DE DOOD VAN MUSSERT

Vervolg verslag van Majoor Den Boer:
"In het bureau van de kapiteins Crok en Siegmund hoor ik, dat de Lichte Divisie bezig is uit de stad terug te trekken. Ik begeef me terstond naar het Papendrechtse veer en tref aldaar de directeur van de gasfabriek, ir. Meijer en de overste Mijsberg. Ik richt me tot laatstgenoemde en zeg: "Ik merk, dat u zich uit de stad terugtrekt. U begrijpt, dat de Pontonniers hetzelfde moeten doen en u kunt erop vertrouwen, dat wij de aftocht zullen dekken. Hetzelfde verwacht ik van u wanneer door de onderdelen de overkant is bereikt."
De overste geeft me geen antwoord. Ik keer terug naar Crok en Siegmund en vertel hen wat ik zojuist Mijsberg gezegd heb en verzoek de kapiteins Driessen en Zwennes in te lichten. Tevens vraag ik de barricades in de straten en naar het veer bezet te houden om een eventuele opmars van de Duitsers te kunnen opvangen. Net kom ik het bureau binnen of de telefoon gaat. Mussert is aan de lijn en gelast me naar de pont te gaan om daar te beletten dat de manschappen Dordt verlaten. Tevens zegt hij dat wij op de lijn Vest stand moeten houden.
Dit is een zeer lastig geval. Ik beraad me en zeg de overste aan zijn opdracht te zullen voldoen. Ik blijf echter op mijn bureau en na verloop van een kwartier bel ik de overste terug en vertel hem, dat de zware mitrailleurs al aan de Papendrechtse kant zijn en de Wielrijders aanstalten maken de rivier over te gaan. De Pontonniers kunnen onder deze omstandigheden kwalijk in Dordt achterblijven. Ik zeg verder dat wanneer wij trachten in de stad stand te houden het gevaar van een algehele vernietiging op de hals halen en het veel wijzer zal zijn wanneer wij aan de andere kant van de Merwede een front opbouwen. Onze weerstand kan hiermee worden georganiseerd en van veel betekenis zijn.

Hierna besluit de overste tot de algehele terugtocht. Het overzetten van de onderdelen verloopt in volmaakte orde. Het is inmiddels avond geworden en pikkedonker. Om ongeveer elf uur verschijnt Mussert in zijn auto en rijdt de pont op. Ik besluit hem met mijn auto te volgen en samen bereiken wij Papendrecht. Mijn wagen wordt bestuurd door een andere chauffeur. Licher heet de man. Hij is korporaal bij de Pontonniers en heeft mij bijgestaan in het gevecht in het Sportfondsenbad. Mijn vorige auto, met chauffeur, heb ik bij de gevechten aan de Duitsers verloren en Licher heeft daarna een onbeheerde personenauto meegenomen, die ons nu goede diensten bewijst. Hij draagt een Brabants nummerbord. Licher heeft zich bijzonder verdienstelijk gemaakt tijdens de gevechten door veertien parachutisten buiten gevecht te stellen. Mijn vorige chauffeur Van Gulik is door de Duitsers gedwongen een vijandelijke wagen te besturen en werd hierbij door onze eigen mensen doodgeschoten.
Bij mijn aankomst te Papendrecht overvalt me de vermoeidheid van de laatste dagen en ben ik niet meer in staat iets te doen. Sinds vrijdag heb ik niet meer geslapen en alleen de ernst van de strijd heeft me op de been gehouden. Later vervolgen wij de weg naar Sliedrecht."

"Het is aardedonker", zo vervolgt de heer Den Boer, "en voorop rijdt Mussert met zijn adjudant, kapitein Van der Mark. Daarachter volgen kapitein Van der Flier en ik. Het is een moeilijke tocht langs de kronkeldijk maar eindelijk dan bereiken wij Sliedrecht. Wij trachten in de lunchroom van Van der Vlies in kwartier te komen, het huis is echter al bezet en daarom besluit ieder voor zichzelf onderdak te zoeken. Ik kom uiteindelijk terecht bij een kennis van me, de heer Van Seventer, directeur van "De Klop". Na een nachtrust van ongeveer een uur of vijf neem ik contact op met Mussert en vraag hem verlof naar Papendrecht terug te keren om daar met de Pontonniers stelling te nemen en de veerponten te laten zinken. Mussert staat me niet toe weg te gaan, waarom niet, daarvoor geeft hij geen reden. Hij verzoekt me bij hem te blijven. Later komt het bericht, dat de ponten aan de Papendrechtse kant tot zinken zijn gebracht door enige aspirant officieren van het Korps Pontonniers en Torpedisten. Bij deze gebeurtenis werd Tom Lebret, uit Dordt, gewond. Mussert heeft inmiddels zijn bureau gevestigd in het kantoor van het Gemeentelijk Elektriciteitsbedrijf te Sliedrecht en verblijft daar de gehele ochtend. Het bevreemd ons uitermate, dat hij zijn mannen in Papendrecht niet is gaan bezoeken. De reden is niet bekend. Wij vermoeden slechts, dat hij zich teruggetrokken heeft omdat hij de stemming van wantrouwen onder de manschappen kent. Hij heeft immers alles tegen en wordt als verrader beschouwd. Hij weet, dat hij is tekort geschoten als commandant. Hoe moet dit worden uitgelegd?

's Middags worden wij uitgenodigd de lunch te gebruiken bij de heer Van Seventer. De kapitein-adjudant Van der Mark is verhinderd. Aan tafel zitten, behalve de familie Van Seventer, overste Mussert, kapitein Van der Flier en mijn persoon. Om ongeveer 13.30 uur begeven wij ons naar het bureau. Wij bespreken daar de terugtocht van de Pontonniers aan de Lek (de compagnieŽn van Crok en Siegmund zijn al te Lekkerkerk aangekomen zonder dat hun chef, overste Mussert, hiervan iets afweet). Wij staan rondom de kaartentafel als plotseling de deur wordt opengegooid en een man, gekleed in een leren motorjas, met een getrokken pistool de kamer binnenstormt. "Handen omhoog...!!", roept hij. Ik schrik hevig. Zouden de Duitsers al tot hier zijn doorgedrongen? Achter hem verschijnt eveneens een in motorjas gekleed persoon en bij de buitendeur ontdek ik nog een derde, die echter gestoken is in de uniform van de politie. De drie mannen houden hun wapen op ons gericht en ik maak aanstalten me over te geven. De toestand in ons vaderland is toch hopeloos en de moed zinkt me in de schoenen. Niets meer aan te doen. Het is een verloren zaak.
Er ontstaat een heftige woordenwisseling tussen de eerste indringer (de reserve kapitein A.J.C. Bom, commandant van de Mitrailleurcompagnie van 1-2-R.W.) en Mussert. Het blijkt ons, dat wij te doen hebben met eigen officieren. Door het verwijderen van de distinctieven was het misverstand ontstaan. Bom beschuldigt Mussert van hoogverraad waarop deze antwoordt: "Ik een verrader? Ik zal je zeggen wie de verraders zijn." Maar Mussert zegt dat niet! Hij noemt zelfs geen namen en het gesprek, voor zover hiervan kan worden gesproken, loopt hopeloos vast.
Mussert wordt daarop gesommeerd tot overgave. Hij zegt echter: "Ik verdom het; schiet me dan maar kapot". Het dreigt verkeerd te gaan en ik tracht de overste te bewegen zich over te geven.

Hij heeft immers geen schuld, zo hij beweert en dan komt het toch allemaal later goed (zie situatieschets van het kantoor van de heer Quermonprť). Eerst staan de overste en de kapitein Bom tegenover elkaar. Op het moment, dat de tweede persoon (de reserve 1e luitenant A.J. Kruithof, waarnemend bataljonsadjudant van 1-2-R.W.) zich in het gesprek gaat mengen is Mussert op de met 4A aangegeven plaats en veranderd van front. Bom kan nu gemakkelijk Mussert overweldigen maar dat gebeurt niet. Het wordt een zeer wanordelijke toestand en door de grote nervositeit ontgaat me het verdere verloop van het gesprek. Plotseling zie ik, dat Kruithof zijn pistool op het onderlijf van Mussert aanlegt en tegelijkertijd enige malen schiet. Onmiddellijk zakt de overste in elkaar (opmerking auteur: wegens het verzet van Mussert die een beweging maakte alsof hij zijn pistool wilde trekken werd hij door Kruithof neergeschoten). Hierop werden wij drieŽn naar buiten gevoerd. In de consternatie vergeet ik mijn helm en vraag verlof deze op te gaan halen. De overste ligt nog steeds bij de tafel; ik kniel bij hem neer en zeg zijn naam. Antwoord komt er niet en ik meen, dat hij al stervende is. (Naar later is gebleken, leefde Mussert nog op dit moment. Om 02.00 uur in de nacht is hij tengevolge van zijn verwondingen, waaronder buikschoten en een leverschot, bezweken). Met een auto van de Geneeskundige Dienst is hij naar het ziekenhuis te Gorinchem vervoerd alwaar nog getracht is hem te opereren, echter zonder resultaat. De bewering van Kruithof, als zou Mussert naar zijn pistool hebben gegrepen, kan ik niet bevestigen, daar ik het niet heb gezien. Dit is onder meer duidelijk aan de hand van de schets.

Voor mij staat vast dat Mussert geen verrader is geweest en evenmin een lafaard. Daarvoor heb ik hem te goed gekend.
Wij worden als gevangenen naar het bureau van kapitein Bom gebracht en van daar naar Brandwijk vervoerd. Die tocht vergeet ik niet licht en nu realiseer ik me pas goed wat er gebeurd is. In Brandwijk begin ik gelijk tegen een mij onbekende majoor over het gebeurde op te spelen met het gevolg, dat er een beter inzicht ontstaat over onze toestand en wij beter worden behandeld. In verbelg mij over het feit, dat wij alles hebben gedaan in de strijd om Dordt wat ons goed scheen en nu die ellende en misverstanden. Wij moeten nu naar Oud-Alblas en worden daar ondervraagd voor een voorlopig onderzoek. Kort hierna herkrijgen wij onze vrijheid en wapens."
 
 

TWEEDE PINKSTERDAG, 13 MEI
INHOUDSOPGAVE
DE OVERGAVE