De waarde van bronmateriaal

Inleiding

Voor de samenstelling van de beschrijving van de gebeurtenissen tijdens de meidagen van 1940 op het Zuidfront van Vesting-Holland is gebruik gemaakt van duizenden bronnen.

Voor de reconstructies van de gebeurtenissen is bijzonder veel studie gemaakt van contemporaine bronnen. Gevechtsverslagen, gevechtsrapporten, persoonlijke verslagen van betrokken militairen en officiële onderzoekingen vormen de basis van een militair-historische beschouwing der gebeurtenissen. Het beeld dat uit studie van die primaire en secundaire bronnen ontstaat, dient kritisch te worden beschouwd aan de hand van objectieve maatstaven – voor zover die voorhanden zijn – en realiteitstoetsen. Met name dit laatste subjectieve middel vergt kennis en inzicht terzake, alsmede het voorhanden hebben van studies, rapporten en overige beschouwingen.

Over bronnen, hun waarde en hun bezwaren valt veel te zeggen. Daarover valt zelfs op zich al een uitgebreid debat te voeren. Daarom wordt hieronder weergegeven hoe auteur dezes aankijkt tegen het gebruik van bronnen en vooral hoe bronnen geïnterpreteerd moeten c.q. mogen worden. Dat geeft dan tevens een beeld hoe er te werk is gegaan bij de samenstelling van deze website en het daarop getoonde onderzoeksresultaat.

In het hoofdstuk 'bronnen' vindt de lezer de voor deze studie bestudeerde en aangewende bronnen zelf. Iedere bron heeft een uniek nummer dat in de studieteksten terug te vinden is als de desbetreffende bron is gebruikt. Voor heel specifieke conclusies of verwijzingen, wordt in de tekst uitgebreider naar de bron (hoofdstuk, bladzijde) verwezen of eruit geciteerd.

Alle in de opsomming benoemde bronnen zijn bij auteur voorhanden, maar niet alle opgesomde bronnen zijn in het publieke domein open verkrijgbaar. Dit geldt onder meer voor een aantal Duitse gevechtsverslagen. Het ontsluiten van die specifieke informatie aan het publieke domein, door aanbieding aan de archieven, zal pas geschieden nadat de publicatie op deze website is afgerond.

Bronnen en waarheidsvinding

De sociale wetenschap ‘Geschiedenis’ kent de sterke beperking dat zij het (vrijwel) zonder feiten moet stellen en de facto iedere historische beschouwing een subjectieve weergave is van waarnemingen, interpretaties, analyses en overige wegen die tot conclusies leiden. Het wetenschappelijke karakter dat verbonden is aan het ‘vak’, is dan ook beperkt tot het op wetenschappelijke wijze benaderen en traceerbaar maken (en houden) van de weg naar de eindbeschouwing of conclusie alsmede de wetenschappelijke toets der aangewende (bron)materialen.

Geschiedschrijving wordt opgebouwd langs de weg van de subjectieve waarneming, of dat nu ooggetuigen, waarnemers uit tweede hand of contemporaine geschiedschrijvers betreft. Een waarneming, zelfs van iemand die volledig betrokken is bij een gebeurtenis, is te allen tijde ‘eigen’ en daarmee subjectief. Die subjectiviteit geldt voor iedere bron, zelfs als tien van de tien voorhanden bronnen een gelijkluidende waarneming uitdragen. De historicus heeft als taak om die subjectiviteit te reduceren. Vanuit het gegeven dat de historicus te allen tijde een reductie moet toepassen op de vergaarde c.q. verzamelde ‘kennis’, is al evident dat de vrucht van de onderzoekingen te allen tijde de zaden van subjectiviteit draagt. In het geval van het eindproduct zou men in feite zelfs kunnen spreken van de noodzaak voor een dubbele reductie: de eerste vanuit de bronnen zelf, de tweede jegens de interpreterende historicus. Dat gegeven relativeert in wezen onmiddellijk een begrip als ‘de historische waarheid’. Feit is dat ‘de waarheid’ zich nimmer laat verenigen met de pennenvrucht van enige historicus. De laatste kan zich hoogstens hebben ingespannen om ‘de waarheid’ (c.q. ‘de werkelijkheid’) te benaderen en vooral om de weg naar die waarheid traceerbaar en transparant te houden, zodat zij qua vorming is te herleiden.

Dat laatste is wat in deze studie getracht wordt om toe te passen. Er is zeer welbewust voor gekozen deze studie van de gebeurtenissen op het Zuidfront Vesting Holland van de grond af aan opnieuw op te bouwen en alleen indien noodzakelijk gebruik te maken van eerdere studies of publicaties. Daarmee wordt niet alleen een zekere frisheid van werken beoogd, maar vooral ook het kopiëren van aannames, fouten en onzuiverheden in eerder gepubliceerd werk.

De reductie der bronnen

Een ooggetuigenverslag, in geval van onderhavig onderzoek naar het Zuidfront meestal in de vorm van persoonlijke of (formele) krijgsverslagen, is a priori een waardeoordeel. Een verslag is immers te allen tijde een waardegeladen reconstructie van de eigen waarneming. Onwillekeurig hoe objectief een waarnemer zichzelf acht, zijn weergave van de waarneming is een subjectieve weergave dat een samenspel tussen ‘hersens en hart’ weergeeft, tussen ratio en gevoel. Die weergave is altijd besmet door zaken als gewoonte, vorming, gemoedstoestand en allerlei vormen van (al dan niet aangeleerde) emotie. Daarnaast, niet onbelangrijk, zijn deze waarnemingen eenzijdig. Ze belichten één zijde van het verhaal. Dat element doet bij bijvoorbeeld krijgsverslagen te meer opgeld, daar de eenzijdigheid alleen al door vaak extreme gevoelens van vijandschap wordt ingegeven. Neem een voetbalreporter die fan is van één der partijen, en men kan er haast vanuit gaan dat zijn wedstrijdverslag zeer subjectief zal zijn. Bovendien kunnen er nog andere vervuilende emoties bijkomen zoals het actief beschermen of verbeteren van de eigen reputatie of van andermans prestatie, het verdoezelen of verdraaien van gebeurtenissen omwille van daartoe gevoelde noodzaak of wenselijkheid en tenslotte de invloed die derden op een opgemaakt (ooggetuigen)verslag kunnen hebben gehad.

In de alinea hierboven wordt bondig geschetst welke reductie een analyserend onderzoeker zal moeten aanbrengen op een bestudeerd verslag. Deze eerste reductie is een vaak buitengewoon complexe taak voor de onderzoeker. Deze kan worden vereenvoudigd als er van een bepaalde gebeurtenis meerdere verslagen zijn, liefst ook via meerdere kanalen tot stand gekomen, en vooral als er van de ‘tegenpartij’ evenzo een verslag van de betreffende gebeurtenis is te vinden. Daarmee ontstaat als het ware een analyse die zich het beste met een Venn diagram laat vergelijken. De overlappende vlakken vangen vermoedelijk de werkelijkheid het beste. Dat is vooral het geval als van alle belligerenten een verslag is. Het doet namelijk in veel mindere mate opgeld als van één zijde meerdere verslagen zijn te vinden, tenzij die verslagen via verschillende kanalen ontstonden. Met dat laatste wordt bedoeld, dat niet alle verslagen langs eenzelfde hiërarchische lijn hun weg naar de inventariserende autoriteit vonden, zodat niet eenzelfde catalyse ontstond. Het is namelijk gevoeglijk bekend dat bepaalde eenheden door hun bevelhebbers in minder of meerdere mate werden gestuurd in de reconstructie van gebeurtenissen. Het mocht immers geen reputaties van bevelhebbers schaden. Bovendien is er de mogelijkheid van ‘besmetting’ doordat ooggetuigen hun verslaglegging afstemden, waarvan ook in sommige gevallen aantoonbaar sprake is geweest.

Binnen het proces van reduceren van de primaire bronnen vallen ook toetsen als de logica, de militair materiële werkelijkheid en de aantasting van het geheugen door verloop van tijd. De onlogische elementen in een verslag kunnen voort zijn gekomen uit allerhande factoren. Ze kunnen eenvoudig zien op gebrek aan kennis en kunde, aangetast geheugen, overlevering of simpelweg fantasie. Vaak zijn ze verweven met de weergave van de waarnemer, die over onvoldoende verklarende kennis beschikte om een voorval kundig te duiden. Als een militair het verschil niet hoort tussen een mortiergranaat en een houwitsergranaat, dan kan hij eenvoudig verklaren onder artillerievuur te liggen terwijl de tegenstander ter plaatse helemaal geen artillerie beschikbaar had en eigen artillerievuur redelijkerwijs is uit te sluiten. Een militair die bij ieder Duits vliegtuig van een Messerschmitt spreekt en deze bommen ziet wierpen, faalt t.a.v. zijn vliegtuigkennis. De soldaat die stelt dat de vijand in boeren overalls was gekleed, herkende de parachutistenuitrusting kennelijk niet. Toch wordt in deze gevallen een onbedoeld valselijk beeld geschapen bij de waarneming. Lastiger wordt het als een militair, of groep militairen, verklaart de ‘vijand’ te hebben afgeslagen, terwijl er vanuit andere bronnen kan worden vastgesteld dat er geen vijand was. Op een dergelijk moment kan een andere bron in een aangrenzende sector verklaren door de ‘vijand’ te zijn beschoten, terwijl ook daarvoor geldt dat er geen ‘vijand’ was. Alleen als die beide argumenten voorhanden zijn, en de omstandigheden overigens overeen lijken te komen, kan de conclusie ontstaan dat men vermoedelijk 'op elkaar’ heeft geschoten, terwijl geen van de ooggetuigen zich dat bewust was. Een reductie wordt dan in feite een deductie, een afgeleide conclusie. Het geval zou echter een veelvoud complexer worden als slechts één van de bij zo’n incident betrokken partijen een verslag heeft ingediend. Dan blijft immers boven de markt hangen met wie men dan gevechtsaanraking kreeg. De reductie kan dan niet worden vervolmaakt, een deductie is al helemaal uit beeld.

De deductie, de afgeleide conclusie (gevolgtrekking), is onderdeel van de tweede reductie die aan de orde is. Dat is de subjectiviteit die de onderzoeker zelf in het kapittel brengt. Die is (tenminste) tweeledig. De eerste is de primaire interpretatie van de bronnen. Iedere bron op zich wordt geïnterpreteerd door de onderzoeker en daarin ligt een onjuiste of vervuilde conclusie bij elke bron op zich op de loer. De tweede subjectiviteitsinbreng is er als de bronnen in onderlinge samenhang worden geanalyseerd. In sommige gevallen zal dit een eenvoudige routine zijn, maar veel vaker moet men informatieleemtes overbruggen. Weer liggen er dan twee gevaren nadrukkelijk op de loer. Die van de a priori foute vertaalslag van de individuele bronnen naar een gezamenlijk beeld vanuit meerdere bronnen en vervolgens de verkeerde interpretatie, die uit het samengestelde bronnen mozaïek ontstaat. Dit kan gemakkelijk aanleiding geven tot een epidemische fout – vanaf de individuele bron tot aan de eindconclusie met een ingekapselde fout redeneren – of tot een foute interpretatie, die vanuit het middenniveau ontstaat als een eerste samenhangende set bronnen als geheel tot een verkeerde interpretatie leidt. Een groot risico hierbij is de geleidelijke vorming van de vooringenomenheid van de onderzoeker. Net zoals de lezer van een boek zich onwillekeurig levende beelden vormt bij een scene of de gezichten van de beschreven hoofdrolspelers in een boek, vormt de onderzoeker (onwillekeurig zijn objectiviteitsbeginselen) zich een ‘logisch’ beeld bij gebeurtenissen. Die zodoende ontstane vooringenomenheid kan zich zo geleidelijk en geniepig vormen, dan de onderzoeker zich na langere tijd nog steeds objectief acht, terwijl hij dat eigenlijk allang niet meer is. Ontwaakmomenten zijn dan bijvoorbeeld als lange tijd vanuit bestaand en soms tamelijk overdadig bronmateriaal een hypothese is ontstaan, die logisch verdedigbaar lijkt, maar opeens een onverwachte maar betrouwbare bron wordt ontsloten, die het hele beeld doet kantelen. Dan kan opeens een andere logica ontstaan, die eveneens past bij de eerdere waarnemingen vanuit de al langer bestaande bronnen, die de onderzoeker zich doet realiseren dat hij vergeten is om voldoende buiten de geijkte paden te redeneren om zijn eigen logica te toetsen.

Wat voor historici bijzonder bezwaarlijk is, is dat het vak geen empirische hulpbronnen kent. Geschiedenis is nu eenmaal een smeltkroes van subjectieve waarneming en verwerking. Natuurlijk kan er bij geval sprake zijn van toetsbaarheid bij elementen van het beschrevene. Een vliegtuig blijft geen 24 uur in de lucht, een kanon schoot geen 100 km ver en met een geweer schiet men niet om drie hoeken tegelijk. De ondersteuning van dat soort technische begrenzingen (van de logica) is echter buitengewoon beperkt. Het is mede daarom dat de tweede reductieslag, waarbij de onderzoeker (of diens ingehuurde criticasters) zijn eigen werk toetst, in feite verre van volledig geschiedt. De tweede reductieslag kan dus slechts tot stand komen door debat (c.q. kritiek) en natuurlijk door scherp te blijven op nieuw ontsloten bronmateriaal. 

Het gevaar van overdreven reductie

Een zeer wezenlijk gevaar dat op de loer ligt, is die van de overreductie. Reductie krijgt bij sommige mensen wel eens de signatuur van een mantra. En een mantra herbergt de innerlijke risico’s van beperkende wetmatigheid. Als je als historicus meent dat primaire bronnen a priori onbetrouwbaar zijn en je ze dus fundamenteel als ondergeschikte onderzoeksdoelen sorteert, dan roep je over jezelf af dat de tweede reductie, die van jouw werk als onderzoeker, bij voorbaat faalt. Het is immers zo dat als je primaire bronnen ten principale niet (voldoende) serieus neemt, zoals bepaalde historici doen (en daarvoor met enig dedain zelfs uitdrukkelijk uitkomen), dat je je dan dus gaat verlaten op bronnen of voedende informatie die niet uit eerste hand komt, maar kennelijk wel betrouwbaarder zou zijn dan de verslagen van ooggetuigen. Daarmee verlaat je dus volledig het pad van wetenschappelijk benadering, doordat je de primaire bronnen niet meer reduceert, maar in feite discrimineert, marginaliseert of zelfs ridiculiseert. Het gevolg is dat de volledige reductieslag, die je als historicus moet maken, in zo’n geval op jezelf slaat, waarmee je in een cirkelredenering terecht komt. Immers, als je de primaire bronnen goeddeels discrimineert, waarop baseer je je conclusies en bevindingen dan nog?    

De recente krijgshistorische bibliotheek is verrijkt men enige producten, die voort zijn gekomen uit een stroming historici, die menen dat zij het recht hebben om vast te stellen dat de voorhanden primaire bronnen in relatie tot de strijd in mei 1940 in Nederland een zeer relatieve betekenis hebben en in feite slechts een marginale waarde hebben, zeker als het gaat om analyse op micro (hoog detailniveau) en meso (midden) niveau. Op basis van die uitgangspunten heeft men ook gemeend dat menige (vermeende) mythe uit mei 1940 inmiddels kan worden ontkracht, omdat die mythen werden geschapen door in het verleden die primaire bronnen wel ‘au sérieux’ te nemen. Het gevolg is dat men een inerte positieve ambitie (van het deskundig ontkrachten van mythen) tot leidraad nam om het te laten verworden tot een negatieve ambitie (het paradigmatisch ontkrachten van mythen). De producten die uit de handen van deze gildegenoten voortkwamen bevatten bewijsbare overcompensatie, die evident weer leidt tot mythevorming aan de andere zijde van het spectrum. In simpel Nederlands, kwaad met kwaad bestrijden. Dit alles werd veroorzaakt door overdreven reductie van de eerste staffel (de primaire bronnen zelf) en juist ondermaats reduceren van de tweede staffel (de bevindingen van de historicus zelf). Het resultaat van die methode kan slechts leiden tot bij voorbaat onbetrouwbare onderzoeksresultaten, hoewel ze uiteraard wel het (kortstondig) positieve neveneffect sorteren dat een zodanig opererende historicus in de volle aandacht komt. Zonder hier man en paard te willen noemen, zijn enkele voorbeelden daarvan voor de ingevoerde lezer kristalhelder. De desbetreffende historici - het zijn er gelukkig niet veel - hebben binnen het kleine gilde van Nederlandse (krijgs)historici de laatste jaren aanleiding gegeven tot soms hoog oplopende controversen wegens hun arbitraire werkwijze en dito verdediging daarvan.

Bronnen – wat zijn ze waard?

Het overgrote deel van de beschikbare Nederlandse bronnen zijn krijgsverslagen van individuele militairen. Direct na de verloren strijd in mei 1940 kwam al een eerste onderzoeksinzet vanuit defensie op gang. Men verzocht alle eenheden om krijgsverslagen, op basis waarvan enkele theaters nog tijdens de eerste twee oorlogsjaren nader werden onderzocht door een commissie bestaande uit seniore beroepsofficieren. Zij publiceerden daarover uitgebreid in de Militaire Spectator, die nog enige tijd tijdens de bezetting bleef verschijnen. Daarbij werd wel enige voorzichtigheid betracht bij het weergeven van de analyses, maar op hoofdlijnen bleef men de werkelijke bevindingen redelijk trouw, ondanks Duits gezag. Nadat de werkzaamheden gedwongen beëindigd werden door herinternering van officieren, kwamen zij stil te liggen tot na de Duitse capitulatie. In 1946 begon men opnieuw met de onderzoekingen, daarbij niet meer belemmerd door een bezetter en bovendien met een breder blikveld dan tijdens de oorlogsjaren. Uiteraard werd wel gebruik gemaakt van de inventarisatie, die vanaf eind mei 1940 al was begonnen.

Naoorlogs werden militairen die tijdens de meidagen hadden gevochten veelal direct benaderd voor nadere verslaglegging. Dat was logisch, want het leeuwendeel was gedemobiliseerd. De benadering tot getuigenissen gebeurde enerzijds vanuit het perspectief van sec de onderzoekingen welke op krijgshistorische leest waren geschoeid, maar anderzijds evenzo door de Commissie Dapperheidsonderscheidingen die dus vanuit die specifieke context naar informatie zocht ter beoordeling van de talloze aanvragen voor dapperheidsonderscheidingen. Nadat de vele duizenden aanvragen waren teruggebracht tot een veel kleinere selectie, werden de voorgedragen potentiële decorandussen op hun werkelijk onderscheidenlijke gedrag onderzocht. Gedurende dat proces ontstond als het ware een schaduw archief van krijgsverslagen, die overigens volledig waren toegespitst op de handel en wandel van de betreffende voorgedragen persoon. Alleen de verslagen van de voorgedragen personen zelf, die ook tot het onderzoek behoorden, bevatten vaak een bredere focus. Uit dit archief ontstond dus een tweede informatiestroom, waarvan belangrijke delen als aanvulling konden gelden op de krijgsverslagen die wegens krijgshistorisch onderzoek werden verzameld.

Er waren nog een aantal informatiestromen, zij het van bescheidener aard. Zij zagen bijvoorbeeld op kwesties als de zuivering van officieren en beroepspersoneel en krijgstuchtelijke (voor)onderzoeken. Met name dit laatste onderwerp zorgde hier en daar voor een zeer doelgerichte nadere inventarisatie van informatie, waarvan ten dele facetten voor de analyse van de gebeurtenissen erg interessant blijken te zijn.

De krijgshistorische sectie van het ministerie van defensie, die zich vanaf 1946 uitsluitend bezig hield met de inventarisatie van gegevens en onderzoekingen in relatie tot de gebeurtenissen in mei 1940, deed uitgebreid onderzoek naar de gehele strijd in de meidagen. Daar waar zwaartepunten in de strijd waren vastgesteld, zocht men nog verder door. In eerste instantie, met name bij de eerste onderzoeken in mei 1940, was vooral het kader bevraagd. Naoorlogs werd de zoekslag verbreed en verdiept en, daar waar aanleiding werd gevonden, ook lager kader en zelf gewone manschappen verzocht te verklaren. Daarbij werd men mede gevoed door de commissie onderscheidingen, die met name de gewone dienstplichtigen bevroeg in het kader van voorgedragen lager personeel. Onwillekeurig ontstond zodoende van de meest intensieve strijdperken een verhoudingsgewijs intensief door verslagen ondersteund beeld, terwijl de ‘buitengebieden’ soms wel erg karig waren gedekt. Zo zijn er enkele details van de strijd in mei 1940 uitvoerig te reconstrueren op basis van een schijnbare overdaad aan verslagen en rapporten, terwijl andere facetten van de strijd ernstig onderbelicht bleven omdat op hoger kader na, geen militair verzocht was zijn verhaal te doen.

Een ander aspect dat zeer sterk speelde, was de reactieve vorm van verslaglegging. Hoewel menig militair de noodzaak voelde alles op te schrijven wat hij meende te moeten melden, reageerde het gros op specifieke vragen, die naar aanleiding van de eerste studierondes door de onderzoekers waren geformuleerd. Dat de onderzoekers, allen hoofd- of opperofficieren, zich vooral op beleidszaken concentreerden, kan al snel worden geconcludeerd als de ‘vraag en antwoord’ correspondentie in de archieven wordt bestudeerd. Daardoor ontstond, ondanks de grote mate waarin bepaalde theaters op aandacht der onderzoekers konden rekenen, desondanks een vacuüm in de informatievoorziening. Dat werd nog versterkt door het feit dat de Nederlandse militair matig tot slecht was onderricht in de feitelijke verslaglegging. Men ziet bij sommige onderdelen weliswaar een kennelijk opgelegd stramien in de verslaglegging, maar het overgrote deel van de verslagen is op feitelijk niveau matig tot ronduit slecht geschreven. Dat geldt niet alleen voor het aangedragen feitenmateriaal in de verslagen, maar zelfs al ten aanzien van basale opbouw van het verslag. Het is niet ongebruikelijk dat er midden in een verhaal wordt begonnen, zonder enige context, zonder kop en staart. Dat is lang niet in alle gevallen te wijten aan de bevraagde ‘auteur’ van het verslag, maar veelal aan degene die de verhoren afnam en/of verwerkte. Om te typeren hoe zwak men die verslagen feitelijk opbouwde, hoeft men maar naar de aanhef te kijken. Heel vaak ontbreekt al een juiste eenheidsaanduiding, maar meestal ook een juiste rang. De ene verslaglegger noemde de rang die men droeg ten tijde van de verslaglegging, de andere de contemporaine rang bij het beschreven gebeuren. Andere opvallende aspecten zijn de zeldzaamheid van opgave van sterkte en bewapening van eenheden, tijds- en plaatsaanduidingen, ontbrekende of onjuiste naamsvermeldingen en tactische gegevens zoals onder wiens bevel men viel, wegens welke bevelen c.q. instructies men handelde en welke resultaten acties hadden (anders dan globaal).

Tenslotte waren er dan nog de eerder genoemde factoren zoals de subjectieve waarneming van de verslagschrijver, beïnvloeding door de omgeving of de bevelsketen, het feit dat verslagen opgemaakt tijdens de oorlog niet persé betrouwbaar waren wegens verdenking van Duitse betrokkenheid en met betrekking tot de naoorlogse verslagen, de aantasting van de herinnering wegens evidente interval tussen gebeurtenis en verslag.

De hele verzameling argumenten hierboven zouden aanleiding kunnen geven de marginalisering van waarde van de primaire bronnen, die door een bepaalde historische stroming de sinds eind jaren tachtig wordt uitgedragen, te verdedigen. Men zou kunnen beargumenteren dat de verslagen en rapporten dus slechts een betrekkelijke waarde hebben. Dat is in zekere zin ook zo, maar de tragiek is dat een alternatief voor de voorhanden primaire bronnen niet voorhanden is. Als men zich dus op basis van marginalisering van primaire bronnen verlaat op de eigen vrijelijke interpretatie, is de kans levensgroot dat men maar wat slagen in de lucht maakt. In elk geval ontbreekt dan helemaal enige wetenschappelijke toets. Er staat de historicus immers geen enkel ander middel ter beschikking dan de primaire bronnen en op basis daarvan zo verantwoord mogelijk analyseren en puzzelen.   

Ten aanzien van de kwalitatieve waarde van bronnen is hierboven betoogd tegen welke reducerende argumenten de onderzoeker aanloopt. Het is een misverstand dat een dergelijke reductie zich in beginsel door een kwantitatieve voorwaarde laat vereenvoudigen. Anders gezegd, als van een voorval tien verschillende individuen een verslag hebben gegeven, dan betekent het lang niet altijd dat dit veelvoud direct aanleiding geeft tot een grotere betrouwbaarheid dan wanneer er slechts één verslag zou bestaan. Het wezenlijke gevaar van ‘kruisbestuiving’ of beïnvloeding anderszins is namelijk bijzonder groot, zo blijkt ook wel uit vaststelling van dergelijke fenomenen in de praktijk. Daarnaast is het vertalen van een kwantitatieve analyse van zaken naar een kwalitatief oordeel nog veel gevaarlijker. Je kunt bijvoorbeeld niet op basis van tien gesneuvelden op een zekere locatie (kwantitatieve vaststelling) de conclusie trekken dat op die locatie dus goed of zwaar gevochten is (kwalitatieve analyse). Afgelopen jaren was er een academicus, die niet alleen op basis van dergelijke analyses meende een kwalitatieve analyse van de strijd te kunnen maken, maar tevens pretendeerde als zodanig het beeld van de tactische gevechtsomstandigheden te kunnen kantelen en dat bovendien als een ontmythologisering te duiden. Zijn bevindingen waren voor het grootste deel aantoonbaar onjuist, wat weer bewijst hoe gevaarlijk statistiek is als basis voor (verregaande) conclusies. 

De waarde van bronnen is dus beperkt, bovendien sterk fluctuerend. Er kan sprake zijn van één bron die een gebeurtenis beschrijft en erin slaagt om een heel betrouwbaar en in grote mate compleet beeld te geven van het beschrevene, terwijl er ook tien verslagen kunnen zijn van een zelfde voorval, die er geen van alle in slagen een duidelijke reconstructie mogelijk te maken. Er is dus geen gouden regel, geen standaard procedure en geen eenvoudige methodische werkwijze, die inzake broninterpretatie het ei van Columbus biedt. Generaliseren, in de zin van de waarde van primaire bronnen a priori marginaliseren zoals een bepaalde stroming historici doet, is dus alleen al om die reden fundamenteel onjuist. Het doet immers onvoldoende recht aan de noodzaak iedere bron op zich te toetsen en te wegen. Pas dan kan een toetsbaar beeld worden gegeven bij de waarde van bronnen. Dat proces is uiterst complex, bijzonder bewerkelijk en ongelofelijk tijdsintensief. Het vergt bovenal kennis van zaken. Het is echter de nucleus van historisch onderzoek. Falen of slagen liggen qua oorsprong verankerd in de kwaliteit van het bronnenonderzoek, zowel in eerste aanleg als in de nadere uitwerking daarvan. 

Duitse bronnen

Krijgsverslagen van Duitse origine komen in hoofdzaak in twee vormen. In de vorm van gevechtsrapporten van een eenheid – een zogenaamd Gefechtsbericht – en in de vorm van een oorlogsdagboek van een grotere zelfstandige eenheid – een zogenaamd Kriegstagebuch [KTB]. De gevechtsrapporten werden aangeleverd aan het regiment, en het regiment leverde aan de divisie, die daarvan een oorlogsdagboek samenstelde dat op hoofdlijnen was geschreven.

Het gevechtsverslag werd op compagnie (of batterij, eskadron) niveau geschreven. Het werd gevoed door verslagen van pelotonscommandanten, waarvan de verslagen overigens zelden bewaard zijn gebleven. De gevechtsverslagen werden vrijwel altijd door de oudste pelotonscommandant geschreven en door de compagniescommandant ondertekend. Nadien werden ze aan de bataljonscommandant overgedragen. Deze liet zijn adjudant de verslagen bundelen en daar bovenop kwam een bataljonsverslag. Dat geheel, dat dus minimaal uit vijf verslagen bestond, werd aan de staf van het regiment doorgespeeld. Dat voegde een regimentsverslag toe, welk geheel naar de divisiestaf werd verstuurd.

Een divisiestaf hield zelf allerlei dagboeken bij, terug te herleiden naar iedere staf(sub)sectie. Een KTB was dan ook een samengesteld rapport, dat van alle stafsecties een verslag bood aangevuld met vele bijlagen [Anlagen] waarin details, schetsen, staten, en eventueel individuele gevechtsverslagen waren opgenomen. Vaak werden deze KTB’s nog eens aangevuld met zogenaamde ‘Erfahrungsberichten’, ofwel  analyses van de strijd met daarin getrokken lessen en specifieke ervaringen met de troepen te velde en hun beschikbare middelen. Aangezien de Duitsers in beginsel bijzonder gedetailleerd rapporteerden, waren deze KTB’s complete boekwerken. Al tijdens de eerste fase van de oorlog werden deze KTB’s centraal ingezameld en na bestudering opgeslagen in grote verbunkerde archiefopslagen.

De kwaliteit van de KTB’s anno 1940 was over het algemeen degelijk. Zeer feitelijk en zakelijk, meestal zonder al te veel aandacht voor onbelangrijke details. De eventueel noodzakelijke details – hiermee wordt geduid op bijvoorbeeld persoonsnamen en voor de grote lijnen onbeduidende gebeurtenissen – zaten in de bijlagen en niet in het dagboek zelf.

De gevechtsrapporten gaven in mei 1940 veel details prijs. Ze waren echter net als aan Nederlandse kant uiteenlopend van kwaliteit, hoewel de kwaliteit – zeker in 1940 – nog streng werd bewaakt. In elk geval werd een duidelijke tijdslijn aangehouden (met veel precieze tijdstippen), werden verliezen – vaak met naam en toenaam van de slachtoffers – weergegeven en werden belangrijke tactische gegevens tamelijk helder geduid. De gevechtsrapporten waren qua informatiebetrouwbaarheid uiteenlopend van aard, hoewel beslist niet in de mate waarvoor dit t.a.v. de Nederlandse rapporten gold. Als ze geschreven werden door bijvoorbeeld fanatieke nazi’s, dan was dit uit de inhoud spoedig op te maken. Dat de samenstellers van het KTB dergelijke tendensen er ook uithaalden, behoeft haast geen nadere bespreking. Het is een gegeven dat de kwaliteit van KTB’s die van gevechtsverslagen overtrof, maar voor werkelijke gevechtsdetails zijn de gevechtsverslagen juist weer haast onontbeerlijk.

Verslagen van de (vliegende) Luftwaffe eenheden zijn schaars. Het gros werd met succes vernietigd. Bronnen van Luftwaffe eenheden bestaan dan ook veelal uit reconstructies en samengestelde onderdeelsgeschiedkundige werkstukken. Over de Luftwaffe zijn op hoger niveau en vanuit een strategisch oogpunt wel betrouwbare bronnen voorhanden, maar op meso en micro niveau dient de historicus zich bijzonder veel op deductie en hypothese te verlaten.

Het is van belang te weten, voor de lezer, dat de officiële Duitse krijgsverslagen (in de breedste zin des woords) en overige militaire archiefzaken in een centraal depot van het Bundesarchiv in Freiburg zijn opgeslagen en geregistreerd. Dit zogenaamde Militärarchiv bevat echter slechts voor een zeer bescheiden deel de archieven van de voormalige Duitse parachutisten. Die beheren namelijk, middels de Bund Deutsche Fallschirmjäger [BDF], hun eigen archief. Tot voor kort was dit archief niet of nauwelijks toegankelijk en voor toegang is nog steeds een specifiek fiat van de BDF vereist. Auteur dezes en co-auteur hebben echter de afgelopen jaren deze noodzakelijke toestemming gekregen en mede daardoor 'nieuwe' gevechtsverslagen van Duitse parachutisteneenheden weten te ontsluiten. Verslagen die door Nederlandse historici nooit zijn bestudeerd, simpelweg omdat het bestaan ervan niet bekend was. Deze verslagen hebben echter bijzonder veel informatie prijsgegeven over de strijd, met name die rond Moerdijk en Dordrecht. Daarnaast zijn verslagen gevonden van de zogenaamde Gruppe de Boer, de eenheid die bij Dordrecht zo prominent in beeld kwam op 12 en 13 mei, en waarover wild werd gespeculeerd in de geschiedenisboeken. De aanwinst van deze beide sets bronnen is voor de onderzoekingen van de gebeurtenissen van grote waarde gebleken. Dat komt mede omdat vastgesteld kan worden dat de betreffende verslagen en rapporten van uitstekende kwaliteit zijn en, daar waar toetsbaar, zeer betrouwbaar blijken te zijn.    

Duitse boeken en studies

Duitse boeken en studies zijn zeer uiteenlopend van kwaliteit. Er zijn Nederlandse publicisten die bijkans prat gaan op gegevens uit onderzoeken en boeken van Duitse origine, deels voortgekomen uit de NARA archieven [Amerikaanse legeronderzoeken] en deels beduidend later tot stand gekomen. Het zich grotendeels verlaten op die Duitse onderzoeken en auteurs is onterecht en zelfs aantoonbaar onverantwoord. In Duitsland wordt de geschiedschrijving tot op de dag van vandaag merkbaar gemanipuleerd. Lovend over Duitse onderdelen - over het Duitse leger - schrijven is een faux pas. Al te kritisch schrijven wordt ook niet gewaardeerd. Oorlogsmisdaden, tenzij onweerlegbaar, zijn slecht bespreekbaar tenzij ze als een soort mea culpa fungeren, waarbij men dan in andere uitersten van overdrijving lijkt te vervallen. De informatie over de 'tegenpartij' is ronduit ondermaats bij de meeste Duitse auteurs; onderzoekingen van buitenlands bronmateriaal ziet men bij hen zelden. Evenzo zijn veel onderzoekers geneigd bepaalde politieke of militaire belangen te overdrijven en zodoende bijvoorbeeld krijgskundige gebeurtenissen uit mei 1940 geforceerd op te hangen aan handelen door Adolf Hitler en zijn directe entourage. Dat terwijl de interventies van de Führer in die fase van de oorlog in feite nog zeer beperkt waren t.a.v. het operationele gebeuren. De Duitse krijgshistoricus heeft het zwaar, maar dat betekent dat de lezer ook meestal iets voorgeschoteld krijgt dat met één of meerdere invloeden van vooringenomenheid is samengesteld. Dat beperkt de bruikbaarheid van Duits werk in sommige opzichten.

Bepaalde hierna besproken auteurs als bron gebruiken is in wezen ronduit onverstandig. De broodschrijver Franz Kurowski [ook onder alias Volkmar Kühn en Karl Alman], die het zelfs verstaat zijn eigen aliassen soms met citaten aan te halen, is een auteur die men alleen bij totale absentie van bronnen kan overwegen te citeren. Zonder steunbewijs moet men deze broodschrijver niet als bron gebruiken. Overigens is Kurowski binnen Duits historische én legerkringen opvallend impopulair. Een prestatie waarvan de oorzaak auteur dezes onbekend is. Andere Duitse auteurs die men bezwaarlijk kan aanwenden als leidende bron, zijn Arnold von Roon, Walther Gericke en Hermann Götzel (als biograaf van Kurt Student). Deze oud-parachutisten hebben boeken en artikelen geschreven, die zo boordevol aantoonbare onwaarheid en overdrijving staan, dat ze hun waarde als voorname bron – ondanks hun rechtstreekse betrokkenheid bij de gebeurtenissen – verloren hebben. Ze kunnen slechts als bron fungeren in samenhang met anderen, of als leidraad voor nader onderzoek. Maar als leidende bron zijn ze onbruikbaar, ook als hun repertoire aannemelijk of welkom lijkt. Een verleiding die overigens voor sommige Nederlandse auteurs moeilijk te weerstaan is gebleken.

Merkwaardig is voorts dat men in Nederland geneigd is sommige Duitse auteurs klakkeloos en kritiekloos te volgen. Daar is echter geen enkele aanleiding toe. In Duitsland is men namelijk veel minder goed op de hoogte van de gebeurtenissen in mei 1940 dan de Nederlanders. Zelfs over de Duitse kant van de zaak weten gearriveerde Nederlandse historici in de regel meer. Hoe typerend dat een auteur als Kurowski zich indertijd met de Nederlander Frans Beekman verenigde om over de meidagen te schrijven. Maar ook uit eigen ervaringen met Duitse publicisten – Karl Heinz Golla in bijzonder – is gebleken dat aan de oostelijke zijde van onze landsgrens er nog veel te leren valt over de gebeurtenissen in mei 1940. Als men bijvoorbeeld het buitengewoon verdienstelijke en aan te bevelen recente werk van Oberst Karl-Heinz Frieser leest over de Duitse Westfeldzug, en in het bijzonder de operationele kant van de zaak rond de Panzergruppe Kleist, dan komt men in de periferie van die werkstukken grove fouten tegen over de Nederlandse krijgsmacht of bijvoorbeeld de kwalitatieve analyses van de Franse krijgsmacht. Hardnekkige fouten in de Duitse krijgshistorische werken.

Over specifiek de luchtlandingen schreven Beekman en Kurowski een aardig werk van populair karakter, ‘Der Kampf um die Festung Holland’ in navolging van Beekman’s solowerkstuk ‘Sturmangriff aus der Luft’. Daarna volgden slechts enige generieke Duitse boekwerken, met een zijdelingse behandeling van de operatie in Nederland, volgens de klassieke clichés en meestal vol feitelijke fouten. Het was oud (naoorlogs) parachutist en gepensioneerd stafofficier Oberst a.D. Karl-Heinz Golla die enige jaren geleden [2006] voor het eerst vanuit het Duitse een kwaliteitswerkstuk lanceerde, ‘Die Deutsche Fallschirmtruppe 1936-1941’. Een degelijk stuk werk, met duidelijke verwijzingen en brongegevens, en met een bescheiden toonzetting, waarbij veel studie gemaakt was van geijkte en nieuw ontsloten bronnen. Hoewel deze eerste druk van Golla nog veel verbeteringen kon ondergaan, bleek deze auteur bijzonder bereid zijn informatie te verrijken t.a.v. het Nederlandse theater. Golla werd - al doende - een belangrijke schakel in het contact met de BDF, wat voor nadere ontsluiting van Duits bronmateriaal uiteindelijk essentieel bleek.  

Studies – veelal van kort na de oorlog – die dankzij Nederlandse auteurs een prominent karakter kregen in ons land, waren die van de Duitse onderzoekers Dr. Friedrich Weiss [Luftkrieg über Holland, 10-15 Mai 1940], Oberst a.D. H. Langmann [Luftlandeeinsatz IR.16] en de NARA ingegeven studie over de Luftwaffe inzet gedurende de gehele oorlog van Wilhelm Speidel. De studie van Weiss lijkt een degelijk stuk werk te zijn geweest en is terecht door – met name E.H. Brongers – regelmatig als bron gebruikt. De studie van Langmann is aantoonbaar zo vaak onzuiver of onjuist dat die eigenlijk nauwelijks waarde mag worden toegedicht en de studie van Speidel was zo generiek als het de Westfeldzug betreft dat dit lijvige document niet erg veel waarde heeft als het specifieke gebeurtenissen betreft.

Voor het onderzoek was het verkrijgen van een groot aantal gevechtsverslagen van de parachutisten van groot belang. Met name van de inzet in en om Dordrecht en Moerdijk werd zodoende belangrijke aanvullende informatie verkregen. Zo werd uit het zeer duidelijke gevechtsverslag van 3./FJR1 heel duidelijk dat de rol van met name de spoorwegtroepen in Dordrecht haast per ongeluk heel belangrijk bleek voor de fout van 3./FJR1 om zich in de stadsrand te laten binden. Een ander belangrijke bron bleek een uitgebreid gevechtsverslag van I./IR.72 dat over de mysterieuze ‘Gruppe de Boer’ bijzonder veel informatie prijsgaf. Over de gebeurtenissen rond de landingszone in het hart van het Eiland van Dordrecht en te Amstelwijk werd veel inzicht verkregen door de gevechtsverslagen van 2./FJR1, 4./FJR1 en I./FJR1. Ook de gevechtsverslagen van de Fallschirmjäger Sanitätskompanie werden verkregen en die boden ook inzichten, met name in relatie tot de ‘tweede landing’ op 10 mei. Het verworven gevechtsverslag van 7./FJR1 (en een ervaringsverslag van II./FJR.I) bood zeer veel informatie over de gebeurtenissen ten zuiden van de Moerdijkbruggen, maar evenzo over de strijd in Moerdijk zelf in de eerste uren. Daarbij was de mysterieuze Fritz Lamm betrokken – althans volgens de geijkte geschiedschrijving tot voor enkele jaren. Want het gevechtsverslag van 7./FJR1 was de aanleiding om nader onderzoek te doen en te kunnen concluderen dat de mysterieuze Fritz Lamm nooit heeft bestaan, althans niet als de figuur die jarenlang in Zwartenberg woonde, Moerdijk door en door kende en de parachutisten op 10 mei 1940 voorging met zijn lokale kennis.

Er zijn daarnaast veel Duitse bronnen (her)ontsloten die zien op de sterkte en samenstelling van zowel de parachutistendivisie – wat een eufemisme is voor een eenheid die niet meer dan een versterkt regiment aan werkelijke getalssterkte had – en de kleine luchtlandingsdivisie. Uit de bronnen blijkt duidelijk dat de luchtlandingsdivisie in wezen een voor Duitse begrippen kleine eenheid was, met minder dan 10,000 man die voor luchtlandingsinzet in aanmerking kwamen en dat voor de 7e Fliegerdivision – de schuilnaam voor de eerste Duitse parachutistendivisie – slechts zo’n 3,500 man voor Nederland beschikbaar waren. Twee divisies die op papier en bij elkaar qua inzetwaarde dus niet eens de sterkte van één volwaardige Duitse divisie hadden. Ook de sterkte van daadwerkelijk gelande manschappen wordt in de geijkte publicaties overdreven, soms sterk overdreven. Met de Duitse bronnen voorhanden betreffende de verladingsplannen en de Kriegsstarkenachweisungen is een veel betrouwbaardere sterkte en bewapeningsreconstructie te maken. Eén die aansluit op de cijfers die in de Erfahrungsberichten van 22.ID zijn gepubliceerd kort na de strijd.

Ook de zoektocht naar Duitse bronnen over de landstrijd leverde bescheiden successen op, hoewel de voorhanden bronnen reeds ontsloten en in Nederland bekend waren dan wel bekend hadden moeten zijn. Maar ook uit studie van die reeds bestaande bronnen konden gepubliceerde sterkteopgaven over Duitse eenheden en hun bewapening – veelal neerwaarts – worden bijgesteld. Daarnaast bleken de reeds bekende Duitse bronnen op bepaalde punten verkeerd te zijn geïnterpreteerd door onderzoekers, waardoor veel gekopieerde misvattingen rond de strijd hebben geleid tot hardnekkige fouten in Nederlandse geschiedenisboeken over de strijd in mei 1940.

Nederlandse bronnen

Er is al veel gezegd over de waarde van Nederlandse bronnen. Er zijn heel veel temporaine bronnen beschikbaar, vooral in het archief van het NIMH. Voor wat betreft de gebeurtenissen aan het Zuidfront, honderden krijgsverslagen. Het gros daarvan werd kort na de meidagen of anders kort na de oorlog opgesteld. Een beperkter deel ontstond in latere jaren of als gevolg van onderzoeken.

Om onduidelijke redenen vond de opperbevelhebber generaal Winkelman het indertijd zinvol om zijn leger te verordonneren alle krijgsverslagen, opgemaakt tijdens de meidagen, te vernietigen. Winkelman meende dat daarmee voorkomen kon worden dat de Duitsers er voordeel aan hadden bij de voortgezette strijd met België, Engeland en Frankrijk. Een nogal overtrokken vaststelling van een opperbevelhebber die veel voornamere zaken van die orde – zoals de tijdige vernieling van de defensie industrie en vernietiging van het Joodse bevolkingsregister – naliet. Welke waarde Nederlandse gevechtsverslagen voor de Duitsers zouden hebben gehad, is een raadsel. Winkelman lijkt een grove overschatting van die waarde te hebben gemaakt. Gevolg was echter dat er vrijwel geen authentiek verslag – opgesteld volgens de protocollen – voorhanden was in latere fase.

Vanwege Winkelman zijn nodeloze opdracht alle krijgsverslagen te vernietigen op 14 mei 1940, gingen vooral veel kostbare gegevens verloren omtrent tijdsgegevens en specifieke opdrachten. Want genoteerde opdrachten of afschriften van telexen en overige berichten, werden ook fanatiek vernietigd. In feite kan men vaststellen dat als er een ding tijdens de meidagen door ons leger haast feilloos was gedaan, het de vernietiging betrof van de gevechtsrapporten en aanverwante informatie. Zoals leerlingen een slecht rapport ook het liefste kwijtraken wellicht?

Naast de gearchiveerde bronnen in het NIMH, NA, NIOD en de talloze gemeentearchieven, is een soort schaduw archief ontstaan van verhalen van en interviews met veteranen en hun belangenbehartigers in de informele circuits der verenigingen, stichtingen en (al dan niet verbonden) amateurhistorische kringen. Naast dat schaduwarchief is er de importantie van de lokale historici en geïnteresseerden, die sterk omgeving specifieke kennis dragen en/of verzamelen. Zij zijn voor met name het micro en pico niveau haast een onmisbare schakel in de vastlegging van de geschiedenis. Daarbij dient echter tegelijkertijd de kanttekening te worden gemaakt, dat lokale geschiedenis ook zeer regelmatig mythen lanceert en goed preserveert. Er schuilt dan ook ‘goed en kwaad’ in de lokale ‘vorsing’.

Boeken worden bij deze studie slechts als bronnen gebruikt bij ontstentenis van de bronnen zelf of als een boek een toevoeging is op de oorspronkelijke bronnen, bijvoorbeeld door een doorwrochte analyse van een gebeurtenis. Een van de fundamenten onder deze studie is echter het feit dat zoveel mogelijk geanalyseerd wordt (c.q. werd) vanuit de eigenlijke bronnen en niet de interpretaties of verwerking daarvan. Zodoende voorkomt men dat fouten worden gekopieerd en dus herhaald, dat interpretaties van anderen worden herhaald en kritiekloos worden overgenomen en dat men dezelfde selecties aanbrengt als een voorganger reeds deed.

Daarnaast kent Nederland een heel scala aan gepubliceerde werken, die weliswaar als boeiend of voor een zeker doel passend kunnen worden aangeduid, maar als onderlegger voor een wezenlijke krijgshistorische studie onbruikbaar zijn. Populaire werken zoals de boeken van Frans Beekman, Loek Elfferich, Aad Wagenaars en Eppo Brongers kunnen zelden bronnen op zich zijn. Deze auteurs schreven immers in de regel zonder bronverwijzingen met hun eigen, soms zeer gekleurde, interpretaties van ongespecificeerde bronnen. Alleen werkstukken die werkelijk als studieresultaat zijn vormgegeven, die voorzien in veel feitelijke en verifieerbare informatie, die wetenschappelijk zijn opgesteld en publicaties die een ‘gat in de informatie’ dekken komen in aanmerking om als wezenlijke bronnen te gelden. Men kan daarbij denken aan memoires en biografieën, specifieke studies naar gebeurtenissen en gepubliceerd wetenschappelijk onderzoek. Zo zijn de boeken van E.H. Brongers weliswaar geen voorname bronnen, maar enkele van Brongers zijn studies zijn wel waardige bronnen. Zo initieerde deze onderzoeker en auteur studies naar het aantal neergehaalde Duitse vliegtuigen tijdens de meidagen van 1940, het aantal gesneuvelde Duitse militairen en het aantal gesneuvelde Nederlandse militairen. Bij al die studies werden niet alleen duidelijk de bronnen vermeld, maar evenzo vele interessante gegevens geïnventariseerd. De inventarissen van Duitse en Nederlandse gesneuvelden van Brongers zijn toonaangevend en in het publieke domein de enige in hun soort. Als bronnen onmisbaar in een compleet krijgshistorisch werk, hoewel ze niet kritiekloos kunnen worden aangewend.

Bronverwijzingen in tekst

Als je als auteur zuiver wetenschappelijk te werk wilt gaan, is één van de voorwaarden dat vrijwel iedere vaststelling in een tekst een bronverwijzing bevat. Dat maakt tekst echter alles behalve leesbaar. Dat is een van de redenen waarom er niet voor is gekozen telkens naar bronnen met voetnoten of citaten te verwijzen in de tekst, maar om de bronnen alleen met een verwijzingsnummer op te nemen. Slechts indien dit werkelijk noodzakelijk wordt geacht wordt hetzij in de tekst hetzij met een voetnoot een nadere duiding gegeven.

Het is voor de werkelijk geïnteresseerde lezer vaak van belang bronnen [met name citaten] te kennen die de aanleiding vormden voor bepaalde (vast)stellingen. Ze zijn te allen tijde opvraagbaar bij auteur.

Er is in het hoofdstuk ‘Bronnen’ een complete opsomming zichtbaar van de voor het onderzoek aangewende bronnen. Daarbij zijn met name de bronnen t.a.v. de honderden Nederlandse gevechtsverslagen geclusterd per onderdeel (meestal op bataljonsniveau). Heel specifieke zaken worden tekstueel nader geduid met naam en toenaam van het verslag of de auteur ervan. De bronnen worden met de weergegeven unieke nummercodes tussen vierkante haken - het geheel in wijnrode kleur als extra indicatie - in de tekst weergegeven. Als daartoe aanleiding gevoeld wordt, wordt naast het bronnummer een specifiek onderdeel van de bron genoemd, zoals een naam, bladzijdenummer of passagenummer.