Duitse dapperheidsonderscheidingen

Inleiding

In het Duitse leger werd aan onderscheidingen en overige symbolen van uitzonderlijke prestaties veel waarde gehecht. Er werd al eeuwenlang gebruik gemaakt van diverse orden, waarvan het verkrijgen een grote eer was. Dat stond in schril contract met het Nederlandse leger, waar lange tijd de Militaire Willemsorde de enige onderscheiding was.

In 1939 werd door Hitler een nieuwe orde ingesteld, gestoeld op de reeds bestaande van oorsprong Pruisische onderscheidingenorde, die door koning Friedrich Wilhelm III van Pruisen in 1813 reeds was ingesteld. De basis daarvan was het Pruische (oorlogs)kruis. Daarnaast verving Hitler het door Frederik de Grote ingestelde ‘Pour le Mérite’ – een hoge onderscheiding waarvan de drager veel erkenning toeviel – voor het Ritterkreuz des Eisernen Kreuzes, dat opging in de orde van het IJzeren Kruis. Tijdens de oorlog werd de orde diverse malen uitgebreid met extra gradaties bovenop het Ridderkruis. In hoofdzaak waren er echter maar drie hoofdgraden, zijnde het IJzeren Kruis 2e Klasse, het IJzeren Kruis 1e Klasse en het Ridderkruis van het IJzeren Kruis.

Naast de orde van het IJzeren Kruis werd tijdens de oorlog nog een nieuwe dapperheidsonderscheiding ingesteld. Dat was het Deutsche Kreuz, dat in goud kon worden verdiend voor daden van dapperheid (in zilver voor verdiensten). Het werd pas in 1941 toegevoegd, toen bleek dat het ‘gat’ tussen IJzeren Kruis 1e Klasse en het Ridderkruis erg groot was. Het Duitse kruis wordt hier verder niet besproken omdat het uit de aard der zaak niet aan militairen kon worden uitgereikt wegens in mei 1940 in Nederland verrichte daden.

Naast dapperheidsonderscheidingen kende het Duitse leger nog talloze andere vormen van onderscheiding, die niet (direct) aan dapperheid of uitmuntend leiderschap waren verbonden. Een heel bekende erkenning, die naoorlogs door vele legers is overgenomen (inmiddels sinds kort ook het Nederlandse), was de onderscheidende ‘Nahkampfspange’ (nabijgevechtgesp) die in 1942 werd ingesteld. Het was een erkenningsteken – in drie gradaties – voor intensieve betrokkenheid bij nabij gevechten. Het bezit van deze Spange, zeker de hoogste twee gradaties voor langdurige nabijgevechtservaring, wekte in algemene zin meer respect bij andere militairen dan het bezit van de EK I en EK II. Een andere zeer bekende erkenning, die ook veel navolging kreeg bij andere legers naoorlogs, was het Verwundetenabzeichen (oorlogsverwondingteken), dat eveneens in drie gradaties kon worden ‘verdiend’. Het werd in zwart (één of twee oorlogsverwondingen), zilver (drie of vier oorlogsverwondingen) en goud (vijf of meer oorlogsverwondingen) vergeven. Naast deze beide zeer bekende eretekens, waren er nog talloze andere erkenningen van prestaties zoals voor het tot zinken brengen van schepen, neerhalen van vliegtuigen, uitschakelen van tanks, sluipschutterprestaties, campagnedeelnames, speciale vaardigheden, etc. etc.

Weloverwogen toekenning?

Ten aanzien van de toekenning van onderscheidingen was er een groot onderscheid tussen het Duitse en het Nederlandse leger anno 1940. Daar waar de Nederlanders ronduit benepen omgingen met het erkennen van gevechtsprestaties, daar waren de Duitsers scheutig met in het bijzonder het IJzeren Kruis 2e Klasse, dat in rang vergelijkbaar was met het Nederlandse Bronzen Kruis/Vliegerkruis alsmede het opvallend weinig uitgegeven Kruis van Verdienste. Naar aanleiding van de strijd in mei 1940 kregen soms halve compagnieën een EK II uitgereikt. Zo werden vele stoottroepen, ‘Vorausabteilungen’ en bijvoorbeeld parachutisteneenheden werkelijk overladen met het EK II, officieren niet zelden met het EK I. Er werden er enkele duizenden uitgereikt voor acties aan het Nederlandse front, terwijl de hoeveelheid militairen die werkelijk in gevechtsaanraking waren gekomen hoogstens enkele tienduizenden bedroegen.

Het Ridderkruis werd beduidend minder uitgereikt, daar ook in het Duitse leger bij de toekenning ervan soms in grote mate politiek en propaganda een rol speelde, maar vooral ook omdat het Ridderkruis net als de Nederlandse Militaire Willemsorde (vanaf de Tweede Wereldoorlog) een buitengewone onderscheiding was en ook bleef. Toch zag men bij die toekenning ook de sterk politieke - en in Duits geval ook de propagandistische - kant van de toekenning, reeds in mei 1940.

De zich bij de oversteek van de IJssel bij Westervoort en de Slag om de Grebbeberg onderscheidende Obersturmbannführer Hilmar Wäckerle (III./SSDF) werd het Ridderkruis tot tweemaal toe geweigerd omdat zijn divisiecommandant van 207.ID (waar SSDF onder viel tijdens de veldtocht in Nederland), even zo vaak de aanvraag van de commandant van SSDF negatief ondersteunde. Dit gebeurde vrijwel zeker omdat Wäckerle naar de mening van de generaal door zijn handelingen tijdens de strijd op een te bombastische wijze iets teveel aandacht op de SS had gevestigd en dat dit anno mei 1940 door officieren van de reguliere landmacht niet erg werd toegejuicht. Dat Wäckerle tevens verantwoordelijk was voor enige oorlogsmisdaden zal niet hebben meegespeeld. Daarvan had men bij 207.ID vrijwel zeker geen enkele notie.

Een nog veel sprekender voorbeeld van een puur propagandistisch Ridderkruis was er in het geval van parachutist Oberleutnant Alfred Schwarzmann. Die was commandant van een peloton van 8./FJR.1, en had als taak om het dorp Moerdijk in te nemen in de vroege morgen van 10 mei 1940. Hij was nota bene de enige pelotonscommandant van II./FJR.1, die zijn opdracht niet glorieus volbracht en wiens peloton pas na versterking, en na aanzienlijke verliezen, de missie tot een goed einde kon brengen. Schwarzmann zelf was toen allang zwaar gewond afgevoerd. Hij kreeg echter om onverklaarbare redenen eerst op 25 mei 1940 zijn Ek II en I, en op 29 mei 1940 daar bovenop nog eens het Ridderkruis toegekend. De reden voor die eerste onderscheidingen is al volmaakt duister, maar het Ridderkruis was ronduit grotesk. De werkelijke aanleiding was zuiver politiek en propagandistisch van aard. Schwarzmann had op de Olympische Spelen van 1936 in Berlijn driemaal goud gewonnen op het onderdeel turnen. Hij was daarna zijdelings bij de parachutisten terecht gekomen, toen hij in Stendal als reserve officier para’s leerde om bij de landing goed neer te komen en door te rollen. Vlak voor de meidagen werd hij echter, mede wegens gebrek aan voldoende kader maar vooral ook voor wervingsdoeleinden, zelf opgenomen bij de para’s en commandant van een mitrailleur peloton. Een propaganda doelwit voor de parachutisten. Göring zocht hem in mei 1940 persoonlijk op in een Dordts ziekenhuis. Toen Schwarzmann eind mei aan zijn zware verwondingen leek te gaan bezwijken, werd hem nog gauw het Ridderkruis toegekend. In juni maakte hij echter een wonderbaarlijke genezing door, waarna hij later in 1940 wederom kon aansluiten bij de parachutisten. Hoewel het Ridderkruis in het begin van de oorlog enorm aanzien had, werd dat van Schwarzmann nimmer gepruimd. Het bleef hem altijd achtervolgen dat hij in de ogen van zijn kameraden het Ridderkruis niet verdiend had. Naoorlogs zou hij op één keer na alle jaarlijkse reunies van de 'Alte Kameraden' verstek laten gaan.

De Ridderkruizenregen na de Westfeldzug voor hogere veldcommandanten moet men zien als een euforisch bad na de onverwacht snelle overwinning. Er werd vaak niet eens gekeken of een bepaald onderdeel nu wel zo goed had gefunctioneerd of dat de vijand een overwinning vooral had gefaciliteerd. In het geval van de Oberstleutnant Weber, de commandant van IR.481 (256.ID) – de eenheid die bij Mill vocht – was daarvan duidelijk sprake. In feite had deze regimentscommandant heel matig geopereerd naar Duitse maatstaven. Zijn regiment slaagde er niet in om (in hoofdzaak) twee Nederlandse bataljons op te rollen die de sector bij Mill verdedigden. Hoewel de Nederlanders zich ter plaatse uitstekend verweerden, was het juist de on-Duitse terughoudendheid van de regimentscommandant, dat pas laat in de avond, na een zwaar Duits luchtbombardement en nadat nog een ander regiment was aangetrokken, de stelling bij Mill beslissend kon worden gepenetreerd door de Duitsers. Er was geen sprake van dat Weber zich buitengewoon goed had gemanifesteerd. De Duitse perceptie was echter geweest dat men zich door een divisie in plaats van slechts een tweetal bataljons had heengeslagen. Hoewel al op 12 mei duidelijk werd dat men een veel bescheidener vijand had verslagen, kreeg Weber toch een Ridderkruis.

Ten aanzien van politieke overwegingen om dapperheidsonderscheidingen uit te reiken onderscheidde het Duitse leger zich nauwelijks van het Nederlandse. Wel was er in algemene zin veel meer aandacht voor moedig gevechtsgedrag en uitstekend leiderschap. Dit werd niet alleen zonder al te veel dralen erkend, maar de onderscheidingen volgden ook relatief snel na de voordracht. In Nederland – zo mag bekend zijn – ging een speciale Commissie Onderscheidingen ongeveer de gehele curriculum vitae van een voorgedragen militair na, werden soms talloze getuigen gehoord of verzocht te verklaren op schrift en dan volgde meestal nog een afwijzing van het gros der voordrachten die de Commissie al gehaald hadden. Daarin wordt ook duidelijk een verschil in volksaard en cultuur getoond. Het nuchtere ambtelijke Nederland, dat een verloren slag nu niet met al te veel lauweren wilde omkleden en vooral zorgvuldig wenst te wikken en wegen wat nu onderscheidend gedrag was en wat niet, versus een krijgshaftige natie waar moed en leiderschap als grote deugden werden gezien en waar men meestal niet al te moeilijk deed over details.

Dapperheidsonderscheidingen

Hieronder worden slechts de dapperheidsonderscheidingen besproken die gedurende mei 1940 konden worden toegekend aan militairen van de Wehrmacht. Men zal dus bijvoorbeeld vergeefs zoeken naar het Duitse kruis in zilver of goud, omdat dit pas later werd ingesteld.. Aangezien het EK I en EK II gelijknamig in eerdere uitvoeringen in gebruik waren, is het van belang dat de lezer zich bewust is van voornoemd voorbehoud.

IJzeren Kruis 2e klas (Eisernes Kreuz 2.Klasse)

Het Eisernes Kreuz 2.Klasse (ook wel als Eiserne Kreuz geschreven), afgekort als “EK II”, was de laagste dapperheidsonderscheiding in het Duitse leger. Een aanvraag ervoor werd op divisieniveau beoordeeld.

Het was qua betekenis het beste vergelijkbaar met het Nederlandse Bronzen Kruis / Vliegerkruis, alsmede het lagere, overigens erg bescheiden toegekende, Kruis van Verdienste. NB: het Duitse Verdienstkreuz (in de laagste gradatie) werd niet als dapperheidsonderscheiding vergeven in tegenstelling tot het Nederlandse Kruis van Verdienste wat nadrukkelijk wel (mede) als dapperheidsonderscheiding werd uitgereikt.

Het standaard Duitse Kruis in zwart uitgevoerd met swastika in het hart en het jaartal 1939 onderin, met op de achterzijde het jaartal 1813, het geheel afgewerkt met een stalen versiersel aan de binnenzijde van de rand afgezet tegen een verzonken stalen kruis. Het kruis werd d.m.v. een rood lint (met witte binnenrand en zwarte buitenrand) door een ring aan het kruis in een knoopsgat van de uniformjas op (linker) borsthoogte gedragen.

Had de decorandus reeds een Eisernes Kreuz des Weltkriegs 2.Klasse uit de Eerste Wereldoorlog, dan kreeg hij bij een nieuwe uitreiking van een EK een zogenaamde Spange (gesp) op de band boven het Eisernes Kreuz.

Het “EK II” (en Spange) werd veelvuldig uitgereikt. Men schat dat het aan circa 3.000.000 militairen in dienst van de Wehrmacht werd uitgereikt. Het exacte getal is onbekend.

IJzeren Kruis 1e klas (Eisernes Kreuz 1.Klasse)

Het Eisernes Kreuz 1.Klasse (ook wel als Eiserne Kreuz geschreven), afgekort als “EK I”, was de een-na-laagste dapperheidsonderscheiding in het Duitse leger. Een aanvraag ervoor werd op divisieniveau beoordeeld. Men kon het pas verkrijgen als het "EK.II" reeds in bezit was of gelijktijdig werd toegekend.

Het was qua betekenis het beste vergelijkbaar met de in Nederland toegekende dapperheidsonderscheiding Bronzen Leeuw.

Het standaard Duitse Kruis in zwart uitgevoerd met swastika in het hart en het jaartal 1939 onderin, met op de achterzijde het jaartal 1813, het geheel afgewerkt met een stalen versiersel aan de binnenzijde van de rand afgezet tegen een verzonken stalen kruis. Het kruis werd d.m.v. een pinbevestiging aan het kruis op de uniformjas op de (linker) borst gedragen.

Had de decorandus reeds een Eisernes Kreuz des Weltkriegs 1.Klasse uit de Eerste Wereldoorlog, dan kreeg hij bij een nieuwe uitreiking van een EK een zogenaamde Spange (gesp) op het Eisernes Kreuz.

Het “EK I” (en Spange) werd beduidend minder veelvuldig uitgereikt dan de "EK II". Men schat dat het aan circa 300.000 militairen in dienst van de Wehrmacht werd uitgereikt. Het exacte getal is onbekend.

Ridderkruis van het IJzeren Kruis (Ritterkreuz des Eisernen Kreuzes)

Het Ritterkreuz des Eisernen Kreuzes – ofwel kortweg Ritterkreuz (Ridderkruis) – was de hoogste dapperheidsonderscheiding in het Duitse leger, dat echter vanaf 1940 nog met extra graden in waarde kon worden verhoogd. De onderscheiding had een zeer hoog aanzien, vergelijkbaar met de Nederlandse Militaire Willemsorde der 4e klasse.

Een militair kwam niet eenvoudig in aanmerking voor het verlenen van het Ritterkreuz. Daarvoor moest een grote mate van moed en beleid worden getoond en reeds een "EK II" en "EK I" in bezit zijn of gelijktijdig worden toegekend zoals in een aantal gevallen. Overigens was het Ritterkreuz, net als de Nederlandse MWO4, in de meeste gevallen vooral weggelegd voor officieren. Het beleidscriterium (c.q. leiderschapscriterium) woog dan ook zwaar.

Het Ritterkreuz was een iets vergroot standaard Duits Kruis, qua beeld identiek aan die van “EK I” en “EK II”, maar werd met een grote ring die haaks bovenop het kruis was geklonken met een rood, wit en zwarte band om de nek gedragen, zodat het kruis een fractie onder de halsknoop in de kraag van
uniformjas hing. 

Het Ritterkreuz werd 7.313 keer officieel uitgereikt. Enkele niet geformaliseerde gevallen in de laatste fase van de strijd zijn bij dat getal niet meegeteld.

In 1940 en 1941 werden extra graden toegevoegd aan het Ritterkreuz, zodat de Ridderkruisdrager met toevoeging van respectievelijk Eikenloof (883 officiële toekenningen), Eikenloof en zwaarden (159 officiële verleningen) en eikenloof, zwaarden en briljanten (27 officiële verleningen) kon worden gepromoveerd. Daarboven was dan nog het Grootkruis (Grosskreuz des Eisernen Kreuzes) als allerhoogste gradatie ingesteld dat alleen Hermann Göring ten deel viel. Al deze extra graden waren voor mei 1940 nog niet van toepassing.

Bekende decorandi

Voor verrichtingen in Nederland tijdens de veldtocht in mei 1940 zijn vele duizenden Duitse militairen gedecoreerd. Er waren enkele locaties waar men van een lintjesregen mag spreken. Wegens verrichtingen aan het Grebbefront, Maaslinie en de luchtlandingsoperatie werden duizenden EK.II's en hoger uitgereikt.

Aan het Grebbefront viel de Waffen SS (Standarte Der Führer) een aanzienlijke hoeveelheid onderscheidingen ten deel, tevens bedoeld voor de oversteek van de Yssel bij Westervoort. Aan de Maaslinie werden vele honderden leden van de geheime commando eenheden en de zogenaamde 'Vorausabteilungen' - samengestelde spitsformaties uit reguliere verbanden - onderscheidden. Met name voor de toch vele bruggen over het Julianakanaal die veilig in hun handen waren gekomen, maar ook voor doortastend handelen nadien of ondanks opgeblazen bruggen. Heel veel parachutisten van FJR.1 werden gedecoreerd, net als een groot aantal man van IR.16., voor de belangrijke overwinning in de sector Moerdijk - Rotterdam.

Daar waar uit KTB's lijsten van decorandi zijn te isoleren, tonen ze enorme opsommingen van decoraties. Ook binnen divisiestaven, van succesvolle eenheden, werd ruimhartig gestrooid met gespen (Spange) en IJzeren Kruizen. De bij de start van de invasie ruimschoots voorhanden dozen met EK II en EK I medailles - op divisieniveau in voorraad - slonken als sneeuw voor de zon. Die vloedgolf aan decoraties was uiteraard niet van toepassing op het Ridderkruis. Daarmee werd zuinig omgesprongen, mede omdat over de uitreiking daarvan op hoger niveau werd beschikt.    

Het Ritterkreuz werd aan enkele hoofdrolspelers van de veldtocht tegen Nederland in mei 1940 uitgereikt. Geen van de onderstaande Ridderkruizen werd postuum toegekend. Als zodanig gedecoreerd waren o.m. (met indicatie van hun toenmalige rang):

Oberstleutnant Weber (Kdr IR.481, 256.ID), Generalleutnant Kurt Student (7.FD), Generalleutnant Hans Graf von Sponeck (22.ID), Hauptmann Karl-Lothar Schulz (III./FJR.1), Leutnant Wolfgang Graf von Blücher (2./FJR.1), Oberstleutnant Johann de Boer (Kdr AR.22), Oberst Bruno Bräuer (Kdr FJR.1), Oberstleutnant Dietrich von Choltitz (Kdr III./IR.16), Hauptmann Walter Gericke (4./FJR.1), Feldwebel Hellmuth Görtz (3./FJR.1), SS Oberführer Georg Keppler (SSDF), Oberleutnant Horst Kerfin (11./FJR.1), Hauptmann Fritz Prager (II./FJR.1), Generalleutnant Rudolf Schmidt (Kdr XXXIX.AK, voor zowel NL als F front), Oberleutnant Hermann-Albert Schrader (11./IR.16), Leutnant Cord Tietjen (7./FJR.1), Hauptmann Erich Walther (I./FJR.1), Oberleutnant Wilhelm Walther (zbV 800), Oberleutnant Alfred Schwarzmann (8./FJR.1), Major Fritz Iwand (Kdr I./SR.10) en General Albert Wodrig (Kdr XXVI.AK). Op enkele na, waren al deze Ridderkruizen gerelateerd aan de luchtlandingsoperatie.

[Beschrijvingen mede tot stand gekomen door Wilco Vermeer zijn adviezen en afbeeldingen]

Zoeken »