eenheid was zwaar aangeslagen door verliezen in de ochtend van 10 mei bij Rotterdam-Waalhaven. III./KG.4 met zijn aanzienlijke contigent Ju-88 (terwijl KG.4 overigens een He-111 eenheid was) was zeer geschikt voor tactische grondsteun en lijkt als uitvoerende Gruppe het meest voor de hand te liggen.

Overigens is ook door uitsluiting de (minimale) kans op inzet van eenmotorige duikbommenwerpers te benaderen. Van de Stuka-geschwaders - slechts de Ju-87 en Hs-123 werden in het Duitse jargon werkelijk als Sturzkampfflugzeug (StuKa) aangeduid - was op IV./LG.1 na alles in handen van VIII.FK (Gen-maj von Richthofen) en deze zijn op 10 mei alleen maar in het Belgische territoir ingezet. IV./LG.1 werd overigens ook in België ingezet, maar was met prioriteit beschikbaar voor het Nederlandse theater in de sector Rotterdam. In de ochtend van 10 mei was de eenheid rond Rotterdam intensief gebruikt.

Dossier Rotterdam

We doen momenteel onderzoek naar het beschikbaar zijn van de FC-250 (Flam Cylindrisch) bom voor KG.54 in mei 1940. Deze bom moet in 1939 al zijn getest. Het was een cylindrische bom met zo'n 65 liter (74 kg) brandmiddel (basale vorm van napalm) en een ontsteker. De bom woog 125 kg, maar had dezelfde cilindrische omvang als de SC250.

Het is bekend dat I./KG.4 in juni 1940 de beschikking kreeg over de eerste ladingen van deze brandbommen en er ook al inzetten mee pleegde in Frankrijk. I./KG.4 vloog met He-111-H, een ouder type dan KG.54, dat met de He-111-P vloog. Als de oudere 'H' al een nieuw bomtype kon afwerpen, dan is er weinig aanleiding te denken dat de 'P' met dezelfde SC-250 rekken, niet ook de C-250 kon afwerpen.